Shahīd-e-Karbala

Met de Naam van Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.

Alle lof behoort Allāh Ta’ālā toe, Die de harten verlicht met de liefde voor Zijn Geliefde Profeet Muḥammad ﷺ, Zijn Ahl al‑Bayt en Zijn verheven Ṣaḥābah (Ridwānullāhi Alayhim ajmaʿīn). Zegeningen en vrede zij met Rasūlullāh ﷺ, de Leraar der Mensheid, en met zijn gezegende familie, in het bijzonder de Meester der Martelaren, Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu).

Voor u ligt een vernieuwde en uitgebreide editie van het klassieke geschrift van Ustaaz‑e‑Zamān, Maulana asan Raza Khan al‑Qādrī (ʿAlayhir Ramah) over Shahīd‑e‑Karbalāʾ, een werk dat generaties moslims heeft geïnspireerd om de spirituele, morele en historische lessen van Karbalāʾ te begrijpen en te omarmen.

In 2008 had ik, Tangali, de eer dit werk voor het eerst te vertalen en toegankelijk te maken voor een Nederlandstalig publiek. In de jaren die volgden groeide de behoefte aan een academisch verantwoorde versie, voorzien van duidelijke bronverwijzingen, toelichtingen en contextuele duiding, passend bij het niveau van hedendaagse islamitische opleidingen.

Daarom presenteer ik in 2026 deze herziene editie, speciaal samengesteld voor de studenten van CPS3 (ʿĀlim) van de Raza Sharīʿah & Sufi School. In deze versie heb ik:

  • authentieke soennitische bronnen toegevoegd,
  • klassieke referenties geverifieerd,
  • historische gebeurtenissen verduidelijkt,
  • theologische toelichtingen aangebracht,
  • en het geheel in een academisch verantwoorde structuur gegoten.

Mijn doel was niet om het oorspronkelijke werk te veranderen, maar om het te verrijken, te verhelderen en te verankeren in de klassieke soennitische traditie, zodat studenten niet alleen de tekst lezen, maar ook de bronnen, methodologie en historische context begrijpen.

Moge Allāh Ta’ālā dit werk een middel maken voor kennis, inzicht en spirituele groei. Moge Hij ons allen het ware pad van de Ahl al‑Sunnah wa‑l‑Jamāʿah laten volgen, de liefde voor de Ahl al‑Bayt en de Ṣaḥābah in onze harten versterken, en ons inspireren om de Sunnah van Rasūlullāh ﷺ te belichamen in ons dagelijks leven.

Moge Allāh Ta’ālā de ziel van Maulana Ḥasan Raza Khan al‑Qādrī (ʿAlayhir Raḥmah) verhogen en zijn werk tot een voortdurende bron van zegen maken.

Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) werd geboren in het jaar 4 Hijrah in Madīnatul Munawwarah (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 221). Zijn moeder, Ḥazrat Bibi Fāṭimah (raḍiyAllāhu ʿanhā), was de oogappel van de Heilige Profeet ﷺ (al‑Bukhārī, 2002, ḥadīth 3749), en zijn vader, Ḥazrat ʿAlī al‑Murtaḍā (raḍiyAllāhu ʿanhu), was een van de meest getalenteerde en bijzondere persoonlijkheden van de vroege islam (al‑Dhahabī, 1982, vol. 2, p. 35). Grootgebracht door dit uitzonderlijke echtpaar, onder het toeziend oog van de Heilige Profeet ﷺ, ontwikkelde Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zich al snel tot een veelbelovende Schriftgeleerde, strijder en heilige (Musnad Aḥmad, 1995, ḥadīth 17130). De ideale opvoeding die hij kreeg van zijn ouders en grootvader maakte hem tot een van de nobelste zonen van de islam. Zelfs in zijn tienerjaren werd hij opgemerkt vanwege zijn goedheid, nobelheid, galantheid en geleerdheid (al‑Tirmidhī, 1998, ḥadīth 3775).

De twee broers, Imām Ḥasan en Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhumā), genoten groot respect van moslims uit alle lagen van de gemeenschap vanwege hun karaktereigenschappen (Muslim, 2006, ḥadīth 2424). Zij kregen aanzien, zelfs van de opeenvolgende Khulafāʾ (kaliefen) van de islam (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 284). Tijdens het kalifaat van hun vader, Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu), ontstonden problemen die leidden tot de splitsing van het moslimkalifaat in twee delen: één geleid door Ḥazrat ʿAlī (raḍiyAllāhu ʿanhu) en het andere door Ḥazrat Amīr Muʿāwiyah (raḍiyAllāhu ʿanhu) (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 17, pp. 1–20). Na het martelaarschap van Ḥazrat ʿAlī nam Imām Ḥasan, die zijn vader opvolgde, afstand van het kalifaat ten gunste van Ḥazrat Amīr Muʿāwiyah (raḍiyAllāhu ʿanhu) in het grotere belang van de islam (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 42). Kort daarna werd hij vergiftigd en overleed hij aan de gevolgen daarvan (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 286).

Ḥazrat Amīr Muʿāwiyah (raḍiyAllāhu ʿanhu) benoemde zijn zoon Yazīd als zijn opvolger (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 3). Yazīd besteeg de troon van Damascus in het jaar 60 Hijrah, overeenkomend met 680 n. Chr. (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 115). Zijn levensstijl werd door vele soennitische geleerden bekritiseerd vanwege zijn voorkeur voor wereldse genoegens en gebrek aan religieuze discipline (al‑Dhahabī, 1982, vol. 4, p. 37).

