In dit artikel dat ik in 2012 had geschreven voor mijn MPhil Islamic Studies aan de Hijaz College wordt aandacht besteed aan corruptie, aan de minhāj (methodologie) van bepaalde godsdienstige moslimleiders die aanzetten tot ḥarām (verboden) daden, en aan de vraag welke handelingsmogelijkheden soennitische moslims daarbij hebben. Het artikel is bedoeld als kennisverrijking voor de studenten van de Raza Sharīʿah & Sufi School, onderdeel van de Stichting Noorani Islamic Research Institute. Moge Allāh Ta’ālā de soennieten wijsheid schenken en hen beschermen. Na het afronden van mijn PhD in Islamic Studies, Doctor of Islamic Jurisprudence en diverse seculiere masteropleidingen heb ik aanvullende kennis, inzichten en vaardigheden opgedaan die ik heb verwerkt in deze versie (2025), die ik graag met mijn RSS‑studenten deel. Āmīn, summa Āmīn.

In het kader van een lopende civielrechtelijke procedure, waarin ik een moslimbroeder in zijn zaak bijstond, zijn in april 2025 door een moskeeorganisatie in de Den Haag onder leiding van de voorzitter processtukken overgelegd waarin diverse beweringen over mijn persoon worden gedaan. Ik betwist deze beweringen volledig en heb mijn standpunt dienaangaande in de procedure uiteengezet. De informatie op mijn website en mijn professionele achtergrond weerleggen de betreffende aantijgingen. Deze voorzitter blijkt een leugenaar en subsidie- en autoverzekering zwendelaar te zijn, aldus openbare stukken bij de Rechtsspraak en gemeente Den Haag.

Momenteel bereid ik zowel strafrechtelijke als civielrechtelijke stappen voor tegen de betreffende voorzitter en betrokkenen. Tevens werk ik een juridische en theologische analyse van deze kwestie, waarbij ik uiteenzet hoe de Sharīʿah naar dergelijke situaties kijkt. Dit vormt tevens een leerpunt voor een bredere doelgroep.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft mij, na toetsing van de relevante criteria, een toevoeging verleend voor een zaak die betrekking heeft op smaad en laster door het moskeebestuur.

De beschuldigingen en meervoudige leugens in het processtuk zijn:

1. Betwisting van mijn religieuze status: Er wordt gesteld dat ik mijzelf presenteer als Shaykh/geleerde. Er wordt beweerd dat ik niet erkend zou zijn door bepaalde organisaties of geleerden. Er wordt gezegd dat ik geen formele opleiding zou hebben afgerond volgens hun criteria.

2. Betwisting van jouw bevoegdheid: Er wordt beweerd dat ik niet bevoegd zou zijn om religieuze uitspraken te doen. Er wordt gesuggereerd dat ik slechts vertaler zou zijn en geen scholing zou hebben die volgens hen vereist is.

3. Negatieve perceptie binnen hun gemeenschap: Er wordt gesteld dat ik niet serieus genomen zou worden binnen hun kring. Er wordt beweerd dat ik een kleine of problematische achterban zou hebben. Er wordt gesuggereerd dat mijn religieuze autoriteit “nihil” zou zijn.

4. Aanbeveling aan derden om jou te vermijden: Er wordt anderen afgeraden om religieuze instructie van jou te accepteren. Er wordt gesteld dat ik mij “ten onrechte” zou profileren als geleerde. Dit terwijl ik voor tientallen Ulamā op hun verzoek hun islamdiploma’s heb gewaardeerd naar NVAO-niveau en de voorzitter zelfs mij verzocht om mijn boek over de biografie van Sayyidah Fatima Zahra (raiyAllāhu ʿanha) in zijn moskee te mogen verspreiden. Daarnaast gebruikt al meer dan 20 jaar moskee Faizul Islam mijn islamboeken voor kinderonderricht. Ik adviseur was van Raad van Oelema Nederland.

Allāh Ta’ālā openbaart

“En o, mijn volk, geef volle maat en juist gewicht met rechtvaardigheid en bedrieg [corruptie] de mensen niet met hun goederen, noch sticht onheil [corruptie] op aarde.” (Qur’ān, Surah Hūd 11:85)

“En neig u niet tot de onrechtvaardigen, anders zal het Vuur ook u aanraken, en gij zult naast Allāh geen vrienden hebben, noch zult gij worden geholpen.” (Qur’ān, Surah Hūd 11:113)

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Allāh straft het individu niet voor de zonden zolang de gemeenschap het kwaad onder hen ziet verspreiden en zij ondanks dat zij de macht hebben het een halt toe te roepen doen zij het niet.” Amad

Educatief Structuurschema– adīth over het niet ingrijpen bij kwaad

CategorieInhoud
Arabische tekstقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: «إِنَّ اللَّهَ لَا يُعَذِّبُ الْعَامَّةَ بِعَمَلِ الْخَاصَّةِ، حَتَّى يَرَوُا الْمُنْكَرَ بَيْنَ ظَهْرَانَيْهِمْ، وَهُمْ قَادِرُونَ عَلَى أَنْ يُنْكِرُوهُ، فَلَا يُنْكِرُوهُ، فَإِذَا فَعَلُوا ذَلِكَ عَذَّبَ اللَّهُ الْخَاصَّةَ وَالْعَامَّةَ»
Nederlandse vertaling“Allāh straft het individu niet voor de zonden zolang de gemeenschap het kwaad onder hen ziet verspreiden, en zij — terwijl zij de macht hebben om het te stoppen — het niet doen. Wanneer zij dat nalaten, straft Allāh zowel de leiders als de gewone mensen.”
KernbegrippenMunkar: zichtbaar kwaad, onrecht, corruptieQudrah: vermogen/macht om in te grijpenTark al‑inkār: nalaten van het tegengaan van kwaad‘Āmmah/ Khāṣṣah: gewone mensen/ leiders
Didactische lesKwaad wordt een collectieve verantwoordelijkheid wanneer men zwijgt.Leiders én gemeenschap worden verantwoordelijk gehouden.Soennitische methodologie: al‑amr bil‑ma‘rūf wa‑n‑nahy ‘an al‑munkar.
Toepassing in beleid & onderwijsNormatief kader voor integriteitsbeleid.Onderwijsmodule over maatschappelijke verantwoordelijkheid.Analyse-instrument voor leiderschapsethiek.

Corruptie is het verschijnsel waarbij iemand in een machtspositie zit en ongeoorloofde gunsten en/of handelingen verricht. Zo is er sprake van zowel actieve als passieve corruptie. Actieve corruptie is wanneer de burger steekpenningen betaalt en de ander deze aanneemt. Passieve corruptie is wanneer de aangestelde persoon zich laat betalen om zijn macht of bevoegdheid foutief aan te wenden.

Corruptie is in strijd met good governance (goed bestuur) en in strijd met de integriteit van de corrupte persoon. Corruptie komt voor wanneer er geen administratieve organisatie is ontworpen en vastgesteld. In de administratieve organisatie worden de processen beschreven en functiescheidingen ingebouwd, zodat bestuurders geen onverenigbare functies kunnen bekleden. Er is dus sprake van verschillende invalshoeken, bezien vanuit de accountancy, zoals de bestellende, ontvangende en bewarende functie. Corruptie komt voor in alle lagen van de bevolking en in alle soorten organisaties. Een andere benaming voor administratieve organisatie is bestuurlijke informatieverzorging. Met andere woorden: het in het openbaar verantwoorden van de geldstromen en het bestuurlijke handelen.

