Vraagstellingen

Wat is het oordeel van de Ulema binnen de islam over de volgende kwesties?

  • Indien zij hun huizen bezoeken, is het dan een zonde voor iemand om dit te ontkennen? En zo ja, onder welke categorie zonde valt dit?
  • Kan de ziel van een overledene na het overlijden zijn huis ooit bezoeken?
  • Heeft de overledene baat bij de smeekbeden (duʿāʾ) van zijn nabestaanden en relaties, waarin zij Allāh vragen om elke Sawāb (beloning) van het reciteren van de Heilige Qurʾān, het geven van Khayrāt (liefdadigheid), het uitdelen van voedsel of geld, enzovoorts, aan hem of haar toe te kennen?
  • Als de zielen hun huizen bezoeken, op welke dagen gebeurt dit dan?

Khādim-ul-Muhaddithīn Sheikh Muḥaqqiq Maulana Abdul Haq Muḥaddith-e-Dehlvī schrijft in zijn annotatie van Mishkāt Sharīf, in het hoofdstuk over het bezoeken van graven, het volgende: “Het geven van sadaqāh (vrijwillige liefdadigheid) ten gunste van de overledene gedurende zeven dagen na diens overlijden is mustahab (een aanbevolen handeling). Het schenken van sadaqāh namens de overledene is een middel om voordeel voor hem/haar te verkrijgen. Over dit onderwerp bestaat geen verschil van mening onder de Ahle Ilm (de mensen van kennis). Er zijn Ṣaḥīḥ (authentieke) ahadīth overgeleverd met betrekking tot deze zaken, in het bijzonder over de distributie van water. Sommige Ulema zijn van mening dat de overledene uitsluitend de beloning van sadaqāh en duʿāʾ (smeekbede) ontvangt. In bepaalde overleveringen staat vermeld dat de ziel op de vooravond van vrijdag (donderdagavond na maghrib namāz) het huis bezoekt en wacht om te zien of er sadaqāh namens hem wordt gegeven.” Ashʿat-ul-Lamʿāt, deel 1, pp. 716–717

Sheikh-ul-Islam schrijft in paragraaf zes van het boek Kashf-ul-Ghita: “In Garāʾib en Khazāna wordt vermeld dat de zielen van de overledenen terugkeren naar hun huizen op de vooravond van elke vrijdag, op de dag van ʿĪd, op de dag van ʿĀshūrāʾ en op Shab-e-Barāʿat. De ziel staat dan buiten het huis en roept met een zeer verdrietige stem: ‘O mijn familie! O mijn kinderen! O mijn verwanten! Wees barmhartig jegens ons door het geven van sadaqāh.’” Kashf-ul-Ghita

In Sharḥ al-Ṣudūr heeft Sheikh Jalāluddīn Suyūṭī (Raḥmatullāhi ʿalayhi) verschillende ahadīth gepresenteerd over de meest voorkomende momenten waarop zielen hun woningen bezoeken, hoewel de meeste ahadīth als Ḍaʿīf (zwak) worden geclassificeerd. Het gebruik van het woord “meeste” in deze context toont aan dat niet alle overgeleverde ahadīth zwak zijn. Het dient te worden opgemerkt dat in zaken die geen betrekking hebben op ʿAqīdah (geloofsleer) of op kwesties van Ḥalāl en Ḥarām, zelfs Ḍaʿīf overleveringen volgens de Ijmāʿ (consensus) als aanvaardbare argumenten kunnen gelden.