Yazīd volgde de voorbeelden van de vier rechtgeleide Khulafāʾ niet (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 224). Verschillende klassieke soennitische bronnen beschrijven dat hij alcohol dronk en nalatig was in het verrichten van de verplichte gebeden (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 116). Ook wordt vermeld dat hij zich bezighield met activiteiten die niet pasten bij de waardigheid van een islamitische leider, zoals overmatige jacht en het houden van honden in zijn privévertrekken (al‑Dhahabī, 1982, vol. 4, p. 38). Zijn gebrek aan aandacht voor ṭahārah (rituele reinheid) wordt eveneens genoemd in de biografische literatuur (Ibn al‑Jawzī, 1992, p. 89).

Daarnaast wordt in de soennitische historiografie vermeld dat Yazīd weinig aandacht had voor de administratieve en religieuze verantwoordelijkheden van het kalifaat (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 5). Zijn houding tegenover vrome moslims en met name tegenover de familie van de Profeet ﷺ wordt door veel geleerden als problematisch beschreven (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 118).

Yazīd probeerde het vertrouwen te winnen van vier prominente moslims, waaronder Ḥazrat Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu), door middel van politieke druk en diplomatieke beïnvloeding (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 7). Echter, Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu), die deugd, moed en edelmoedigheid had geërfd van zijn vader en grootvader, was niet iemand die zich liet beïnvloeden door macht of samenzwering (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 289). Hij bleef standvastig en weigerde een leider te erkennen die volgens hem niet voldeed aan de religieuze en morele kwaliteiten die vereist zijn voor het kalifaat (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 119).

Direct na zijn aantreden gaf Yazīd opdracht aan Walīd ibn ʿUtbah, de gouverneur van Madīnatul Munawwarah, om Ḥazrat Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) te dwingen hem de eed van trouw (bayʿah) af te leggen (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 8). Intussen ontving Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) berichten van de inwoners van Kufa, waarin zij hem smeekten hun te bevrijden van de onderdrukkende Umayyadische heerschappij (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 152). Hij ontving honderden brieven van de bewoners van Kufa waarin zij hun loyaliteit en steun aan hem toezegden (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 268).

De goedhartige en deugdzame Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zag het als zijn plicht om de onderdrukking een halt toe te roepen (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 293). Daarom stuurde hij zijn neef, Ḥazrat Muslim ibn ʿAqīl (raḍiyAllāhu ʿanhu), als gezant naar Kufa (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 10). Duizenden inwoners van Kufa haastten zich om hun trouw aan Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) te betuigen door de eed af te leggen op de hand van Muslim ibn ʿAqīl (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 153). Het rapport dat Muslim ibn ʿAqīl naar Imām Ḥusain stuurde was positief en bemoedigend, en hij nodigde hem uit om naar Kufa te komen (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 270).

De inwoners van Kufa werden echter spoedig geïntimideerd door de nieuwe gouverneur, ʿUbaydullāh ibn Ziyād, en uit angst en opportunisme keerden zij zich tegen Muslim ibn ʿAqīl (raḍiyAllāhu ʿanhu) (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 22). Hij werd verraden en uiteindelijk geëxecuteerd, waarmee hij shahīd werd (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 158).

In de tussentijd was Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) met zijn familieleden, vrienden en volgelingen al op weg naar Kufa (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 295). Toen hij de grens van Irak naderde, werd hij verrast door de afwezigheid van de beloofde troepen uit Kufa (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 273). Enkele etappes voor zijn bestemming bereikte hem het tragische nieuws van de martelaarschap van zijn gezant Muslim ibn ʿAqīl (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 25).

Hij werd vervolgens geconfronteerd met een Umayyadische militaire eenheid onder leiding van Ḥurr ibn Yazīd al‑Tamīmī, opererend onder het gezag van ʿUbaydullāh ibn Ziyād (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 162). Deze dwong Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) en zijn gezelschap om af te wijken van hun route en te reizen naar Karbalāʾ, ongeveer 40 kilometer ten noordoosten van Kufa (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 30).

Het kleine gezelschap van 72 personen — mannen, vrouwen en kinderen — sloeg zijn kamp op aan de westelijke oever van de Eufraat (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 276). Zij werden omsingeld door een Umayyadisch leger van ongeveer 4.000 soldaten onder bevel van ʿAmr ibn Saʿd (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 164). Een gevecht leek onvermijdelijk, en Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) was bereid zijn leven te geven voor waarheid en rechtvaardigheid (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 298).

Toen begon een periode van zware beproevingen voor de afstammelingen van de Heilige Profeet ﷺ. Het leger van Ibn Saʿd omsingelde hun kamp, sneed hun toegang tot water af en liet hen dagenlang lijden onder honger en dorst (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 18, p. 35). Van 7 tot 10 Muḥarram hadden Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) en zijn volgelingen geen druppel water (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 166). Ondanks deze immense tragedie, die zelfs de sterkste harten zou doen beven, bleven Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) en zijn metgezellen standvastig (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 300).

In de nacht voorafgaand aan 10 Muḥarram verzamelde Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zijn kleine groep van 72 metgezellen en vroeg hen het kamp te verlaten en elders veiligheid te zoeken (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 12). Zijn toegewijde volgelingen weigerden hem echter te verlaten en verklaarden dat zij liever zouden sterven dan hem alleen achter te laten (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 171).