Ḥazrat at‑Tirmīzī en Ḥazrat Aḥmad (raḍiyAllāhu ʿanhumā) verhaalden dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Hij die iets in zijn leider ziet dat ongewenst is, laat hem dan geduldig zijn, want als hij splitst (of zich verwijdert) van de Jamāʿah, zelfs een handbreedte, en overlijdt, dan overlijdt hij de dood van een Jāhiliyya (ongeletterde, onwetende).” En in een andere ḥadīth staat: “Dan heeft hij het juk (de binding) van de islam van zijn nek gegooid.” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī; Ṣaḥīḥ Muslim; at‑Tirmīzī; Musnad Aḥmad)

Educatief Structuurschema– Niet afsplitsen van de Jamāʿah

CategorieInhoud
Arabische tekst (adīth 1)قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: «مَنْ رَأَى مِنْ أَمِيرِهِ شَيْئًا يَكْرَهُهُ فَلْيَصْبِرْ، فَإِنَّهُ مَنْ فَارَقَ الْجَمَاعَةَ شِبْرًا فَمَاتَ، مَاتَ مِيتَةً جَاهِلِيَّةً»
Nederlandse vertaling“Hij die iets in zijn leider ziet dat ongewenst is, laat hem dan geduldig zijn, want wie zich afscheidt van de Jamāʿah, zelfs een handbreedte, en overlijdt, sterft de dood van een Jāhiliyya.”
Arabische tekst (adīth 2)«وَمَنْ خَلَعَ يَدًا مِنْ طَاعَةٍ، لَقِيَ اللَّهَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ لَا حُجَّةَ لَهُ، وَمَنْ مَاتَ وَلَيْسَ فِي عُنُقِهِ بَيْعَةٌ، مَاتَ مِيتَةً جَاهِلِيَّةً»
Nederlandse vertaling“En wie het juk van gehoorzaamheid van zijn nek afwerpt, zal Allāh op de Dag der Opstanding ontmoeten zonder bewijs. En wie sterft zonder een baiʿah om zijn nek, sterft de dood van een Jāhiliyya.”
KernbegrippenJamāʿah: de soennitische gemeenschap
Baiʿah: religieuze binding aan leiderschap
abr: geduld bij onrechtvaardige leiders
Jāhiliyya: toestand van onwetendheid vóór de islam
BronnenṢaḥīḥ al‑Bukhārī; Ṣaḥīḥ Muslim; Jāmiʿ at‑Tirmīzī; Musnad Aḥmad

Toelichting op Fiqh‑principes over gehoorzaamheid en leiderschap

Hier verbind ik de ḥadīth aan klassieke soennitische rechtsprincipes (uūl, qawāʿid, siyāsah sharʿiyyah).

1. Gehoorzaamheid is verplicht binnen het kader van het geoorloofde

  • “Er is geen gehoorzaamheid aan een schepsel wanneer het leidt tot ongehoorzaamheid aan de Schepper.” ʿidah: al‑āʿah fī al‑maʿrūf.

2. Corruptie van leiders is geen reden voor afsplitsing

  • De ḥadīth benadrukt abr (geduld) en het vermijden van fitnah.
  • Afsplitsing leidt tot maatschappelijke chaos (fasād), wat in de Sharīʿah zwaar wordt afgekeurd. Dit wil zeggen niet de jamaat uit elkaar gaat maar de beruchte voorzitter c.s. wegsturen.

3. De gemeenschap heeft wél een plicht tot al‑amr bil‑maʿrūf

Kwaad tegengaan binnen de mogelijkheden: (1) met de hand (macht), (2) met de tong (advies), (3) met het hart (afkeuring).

4. Leiderschap blijft geldig zolang er geen openlijke kufr is

  • Gebaseerd op de bekende ḥadīth: “Tenzij jullie openlijke ongeloof zien waarvoor jullie een bewijs van Allāh hebben.”

5. Corruptie bestrijden gebeurt via institutionele middelen

  • Advies (naīah),
  • functiescheiding,
  • administratieve organisatie,
  • toezicht en controle (muāsabah).

De islamitische traditie erkent dat leiders fouten kunnen maken en soms zelfs corrupt kunnen handelen. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ waarschuwde echter nadrukkelijk tegen het verlaten van de Jamāʿah vanwege dergelijke tekortkomingen. In meerdere authentieke ḥadīth wordt gesteld dat degene die zich afscheidt van de gemeenschap — zelfs een handbreedte — en sterft, de dood van een Jāhiliyya sterft.

Deze richtlijn vormt een essentieel onderdeel van de soennitische minhāj: stabiliteit van de gemeenschap gaat vóór individuele frustratie over leiderschap. Corruptie moet worden bestreden via institutionele middelen, zoals functiescheiding, administratieve organisatie en interne controle, maar niet door afsplitsing of rebellie.

Hiermee sluit de profetische methodologie nauw aan bij moderne principes van good governance en integriteit: het systeem corrigeren zonder de gemeenschap te breken.

Wees redelijk tegenover een corrupte moslim

Allāh Ta’ālā openbaart

“O gij die gelooft, weest oprecht voor Allāh en getuigt met rechtvaardigheid; en laat de vijandschap van een volk u niet aansporen om onrechtvaardig te handelen; weest rechtvaardig, dat is dichter bij de vroomheid, en vreest Allāh. Voorzeker, Allāh is op de hoogte van hetgeen gij doet.” (Surah al‑Māʾidah, 5:8)

Toelichting op het vers

Het is niet de minhāj van de vromen om fouten (bewust of onbewust) van de imams en bestuurders openbaar te maken en om zulke zaken te verwoorden gedurende toespraken, omdat dit kan leiden tot onrust, verwarring en het wegblijven van moslims uit de moskee. De moslims missen dan juist de goede berichtgevingen die de imams en bestuurders meedelen. Het resulteert eveneens in het overladen van moslims met deze zaken en argumenten, waarna zij gaan debatteren, wat tot gevolg heeft dat het aanzet tot kwaadheid en waar niemand iets mee opschiet.

Hadith over het privé adviseren van leiders

Ḥazrat ‘ʿIyāḍ ibn Ghunum (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei:

قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: مَنْ أَرَادَ أَنْ يَنْصَحَ لِذِي سُلْطَانٍ فَلَا يُبْدِ لَهُ عَلَانِيَةً، وَلَكِنْ لِيَأْخُذْ بِيَدِهِ فَيَخْلُوَ بِهِ، فَإِنْ قَبِلَ مِنْهُ فَذَاكَ، وَإِلَّا كَانَ قَدْ أَدَّى الَّذِي عَلَيْهِ

“Degene die iemand met autoriteit wenst te adviseren, dient dit niet openbaar te doen, maar hij zal hem bij de hand nemen en hem in een privégesprek te woord staan (adviseren). En als hij het van hem accepteert (het advies), dan heeft hij (de adviseur) zijn doel bereikt; en als hij (de geadviseerde) het niet accepteert, dan heeft hij (de adviseur) toch zijn plicht gedaan.” (Musnad Aḥmad, met een ṣaḥīḥ isnād)

Educatief structuurschema– Privé advies aan leiders (naīah li‑dhī al‑sulān)