Imām Ajal Abdullah bin Mubārak en Abu Bakr bin Abī Shuʿayba rapporteren van de leraar van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Muslim, Hazrat Abdullah bin ʿAmr bin al-ʿĀṣ (Raḍiyallāhu ʿAnhu). Imām Aḥmad vermeldt dit op gezag van Musnad, en Ṭabarānī rapporteert via Muʿjam al-Kabīr. Ḥākim vermeldt het in Ṣaḥīḥ al-Mustadrak, en Abū Nuʿaym in Ḥilyat al-Awliyāʾ, allen op gezag van Ṣaḥīḥ:

[Woorden van Ibn Mubārak] “Voorwaar, de wereld is een tuin (paradijs) voor de ongelovigen en een gevangenis voor de gelovigen. Wanneer de ziel van een moslim zijn lichaam verlaat, is dat te vergelijken met een persoon die uit een gevangeniscel is bevrijd. Hij begint dan op aarde te reizen en vrij rond te lopen.” Kitāb al-Zuhd van Ibn Mubārak, Ḥadīth 597, p. 211

De verslaggeving van Abu Bakr bin Abi Shuaiba luidt als volgt: “Wanneer een moslim deze wereld verlaat (overlijdt), dan wordt zijn pad geopend en kan hij gaan waar hij ooit wilde gaan.”

Ibn Abi Duniya en Baihāqi vertellen over Saʿīd ibn al-Musayyab, die eens een ontmoeting had met Ḥazrat Salmān al-Fārsī en Ḥazrat ʿAbdullāh ibn Salām (Raḍiyallāhu ʿAnhum). Eén van hen zei tegen de ander: “Als jij eerder dan ik overlijdt, breng mij dan op de hoogte van wat er gebeurt.” Hij vroeg: “Ontmoeten de doden en de levenden elkaar?” Hij antwoordde: “Ja, de zielen van de moslims zijn in Jannah. Zij hebben de keuze om te gaan waar zij willen.” Shuʿb-ul-Īmān, Ḥadīth 1355, deel 2, p. 121

Ibn Mubārak rapporteert in Kitāb-uz-Zuhd, en Abu Bakr bin Abi Duniya en Ibn Munda rapporteren van Salmān al-Fārsī (Raḍiyallāhu ʿAnhum): “Voorwaar, de zielen van de moslims bevinden zich in de Barzakh (een domein in ʿIlliyyīn, het bovenste gedeelte tussen de wereld en het Hiernamaals) en gaan waar zij willen. De zielen van de kuffār zitten gevangen in Sijjīn (een domein in het onderste gedeelte – de aarde – tussen de wereld en het Hiernamaals).” Kitāb-uz-Zuhd, Ḥadīth 429, p. 144

Ibn Abi Duniya overlevert van Ḥazrat Mālik bin Anas (Raḍiyallāhu ʿAnhuma): “Een overlevering heeft mij bereikt waarin gezegd wordt dat de zielen van de moslims vrij zijn. Zij gaan waar zij willen.” Sharḥ al-Ṣudūr, p. 98

Imām Jalāluddin Suyūṭī (Raḩmatullāhi ʿAlayhi) stelt in Sharḥ al-Ṣudūr dat Imām Abū ʿUmar ibn ʿAbd al-Birr zegt: “Het is algemeen bekend dat de zielen van de martelaren in Jannah zijn, en de zielen van andere moslims bevinden zich dicht bij hun graven. Zij komen en gaan wanneer zij willen.” Sharḥ al-Ṣudūr, p. 105

In Tafsīr Sharḥ Jāmiʿ al-Ṣaghīr van ʿAllāma Manāwī staat: “Voorwaar, wanneer de ziel gescheiden is van haar omhulsel en bevrijd is uit haar gevangenschap door de dood, dan reist zij waarheen zij wil.” Deel 1, p. 320

ḍī Thanāʾullāh schrijft in Tadhkirat-ul-Mawtā: “De zielen van de Awliyāʾ Kirām reizen door de hemel, de aarde en Jannah. Zij gaan waar zij willen.” Miṣbāḥ al-Nūr, vertaling van Tadhkirat-ul-Mawtā, pp. 75–76

In Khazānat-ul-Riwāyāt wordt verklaard: “Sommige Muḥaqqiq Ulema hebben overgeleverd dat de zielen worden bevrijd op de vooravond van vrijdag en zich beginnen uit te strekken over de aarde. Eerst komen zij naar hun graf en gaan vervolgens naar hun huizen.”