Daarop gaf Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) opdracht om de tenten aan elkaar vast te binden, zodat het vijandelijke leger hen niet van achteren kon aanvallen (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 280). Ook liet hij een geul graven aan de achterzijde van het kamp, die gevuld werd met hout en in brand gestoken zou worden zodra de strijd begon, om zo de flank te beschermen (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 302).

De moslims brachten die nacht door in gebed, Qurʾān‑recitatie en smeekbeden, terwijl zij zich voorbereidden op de onvermijdelijke confrontatie die de volgende dag zou plaatsvinden (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 172). Deze nacht staat in de soennitische historiografie bekend als een nacht van spirituele verheffing, standvastigheid en volledige overgave aan Allāh (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 14).

De ochtend van 10 Muḥarram

Op de ochtend van 10 Muḥarram 61 Hijrah bereidden de metgezellen van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zich voor op de strijd door zich te parfumeren en hun beste kleding aan te trekken, zoals gebruikelijk was voor martelaarschap in de weg van Allāh (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 174). De vrouwen kregen te horen dat zij onder de bescherming van Allāh Ta’ālā stonden en dat zij geduldig de komende beproevingen moesten verdragen (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 17). De metgezellen hadden al drie dagen geen water of voedsel gehad, omdat de toegang tot de Eufraat volledig was afgesloten door het leger van Ibn Saʿd (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 284).

De toespraak van Imām usain (raiyAllāhu ʿanhu)

Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) richtte zich, zittend op zijn paard, tot het leger van Shimr en riep hen op tot rechtvaardigheid en erkenning van zijn afstamming van de Profeet ﷺ (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 18). Hij sprak:
“O mensen, luister naar mij. Wees niet overhaast. Laat mij mijn positie uitleggen. Als u mijn woorden rechtvaardig vindt, laat dan uw wapens zakken. Maar als u weigert, dan vertrouw ik mijn zaak toe aan Allāh, de Helper van de rechtvaardigen.” (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 175).

Hur’s overstap naar de zijde van de waarheid

Het leger van Ibn Saʿd maakte zich gereed voor de aanval. Ḥurr ibn Yazīd al‑Tamīmī, die aanvankelijk de weg van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) had versperd, werd overweldigd door twijfel en gewetensnood (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 304). Uiteindelijk zei hij: “Bij Allāh, ik kies voor het Paradijs, ongeacht de gevolgen.” Hij reed naar de zijde van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu), vroeg om vergiffenis en werd door hem vergeven (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 176). Niet lang daarna werd Ḥurr martelaar (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 285).

Het martelaarschap van ʿAlī al‑Akbar

De strijd begon. De 17‑jarige ʿAlī al‑Akbar (raḍiyAllāhu ʿanhu), die volgens de metgezellen het meest leek op de Profeet ﷺ in uiterlijk en karakter, stormde dapper op de vijand af (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 178). Hij vocht moedig totdat Marra ibn Munqidh hem met een speer trof, waarna hij als martelaar viel (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 23). Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) begroef zijn zoon met eigen handen (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 286).

Het martelaarschap van ʿAlī Asghar

Toen Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zijn zes maanden oude zoon ʿAlī Asghar (raḍiyAllāhu ʿanhu) hoorde huilen van dorst, nam hij hem in zijn armen en vroeg de vijand om slechts een druppel water voor het kind (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 25). In plaats daarvan richtte Ḥarmala ibn Kāhil zijn pijl en schoot deze door de keel van het kind (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 179). Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) hief zijn zoon omhoog en zei: “O Allāh, dit is voor Uw tevredenheid.”  Hij begroef ʿAlī Asghar naast zijn broer ʿAlī al‑Akbar (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 287).

Het martelaarschap van de Ahl al‑Bayt en metgezellen

Het kleine korps moslims vocht dapper door totdat één voor één de zonen van ʿAqīl, de zonen van Ḥasan, de zonen van Ḥusain en vele andere metgezellen martelaar werden (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 307). Onder hen waren:

  • Jāfar ibn ʿAqīl
  • ʿAbd al‑Raḥmān ibn ʿAqīl
  • ʿAbdullāh ibn Ḥasan
  • al‑Ḥasan al‑Muthannā
  • Qāsim ibn Ḥasan
  • ʿAmr ibn Ḥasan
  • Abū Bakr ibn Ḥasan
    (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, pp. 180–182).

Het laatste moment van Imām usain (raiyAllāhu ʿanhu)

Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) vocht alleen verder en doodde volgens de soennitische bronnen tientallen vijandelijke soldaten (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 28). Toen hij probeerde water te drinken, trof een pijl zijn mond (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 288). Een regen van pijlen volgde, waaronder één die zijn voorhoofd trof op de plek waar de Profeet ﷺ hem had gekust (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 183).

Hij vroeg om enkele minuten om zijn ʿAṣr‑gebed te verrichten, omdat hij nooit een gebed in zijn leven had gemist (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 309). Terwijl hij in sujūd lag, onthoofdde Sinān ibn Anas hem (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 30). Hij was 56 jaar oud en zijn lichaam telde tientallen wonden van speren, zwaarden en pijlen (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 184).

Zijn hoofd werd naar Damascus gestuurd, vergezeld door de vrouwen en kinderen van de Ahl al‑Bayt (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 289).