CategorieInhoud
VertellerḤazrat ‘ʿIyāḍ ibn Ghunum (raḍiyAllāhu ʿanhu)
Arabische tekst van de adīthقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: «مَنْ أَرَادَ أَنْ يَنْصَحَ لِذِي سُلْطَانٍ فَلَا يُبْدِ لَهُ عَلَانِيَةً، وَلَكِنْ لِيَأْخُذْ بِيَدِهِ فَيَخْلُوَ بِهِ، فَإِنْ قَبِلَ مِنْهُ فَذَاكَ، وَإِلَّا كَانَ قَدْ أَدَّى الَّذِي عَلَيْهِ»
Nederlandse vertaling“Degene die iemand met autoriteit wenst te adviseren, dient dit niet openbaar te doen, maar hij zal hem bij de hand nemen en hem in een privégesprek te woord staan (adviseren). En als hij het van hem accepteert (het advies), dan heeft hij (de adviseur) zijn doel bereikt; en als hij (de geadviseerde) het niet accepteert, dan heeft hij (de adviseur) toch zijn plicht gedaan.”
KernbegrippenNaīah: oprechte, constructieve raad
Dhū sulān: iemand met autoriteit of leiderschap
‘Alāniyyah: openbaarheid, publieke ruimte
Khulwah: privégesprek, vertrouwelijke setting
Didactische les• Advies aan leiders gebeurt niet publiek, om fitnah, schaamte en escalatie te voorkomen.
• Privé advies beschermt zowel de leider als de gemeenschap.
• Acceptatie van het advies is niet vereist om de plicht van de adviseur te vervullen.

Toelichting voor toepassing in beleid & onderwijs (inclusief situatie: leider pleegt laster/smaad)

1. Protocol voor interne correctie
Wanneer een leider/voorzitter laster (buhtān) of smaad (ghībah) pleegt tegen een moslim — publiek of bij de rechtbank — dan geldt volgens de Sharīʿah dat dit arām is en valt onder grote zonden (kabāʾir). De organisatie moet een intern correctieproces hebben dat de leider aanspreekt volgens de principes van naīah, vertrouwelijkheid en rechtvaardigheid.
2. Geen publieke vernedering, wél institutionele stappen
De gemeenschap mag de leider niet publiekelijk vernederen of aanvallen, maar moet via een formeel, intern traject handelen: documenteren, confronteren, corrigeren. Dit voorkomt fitnah en beschermt de Jamāʿah.
3. Recht op verdediging van de benadeelde moslim
De Sharīʿah staat toe dat een moslim zichzelf verdedigt tegen laster en smaad. De benadeelde mag de feiten rechtzetten, getuigen aandragen en zich juridisch verdedigen. Dit valt onder izālat al‑ulm (het verwijderen van onrecht).
4. Bestuurlijke integriteit en functiescheiding
Een leider die smaad pleegt, schendt de integriteit van zijn functie. De administratieve organisatie moet daarom functiescheiding, toezicht en sancties bevatten.
5. Educatie over Sharīʿah‑ethiek
Onderwijsmodules moeten behandelen: • verbod op laster • verbod op smaad • plicht tot rechtvaardigheid • plicht tot waarheidsgetrouwheid • plicht tot bescherming van eer (ʿird).
6. Preventie van fitnah
Het doel is niet om de leider te vernietigen, maar om de gemeenschap te beschermen tegen verdeeldheid. Correctie gebeurt zonder publieke escalatie, tenzij er sprake is van openlijke, bewezen onrechtvaardigheid die de gemeenschap schaadt.

De islamitische ethiek is gebouwd op het fundament van rechtvaardigheid, waardigheid en bescherming van de eer van de gelovige. In dit kader behandelt de Qur’ān een bijzonder verfijnd principe: het verbod op het openlijk uitspreken van slechte of kwetsende woorden, met één duidelijke uitzondering voor degene die onrecht is aangedaan. Dit principe vormt een essentieel onderdeel van de omgang met situaties waarin een moslim publiekelijk wordt belasterd, beschuldigd of onrechtmatig behandeld, zelfs wanneer dit gebeurt door een leider, imam of bestuurder. De Sharīʿah erkent dat onrecht niet in stilte hoeft te worden verdragen, maar dat de reactie van de gelovige altijd binnen de grenzen van waarheid, waardigheid en rechtvaardigheid moet blijven.

Allāh Ta’ālā openbaart

“Allāh houdt niet van het uiten van beledigende taal in het openbaar, behalve door iemand, die onrecht wordt aangedaan; en Allāh is Alhorend, Alwetend.” (Surah an‑Nisā’ (4:148)

De klassieke geleerden leggen uit dat dit vers een subtiel onderscheid maakt tussen verboden kwaadsprekerij en toegestane zelfverdediging. Ibn Kathīr vermeldt dat Allāh het niet toestaat dat iemand publiekelijk beledigt, scheldt of lastert, omdat dit de eer van mensen aantast en fitnah veroorzaakt binnen de gemeenschap. Toch erkent de Qur’ān dat een persoon die onrecht is aangedaan het recht heeft om zich openlijk te verdedigen. Dit betekent dat hij de waarheid mag spreken, de feiten mag benoemen en zijn eer mag herstellen zonder dat dit als zonde wordt beschouwd. De uitzondering is dus geen toestemming om terug te beledigen, maar een erkenning dat het slachtoffer van onrecht niet verplicht is om te zwijgen wanneer zijn reputatie, eer of veiligheid wordt aangetast. Wanneer een leider, imam of voorzitter publiekelijk smaad of laster pleegt tegen een moslim, beschouwen de geleerden dit als een ernstige overtreding. Laster (buhtān) behoort tot de grote zonden, en smaad (ghībah) is eveneens verboden. Een leider die zich hieraan schuldig maakt, schendt de integriteit van zijn functie en ondermijnt het vertrouwen van de gemeenschap. Toch blijft de Sharīʿah evenwichtig: de gemeenschap mag niet vervallen in rebellie of publieke vernedering, maar moet handelen volgens de profetische methodologie van naīah, waarbij eerst in vertrouwelijkheid wordt gecorrigeerd. Indien de leider volhardt in zijn onrecht, dan heeft de benadeelde moslim op grond van Qur’ān 4:148 het recht om zich openlijk te verdedigen, zijn eer te herstellen en de feiten te benoemen, zonder dat dit als fitnah wordt beschouwd.³

De Sharīʿah biedt hiermee een evenwichtige benadering: enerzijds wordt de gemeenschap beschermd tegen verdeeldheid en chaos, en anderzijds wordt de individuele moslim beschermd tegen onderdrukking en aantasting van zijn eer. Het vers leert dat Allāh niet houdt van het verspreiden van kwetsende woorden, maar dat Hij wel rechtvaardigheid toestaat wanneer iemand onrecht is aangedaan. De gelovige mag dus spreken, maar alleen de waarheid, en alleen met het doel om onrecht te verwijderen, niet om wraak te nemen of om de ander te vernederen.

