Vraag van de voorzitter WIM: “Wij (CMO) zijn gevraagd naar onze zienswijze over embryo onderzoek en vernietiging ervan. Het is ethische kwestie en willen namens WIM graag hierop reflecteren. Heeft u hier ideeën over?

Hieronder presenteer ik (Tangali) mijn overwegingen vanuit een Soennitisch‑academische en theologisch‑juridische perspectief.

Inleiding

Deze memo biedt een academisch‑juridische analyse van embryo‑onderzoek en de vernietiging van embryo’s vanuit de soennitisch‑islamitische rechtsleer. De vraag is actueel vanwege maatschappelijke discussies over voortplantingstechnologie, stamcelonderzoek en de ethische status van het embryo. De analyse is gebaseerd op primaire bronnen (Qur’ān en authentieke ḥadīth), klassieke fiqh‑literatuur en hedendaagse fatwa‑organen.

Normatieve basis in Qur’ān en Hadith
Heilige Qur’ān

De Heilige Qur’ān beschrijft de ontwikkeling van het embryo in opeenvolgende fasen: “Voorwaar, Wij scheppen de mens uit een uittreksel van klei; dan plaatsen Wij hem als een kleine levenskiem in een veilige plaats. Vervolgens vormen Wij de levenskiem tot een klonter bloed; daarna vormen Wij het geronnen bloed tot een (vormeloze) klomp; dan vormen Wij beenderen uit deze (vormeloze) klomp; daarna bekleden Wij deze beenderen met vlees; vervolgens ontwikkelen Wij het tot een nieuwe schepping. Gezegend zij Allāh, de Beste Schepper.” (Qur’ān 23:12-14, afgeleid van de Engelse vertaling – WIM Karachi). Deze verzen worden door soenniet juristen geïnterpreteerd als een aanwijzing dat de menselijke ontwikkeling gradueel verloopt en dat de juridische status van het embryo eveneens gradueel is (Al-Qaradāwī, 1994).

Daarnaast benadrukt de Qur’ān de intrinsieke waarde van het menselijk leven: “Deswegen schreven Wij de kinderen Israëls voor, dat wie ook een mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen van wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had gedood, en voor hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan het gehele mensdom het leven heeft geschonken. En voorzeker Onze boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen en toch – werden daarna -velen hunner op aarde tot overtreders.” (Qur’ān 5:32, afgeleid van de Engelse vertaling – WIM Karachi). Dit vers wordt door moderne fiqh‑raden gebruikt om medisch onderzoek dat levens kan redden te legitimeren (ECFR, 2003).

Hadith – het 120‑dagen moment

De centrale ḥadīth luidt: “De engel wordt gestuurd… en blaast de ziel in na 120 dagen.” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, nr. 3208; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2643). Deze overlevering vormt de basis voor het onderscheid tussen:

  • pre‑ensoulment (vóór 120 dagen): embryo heeft waardigheid maar geen volledige menselijke rechtsstatus;
  • post‑ensoulment (na 120 dagen): embryo heeft de status van een mens met volledige rechtsbescherming.
Fiqh‑principes en madhhab‑posities

Hoewel embryo‑onderzoek primair valt onder fiqh al‑ṭibb en de bio‑ethische subdiscipline fiqh al‑nasl, bestaan er secundaire raakvlakken met fiqh al‑muʿāmalāt, met name waar het gaat om commercialisering, eigendomsrecht en contractuele afspraken omtrent het gebruik van menselijk biologisch materiaal.