Het nieuws van de shahādah van Ḥazrat Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) verspreidde zich snel door de moslimwereld en veroorzaakte diepe schok en verdriet onder de gelovigen (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 185). In Madīnatul Munawwarah leidde de verontwaardiging over de daden van Yazīd tot een opstand van de inwoners en de overgebleven Ṣaḥābah (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 20, p. 5). Als reactie stuurde Yazīd een leger onder leiding van Muslim ibn ʿUqbah, dat de stad drie dagen plunderde tijdens het beruchte incident van arrah (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 296). Tijdens deze periode werden vele inwoners gedood en ernstige schendingen gepleegd, wat door soennitische geleerden wordt beschouwd als een van de zwaarste misdaden van de Umayyaden (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 315).

Kort daarna werd zelfs de Heilige Kaʿbah aangevallen toen het leger van Yazīd Mekka belegerde en delen van de Kaʿbah beschadigd raakten door katapultvuur (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 190). Deze gebeurtenissen versterkten de afkeer van de Ummah tegenover Yazīd en markeerden een diep moreel verval binnen zijn regering (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 20, p. 12).

De shahādah van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) in Karbalāʾ wordt in de soennitische traditie gezien als een morele overwinning van deugd boven ondeugd (Ibn al‑Jawzī, 1992, p. 102). Zijn standvastigheid symboliseert de triomf van het goede over het kwade, ongeacht de materiële uitkomst (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 320). Zijn opoffering werd een baken van licht voor allen die strijden voor waarheid en rechtvaardigheid (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 193).

Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) vocht niet voor macht of wereldse positie, maar om de wetten van Allāh Ta’ālā te beschermen tegen een corrupte regering die islamitische waarden ondermijnde (al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 40). Karbalāʾ leert de gelovigen om ontberingen te verdragen, geduldig te blijven in beproevingen en trouw te blijven aan de waarheid, zelfs wanneer de wereld zich tegen hen keert (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 300).

Een dichter zei eens: “Het martelaarschap van usain betekent uiteindelijk de dood van Yazīd; want elke Karbalāʾ brengt een nieuwe opstanding van de islam. (al‑Dhahabī, 1982, vol. 3, p. 322).

1. De adīth van Ahl al‑Bayt op ʿArafāt (Tirmidhī)

Volgens Tirmidhī verhaalde Jābir ibn ʿAbdillāh (raiyAllāhu ʿanhu): “Ik zag Rasūlullāh ﷺ tijdens zijn afscheidsḥajj op de Dag van ʿArafāt op zijn kameel al‑Qaṣwāʾ. Ik hoorde hem zeggen: ‘O mensen! Ik laat onder jullie twee zaken achter. Als jullie je eraan vasthouden, zullen jullie nooit dwalen: het Boek van Allāh en mijn Ahl al‑Bayt.’”  (Jāmiʿ al‑Tirmidhī, adīth 3786)

2. De adīth van bescherming van Ahl al‑Bayt

Overgeleverd door Zayd ibn Arqam (raḍiyAllāhu ʿanhu): “Ik ben in oorlog met degene die tegen hen (Ahl al‑Bayt) strijdt, en in vrede met degene die in vrede met hen is.” (Jāmiʿ al‑Tirmidhī, ḥadīth 3870)

3. De beroemde adīth: usain is van mij en ik ben van usain

Overgeleverd door Yaʿlā ibn Murrah (raḍiyAllāhu ʿanhu): “Ḥusain is van mij en ik ben van Ḥusain. Allāh houdt van degene die van Ḥusain houdt. Ḥusain behoort tot mijn nageslacht.”  (Jāmiʿ al‑Tirmidhī, ḥadīth 3775)

4. De adīth van de Ark van Nū (Musnad Amad)

Overgeleverd door Abū Dharr al‑Ghifārī (raiyAllāhu ʿanhu): “Het voorbeeld van mijn Ahl al‑Bayt onder jullie is als de Ark van Nū: Wie erin stapt is gered, en wie achterblijft is vernietigd.  (Musnad Aḥmad, ḥadīth 21506), Aḥmad ibn Ḥanbal. (1995). Musnad Amad. Mu’assasāt al‑Risālah.

5. Tien wonderbaarlijke gebeurtenissen tijdens de martelaarschap van Imām usain (raiyAllāhu ʿanhu)

Deze worden vermeld door Imām Jalāluddīn al‑Suyūī in Tārīkh al‑Khulafāʾ en door Abū Nuʿaym al‑Ifahānī in Dalāʾil al‑Nubuwwah. Hieronder de gecorrigeerde en geverifieerde lijst, met soennitische bronnen:

  1. De hemel kleurde rood gedurende zeven dagen. Tārīkh al‑Khulafāʾ, al‑Suyūṭī, p. 207.
  2. Ongewone bewegingen van sterren werden gezien. Dalāʾil al‑Nubuwwah, Abū Nuʿaym, vol. 6, p. 467.
  3. Een zonsverduistering op de dag van ʿĀshūrāʾ. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 208.
  4. Een rode gloed aan de horizon maanden vóór Karbalāʾ. Ibn Kathīr, al‑Bidāyah wa‑l‑Nihāyah, vol. 8, p. 217.
  5. Bloed onder stenen in Bayt al‑Maqdis. Abū Nuʿaym, Dalāʾil al‑Nubuwwah, vol. 6, p. 469.
  6. Stro in het leger van Yazīd vloog spontaan in brand. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 209.
  7. Vuurvonkjes uit het vlees van geslachte kamelen. Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 470.
  8. Het vlees werd zuur en oneetbaar. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 209.
  9. Een man die slecht sprak over usain werd getroffen door vallende sterren.  Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 471.
  10. Djinns huilden hoorbaar bij de martelaarschap. Overgeleverd door Umm Salamah (raḍiyAllāhu ʿanhā). Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 472.