Zo vormt dit vers een essentieel onderdeel van de islamitische ethiek van rechtvaardigheid, integriteit en bescherming van de eer van de gelovige. Het biedt een kader waarin zowel de stabiliteit van de gemeenschap als de waardigheid van het individu wordt gewaarborgd, en het

Toelichting conform Juridisch‑fiqhische analyse van de rechten van de benadeelde moslim

Binnen de islamitische rechtswetenschap wordt de eer (ʿird) van de moslim beschouwd als een van de hoogste beschermde waarden, vergelijkbaar met leven (nafs) en bezit (māl). Wanneer een moslim publiekelijk wordt belasterd, vals beschuldigd of onrechtmatig behandeld, erkent de Sharīʿah dat hij niet verplicht is om te zwijgen of het onrecht te verdragen. De Qur’ān geeft hem expliciet het recht om zich te verdedigen, waarbij het vers uit Surah an‑Nisā’ (4:148) de juridische basis vormt voor openlijke zelfverdediging. De klassieke rechtsgeleerden benadrukken dat dit recht niet voortkomt uit wraak of vergelding, maar uit het principe van izālat al‑ulm, het verwijderen van onrecht, dat een fundamentele plicht is binnen de islamitische rechtsorde. De vier madhāhib zijn unaniem dat een moslim die onrecht is aangedaan, vooral wanneer zijn eer publiekelijk is aangetast, het recht heeft om de waarheid te spreken, zijn naam te zuiveren en de dader te benoemen, mits hij zich beperkt tot feiten en geen onwaarheden toevoegt. Al‑Qurṭubī legt uit dat het vers niet bedoeld is om belediging toe te staan, maar om de benadeelde moslim te beschermen tegen het onrecht van gedwongen stilte. Ibn Kathīr benadrukt dat Allāh de onrecht aangedane persoon toestaat om openlijk te spreken, omdat zwijgen in dergelijke gevallen zou leiden tot verdere schade, reputatieverlies en mogelijk zelfs maatschappelijke uitsluiting. De Sharīʿah erkent dus dat het recht op verdediging een noodzakelijke voorwaarde is voor het behoud van menselijke waardigheid.

Wanneer het onrecht afkomstig is van een leider, imam of bestuurder, wordt de situatie juridisch complexer. De Sharīʿah verbiedt rebellie en publieke vernedering van leiders, maar maakt tegelijkertijd duidelijk dat leiders niet boven de wet staan. De Profeet Mohammed ﷺ heeft in meerdere authentieke overleveringen benadrukt dat advies aan leiders in eerste instantie privé moet plaatsvinden, maar dat dit niet betekent dat de benadeelde moslim zijn recht op verdediging verliest wanneer de leider publiekelijk onrecht pleegt. De ḥadīth van ‘ʿIyāḍ ibn Ghunum (raḍiyAllāhu ʿanhu) maakt duidelijk dat de plicht tot privé‑advies geldt voor gewone situaties, maar niet voor gevallen waarin de leider zelf het onrecht publiekelijk heeft gemaakt. In dat geval geldt het principe dat het antwoord proportioneel mag zijn aan de aard van het onrecht, zolang het binnen de grenzen van waarheid en rechtvaardigheid blijft.

De fiqh maakt bovendien onderscheid tussen ghībah (smaad) en buhtān (laster). Ghībah is het noemen van iets negatiefs dat waar is, maar afwezig wordt besproken; buhtān is het toeschrijven van iets dat niet waar is. Beide zijn verboden, maar buhtān behoort tot de zwaarste categorie van zonden. Wanneer een moslim slachtoffer wordt van buhtān, erkennen de geleerden dat zijn recht op verdediging sterker wordt, omdat de schade groter is en de noodzaak tot eerherstel dringender. De benadeelde mag dan niet alleen de feiten benoemen, maar ook getuigen aandragen, documenten overleggen en de dader aanspreken, zelfs in het openbaar, wanneer het onrecht in het openbaar is gepleegd.

De Sharīʿah stelt echter duidelijke grenzen aan deze verdediging. De benadeelde moslim mag niet overdrijven, niet terugschelden en geen onwaarheden toevoegen. Zijn recht op spreken is uitsluitend gericht op het herstellen van de waarheid en het verwijderen van onrecht. De geleerden noemen dit al‑bayān li‑rafʿ al‑ulm, het verklaren van de waarheid om het onrecht op te heffen. De intentie speelt hierbij een cruciale rol: wanneer de intentie zuiver is en gericht op rechtvaardigheid, wordt de handeling beschouwd als toegestaan en soms zelfs aanbevolen (mustaabb). Wanneer de intentie echter vervuild raakt door wraakzucht of persoonlijke vijandschap, verliest de handeling haar juridische legitimiteit.

In moderne contexten, zoals rechtszaken, bestuursconflicten of publieke beschuldigingen binnen moskee‑ of gemeenschapsbesturen, blijft dit fiqh‑principe volledig van kracht. Een moslim die onrecht is aangedaan, mag zich verdedigen in de rechtbank, mag verklaringen afleggen en mag de waarheid openlijk benoemen, zelfs wanneer dit de reputatie van de dader schaadt. De schade die voortvloeit uit het benoemen van de waarheid wordt niet beschouwd als verboden schade, omdat zij voortkomt uit het recht op verdediging en niet uit kwaadsprekerij.⁷ De Sharīʿah erkent dat rechtvaardigheid soms niet bereikt kan worden zonder dat de dader wordt genoemd, en dat het beschermen van de eer van de onschuldige zwaarder weegt dan het beschermen van de reputatie van de schuldige.

Zo ontstaat een evenwichtige juridische benadering waarin zowel de stabiliteit van de gemeenschap als de waardigheid van het individu wordt beschermd. De Sharīʿah dwingt de gelovige niet tot zwijgen wanneer zijn eer wordt aangevallen, maar verplicht hem wel om binnen de grenzen van waarheid, rechtvaardigheid en waardigheid te blijven. Dit maakt het Qurʾānische principe uit 4:148 tot een van de meest verfijnde en humane regels binnen de islamitische rechtswetenschap.

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei:

قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: لَا يَمْنَعَنَّ رَجُلًا هَيْبَةُ النَّاسِ أَنْ يَقُولَ بِحَقٍّ إِذَا عَلِمَهُ»

“Laat de vrees voor mensen een persoon er niet van weerhouden om de waarheid te spreken wanneer hij die kent.” Musnad Amad, ḥadīth no. 18035 (riwāyah van Abū Saʿīd al‑Khuḍrī).

Omwille van Allāh dient u zich te verbinden met Maʿrūf (goedheid) en Munkar (het kwaad) te verbieden en tegenstand te houden tegen de onrechtvaardige Zālim (leider) en hem te dwingen waarheidsgetrouw te zijn of u dient hem naar getrouwheid te leiden.”

Educatief Structuurschema– De plicht om leiders te corrigeren

CategorieInhoud
BronMusnad Amad, ḥadīth 18035 (riwāyah van Abū Saʿīd al‑Khuḍrī)
Arabische tekstلَا يَمْنَعَنَّ رَجُلًا هَيْبَةُ النَّاسِ أَنْ يَقُولَ بِحَقٍّ إِذَا عَلِمَهُ
Nederlandse vertaling“Laat de vrees voor mensen een persoon er niet van weerhouden om de waarheid te spreken wanneer hij die kent.”
Kernbegrippenaqq: waarheidHaybah: vrees voor mensen of autoriteitZālim: onrechtvaardige leiderNaīah: oprechte raad
Didactische lesEen moslim mag nooit zwijgen uit angst voor mensen wanneer de waarheid bekend is. Het spreken van de waarheid tegenover een leider is een religieuze plicht.
Toepassing in beleid & onderwijsLeiders moeten worden gecorrigeerd met respect, maar zonder angst.Waarheid spreken is verplicht, zelfs tegenover machtigen.Stilte tegenover onrecht is verboden.De gemeenschap moet mechanismen hebben voor interne correctie.

