Vraag en context

  • Vraag: Was Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni een moslim?
  • Context: De Qurʾān spreekt gelovigen aan met “Yā ayyuhā alladhīna āmanū” (“O gelovigen!”).
  • Hadith-context: Ik verwijs naar een overlevering uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī waarin de Profeet ﷺ zijn volgelingen onderscheidt van anderen die zich moslim noemen.

Allāh Ta’ālā waarschuwt met de openbaring:

“O jullie die geloven, wanneer een zondaar jullie een bericht brengt, verifieer het, opdat jullie niet onwetend een groep schade berokkenen en vervolgens spijt krijgen van wat jullie hebben gedaan.” (Surah al-Ḥujurāt, H49, vers 6)

Theologische samenvatting:

  • De frase “Yā ayyuhā alladhīna āmanū” is een veelgebruikte oproep in de Qurʾān, gericht aan de gelovigen.
  • Het komt 89 keer voor in verschillende hoofdstukken.
  • Een bekend voorbeeld staat in Soera al-ujurāt (49:6), waar Allāh oproept tot zorgvuldigheid bij het ontvangen van nieuws.
Historische en religieuze achtergrond

Qurʾān en adīth: De term “gelovigen” verwijst canoniek naar degenen die de Profeet Mohammed ﷺ volgen en zijn boodschap accepteren. In de soennitische traditie wordt dit exclusief verbonden aan de Ummah van de Profeet ﷺ.

Mirza Ghulām Amad (1835–1908): Stichter van de Aḥmadiyyah-beweging in Qadiyān, India. Hij verklaarde zichzelf als mujaddid (hervormer), Mahdi en Masīh Mawʿūd (beloofde Messias).

Amadiyyah-claim: Zijn volgelingen beschouwen hem als een moslim en hervormer binnen de islam.

Mainstream islamitische positie: De Schriftgeleerden van Ahle Sunnah wal-Jamāʿah en ook veel sjiitische autoriteiten verwerpen zijn claims en beschouwen de Aḥmadiyyah-beweging als buiten de islamitische orthodoxie.

In 1974, islamitische Schriftgeleerde wetenschappers uit 124 landen over de gehele wereld ontmoetten elkaar in Mekka (Makkah al-Mukarramah) onder voorzitterschap van Rabita-al-Alam al-Islami. Zij namen unaniem een resolutie aan, waarin Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn volgelingen (Aḥmadiyyah Mouvement/Qadiyāni/ Aḥmadī’s/Mirzai/Lahorī) als afvallige ongelovige worden beschouwd én hebben de volgelingen van Mirza uit de schoot van de Islam geworpen (Rabita al-Alam al-Islami, 1974; Khan, 2015). Sinds het laatste 100 jaar zijn alle religieuze wetenschappers uit Mekka, Madīnah (al -Madīnah wa al-Munawwarah), Egypte, India, Pakistan en andere Arabische en moslimlanden verenigt in hun houding tegenover deze afvallige ongelovige. Zij beschouwen de Ahmadi Mouvement niet als een geloofsstroming binnen de islam (Friedmann, 2003; Valentine, 2008).

Volgelingen van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni noemen zichzelf Aḥmadiyyah moslims. Zij gaan speciaal naar gebieden (Centraal- en West-Afrika, het Verre Oosten en de Centraal Aziatische Muslim Republieken), waar moslims nog nooit gehoord hebben van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn Aḥmadiyyah Mouvement. Zij doen zich voor als (Soenniet) moslims, maken gebruik van hun uitgestrekte middelen van bestaan en het aanbieden van financiële en andere materiele ondersteuning en weten op deze seculiere wijze massa arme onwetende moslims te misleiden en in hun val te strikken (Lavan, 1974). Deze moslims, meestal behorend bij de Ahle Sunnah wal Jamāʿah, hebben nog nooit gehoord van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn sekte.

Zij zijn onbewust dat de gehele moslimwereld deze sekte uit de schoot van de islam heeft geworpen en dus ongelovige zijn. Zij worden van Ahle Sunnah moslims een Ahmadi moslims (van gelovige tot ongelovige getransformeerd). (Als Ahmadi’s moslims zijn, waarom noemen zij zichzelf dan Ahmadi moslims?)