In Dastūr-ul-Quzzāt staat: “Voorwaar, de zielen van de moslims bezoeken hun huizen op de vooravond van elke vrijdag. Zij staan aan de deur en roepen met een zeer droevige stem: ‘O mijn familie! O mijn kinderen! O mijn verwanten! Wees gul jegens ons en geef sadaqāh. Vergeet ons niet. Vergeet ons niet. Wees mededogend jegens ons in onze armoede.’”

Ook in Khazānat-ul-Riwāyāt staat: “Het is overgeleverd door Ibn ʿAbbās (Raḍiyallāhu ʿAnhu) dat wanneer de dagen van ʿĪd, Jumuʿah, ʿĀshūrāʾ of Shab-e-Barāʾat aanbreken, de zielen van de overledenen hun huizen bezoeken. Zij staan voor hun deuren en zeggen: ‘Is er iemand die ons herinnert? Is er iemand die mededogen met ons heeft? Is er iemand die onze armoede wil erkennen?’”

Opmerking: De volgende twee pagina’s van het originele boek van Alāḥazrat (Raḍiyallāhu ʿAnhu) behandelen uitvoerig het onjuiste concept van de Wahhābīs en Najdīs, die zwakke ahādīth verwerpen. Alāḥazrat (Raḍiyallāhu ʿAnhu) legt in zijn conclusie duidelijk uit dat de kwestie van het bezoek van de ziel aan het huis na overlijden geen directe zaak is van ʿAqāʾid (geloofsleer), noch een fiqh-vraagstuk dat direct verband houdt met ḥarām en ḥalāl. Gezien het aantal gepresenteerde ahādīth is deze kwestie zeker relevant. In het laatste deel van dit boek bespreekt Alāḥazrat (Raḍiyallāhu ʿAnhu) andere gedetailleerde kwesties die niet voor het grote publiek zijn bedoeld en daarom zijn weggelaten in de Engelse vertaling.

Andere Fatāwa van Alahazrat over het gebied voor de overledene en de ziel.

Vraag van Imāmudin Sahib, 19 Rabi-ul-Akhir 1326, Kanpur
Hoe kan de ziel na overlijden in contact blijven met zijn familie?

Beantwoording

De dood betekent niet dat de ziel sterft; zij verwijst naar de scheiding van de ziel van het fysieke lichaam. De ziel blijft altijd levend. In de Hadith Sharīf staat: “U bent geschapen om voor altijd te leven.” Net zoals de zielen tijdens het fysieke leven contact hadden, behouden zij dit ook na het overlijden. Volgens de Hadith Sharīf worden elke vrijdag de daden van hun kinderen van de afgelopen week aan hen gepresenteerd. Zij verheugen zich over goede daden en treuren om de slechte. O dienaren van Allāh, maak uw overleden ouders niet verdrietig.

Vraagstelling

Wat zeggen de geleerden over het volgende gevallen. Waar is de plaats van de zielen van de moslims? Blijven ze bij het lichaam of zijn ze gescheiden?

Beantwoording van de vragen

De zielen van de gelovigen bevinden zich in verschillende vormen en plaatsen binnen de Barzakh, zoals vermeld in de overleveringen over de martelaren. Sommigen zijn in de gedaante van groene vogels, zoals beschreven in authentieke aḥādīth. De verblijfplaatsen van de zielen verschillen naar gelang hun spirituele status:

  • Sommige zielen bevinden zich in hun graven.
  • Andere zijn bij de fontein van Zamzam.
  • Sommigen zweven in de lucht tussen hemel en aarde.
  • Een aantal bevindt zich onder de ʿArsh (Goddelijke Troon) in lantaarns van Nūr (licht).