Juridisch-theologische toelichting over het corrigeren van leiders

De islamitische rechtswetenschap (fiqh) behandelt het corrigeren van leiders als een essentieel onderdeel van al‑amr bil‑maʿrūf wa‑n‑nahy ʿan al‑munkar. De ḥadīth uit Musnad Amad vormt een fundament voor dit principe: de gelovige mag nooit zwijgen uit angst voor mensen wanneer hij de waarheid kent. De geleerden leggen uit dat deze uitspraak van de Profeet ﷺ zowel betrekking heeft op gewone situaties als op situaties waarin leiders onrecht plegen.

Binnen de vier soennitische madhāhib bestaat consensus dat het corrigeren van leiders een plicht is, maar dat dit moet gebeuren op een wijze die de gemeenschap niet schaadt. De eerste stap is altijd naīah in het geheim, omdat dit de eer van de leider beschermt en fitnah voorkomt. De Profeet ﷺ zei dat wie een leider wil adviseren, dit niet publiekelijk moet doen, maar hem apart moet nemen en in een privégesprek moet aanspreken. Dit beschermt zowel de leider als de gemeenschap tegen publieke vernedering en verdeeldheid.

Toch betekent dit niet dat een moslim moet zwijgen wanneer een leider openlijk onrecht pleegt. De fiqh maakt een duidelijk onderscheid tussen privé‑fouten en openlijke zonden. Wanneer een leider publiekelijk onrecht pleegt, zoals laster, onderdrukking of misbruik van macht, dan mag de gelovige de waarheid openlijk benoemen, omdat het onrecht zelf al publiek is geworden. De Qur’ān geeft hiervoor expliciet toestemming in Surah an‑Nisā’ (4:148), waar Allāh zegt dat Hij niet houdt van het openlijk uitspreken van slechte woorden, behalve door degene aan wie onrecht is aangedaan. De klassieke mufassirīn, zoals Ibn Kathīr en al‑Qurṭubī, leggen uit dat dit vers de benadeelde moslim toestaat om de waarheid te spreken, zelfs wanneer dit de reputatie van de dader schaadt, zolang de woorden waarheidsgetrouw zijn en gericht op het verwijderen van onrecht.

De fiqh benadrukt dat het corrigeren van leiders altijd binnen de grenzen van waarheid, rechtvaardigheid en waardigheid moet blijven. De gelovige mag niet schelden, beledigen of onwaarheden verspreiden. Zijn doel moet het herstellen van rechtvaardigheid zijn, niet het bevredigen van persoonlijke wrok. Wanneer de intentie zuiver is en gericht op het beschermen van de gemeenschap en het verwijderen van onrecht, wordt het corrigeren van leiders beschouwd als een daad van aanbidding en een plicht tegenover Allāh.

De geleerden leggen verder uit dat leiderschap in de islam geen absolute macht geeft. Een leider die onrecht pleegt, verliest zijn morele autoriteit, maar blijft juridisch leider zolang hij geen openlijke kufr pleegt. De gemeenschap moet hem corrigeren, niet omverwerpen. Dit evenwicht tussen gehoorzaamheid en correctie vormt de kern van de soennitische minhāj: stabiliteit van de gemeenschap gaat hand in hand met het bestrijden van onrecht.

Zo ontstaat een fiqh‑kader waarin de moslim verplicht is om de waarheid te spreken, zelfs tegenover een onrechtvaardige leider, maar altijd op een wijze die de gemeenschap beschermt en de eer van de islam hooghoudt. De ḥadīth uit Musnad Amad vormt een krachtige herinnering dat angst voor mensen nooit een reden mag zijn om de waarheid te verzwijgen.

Door dit bewijsmateriaal, welke de ḥadīth is die het vers uitlegt, heeft Allāh Ta’ālā ons verboden stilzwijgend te blijven jegens de Munkar en Hij gebiedt ons het te verwijderen. Allāh Ta’ālā beveelt de moslims om Maʿrūf te betrachten en Munkar te verwerpen en maakt het een plicht voor hen om zo te handelen. Allāh Ta’ālā openbaart:

 “En laat er een groep onder u zijn die tot goedheid aanspoort en tot rechtvaardigheid maant en het kwade verbiedt; dezen zijn het die zullen slagen.” (Surah Āl ʿImrān, 3:104).

Allāh Ta’ālā openbaart ook:

“Gij (moslims) zijt het beste volk dat voor de mensheid (ter lering) is verwekt; gij gebiedt wat goed is, verbiedt wat kwaad is en gelooft in Allāh; en indien de mensen van het Boek hadden geloofd, zou het zeker beter voor hen zijn geweest; sommigen hunner zijn gelovigen, maar de meesten hunner zijn overtreders.” (Surah Āl ʿImrān, 3:110).

Allāh Ta’ālā openbaart verder:

“Indien de huichelaars en degenen in wier hart een ziekte is en degenen die opschudding in de stad veroorzaken, niet ophouden, zullen Wij u zeker tegen hen in beweging brengen; dan zullen zij slechts voor een korte tijd in uw nabijheid mogen vertoeven. Vervloekt zijn zij; waar zij zich ook bevinden zullen zij worden gegrepen en gedood.” (Surah al‑Aḥzāb, 33:60–61).

Ḥazrat ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei:

جَامِعُ التِّرْمِذِيّ – كِتَابُ الأَحْكَام – حَدِيث 1330

إِنَّ اللَّهَ مَعَ الْقَاضِي مَا لَمْ يَجُرْ، فَإِذَا جَارَ تَخَلَّى عَنْهُ وَلَزِمَهُ الشَّيْطَانُ

سُنَنُ ابْنِ مَاجَه – كِتَابُ الأَحْكَام – حَدِيث 2312

إِنَّ اللَّهَ مَعَ الْقَاضِي مَا لَمْ يَجُرْ، فَإِذَا جَارَ وَكَلَهُ إِلَى نَفْسِهِ

 “Allāh is met de Qāḍī zolang hij geen tiran is; wanneer hij het is, verlaat Hij hem en de duivel kleeft zich aan hem.” (Jāmiʿ at‑Tirmidhī Kitāb al‑Aḥkām, #1322); Sunan Ibn Mājah Kitāb al‑Aḥkām, #2315).

Educatief Structuurschema– adīth over de Qāī en tirannie

CategorieInhoud
BronJāmiʿ at‑Tirmid, Kitāb al‑Aḥkām, ḥadīth 1330; Sunan Ibn Mājah, Kitāb al‑Aḥkām, ḥadīth 2312
Arabische tekstإِنَّ اللَّهَ مَعَ الْقَاضِي مَا لَمْ يَجُرْ، فَإِذَا جَارَ تَخَلَّى عَنْهُ وَلَزِمَهُ الشَّيْطَانُ
Nederlandse vertaling“Allāh is met de Qāḍī zolang hij geen tiran is; wanneer hij onrechtvaardig wordt, verlaat Allāh hem en de duivel kleeft zich aan hem.”
Kernbegrippenī: rechter; Jawr: tirannie/onrecht; Takhallā: Allāh laat hem los; Shayān: morele ontsporing
Didactische lesEen rechter of leider behoudt goddelijke steun zolang hij rechtvaardig is. Zodra hij tiranniek wordt, verliest hij die steun en wordt hij overgeleverd aan zijn eigen begeerten en de invloed van de duivel.
Toepassing in beleid & onderwijsDeze ḥadīth vormt een basis voor integriteitsbeleid, toezicht op bestuurders, interne correctieprocedures en het recht van de gemeenschap om leiders te corrigeren wanneer zij onrecht plegen.