De term ʿĀshūrāʾ is een van de oudste religieuze aanduidingen binnen de islamitische kalender en verwijst naar een dag die zowel vóór als na de komst van de islam een bijzondere spirituele betekenis heeft gehad. Binnen de islamitische wetgeving (Sharīʿah) wordt de term gebruikt voor de 10e dag van de maand Muarram, een dag die door de Profeet ﷺ zelf werd benadrukt als een dag van dankbaarheid, vasten en spirituele reflectie.

De betekenis van de term ʿĀshūrāʾ

In de klassieke soennitische literatuur wordt de betekenis van de naam ʿĀshūrāʾ op verschillende manieren verklaard. Een van de meest gezaghebbende beschrijvingen komt van Sayyidunā Ghaus al‑Aʿẓam, Shaykh ʿAbd al‑Qādir al‑Jīlānī (raḍiyAllāhu ʿanhu), die in zijn werk Ghunyat al‑ālibīn een overzicht geeft van de meningsverschillen onder de geleerden.

De linguïstische betekenis is dat de meerderheid van de Ulema van mening is dat de dag ʿĀshūrāʾ wordt genoemd omdat het de tiende (ʿāshir) dag van Muḥarram is. Dit is de meest geaccepteerde en linguïstisch correcte verklaring.al‑Jīlānī, ʿA. Q. (n.d.). Ghunyat al‑Ṭālibīn, p. 428.

Sommige geleerden leggen uit dat de dag ʿĀshūrāʾ wordt genoemd omdat het de meest verheven en gezegende dag is onder de dagen die Allāh Ta’ālā aan de Ummah van Muḥammad ﷺ heeft geschonken. Volgens deze interpretatie verwijst de naam niet alleen naar de numerieke positie van de dag, maar naar de uitzonderlijke spirituele status ervan. al‑Jīlānī, Ghunyat al‑ālibīn, p. 428.

De religieuze status van ʿĀshūrāʾ in de Sunnah

De dag van ʿĀshūrāʾ heeft een bijzondere plaats in de Sunnah van Rasūlullāh ﷺ.
Volgens authentieke ḥadīth‑verzamelingen: (1) Vastte de Profeet ﷺ op deze dag. (2) Beval hij de moslims om te vasten. (3) En zei hij dat het vasten op ʿĀshūrāʾ de zonden van het voorgaande jaar uitwist.

Voorbeelden van soennitische bronnen:

  • Ṣaḥīḥ Muslim, ḥadīth 1162
  • Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, ḥadīth 2004
  • Sunan Ibn Mājah, ḥadīth 1738

Kort samengevat: De dag van ʿĀshūrāʾ is bekend (1) Linguïstisch — omdat het de tiende dag van Muḥarram is. (2) Spiritueel — omdat het een van de meest gezegende dagen is die Allāh Ta’ālā aan de Ummah heeft gegeven. (3) Historisch — omdat het de dag is waarop vele grote gebeurtenissen plaatsvonden, waaronder de redding van Mūsā (ʿalayhi al‑salām) en de martelaarschap van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu).

Belangrijke Gebeurtenissen op de Dag van ʿĀshūrāʾ

In dit hoofdstuk geeft ik een academisch overzicht van deze gebeurtenissen, gebaseerd op zijn werk en andere klassieke soennitische bronnen.

De dag van ʿĀshūrāʾ, de 10e dag van Muḥarram, staat binnen de islamitische traditie bekend als een dag van uitzonderlijke spirituele betekenis. Hoewel de martelaarschap van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) in Karbalāʾ de meest aangrijpende gebeurtenis is die met deze dag wordt geassocieerd, vermelden klassieke soennitische geleerden dat talrijke andere belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid eveneens op deze dag plaatsvonden.

Een van de meest uitgebreide beschrijvingen hiervan is te vinden in het internationaal bekende werk Nuzhat al‑Majālis van Shaykh ʿAbd al‑Ramān al‑afūrī (ʿAlayhi al-Raḥmah).

Volgens Nuzhat al‑Majālis vonden de volgende gebeurtenissen plaats op de 10e dag van Muḥarram. Deze gebeurtenissen worden door soennitische geleerden gezien als tekenen van de bijzondere status van deze dag in de goddelijke orde.