Relevante rechtsprincipes
  • Malaah (publiek belang): medisch onderzoek dat levens redt kan worden toegestaan (Al‑Shāṭibī, 1997).
  • arūrah (noodzaak): nood breekt verbod, maar proportioneel (Ibn ʿĀbidīn, 2003).
  • arar wa lā irār: schade moet worden voorkomen (Al‑Nawāwī, 1996).
  • Sadd Sharā’ī: voorkomen van misbruik of commercialisering van menselijk materiaal.
Klassieke madhhab‑posities
  • anafī: Vóór 120 dagen is beëindiging of manipulatie van het embryo in uitzonderlijke gevallen toegestaan, mits er een legitiem belang is (Ibn ʿĀbidīn, 2003).
  • Shāfiʿī: Vergelijkbaar met de Ḥanafī‑positie: vóór 120 dagen bestaat ruimte voor medische afwegingen, maar met strikte voorwaarden (Al‑Nawāwī, 1996).
  • Mālikī: Strenger, het embryo heeft al vroeg een hoge mate van waardigheid, maar vóór 40 dagen is beperkte ruimte voor uitzonderingen (Al‑Dardir, 1991).
  • anbali: Volgt expliciet de 120‑dagen grens; onderzoek vóór 120 dagen kan worden toegestaan mits er geen commercieel misbruik plaatsvindt (Ibn Qudāmah, 1985).
Hedendaagse fiqh‑organen
Islamic Fiqh Academy (OIC)

Staat embryo‑onderzoek toe vóór 120 dagen onder voorwaarden:

  • geen commerciële exploitatie,
  • duidelijke medische noodzaak,
  • respectvolle omgang met embryo’s (IFA, 1990).
European Council for Fatwa and Research (ECFR)

Bevestigt dezelfde lijn en benadrukt dat onderzoek moet bijdragen aan het publieke belang en ethisch moet worden gereguleerd (ECFR, 2003).

Ālāḥazrat Imam Aḥmad Raza Khan over embryo‑onderzoek

De juridische positie van Ālāḥazrat Imam Aḥmad Raza Khan Bareilwī (raḍiyAllāhu ʿanhu, 1856–1921) met betrekking tot embryo, foetus en zwangerschapsbeëindiging is verspreid over meerdere delen van Fatāwa Razvia. Hoewel moderne biomedische concepten zoals embryo‑onderzoek in zijn tijd niet bestonden, is zijn fiqh‑principes direct toepasbaar op hedendaagse bio‑ethiek (Khan, 2009, Vol. 9).

De status van het embryo vóór en na 120 dagen

Ālāḥazrat volgt de klassieke Ḥanafī‑positie waarin het embryo vóór 120 dagen wel waardigheid bezit, maar nog niet de volledige juridische status van een mens (Khan, 2009, Vol. 9).
Hij baseert dit op de authentieke ḥadīth waarin de ziel () wordt ingeblazen na 120 dagen (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, nr. 3208; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2643). Na 120 dagen heeft het embryo volgens hem de volledige status van een mens, en het beëindigen ervan is juridisch gelijk aan het beëindigen van een leven (Khan, 2009, Vol. 12).

Miskraam en foetale rechtsstatus

In Fatāwa Razvia Vol. 10 bespreekt Ālāḥazrat de juridische behandeling van miskraam en foetale resten. Hij stelt dat de rechtsstatus afhankelijk is van de mate van ontwikkeling en herkenbaarheid (Khan, 2009, Vol. 10). Dit bevestigt de graduele toename van rechtsbescherming.

Abortus vóór en na 120 dagen

Ālāḥazrat behandelt abortus expliciet in Vol. 12. Hij stelt dat:

  • vóór 120 dagen abortus in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar kan zijn bij aantoonbare Sharʿī‑noodzaak (Khan, 2009, Vol. 12)
  • na 120 dagen abortus arām is en gelijkstaat aan het beëindigen van een menselijk leven (Khan, 2009, Vol. 12)
  • een uitzondering alleen geldt wanneer het leven van de moeder in direct gevaar is (Khan, 2009, Vol. 12)

Deze lijn is volledig consistent met de klassieke Ḥanafī‑rechtsleer.

Fiqh‑principes relevant voor embryo‑onderzoek

In Vol. 14 bespreekt Ālāḥazrat meerdere fiqh‑principes die direct toepasbaar zijn op modern embryo‑onderzoek:

  • arūrah (noodzaak): noodzaak kan verboden versoepelen, maar alleen wanneer er geen alternatief bestaat (Khan, 2009, Vol. 14).
  • Sadd Sharā’ī: voorkomen van misbruik, commercialisering en disrespect voor menselijk lichaam (Khan, 2009, Vol. 14).
  • Karāmah (menselijke waardigheid): elk stadium van menselijke ontwikkeling verdient respect (Khan, 2009, Vol. 14).
Medische ethiek en moderne behandelingen

In Vol. 21 behandelt Ālāḥazrat medische kwesties en stelt hij voorwaarden voor toelaatbare medische interventies (Khan, 2009, Vol. 21). Hoewel embryo‑onderzoek niet bestond, is zijn criteria voor medische noodzaak, proportionaliteit en respect voor het menselijk lichaam direct toepasbaar.