Wie was Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni? Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni was in 1839 geboren in het dorpje Qadiyān ten noorden van het subcontinent India. Hij had de gewoonte om opium te roken en wijn te gebruiken en leed op een gegeven moment aan verschillende vormen van fysieke en mentale ziekten. Dit heeft duidelijk zijn weerslag gehad op zijn latere boekwerken. Van huis uit heeft hij enigszins religieus onderwijs gekregen voor een gering materieel gewin (Valentine, 2008). Hij claimde dat hij de beloofde Messias, Mahdi, Profeet van de tweede komst van de heilige profeet Mohammed ﷺ is, die opnieuw op aarde was teruggekeerd in de vorm van Mirza met de opdracht om de islam te propageren. Hij claimde ook dat hij de Openbaring (Wahi) ontving en noemde het vervolgens Barāhīn-e-Aḥmadiyyah alsof dat het boek van god is (Friedmann, 2003).

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ liep met zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) toen zij een groep mensen zagen aankomen. De metgezellen vroegen aan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ: “O Profeet, die groep mensen die daar aankomt lopen noemt zich moslims, maar niet Ahle Sunnah (soenniet). Wij noemen ons Ahle Sunnah moslims, waarom?” De Profeet antwoordde: “Omdat jullie mijn volgelingen zijn.” Daarop vervolgde de metgezellen met de volgende vraag: “O Profeet, u zei dat moslims naar het Paradijs gaan, gaan ook zij (degenen die zich dus geen Ahle Sunnah noemen) naar het Paradijs?” De Profeet antwoordde: “Nee, uitsluitend mijn volgelingen gaan naar het Paradijs!” (Al-Bukhārī, n.d.).

Uitleg: dus kunnen wij van deze ḥadīth afleiden dat degenen die zich niet tot de Ahle Sunnah wa Jamāʿah rekenen en ook zodanig noemen en gedragen geen volgelingen van de Profeet Mohammed ﷺ zijn en dus behoren tot de groep ongelovigen.

Hadith uit Sunan Abū Dāwūd sharīf: De Heilige Profeet Mohammed ﷺ vertelde aan zijn metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhu): “De godsdienst van Musa (Mozes) ʿalayhis-salām zal opsplitsen in 71 stromingen, het geloof van ʿĪsā (Jezus) ʿalayhis-salām zal opsplitsen in 72 stromingen en mijn godsdienst zal opsplitsen in 73 stromingen, maar slechts één stroming (van mijn godsdienst) gaat naar het Paradijs.” De metgezellen vroegen: “O Profeet, welke stroming gaat met u naar het Paradijs?” De Profeet antwoordde: “De grootste stroming.” (Abū Dāwūd, n.d.).

Theologische samenvatting:

  • De eerste ḥadīth benadrukt dat de volgelingen van de Profeet ﷺ (Ahle Sunnah wa’l-Jamāʿah) exclusief worden gerekend tot degenen die het Paradijs binnengaan.
  • De tweede ḥadīth (Sunan Abū Dāwūd) bevestigt dat de Ummah zich zal opsplitsen in 73 stromingen, waarvan slechts één stroming – de grootste, Ahle Sunnah – het Paradijs zal bereiken.
  • Dus kunnen wij van deze ḥadīth afleiden en weten wij ook, dat de grootste stroming in de wereld de Ahle Sunnah is en dus met de Profeet ﷺ naar het Paradijs zullen gaan.

Britten kregen machtsproblemen in India wegens de onverzettelijke macht van de moslims. Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni schreef boeken en pamfletten waarin hij trachtte Jihad af te schaffen en zich loyaal op te stellen tegenover de Britse overheersers; dit is duidelijk een daad van geloof (Friedmann, 2003). Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni richtte in 1889 zijn Aḥmadi Mouvement op en noemde zijn volgelingen Ahmadi moslims (Lavan, 1974). Hij noemde iedereen die hem niet accepteerden en ook zijn (valse) profetische gave niet accepteerden een bastaard. Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni overleed in 1908, maar zijn beweging bleef sindsdien floreren (Valentine, 2008).