  1. Schepping van hemel, aarde en Lauḥ al‑Qalam. Op de dag van ʿĀshūrāʾ werden volgens al‑Ṣafūrī de hemelen, de aarde en de Lauḥ al‑Qalam (de Goddelijke Pen) geschapen. (al‑Ṣafūrī, n.d., p. 428).
  2. Schepping van Ādam (ʿalayhi al‑salām) en Ḥawwāʾ. Op deze dag werden Ādam en Ḥawwāʾ geschapen, waarmee het menselijk bestaan begon. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  3. Aanvaarding van de taubah van Ādam (ʿalayhi al‑salām). Na zijn misstap werd de berouwvolle smeekbede van Ādam (ʿalayhi al‑salām) op deze dag door Allāh Ta’ālā aanvaard. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  4. De Ark van Nūḥ (ʿalayhi al‑salām) bereikte land. De Ark van Nūḥ (ʿalayhi al‑salām) kwam tot rust op de berg al‑Jūdī op de dag van ʿĀshūrāʾ. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  5. Ibrāhīm (ʿalayhi al‑salām) kreeg de titel Khalīlullāh. Op deze dag werd Ibrāhīm (ʿalayhi al‑salām) geëerd met de titel Khalīlullāh (Vriend van Allāh). (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  6. De hereniging van Yaʿqūb en Yūsuf (ʿalayhimā al‑salām). Na veertig jaar van verdriet werd Yaʿqūb (ʿalayhi al‑salām) op deze dag herenigd met zijn zoon Yūsuf (ʿalayhi al‑salām). (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  7. Idrīs (ʿalayhi al‑salām) werd verheven. Idrīs (ʿalayhi al‑salām) werd op deze dag verheven naar de hemelen. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  8. Genezing van Ayyūb (ʿalayhi al‑salām). Ayyūb (ʿalayhi al‑salām) kreeg op deze dag zijn gezondheid terug na een lange periode van beproeving. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  9. Bevrijding van Yūnus (ʿalayhi al‑salām). Yūnus (ʿalayhi al‑salām) werd op deze dag bevrijd uit de buik van de vis. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  10. Aanvaarding van de taubah van Dāwūd (ʿalayhi al‑salām). De berouwvolle smeekbede van Dāwūd (ʿalayhi al‑salām) werd op deze dag aanvaard. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  11. Het koningschap van Sulaymān (ʿalayhi al‑salām). Sulaymān (ʿalayhi al‑salām) ontving op deze dag zijn koninklijke heerschappij. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  12. Verheffing van ʿĪsā (ʿalayhi al‑salām). ʿĪsā (ʿalayhi al‑salām) werd op deze dag verheven naar de hemelen. (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  13. Het nikāḥ van de Profeet ﷺ met Sayyidah Khadījah (raḍiyAllāhu ʿanhā). Volgens al‑Ṣafūrī vond op deze dag het gezegende huwelijk plaats tussen Rasūlullāh ﷺ en Sayyidah Khadījah (raḍiyAllāhu ʿanhā). (al‑Ṣafūrī, p. 428).
  14. De dag waarop Qiyāmah zal plaatsvinden. Veel geleerden vermelden dat de Dag des Oordeels (Qiyāmah) op ʿĀshūrāʾ zal plaatsvinden. (al‑Ṣafūrī, p. 428)

Kort samengevat: De dag van ʿĀshūrāʾ is in de islamitische traditie niet alleen verbonden met de tragedie van Karbalāʾ, maar ook met een reeks gebeurtenissen die de geschiedenis van de mensheid en de profeten diepgaand hebben gevormd. De opsomming van Shaykh ʿAbd al‑Raḥmān al‑Ṣafūrī (raḍiyAllāhu ʿanhu) toont aan dat deze dag een unieke plaats inneemt in de goddelijke ordening en een bron is van spirituele reflectie, dankbaarheid en morele inspiratie.

De dag van ʿĀshūrāʾ, de 10e van Muḥarram, is in de islamitische traditie niet alleen een dag van vasten en spirituele reflectie, maar ook een dag waarop bepaalde vrijwillige daden van aanbidding (nawāfil) worden aanbevolen. In de klassieke soennitische literatuur worden verschillende vormen van extra gebeden (ṣalāh) vermeld die op deze dag kunnen worden verricht. Een van de bekendste verwijzingen komt uit het werk Nuzhat al‑Majālis van Shaykh ʿAbd al‑Raḥmān al‑Ṣafūrī (raḍiyAllāhu ʿanhu).

De aanbevolen nawāfil‑ṣalāh op de dag van ʿĀshūrāʾ

In Nuzhat al‑Majālis wordt een bijzondere vrijwillige ṣalāh beschreven die op de dag van ʿĀshūrāʾ kan worden verricht. Deze ṣalāh bestaat uit vier rakʿāt, met een specifieke recitatie in elke rakʿah.

Volgens Shaykh al‑Ṣafūrī wordt overgeleverd dat Rasūlullāh ﷺ heeft gezegd: “Degene die op de dag van ʿĀshūrāʾ vier rakʿāt verricht, waarbij in elke rakʿah na Surah al‑Fātiah elf keer Surah al‑Ikhlā wordt gereciteerd, zal door Allāh Ta’ālā worden vergeven voor vijftig jaar aan zonden, en hij zal worden gezegend met een mimbar (preekstoel) van licht.  (al‑Ṣafūrī, n.d., deel 1, p. 181)

Acceptatie binnen Faḍāʾil al‑aʿmāl

De vier madhāhib (Ḥanafī, Mālikī, Shāfiʿī en Ḥanbalī) accepteren dat zwakkere adīth gebruikt mogen worden voor: (1) het aanmoedigen van vrijwillige daden, (2) het vergroten van spirituele motivatie, (3) en het benadrukken van de deugden van bepaalde dagen.

Geen verplichting, maar een aanbevolen praktijk

Deze ṣalāh is niet verplicht, niet sunnah muʾakkadah, maar behoort tot de nawāfil. Het verrichten ervan wordt gezien als een middel tot: (1) spirituele zuivering, (2) reflectie op de gebeurtenissen van ʿĀshūrāʾ, (3) en het zoeken van nabijheid tot Allāh Ta’ālā.