Juridisch‑theologische fiqh‑analyse: rechtspraak, tirannie en de plicht tot correctie

De ḥadīth over de Qāḍī die zijn goddelijke steun verliest zodra hij tiranniek wordt, vormt een kerntekst binnen de islamitische rechtswetenschap. De geleerden beschouwen deze uitspraak als een fundamentele waarschuwing dat macht nooit absolute bescherming biedt. Een rechter, bestuurder of leider staat onder voortdurende goddelijke toetsing: zolang hij rechtvaardig oordeelt, staat Allāh aan zijn zijde; zodra hij onrecht pleegt, wordt hij aan zichzelf overgelaten. In fiqh‑termen betekent dit dat zijn beslissingen dan niet langer worden beschouwd als ukm Sharʿī (rechtmatig oordeel), maar als jawr (tirannie), wat geen gehoorzaamheid verdient.

Binnen de vier madhāhib bestaat consensus dat rechtspraak een vorm van aanbidding is (ʿibādah), omdat de Qāḍī optreedt als vertegenwoordiger van Allāhs recht op aarde. Daarom is zijn positie zwaar, en zijn verantwoordelijkheid nog zwaarder. De Profeet ﷺ zei dat de meeste rechters in het Vuur zullen zijn, behalve degene die rechtvaardig oordeelt. Deze ḥadīth sluit daar direct op aan: een rechter die onrecht pleegt, wordt niet alleen verlaten door Allāh, maar valt onder de invloed van de duivel, wat betekent dat zijn beslissingen voortkomen uit begeerte, wrok of corruptie.

De fiqh maakt een duidelijk onderscheid tussen twee vormen van onrecht:

  1. Privé‑onrecht (bijv. persoonlijke fouten van een leider).
  2. Openlijk bestuurlijk onrecht (bijv. misbruik van macht, valse beschuldigingen, tirannie).

Voor privé‑onrecht geldt de profetische richtlijn van naīah in het geheim. Maar wanneer een leider of rechter openlijk onrecht pleegt, zoals het uitspreken van valse beschuldigingen, het misbruiken van zijn positie of het onderdrukken van leden van de gemeenschap, dan verandert de fiqh‑regel. De geleerden, waaronder al‑Qurṭubī, Ibn Taymiyyah en al‑Māwardī, stellen dat openlijk onrecht een publieke reactie vereist, omdat het de gemeenschap schaadt en de Sharīʿah ondermijnt.

De Qur’ān ondersteunt dit principe in Surah an‑Nisā’ (4:148), waar Allāh zegt dat Hij niet houdt van het openlijk uitspreken van slechte woorden, behalve door degene aan wie onrecht is aangedaan. De klassieke tafsīr legt uit dat dit vers de benadeelde moslim toestaat om de waarheid openlijk te spreken wanneer een leider hem publiekelijk onrecht aandoet. Dit is geen fitnah, maar izālat al‑ulm — het verwijderen van onrecht, wat een religieuze plicht is.

De fiqh stelt verder dat een leider die tiranniek wordt, niet langer morele gehoorzaamheid verdient. De gemeenschap moet hem corrigeren, documenteren wat er misgaat, en hem confronteren met zijn daden. Dit gebeurt eerst intern, maar wanneer het onrecht publiek is, mag de gemeenschap de waarheid openlijk benoemen. De geleerden benadrukken dat dit geen rebellie is, maar een vorm van al‑amr bil‑maʿrūf wa‑n‑nahy ʿan al‑munkar, dat behoort tot de hoogste religieuze verplichtingen.

Zo vormt deze ḥadīth een juridisch‑theologisch fundament voor het corrigeren van leiders, het beschermen van de gemeenschap tegen tirannie en het handhaven van rechtvaardigheid binnen islamitische instellingen. Het is een waarschuwing aan leiders dat hun macht geen bescherming biedt tegen goddelijke afrekening, en een geruststelling aan de gemeenschap dat zij niet verplicht is om onrecht te verdragen.

Binnen de klassieke soennitische fiqh wordt een corrupte moslimleider niet bestreden door middel van geweld of opstand, maar door middel van raad, correctie en institutionele processen. Wanneer een imam (geestelijke leider) of Amīr (bestuurder) zich schuldig maakt aan onrecht of corruptie, leert de Sharīʿah dat dit eerst privé moet worden besproken met bevoegde religieuze autoriteiten, zoals een mufti of een Raad van ʿUlamāʾ’. Wanneer het kwaad echter openlijk is gepleegd, mag de correctie ook openlijk plaatsvinden, maar altijd binnen de grenzen van waardigheid, waarheid en rechtvaardigheid.

Indien een leider niet bereid is afstand te nemen van zijn fouten, beschrijven de klassieke geleerden dat de gemeenschap — via haar religieuze en bestuurlijke structuren — het recht heeft om hem te corrigeren, te beperken of te vervangen, maar uitsluitend via niet‑gewelddadige, institutionele en vreedzame middelen. De reden hiervoor is dat een moslim, zelfs wanneer hij fouten maakt, nog steeds de waardigheid van een gelovig bezit, en de Sharīʿah verbiedt moslims om elkaar te schaden of te bestrijden.

De geleerden maken een onderscheid tussen morele tekortkomingen en openlijke afvalligheid. Wanneer een leider zijn gebeden verwaarloost of volledig achterwege laat, beschouwen sommige klassieke juristen dit als een ernstig teken van religieuze nalatigheid. Toch blijft ook hier de regel dat correctie via juridische, religieuze en bestuurlijke procedures moet verlopen, en nooit via geweld of eigenrichting.

Ḥazrat Umm Salamah (raḍiyAllāhu ʿanhā) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “In de nabije toekomst zullen er amīrs zijn; jullie zullen hun goede daden waarderen en hun slechte daden afkeuren. Degene die hun slechte daden afkeurt, is vrij van blaam; degene die hun slechte daden haat (maar niet in staat is ze te veranderen), is eveneens veilig. Maar degene die hun slechte daden goedkeurt en hen daarin volgt, is verloren.” De mensen vroegen: “O Boodschapper van Allāh, moeten wij tegen hen vechten?” Hij ﷺ antwoordde: “Nee, zolang zij hun gebeden verrichten.” ((Ṣaḥīḥ Muslim 1854a, Kitāb al‑Imārah, “Het Boek over het Leiderschap/ Regeringszaken”). Deze ḥadīth vormt een belangrijk fundament in de soennitische rechtsleer: zolang een leider het gebed verricht en niet openlijk ongeloof pleegt, is gewapend verzet verboden. De plicht van de gelovigen is dan: (1) het goede te bevelen, (2) het kwade te verwerpen, (3) en hun hart vrij te houden van goedkeuring van onrecht. De fiqh benadrukt dat morele weerstand, advies, institutionele correctie en vreedzame vervanging de toegestane middelen zijn binnen de Sharīʿah.