Het anti-islamitische geloof van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni. Rūḥānī Khazāʾin is de titel voor zijn collectie boeken, uitgegeven door het hoofdkwartier van Aḥmadi Mouvement in Londen. Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni schreef 80 boeken gedurende zijn leven die een uitstekend inzicht geven in de denkwijze van de mens, maar ook hoe deze in de loop der tijd zijn geloof transformeerde van Islam naar een afvallige ongelovige (Khan, 2015). Zijn eerste boeken bevatten hetzelfde geloof zoals in elk ander islamitisch boek, maar met de tijd onderging zijn geloof een drastische verandering en zijn geschriften werden steeds meer en meer etterig en anti-islamitisch.

Om te bewijzen dat hij en zijn Aḥmadī’s ook (soennie) moslims zijn, maakt zijn mouvement propaganda via literatuur, die gewoonlijk afkomstig zijn uit zijn eerste boeken. Aḥmadī’s zullen meestal praten over de Heilige Qur’ān en de Aḥadīth, waardoor in eerste instantie Mirza op de achtergrond blijft. Zij presenteren hem slechts als een hervormer (Mujaddid), Mahdi of Messias, afhankelijk van het type publiek waar tegenover ze prediken. Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni claim op zijn profetische gave wordt overigens door zijn volgelingen niet nadrukkelijk opgelegd (Valentine, 2008). Het zijn en blijven toch huichelaars.

Theologische samenvatting:

  • Historisch gezien stelde Mirza Ghulām Aḥmad zich loyaal op tegenover de Britse overheersers en probeerde hij Jihad te herinterpreteren.
  • Zijn beweging, opgericht in 1889, groeide uit tot een internationale gemeenschap.
  • Zijn geschriften, verzameld in ānī Khazāʾin, tonen een ontwikkeling van orthodoxe islamitische thema’s naar controversiële claims die door de mainstream islamitische geleerden als afvallig werden beschouwd.

Wij zullen enkele passages uit zijn boeken extraheren, welke de basis vormen voor de islamitische geleerde om het geloof van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn beweging als afvallige ongelovige te beschouwen. Deze passages zijn:

Mirza schrijft in Izāla-e-Auham dat profeten fouten hebben gemaakt

In Rūḥānī Khazāʾin, deel 3 pag. 114-472:

  • Profeet Mohammed ﷺ begreep de bedoeling van de Surah al-Zilzal niet.
  • Andere profeten hebben ook fouten gemaakt en hebben tevens gelogen.
  • Ḥazrat Mohammeds’ ﷺ openbaring is ook op niets uitgelopen.
  • Zijn openbaring informeerde Ḥazrat Mohammed ﷺ niet over Ibni Maryam, Dajjāl, Khare Dajjāl, Yajoog Majoog en Dābatul Arz.
  • Brahīn-e-Aḥmadiyyah (wordt gezien als het boek van god dat in andere boeken van Mirza voorkomt, o.a. in Rūḥānī Khazāʾin deel 22 pag. 502.)
  • “Innā Anzalnāhū Qarīban min al Qadiyān wa bil Haqq anzalnāhu (geen twijfel mogelijk dat wij hem (Mirza) naar Qadiyān hebben gestuurd met de waarheid).” Deze openbaring, die onder andere in Brahīn-e-Aḥmadiyyah staat, suggereert duidelijk en klaarblijkelijk dat de naam van Qadiyān is genoemd in de Qur’ān en Aḥadīth als een profetische voorspelling.
  • Hij schrijft ook dat namen als Mekka, Medina en Qadiyān in de Qur’ān met respect genoemd zijn.
  • De Heilige Qur’ān staat vol met onzedelijke woorden.
Mirza claimt tweede komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ te zijn
  • Hij (Mirza) is de tweede komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, beter en superieur dan de eerste, die kwam. (Rūḥānī Khazāʾin deel 16 pag. 272).
  • De Heilige Profeet Mohammed ﷺ is opnieuw gekomen om de islam te propageren. (Rūḥānī Khazāʾin deel 17 pag. 249).
  • Ahmadi’s moeten geen onderscheid maken tussen Mirza Ghulām en Ḥazrat Mohammed, omdat iedereen, die onderscheid probeert te maken tussen mij en Muṣṭafā (profeet Mohammad), mij niet erkent. (Rūḥānī Khazāʾin deel 16 pag. 171).
  • Mirza’s Wahi (openbaring) vertelt hem dat: “Muhammadur Rasūlullāh wallazīna ma’ahoo ashiddaohoo’ ala alkuffar rohamao bainahum, in deze openbaring noemt god mij Mohammed en Rasūlullāh.” (Rūḥānī Khazāʾin deel 18 pag. 207).
  • Diegene die Mirza’s Jama’at volgt wordt een ṣaḥābī (metgezel). (Rūḥānī Khazāʾin deel 16 pag. 258-259).
  • Aangezien Mirza geen ander is dan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, weet een Ahmadi die de kalima Ṭayyibah opzegt, (van Muhammadur Rasūlullāh ﷺ) dat niemand anders wordt bedoeld dan Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni.
Van Mirza (zoon van Chiragh Bibi) naar Jezus (zoon van Maria)