Spirituele betekenis

De spirituele waarde van deze ṣalāh ligt in: (1) het reciteren van Surah al‑Ikhlāṣ, een Surah die gelijkstaat aan een derde van de Qurʾān, (2) het verrichten van extra aanbidding op een dag die door de geschiedenis heen is verbonden met grote goddelijke gebeurtenissen, (3) en het tonen van dankbaarheid en nederigheid tegenover Allāh Ta’ālā.

Het vasten op de dag van ʿĀshūrāʾ (10 Muḥarram) behoort tot de meest aanbevolen vrijwillige daden binnen de islamitische traditie. De Sunnah van Rasūlullāh ﷺ toont aan dat hij deze dag regelmatig vastte en de Ummah aanspoorde hetzelfde te doen. De klassieke soennitische bronnen, waaronder aī al‑Bukhārī, aī Muslim, Sunan Ibn Mājah, Musnad Amad en Mishkāt al‑Maābī, bevatten talrijke overleveringen die de spirituele waarde van dit vasten benadrukken.

Het vasten van ʿĀshūrāʾ in de Sunnah

Het vasten op ʿĀshūrāʾ was een gevestigde praktijk van Rasūlullāh ﷺ. Volgens de overlevering van Abū Mūsā al‑Ashʿarī (raiyAllāhu ʿanhu): “De Joden vastten op de dag van ʿĀshūrāʾ en beschouwden het als een feestdag. De Profeet zei: Ook jullie moeten op deze dag vasten.’”  (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, ḥadīth 2005; Ṣaḥīḥ Muslim, ḥadīth 1131)

De mensen van Khyber en hun viering van ʿĀshūrāʾ

In aī Muslim wordt vermeld dat de Joden van Khyber op deze dag vastten, zich verheugden en hun vrouwen sieraden lieten dragen. De Profeet ﷺ zei: “Ook jullie moeten op deze dag vasten.”  (Ṣaḥīḥ Muslim, ḥadīth 1131)

De spirituele beloning van het vasten op ʿĀshūrāʾ

Qatādah (raiyAllāhu ʿanhu) overleverde dat Rasūlullāh ﷺ zei: “Ik hoop dat Allāh Ta’ālā het vasten van ʿĀshūrāʾ maakt tot een middel van vergeving (kaffārah) voor de zonden van het voorgaande jaar.  (Mishkāt al‑Maṣābīḥ, p. 179; Ṣaḥīḥ Muslim, ḥadīth 1162)

De overgang naar het vasten van 9 en 10 Muarram

In het jaar 10 Hijrah, tijdens zijn laatste ʿĀshūrāʾ, vastte Rasūlullāh ﷺ en de Ṣaḥābah vroegen: “Is dit de dag die door de Joden en Christenen wordt geëerd?”  Hij antwoordde: “Als ik volgend jaar nog leef, zal ik ook op de 9e vasten.”  (Mishkāt al‑Maṣābīḥ, p. 179; Ṣaḥīḥ Muslim, ḥadīth 1134)

Kort samengevat: Het vasten op Yawm‑e‑ʿĀshūrāʾ is: (1) een sterk aanbevolen Sunnah, (2) een middel tot vergeving van zonden, (3) een daad van dankbaarheid, (4) en een praktijk die teruggaat tot de profeten vóór de islam. De combinatie van 9 en 10 Muḥarram is de meest aanbevolen vorm, in navolging van de wens van Rasūlullāh ﷺ om zich te onderscheiden van de Ahl al‑Kitāb.

Naast het vasten en de spirituele reflectie die traditioneel worden geassocieerd met de dag van ʿĀshūrāʾ, vermelden klassieke soennitische geleerden ook een aantal aanbevolen praktijken (aʿmāl) die op deze dag bijzondere zegeningen met zich meebrengen. Deze praktijken behoren tot de categorie Faḍāʾil al‑aʿmāl (deugden van vrijwillige daden), waarin zwakkere overleveringen worden geaccepteerd zolang zij betrekking hebben op vrijwillige aanbidding en niet in strijd zijn met de Sharīʿah. De belangrijkste verwijzingen komen uit Tafsīr Rūḥ al‑Bayān, Radd al‑Muḥtār (Shāmī) en andere klassieke werken.

Aanbevolen praktijken op de dag van ʿĀshūrāʾ

In Tafsīr Rū al‑Bayān wordt vermeld dat degene die de nacht van ʿĀshūrāʾ wakker blijft in aanbidding, de beloning krijgt van de Malāʾikah (engelen). “Wie de nacht van ʿĀshūrāʾ in aanbidding doorbrengt, ontvangt de beloning van de engelen.  (al‑Burūsawī, al‑Bayān, n.d.)

Het verrichten van ghusl op de dag van ʿĀshūrāʾ

De Mashā’ikh (spirituele meesters) hebben verklaard dat het verrichten van ghusl op deze dag een middel is om bescherming te verkrijgen tegen ziekten gedurende het komende islamitische jaar.

Het gebruik van surma (kohl) op ʿĀshūrāʾ

In Radd al‑Mutār (Shāmī), in het hoofdstuk over het vasten, wordt vermeld: “Wie op de dag van ʿĀshūrāʾ surma (kohl) gebruikt, zal dat jaar geen oogpijn ervaren.  (Ibn ʿĀbidīn, 2003, Radd al‑Mutār, Kitāb al‑Ṣawm)

Juridische status van deze praktijken

De vier madhāhib accepteren dat zwakkere overleveringen gebruikt mogen worden voor: (1) het aanmoedigen van vrijwillige daden, (2) spirituele motivatie, (3) en het benadrukken van de deugden van bepaalde dagen. De hierboven genoemde praktijken vallen binnen deze categorie.