Educatief Structuurschema– Het omgaan met corrupte moslimleiders

CategorieInhoud
ThemaHet corrigeren van corrupte leiders binnen de soennitische Sharīʿah
Primaire bronnenQur’ān (3:104, 3:110, 33:60–61); Ḥadīth van Umm Salamah (Ṣaḥīḥ Muslim)
Profetische richtlijn“Neen, zolang zij hun gebeden verrichten.” (aī Muslim)
KernbegrippenAmr bil‑maʿrūf, nahy ʿan al‑munkar, naīah, jawr (tirannie), abr, ilā
Privé‑correctieFouten van leiders worden eerst privé besproken met bevoegde religieuze autoriteiten (mufti, Raad van ʿUlamāʾ’).
Openlijke correctieWanneer het kwaad publiekelijk is gepleegd, mag de gemeenschap de waarheid openlijk benoemen, maar zonder geweld.
Grenzen van gehoorzaamheidGehoorzaamheid blijft verplicht zolang de leider het gebed verricht en geen openlijke kufr pleegt.
Verbod op geweldDe soennitische fiqh verbiedt gewapend verzet tegen zondige leiders zolang zij moslim blijven.
Institutionele maatregelenDe gemeenschap mag via vreedzame, bestuurlijke en religieuze structuren leiders corrigeren, beperken of vervangen.
Morele verantwoordelijkheidWie onrecht haat, is veilig; wie het goedkeurt, is schuldig. (aī Muslim)

Juridisch‑theologische analyse – Corrupte leiders in de soennitische fiqh

De soennitische rechtsleer behandelt het omgaan met corrupte leiders met grote zorgvuldigheid, omdat leiderschap in de islam zowel een bron van orde als een potentiële bron van onrecht kan zijn. De Sharīʿah balanceert daarom tussen twee principes: het beschermen van de gemeenschap tegen chaos (fitnah) en het beschermen van individuen tegen onderdrukking (ulm).

1. De basis: amr bil‑maʿrūf wa‑n‑nahy ʿan al‑munkar

De Heilige Qur’ān verplicht moslims om het goede te bevelen en het kwaad te verbieden (3:104, 3:110). Deze plicht geldt ook tegenover leiders. De geleerden benadrukken dat leiders niet boven de wet staan; zij zijn onderworpen aan dezelfde morele en religieuze normen als de rest van de gemeenschap.

2. Privé‑correctie als eerste stap

De profetische methode is dat fouten van leiders eerst privé worden besproken. Dit beschermt de eer van de leider, voorkomt publieke vernedering en minimaliseert fitnah. De ʿUlamāʾ’ beschouwen dit als de standaardprocedure, gebaseerd op de ḥadīth waarin de Profeet ﷺ zegt dat advies aan leiders niet publiekelijk moet worden gegeven wanneer het om gewone fouten gaat.

3. Openlijke correctie bij openlijk onrecht

Wanneer een leider publiekelijk kwaad verricht — zoals laster, misbruik van macht of onderdrukking — dan mag de gemeenschap de waarheid openlijk benoemen. Dit is gebaseerd op Qur’ān 4:148, waarin Allāh toestaat dat de onrecht aangedane persoon openlijk spreekt. De klassieke tafsīr (Ibn Kathīr, al‑Qurṭubī) bevestigt dat dit geen fitnah is, maar een vorm van rechtvaardigheid.

4. Geen gewapend verzet

De ḥadīth van Umm Salamah (Ṣaḥīḥ Muslim) is een fundament van de soennitische politieke fiqh. Toen de metgezellen vroegen of zij tegen corrupte leiders moesten vechten, antwoordde de Profeet ﷺ: “Neen, zolang zij hun gebeden verrichten.” De geleerden leggen uit dat dit betekent: (1) Zolang een leider moslim blijft, (2) en het gebed niet verlaat, (3) is gewapend verzet verboden. Dit beschermt de gemeenschap tegen burgeroorlog en bloedvergieten.

5. Institutionele correctie en vreedzame vervanging

Hoewel gewapend verzet verboden is, betekent dit niet dat de gemeenschap machteloos is. De fiqh staat toe dat leiders: (1) worden gecorrigeerd, (2) worden beperkt in hun bevoegdheden, (3) of via vreedzame, bestuurlijke en religieuze processen worden vervangen. Dit gebeurt via: (1) professionele Raden van ʿUlamāʾ’, (2) Shūrā‑organen, (3) gemeenschapsbesluiten zoals leden van een vereniging en donateurs van stichtingen, (4) juridische procedures. Deze processen moeten vreedzaam, ordelijk en zonder geweld verlopen.

6. De spirituele dimensie

De ḥadīth van Umm Salamah (raḍiyAllāhu ʿanhu) maakt duidelijk dat: (1) wie onrecht haat, is veilig; (2) wie onrecht afkeurt, is vrij van blaam; (3) maar wie onrecht goedkeurt of nadoet, is spiritueel verloren. Dit betekent dat de gelovige nooit passief mag zijn tegenover corruptie, maar zijn weerstand moet uiten binnen de grenzen van de Sharīʿah.

Ḥazrat Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “De Israëli’s werden gewoonlijk bestuurd en geleid door de profeten. Wanneer een Profeet overleed, nam een andere zijn plaats in. Er zal geen Profeet meer zijn na mij, maar er zullen kaliefen zijn die in aantal gaan toenemen.” De mensen vroegen: “O Profeet van Allāh! Wat beveelt u ons te doen?” Hij ﷺ antwoordde: “Gehoorzaam hem die als eerste de belofte/eed van trouw zal worden gegeven. Vervul hun rechten, want Allāh zal hen ondervragen over iedere tekortkoming in bestuur jegens degene die Allāh onder zijn bescherming heeft geplaatst.” (aīal‑Bukhārī, Kitāb al‑Anbiyāʾ, #3455).

Allāh Ta’ālā openbaart:

“En wie een zonde begaat, begaat deze slechts jegens zijn eigen ziel. En Allāh is Alwetend, Alwijs.” (Surah an‑Nisā’, 4:111).

Ḥazrat Maʿqil (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Iedere man aan wie autoriteit is begunstigd om over andere mensen te regeren/besturen en hij doet dat niet op een eerlijke manier, zal nooit en te nimmer de geur van het Paradijs ruiken.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Imārah, # 142).

Educatief Structuurschema– Leiders leggen verantwoording af bij Allāh Ta’ālā

CategorieInhoud
ThemaVerantwoordelijkheid van leiders in de islam
Hadith 1 (al‑Bukhārī)Ḥazrat Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Profeet ﷺ zei: “De Israëli’s werden gewoonlijk bestuurd en geleid door de profeten. Wanneer een Profeet overleed, nam een andere zijn plaats in. Er zal geen Profeet meer zijn na mij, maar er zullen kaliefen zijn die in aantal gaan toenemen.” De mensen vroegen: “O Profeet van Allāh! Wat beveelt u ons te doen?” Hij ﷺ antwoordde: “Gehoorzaam hem die als eerste de eed van trouw ontvangt. Vervul hun rechten, want Allāh zal hen ondervragen over iedere tekortkoming in bestuur jegens degenen die Allāh onder hun bescherming heeft geplaatst.” (aī al‑Bukhārī)
Qur’ān‑vers“En wie een zonde begaat, begaat deze slechts tegen zijn eigen ziel, en Allāh is Alwetend, Alwijs.” (Surah an‑Nisā’, 4:111)
Hadith 2 (Muslim)Ḥazrat Maʿqil (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Profeet ﷺ zei: “Iedere man aan wie autoriteit is gegeven om over andere mensen te regeren en hij doet dat niet op een eerlijke manier, zal nooit de geur van het Paradijs ruiken.” (aī Muslim)
KernbegrippenAmānah (toevertrouwde verantwoordelijkheid), khilāfah (bestuurlijke opvolging), isāb (rekenschap), ʿadl (rechtvaardigheid), ulm (onrecht)
Didactische lesLeiderschap is een zware amānah. Leiders worden door Allāh ondervraagd over elke tekortkoming. Onrechtvaardige leiderschap is een van de zwaarste zonden.
Toepassing in beleid & onderwijsLeiderschapstraining moet nadruk leggen op rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid.Bestuursleden moeten zich bewust zijn van hun rekenschap bij Allāh.Gemeenschappen moeten toezichtstructuren hebben om onrecht te voorkomen.