Mirza is de zoon van Chiragh Bibi, maar hij beweert ook dat hij Jezus, de zoon van Maria (Isa Ibni Maryam), is. Hij zegt dat god hem eerst in Maryam voor een periode van twee jaar had veranderd en na die twee jaar maakte god hem zwanger en blies vervolgens de ziel van Isa in hem. Hij bleef 10 maanden zwanger, waarna god hem veranderde in Isa, waardoor hij zowel Jezus als Maria was. (Rūḥānī Khazāʾin deel 19 pag. 87-89).

Mirza claimt Masiel Masīh te zijn
  • Hij is Masiel Masīh omdat hij ook zonder meer gaven heeft, zoals die aan Jezus was toegeschreven (Rūḥānī Khazāʾin deel 1 pag. 593).
  • Ḥazrat Isa is de zoon van Yūsuf Najjar (Rūḥānī Khazāʾin deel 3 pag. 254).
  • Jezus Ḥazrat Isa was een gewone leugenaar, had de gewoonte om allerlei ontuchtigheden te zeggen, was een alcoholist, een gulzigaard en een slecht mens. Hij was geen vrome man en zeker niet iemand, die zocht naar de waarheid. Nee, hij was een trots en verwaand iemand, die het geloof beweerde te verkondigen. (Rūḥānī Khazāʾin deel 9 pag. 387, deel 11 pag. 289).
  • Ik heb bepaalde gaven, die ook toegeschreven zijn aan Jezus. Mijn persoonlijkheid en die van Jezus zijn zoveel als twee stukken van dezelfde atoom of twee zaden van dezelfde boom. (Rūḥānī Khazāʾin deel 1 pag. 593).
  • Jezus is dood en zal nooit meer terugkomen (Rūḥānī Khazāʾin deel 3 pag. 402).
  • Een feit is dat Jezus geen wonderen verrichtte (Rūḥānī Khazāʾin deel 11 pag. 289).
  • Drie grootmoeders van Jezus waren hoeren en overspelig, van welke het bloed in Jezus’s aderen stroomt. (Rūḥānī Khazāʾin deel 9 pag. 417).
  • Jezus werd krankzinnig door epilepsie. (Rūḥānī Khazāʾin deel 9 pag. 417).
  • Ik wilde dat Jezus nooit op deze wereld was gekomen. (Rūḥānī Khazāʾin deel 9 pag. 417).
  • Ik ben beter dan Jezus (de zoon van Maria). (Rūḥānī Khazāʾin deel 1 pag. 593).
Mirza schept op over zijn Wahi
  • De Qur’ān is god’s boek en zijn de woorden uit mijn mond (advertentie van 15 maart 1897, Rūḥānī Khazāʾin deel 22 pag. 87).
  • Ik geloof in mijn Wahi (openbaring) zoals ik geloof in de Qur’ān en de Torah (Rūḥānī Khazāʾin deel 17 pag. 454).
  • De basis voor onze claim is niet de Aḥadīth (overleveringen van profeet Mohammad) maar de Qur’ān en de Wahi die tot mij is gekomen. Ja, als ondersteuning citeren wij ook uit de Hadith, welke overeenkomen met de Qur’ān en die niet in strijd zijn met mijn Wahi. De rest van de Aḥadīth, die gooi ik weg als een stuk vuil papier. (Rūḥānī Khazāʾin deel 19 pag.140).
  • Bait-ul-Zikr (een moskee liggend aan Bait-ul-Fikr; een werkkamer waar Mirza zat en zijn boeken schreef) is gelijk aan de Haram-e-Ka’aba (de beroemde moskee in Mekka). ‘Wa man dakhalahookaan Āmina, degene die mijn werkkamer binnentreedt is in vrede’. (Rūḥānī Khazāʾin deel 1 pag. 666-667).
  • Vers 17:1 van de Heilige Qur’ān: “Zegen Allah, die zijn dienaar in een nachtelijke reis bracht van Masjid Haram (de beroemde moskee in Mekka) naar Masjid Aqṣā (moskee in Jerusalem).” Het is de werkelijke en letterlijke toepassing van de moskee, die Mirza’s vader heeft gebouwd. (Collectie van Advertenties deel 3 pag. 286).