Deze indeling en beschrijving zijn uitvoerig behandeld door Imām Suyūṭī in zijn werk Sharḥ al-Ṣudūr, waarin hij de verschillende verblijfplaatsen en toestanden van de zielen na de dood in detail uiteenzet.

Vragen

  1. Wordt dat wat gevoeld wordt door de familie ook gevoeld door de overledene?
  2. Wat is de vorm van de straf en beloning, wanneer de mens is gemengd met zand en zijn ziel naar de aangewezen plaats gaat?
  3. Waar is de plaats van de ziel na het overlijden?
  4. In een droom ziet een familielid soms de overledene. Wordt dit ook gevoeld door de overledene?
  5. Wat is de ziel? Het wordt vaak gezegd, dat de ziel zich bewust is van de affaires van de wereld, zelfs na overlijden.
  6. Weet de overledene wanneer iemand zijn graf bezoekt?

Beantwoording van de vragen

1. Verdriet van de overledene bij pijn van familieleden

Wanneer familieleden pijn voelen, ervaart de overledene ook verdriet. In het verbod om te huilen bij de overledene is gezegd: “Als je huilt, dan huilt ook de overledene. Maak hem dus niet verdrietig.”

2. De relatie tussen lichaam, ziel en wederopstanding

De mens wordt nooit stof; het is slechts het lichaam dat tot stof vergaat, en zelfs dat niet volledig. Er blijven oorspronkelijke deeltjes bestaan die onzichtbaar zijn, niet vernietigd worden en eeuwig blijven bestaan.

Met deze deeltjes zal het lichaam op de Dag van Qiyāmah worden herrezen. Straf en beloning gelden zowel voor het lichaam als voor de ziel. Degenen die beweren dat dit uitsluitend voor de ziel geldt, zijn misleid.

Zowel de ziel als de oorspronkelijke deeltjes van het lichaam blijven bestaan. Zelfs als het lichaam tot stof is vergaan, is het niet volledig uiteengevallen. Ze worden in verschillende vormen van elkaar gescheiden.

Een ḥadīth-voorbeeld verduidelijkt dat straf zowel het lichaam als de ziel betreft: Er is een boomgaard waarvan het eten van de vruchten verboden is. Een verlamde man bevindt zich buiten de boomgaard; hij kan niet lopen, maar wel zien. Hij ziet de vruchten, maar kan ze niet bereiken. Op dat moment arriveert een blinde man. De verlamde zegt: “Draag mij op je schouders en ik zal je de weg wijzen.” Zo eten beiden van de vruchten.

Er is een boomgaard waarvan het eten van de vruchten verboden is. Een verlamde man bevindt zich buiten de boomgaard; hij kan niet lopen, maar wel zien. Hij ziet de vruchten, maar kan ze niet bereiken. Op dat moment arriveert een blinde man. De verlamde zegt: “Draag mij op je schouders en ik zal je de weg wijzen.” Zo eten beiden van de vruchten.

Wie verdient straf? Beiden zijn overtreders.
Als de blinde hem niet had gedragen, was hij niet gegaan. Als de verlamde hem niet had begeleid, had hij niets gezien.

De verlamde staat symbool voor de ziel: hij weet en ziet, maar kan niet handelen.
De blinde staat symbool voor het lichaam: hij kan handelen, maar niet zien of begrijpen. De zonde werd begaan door hun samenwerking, waardoor beiden straf verdienen. (En, Allāh weet het beter).

3. Verblijfplaatsen van de ziel

De verblijfplaats van de ziel verschilt per spirituele status. Onder de moslims:

  • Sommigen blijven bij hun graf.
  • Sommigen zijn bij de fontein van Zamzam.
  • Sommigen bevinden zich tussen hemel en aarde.
  • Sommigen zijn in de eerste tot en met de zevende hemel.
  • Sommigen bevinden zich in de hoogten van de lucht.
  • Sommigen zijn in de vorm van groene vogels onder de ʿArsh van Allāh, in lantaarns van licht.