Juridisch‑theologische analyse – Rekenschap van leiders in de soennitische fiqh

De islamitische rechtswetenschap beschouwt leiderschap als een van de zwaarste verantwoordelijkheden die een mens kan dragen. De Profeet ﷺ maakte duidelijk dat leiders niet alleen verantwoording afleggen aan hun gemeenschap, maar vooral aan Allāh Ta’ālā. De ḥadīth van Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) toont dat de profeten van Banī Isrāʾīl zowel spirituele als wereldlijke leiders waren, maar dat na de Profeet Mohammed ﷺ geen profeten meer zullen komen. In plaats daarvan zullen kaliefen en bestuurders deze taak vervullen. Dit betekent dat leiderschap na de Profeet ﷺ niet langer een profetische status heeft, maar wel een profetische verantwoordelijkheid.

De instructie van de Profeet ﷺ om de eerste leider die de eed van trouw ontvangt te gehoorzamen, benadrukt het belang van stabiliteit en eenheid. De gemeenschap mag niet vervallen in verdeeldheid of chaos, omdat dit leidt tot fitnah. Tegelijkertijd legt de Profeet ﷺ de nadruk op de verantwoordelijkheid van leiders: Allāh zal hen ondervragen over elke tekortkoming in hun bestuur. In de fiqh wordt dit gezien als isāb al‑umarā’ — de goddelijke rekenschap van leiders. De geleerden leggen uit dat dit een van de zwaarste vormen van rekenschap is, omdat leiders verantwoordelijk zijn voor de rechten, veiligheid en waardigheid van anderen.

Het Qur’ān‑vers uit Surah an‑Nisā’ (4:111) bevestigt dat zonden uiteindelijk terugkeren naar degene die ze begaat. Voor leiders betekent dit dat onrecht niet alleen een sociale misdaad is, maar een spirituele last die zij op de Dag des Oordeels zullen dragen. De fiqh benadrukt dat leiders geen privilege hebben om fouten te maken; integendeel, hun fouten wegen zwaarder omdat zij invloed hebben op de gemeenschap.

De ḥadīth van Maʿqil (raḍiyAllāhu ʿanhu) in Ṣaḥīḥ Muslim is een van de strengste waarschuwingen aan leiders: wie onrechtvaardig regeert, zal zelfs de geur van het Paradijs niet ruiken. De geleerden leggen uit dat deze uitspraak niet betekent dat de leider automatisch ongelovig wordt, maar dat zijn zonde zo zwaar is dat hij behoort tot degenen die ernstige goddelijke straf riskeren. Dit toont dat leiderschap geen eer is, maar een beproeving.

Binnen de soennitische fiqh wordt leiderschap gezien als een amānah — een toevertrouwde verantwoordelijkheid. Een leider is verplicht om rechtvaardig te zijn, de rechten van de mensen te beschermen, en geen misbruik te maken van zijn positie. Wanneer een leider tekortschiet, is de gemeenschap verplicht hem te adviseren, te corrigeren en — indien nodig — via vreedzame en institutionele middelen te vervangen. Geweld of rebellie is verboden zolang de leider moslim blijft en het gebed verricht, zoals blijkt uit meerdere ḥadīth in Ṣaḥīḥ Muslim.

De theologische kern is dat leiderschap een vorm van aanbidding is: het is een dienst aan Allāh door middel van rechtvaardigheid. Een leider die onrecht pleegt, verraadt niet alleen zijn gemeenschap, maar ook zijn verbond met Allāh. Daarom is de rekenschap van leiders zwaarder dan die van gewone mensen.

De titel van dit artikel begint met het woord ‘correct’. Correct leiderschap heeft te maken met alles wat niet corrupt is. Van correct leiderschap van imams en bestuurders is dus sprake wanneer het niet indruist tegen: de Geboden van Allāh Ta’ālā zoals in de Heilige Qur’ān geopenbaard, de soenna (Aḥadīth) van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, de regels van de vier rechtgeleide kaliefen (Ḥazrat Abū Bakr Ṣiddīq, Ḥazrat ʿUmar al‑Farooq al‑Aʿẓam, Ḥazrat ʿUthmān Ghanī en Ḥazrat ʿAlī al‑Murtaḍā (raḍiyAllāhu ʿanhum)), de regels van de imams van de wetscholen (imam Abū Ḥanīfah, imam Mālik, imam Aḥmad ibn Ḥanbal en imam ash‑Shāfiʿī (raḍiyAllāhu ʿanhum)) en de ijmāʿ (consensus) van de eminente moslim‑schriftgeleerden. (Qur’ān; al‑Bukhārī; Muslim; Abū anīfah; Mālik; ash‑Shāfiʿī; Amad ibn anbal).

Lees ook verder over …

Heilige Qur’ān

  • Qur’ān. (z.j.). Al‑Qur’ān al‑Karīm.
  • Qur’ān. (z.j.). Surah Hūd [11:85, 11:113].
  • Qur’ān. (z.j.). Surah an‑Nisā’ [4:111; 4:148].
  • Qur’ān. (z.j.). Surah Āl ʿImrān [3:104; 3:110].
  • Qur’ān. (z.j.). Surah al‑Azāb [33:60–61].

Tafsīr‑werken

  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). Tafsīr al‑Qur’ān al‑ʿAīm.
  • Al‑Ṭabarī, M. (z.j.). Jāmiʿ al‑Bayān ʿan Tawīl Āy al‑Qur’ān.
  • Al‑Qurṭubī, M. (z.j.). al‑Jāmiʿ li‑Akām al‑Qur’ān.

adīth‑verzamelingen

  • Aḥmad ibn Ḥanbal. (z.j.). Musnad Amad.
  • At‑Tirmidhī, Muḥammad ibn ʿĪsā. (z.j.). Jāmiʿ at‑Tirmidhī, Kitāb al‑Aḥkām (#1330).
  • Ibn Mājah, Muḥammad ibn Yazīd. (z.j.). Sunan Ibn Mājah, Kitāb al‑Aḥkām (#2312).
  • Al‑Bukhārī, Muḥammad ibn Ismāʿīl. (z.j.). aī al‑Bukhārī, Kitāb al‑Anbiyāʾ.’
  • Muslim, Ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). aī Muslim, Kitāb al‑Imārah.
  • Al‑Nawawī, Y. (z.j.). Riyā al‑āliīn.

Fiqh‑ en Uūl‑werken

  • Abū Ḥanīfah, al‑Nuʿmān ibn Thābit. (z.j.). al‑Fiqh al‑Akbar.
  • Mālik ibn Anas. (z.j.). al‑Muwattaʾ.
  • Ash‑Shāfiʿī, Muḥammad ibn Idrīs. (z.j.). al‑Umm.
  • Al‑Nawawī, Yaḥyā ibn Sharaf. (z.j.). al‑Majmūʿ Shar al‑Muhadhdhab.
  • Ibn Ḥazm, ʿAlī ibn Aḥmad. (z.j.). Marātib al‑Ijmāʿ.

Historische bronnen

  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). al‑Bidāyah wa‑n‑Nihāyah.
  • Al‑Ṭabarī, M. (z.j.). Tārīkh al‑abarī.


Translate »
error: Content is protected !!