Mirza kondigde aan de vorige profeten te belichamen
  • Ik ben Adam, ik ben Noah, ik ben Abraham, ik ben Isaac, ik ben Jacob, ik ben Ismaël, ik ben Mozes, ik ben Jezus (zoon van Maria), ik ben Mohammed. (Rūḥānī Khazāʾin deel 22 pag. 521).
  • De ware god is degene die zijn boodschapper heeft gestuurd naar Qadiyān. (Rūḥānī Khazāʾin deel 18 pag. 231).
Mirza verklaarde dat de kinderen van hoeren hem niet als profeet accepteren
  • Behalve de kinderen van hoeren, wiens harten zijn gesloten voor god, heeft iedereen me geaccepteerd en gelooft in mijn profetische gave. (Aina-e-Kamalate Islam, Rūḥānī Khazāʾin deel 5 pag. 547).
  • Hij, die niet gelooft in Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni, is ongehoorzaam aan god en zijn Profeet (hij bedoeld zichzelf), en zal naar de hel gaan. (Advertentie van Mirza d.d. 25 mei 1900).  
  • Ik ben een zelf ingeplante en zelf gecultiveerde zaailing van de Britse regering. De regering moet grote zorg betrachten tegenover deze zelf ingeplante zaailing, moet zijn officieren instrueren om mij en mijn Jama’at met exclusief vriendelijkheid te behandelen en gunsten te geven. Onze familie is nooit afvallig geweest omdat zij hun bloed hebben laten vloeien voor de Britse overheersers; zij hielden nooit op een leven op te offeren noch zullen zij ooit afvallig zijn tegenover het Britse Rijk. (Rūḥānī Khazāʾin deel 13 pag. 350).
  • Vanaf mijn vroegste jeugdjaren tot heden (65 jaar oud) ben ik verloofd met mijn pen en tong om de belangrijke taak te vervullen en de harten van de moslims te veranderen in de WARE LIEFDE, GOEDHEID én SYMPATHIE VOOR DE BRITSE REGERING én om de ideeën van jihad uit de harten van de stommelingen te wissen. (Kitāb-ul-Bariyah, Rūḥānī Khazāʾin deel 13 pag. 350).
  • “Voor het welzijn van de Britse regering heb ik gepubliceerd en distribueerde ik 50.000 flyers in India en andere islamitische landen om Jihad te verwerpen met als resultaat dat honderdduizenden hun smerige ideeën hebben opgegeven aangaande de Jihad. (Rūḥānī Khazāʾin deel 15 pag. 114).

Beste Soenniet Broeders en Zusters,

Dit is het ware geloof van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn Aḥmadiyyah Mouvement. Zij proberen te propageren dat zij (soennie) moslims zijn en Mirza niet als profeet accepteren, maar als mujaddid (hervormer). Uit de geschriften van Mirza blijkt dat de mensen die hem niet als profeet accepteren een ongelovige zijn. Kortom, op allerlei wijze kan aangetoond worden dat zij kāfir (ongelovigen) zijn.

Honderdduizenden moslims hebben hun geloof verloren en zijn in de klauwen van Mirza terechtgekomen, omdat zij geen kennis hadden over de werkelijke aard van Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni en zijn Aḥmadiyyah Mouvement.

Anti-islamitische machten zijn bang voor de herrijzing van de islam en de spirituele krachten van de Jiahd van moslims. Deze westerse machten weten dat elke moslim, die een Ahmadi wordt, in aantal. een godvrezende moslim minder is in de wereld. Mirza zegt dat elke Ahmadi moet geloven dat het concept Jihad Haraam is, ondanks dat daarover in de Heilige Qur’ān en Aḥadīth staat geschreven.