Juridisch‑ethische beoordeling
Embryo vóór 120 dagen

Het embryo heeft waardigheid maar geen volledige rechtsstatus. Onderzoek kan worden toegestaan indien:

  • er een duidelijk medisch of maatschappelijk belang is,
  • er geen alternatieven bestaan,
  • het onderzoek niet commercieel wordt geëxploiteerd,
  • het embryo met respect wordt behandeld,
  • er transparante ethische toetsing plaatsvindt.
Embryo na 120 dagen

Het embryo heeft de status van een mens. Onderzoek dat leidt tot vernietiging is verboden, behalve wanneer het leven van de moeder in direct gevaar is (ḍarūrah).

Samenvattende juridische lijn
  1. Vóór 120 dagen
    • Embryo heeft waardigheid maar geen volledige rechtsstatus (Khan, 2009, Vol. 9).
    • Manipulatie of beëindiging kan in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan bij aantoonbare noodzaak (Khan, 2009, Vol. 12).
    • Commercialisering en disrespect zijn verboden (Khan, 2009, Vol. 14).
  2. Na 120 dagen
    • Embryo heeft volledige menselijke rechtsstatus (Khan, 2009, Vol. 12).
    • Beëindiging is haram, behalve bij levensgevaar voor de moeder (Khan, 2009, Vol. 12).
  3. Algemene ethiek
    • Menselijke waardigheid staat centraal (Khan, 2009, Vol. 14).
    • Misbruik en commercialisering zijn categorisch verboden (Khan, 2009, Vol. 14).
    • Sharʿī‑noodzaak moet aantoonbaar en proportioneel zijn (Khan, 2009, Vol. 14).
Besluit

Vanuit de soennitisch‑islamitische rechtsleer kan WIM het volgende standpunt innemen:

  1. Embryo‑onderzoek vóór 120 dagen kan onder strikte voorwaarden ethisch en juridisch worden toegestaan.
  2. Vernietiging of onderzoek na 120 dagen is niet toegestaan, behalve bij levensreddende noodzaak voor de moeder.
  3. Ethische waarborgen zoals proportionaliteit, transparantie, non‑commercialisering en respect voor menselijke waardigheid zijn essentieel.
  4. Het publieke belang (malaah) kan medisch onderzoek legitimeren, mits binnen de grenzen van de Sharīʿah.
Referenties
  • Al‑Dardir, A. (1991). Al‑Sharh al‑Kabīr. Dar al‑Fikr.
  • Al‑Nawāwī, Y. (1996). Al‑Majmu‘ Sharh al‑Muhadhdhab. Dar al‑Fikr.
  • Al‑Qaradāwī, Y. (1994). Fiqh al‑ayāt al‑Insaniyya. Dar al‑Shuruq.
  • Al‑Shāṭibī, I. (1997). Al‑Muwāfaqāt fi Usool al‑Sharīʿah. Dar Ibn ‘Affan.
  • European Council for Fatwa and Research. (2003). Resolutions and Fatwas.
  • Ibn ‘ʿĀbidīn, M. (2003). Radd al‑Mutār ‘ala al‑Durr al‑Mukhtar. Dar al‑Fikr.
  • Ibn Qudāmah, A. (1985). Al‑Mughnī. Dar al‑Kutub al‑‘ʿIlmiyya.
  • Islamic Fiqh Academy (OIC). (1990). Resolutions of the Islamic Fiqh Academy.
  • Khan, A. R. (2009). Fatāwa Razvia (Vols. 9, 10, 12, 14, 21). Raza Academy.
  • Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Hadith nr. 3208.
  • Ṣaḥīḥ Muslim, Hadith nr. 2643.
  • Qur’ān 5:32; 23:12–14.

Lees ook


Translate »
error: Content is protected !!