De zielen van de kuffār (niet-moslims) verblijven:

  • Sommigen in een plaats genaamd Wādī al-Barhūt.
  • Sommigen in de derde hemel.
  • Sommigen in een plaats genaamd Sijjīn.

(En, Allāh weet het beter).

4. Gevoel en waarneming van de ziel

Soms voelen de zielen iets, soms niet. Beide toestanden zijn beschreven in Sharḥ al-Ṣudūr van ʿAllāma Suyūṭī. (En, Allāh weet het beter).

5. De kracht en aard van de ziel

De ziel is, door het Bevel van mijn Heer, een schepping. “Jullie hebben slechts een fractie van kennis ontvangen.” Het vermogen van de ziel om te zien, horen en weten blijft bestaan, en wordt zelfs krachtiger dan voorheen. (En, Allāh weet het beter).

6. Waarneming van grafbezoekers door de overledene

De overledene ziet degenen die zijn graf bezoeken en hoort hun woorden.
Als hij hen tijdens zijn leven kende, zal hij hen ook na zijn overlijden herkennen.

Als de bezoeker een familielid of vriend is, wordt de overledene blij met diens komst.

Dit alles is duidelijk gemaakt in de ahādīth, de verklaringen van de grote Aʾimmah, en behoort tot de ʿAqāʾid van de Ahl al-Sunnah. Een gedetailleerde uitleg hierover is te vinden in mijn boek Hayāt-ul-Amwāt. (En, Allāh weet het beter).

Vraagstelling

Wat zeggen de Ulema over de volgende vraag: Als een persoon overlijdt op een donderdag, wordt hij dan gespaard van de bestraffing van het graf? En geldt die vergiffenis alleen op donderdagen, of is hij voor altijd vergeven?

Beantwoording

Er is geen specifiek gebod voor overlijden op een donderdag. Wat hierover vermeld is, betreft de vooravond van vrijdag (donderdagavond), de vrijdag zelf, en alle dagen van de maand Ramaḍān. Moslims die op deze gezegende momenten overlijden, worden volgens overleveringen ontzien van de ondervraging door de Nakirain (Munkir en Nakir) en van de kwelling van het graf. Allāh is Karīm — Hij kan vergeven, en toch iemand verantwoordelijk houden.

Vraagstelling

Wat zeggen de geleerden (Ulema) over de volgende kwestie? Stel dat er vandaag de dag een persoon met een bepaalde naam zou moeten overlijden, maar dat per ongeluk een andere persoon met dezelfde naam sterft — dus dat de ander met dezelfde naam ten onrechte door de Engel is meegenomen. Er is verteld dat zich een dergelijk incident heeft voorgedaan: iemand overleed, maar kwam enige tijd later weer tot leven, terwijl een andere persoon met dezelfde naam vervolgens overleed. Toen de eerste persoon werd gevraagd wat er was gebeurd, begon hij te vertellen over zijn ervaring buiten het lichamelijke bewustzijn. Wat is het oordeel van de Ulema in deze kwestie?

Beantwoording

Dit is absoluut onjuist. De engelen van de Almachtige Allāh maken geen fouten bij het vervullen van Zijn geboden.

Allāh zegt in de Qur’ān: “Zij doen wat hun is opgedragen.” Surah al-Tahrīm, 66:6 en vergelijkbare passages

De engelen zijn volmaakt gehoorzaam en handelen uitsluitend volgens het bevel van Allāh. Het idee dat zij iemand per vergissing zouden meenemen, is in strijd met de islamitische geloofsleer (ʿAqīdah) en wordt door de Ulema verworpen. (En, Allāh weet het beter).


[1] Noot van de Nederlandse vertaler: hiermee wordt bedoeld of de eerder overleden persoon en de pas overleden persoon elkaar ontmoeten.


Translate »
error: Content is protected !!