In de Heilige Qur’ān reciteren wij in hoofdstuk 2 verzen 190-193

وَقَـٰتِلُوا۟ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ ٱلَّذِينَ يُقَـٰتِلُونَكُمْ وَلَا تَعْتَدُوٓا۟ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلْمُعْتَدِينَ

“En, bestrijd op het Pad van Allāh degenen die u aanvallen, maar overschrijd de grenzen niet. Waarlijk, Allāh houdt niet van grensoverschrijders.” (Surah al-Baqarah, vers 190)

Transliteratie: Wa qātilū fī sabīlillāhi alladhīna yuqātilūnakum wa lā taʿtadū, inna Allāha lā yuḥibbul-muʿtadīn.

Toelichting: dit is het eerste vers geweest dat geopenbaard was betreffende Jihād, maar werd aangevuld door een ander vers in de Heilige Qur’ān:

إِنَّ عِدَّةَ ٱلشُّهُورِ عِندَ ٱللَّهِ ٱثْنَا عَشَرَ شَهْرًۭا فِى كِتَـٰبِ ٱللَّهِ يَوْمَ خَلَقَ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ مِنْهَآ أَرْبَعَةٌ حُرُمٌۭ ۚ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلْقَيِّمُ ۚ فَلَا تَظْلِمُوا فِيهِنَّ أَنفُسَكُمْ ۚ وَقَـٰتِلُوا ٱلْمُشْرِكِينَ كَآفَّةًۭ كَمَا يُقَـٰتِلُونَكُمْ كَآفَّةًۭ ۚ وَٱعْلَمُوٓا أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلْمُتَّقِينَ

“Voorwaar, het aantal maanden bij Allāh is twaalf maanden in het Boek van Allāh vanaf de dag dat Hij de hemelen en de aarde schiep; daarvan zijn er vier heilig. Dat is de juiste godsdienst. Dus doe uzelf daarin geen onrecht aan. En bestrijd de polytheïsten allen tezamen zoals zij u allen tezamen bestrijden. En weet dat Allāh met de godvrezende is.” (Surah 9, vers 36)

Transliteratie: Inna ʿiddata sh-shuhūri ʿinda Allāhi ithnā ʿashara shahran fī kitābi Allāhi yawma khalaqa as-samāwāti wal-arḍa minhā arbaʿatun ḥurum, dhālika ad-dīnu al-qayyim, fa-lā taẓlimū fīhinna anfusakum, wa qātilū al-mushrikīna kāffatan kamā yuqātilūnakum kāffatan, waʿlamū anna Allāha maʿa al-muttaqīn.

Verder openbaart Allāh Ta’ālā   

وَاقْتُلُوهُمْ حَيْثُ ثَقِفْتُمُوهُمْ وَأَخْرِجُوهُم مِّنْ حَيْثُ أَخْرَجُوكُمْ ۚ وَالْفِتْنَةُ أَشَدُّ مِنَ الْقَتْلِ ۚ وَلَا تُقَاتِلُوهُمْ عِندَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ حَتَّىٰ يُقَاتِلُوكُمْ فِيهِ ۖ فَإِن قَاتَلُوكُمْ فَاقْتُلُوهُمْ ۗ كَذَٰلِكَ جَزَاءُ الْكَافِرِينَ

“En, vermoordt ze waar u ze ook kunt vinden, en gooi hen eruit waar zij u uit hebben gegooid. En, Al-Fitnah (ongeloof en aanbidding van iets anders dan Allāh) is slechter dan doden. En, vecht niet tegen hen in Al-Masjid-al-Ḥarām (het heiligdom in Makkah), zolang zij niet eerst tegen u vechten. Maar als zij u aanvallen, vermoordt ze dan. Dat is de boete van de ongelovigen.” (Surah al-Baqarah, vers 191)

Transliteratie:

Wa-qtulūhum ḥaythu thaqiftumūhum wa akhrijūhum min ḥaythu akhrajūkum, wal-fitnatu ashaddu mina al-qatl, wa lā tuqātilūhum ʿinda al-Masjid al-Ḥarām ḥattā yuqātilūkum fīhi, fa-in qātalūkum fa-qtulūhum, kadhālika jazāʾu al-kāfirīn.

فَإِنِ ٱنتَهَوْا فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ

“Maar als zij ophouden (met vechten), dan is Allāh Meest Vergevend en Meest Genadevol.” (Surah al-Baqarah, vers 192)

Transliteratie: Fa-in intahaw fa-inna Allāha Ghafūrun Raḥīm.

وَقَاتِلُوهُمْ حَتَّىٰ لَا تَكُونَ فِتْنَةٌۭ وَيَكُونَ ٱلدِّينُ لِلَّهِ ۖ فَإِنِ ٱنتَهَوْا فَلَا عُدْوَٰنَ إِلَّا عَلَى ٱلظَّـٰلِمِينَ

“En, bestrijd hen totdat er geen Fitnah (ongeloof en aanbidding van iets anders dan Allāh) meer bestaat en (alle en iedere vorm van) aanbidding is voor Allāh (alleen). Maar als zij ophouden, laat dan geen misdraging plaatsvinden behalve tegen de Az-Zâlimûn (de polytheïsten en slechteriken, etc.)” (Surah al-Baqarah, vers 193)

Transliteratie: Wa qātilūhum ḥattā lā takūna fitnatun wa yakūna ad-dīnu lillāh, fa-in intahaw fa-lā ʿudwāna illā ʿalā al-ẓālimīn.

Nee, Mirza Ghulām Aḥmad Qadiyāni was GEEN MOSLIM!

Mirza zei dat degene die zich niet naar zijn namen bekendmakate niet zijn Sahaba (profetische metgezellen) waren. Daarom noemen zijn volgelingen zich naar zijn namen, namelijk:

  • Mirza              : Mirzai
  • Ghulām           : Ghulāmiyyah
  • Aḥmad            : Aḥmadiyyah
  • Qadiyāni         : Qadiyāni (naar naam naar zijn geboorteplaats in India)
  • Tegenwoordig bedenken deze ongelovigen nieuwe sekten voor hun (valse) profeet zoals de Lahorī groep.

In Nederlandse grondwet (artikel 6 lid 1, hoofdstuk Grondrechten) en EU-grondwet (Titel II Vrijheden, artikel 70 lid 1) is vastgelegd ‘vrijheid van godsdienst’, dus de islam wordt in concrete zin in Nederland en Europa op dit moment niet bedreigd.

Moge Allāh Ta’ālā het geloof van elke moslim beschermen tegen de kwade machten. Āmīn!

  • Abū Dāwūd, S. (n.d.). Sunan Abū Dāwūd. Dār al-Kutub al-ʿIlmiyyah.
  • Aḥmadiyyah Muslim Community. (n.d.). ānī Khazāʾin [Collected works of Mirza Ghulam Ahmad]. London: Aḥmadiyyah Muslim Mission.
  • Al-Bukhārī, M. I. (n.d.). aī al-Bukhārī. Dār al-Ṭawq al-Najāh.
  • Al-Tirmidhī, M. I. (n.d.). Jāmiʿ al-Tirmidhī. Dār al-Gharb al-Islāmī.
  • Friedmann, Y. (2003). Prophecy continuous: Aspects of Ahmadi religious thought and its medieval background (2nd ed.). Oxford University Press.
  • Ibn Mājah, M. (n.d.). Sunan Ibn Mājah. Dār Ihyāʾ al-Kutub al-ʿArabiyyah.
  • Khan, M. A. (2015). The Amadiyyah case of South Asia: Religion, law, and identity. Oxford University Press.
  • Lavan, S. (1974). The Ahmadiyah movement: History and perspective. Manohar Book Service.
  • Muslim, I. (n.d.). aī Muslim. Dār Ihyāʾ al-Turāth al-ʿArabī.
  • Rabita al-Alam al-Islami. (1974). Resolution on the Amadiyyah Movement. Makkah al-Mukarramah.
  • Valentine, S. R. (2008). Islam and the Amadiyyah Jamaʿat: History, belief, practice. Columbia University Press.

Lees verder

Korte ontstaansgeschiedenis Qadiyāni Dharm >>

Qadiyani Dharm van Mufti Abdul Wajid Qadri >>


 

 


Translate »
error: Content is protected !!