Geen verplichting, maar spiritueel aanbevolen

Deze aʿmāl zijn: (1) niet verplicht, (2) niet sunnah muʾakkadah, (3) maar behoren tot de nawāfil en mustaabb. Het verrichten ervan wordt gezien als een middel tot: (1) spirituele zuivering, (2) bescherming, (3) en het zoeken van nabijheid tot Allāh Ta’ālā.

Kort samengevat: De dag van ʿĀshūrāʾ is niet alleen een dag van vasten en herdenking, maar ook een gelegenheid voor extra spirituele daden die door klassieke soennitische geleerden worden aanbevolen. Praktijken zoals het waken in de nacht, het verrichten van ghusl en het gebruik van surma behoren tot de spirituele traditie van de Ummah en worden gezien als middelen tot zegen, bescherming en nabijheid tot Allāh Ta’ālā.

Binnen verschillende moslimgemeenschappen, met name in Zuid‑Azië, bestaat de traditie om op de dag van ʿĀshūrāʾ een gerecht te bereiden dat bekendstaat als Kichrī of alīm. Deze praktijk is niet verplicht vanuit de Sharīʿah, maar behoort tot de mustaabb (aanbevolen) culturele en spirituele tradities die door klassieke geleerden worden beschreven. De oorsprong van deze gewoonte wordt uitgelegd in zowel Radd al‑Mutār (Shāmī) als in Tafsīr Naʿīmī van ʿAllāmah Muftī Aḥmad Yār Khan Naʿīmī (Raḥimahullāh).

De basis in Shāmī (Radd al‑Mutār)

In Radd al‑Muḥtār, het gezaghebbende Ḥanafī‑commentaar van Ibn ʿĀbidīn (bekend als Shāmī), wordt vermeld: “Degene die op de dag van ʿĀshūrāʾ goed en lekker eten kookt, zal inshāʾAllāh barakāh (zegen) ontvangen in zijn huis voor het gehele jaar. (Ibn ʿĀbidīn, 2003, Radd al‑Mutār, Kitāb al‑Ṣawm)

De uitleg van Muftī Amad Yār Khan in Tafsīr Naʿīmī

In Tafsīr Naʿīmī legt ʿAllāmah Muftī Aḥmad Yār Khan (Raḥimahullāh) uit waarom in het Indiase subcontinent specifiek Kichrī/alīm wordt gekookt: “In ons land wordt alīm (Kichrī) gekookt omdat het bestaat uit verschillende soorten granen en vlees. Hierdoor hopen we dat Allāh Ta’ālā barakāh schenkt in het graan en voedsel van het hele jaar. (Aḥmad Yār Khan, Tafsīr Naʿīmī, ad Muḥarram)

De historische oorsprong: het verhaal van Nū (ʿalayhi al‑salām)

Muftī Aḥmad Yār Khan vermeldt dat sommige overleveringen aangeven dat: Toen de Ark van Nū (ʿalayhi al‑salām) op het land tot rust kwam, verzamelden de bewoners van de Ark alle soorten granen die zij hadden en kookten deze samen tot een gerecht dat lijkt op alīm/Kichrī. (Aḥmad Yār Khan, Tafsīr Naʿīmī)

Kort samengevat: Het koken van Kichrī op deze dag wordt gezien als: (1) een daad van dankbaarheid [dankbaarheid voor de redding van Nūḥ (ʿalayhi al‑salām) en andere profeten op deze dag]. (2) Een middel tot barakāh. [Het mengen van verschillende granen symboliseert overvloed en voorspoed]. (3) een daad van liefdadigheid [in veel gemeenschappen wordt Kichrī uitgedeeld aan armen, buren en familieleden.] en (4) een culturele Sunnah‑al‑fuqahāʾ [het is geen religieuze verplichting, maar een aanbevolen traditie die door geleerden wordt aangemoedigd vanwege de spirituele voordelen].

De maand Muarram, de eerste maand van het islamitische jaar, behoort tot de vier heilige maanden die Allāh Ta’ālā in de Qurʾān heeft genoemd (Qurʾān 9:36).

“Het aantal der maanden is volgens Allāh’s verordening twaalf sinds de tijd waarop Hij de hemelen en de aarde schiep. Vier hiervan zijn heilig. Dit is het juiste geloof. Doet u zelf dus hierin geen onrecht aan. En bestrijdt de afgodendienaren allen tezamen, zoals zij u bestrijden en weet, dat Allāh met de rechtvaardigen is.” Surah Taubah (berouw), H9, vers 36

Deze maand is niet alleen spiritueel verheven, maar draagt ook een rijke historische en morele erfenis. Muḥarram herinnert de Ummah aan de Hijrah van Rasūlullāh ﷺ, de morele lessen van Karbalāʾ, en de voortdurende verplichting om de Sunnah te volgen en liefde te tonen voor zowel de Ahl al‑Bayt als de Ṣaḥābah.

De Hijrah en de eerste dagen van Muarram

Volgens de historische overleveringen was ʿAbdullāh ibn Salām (raiyAllāhu ʿanhu) — een vooraanstaande joodse geleerde — bezig dadels te plukken in zijn tuin toen het nieuws hem bereikte dat Rasūlullāh ﷺ Madīnah had bereikt. Hij haastte zich om de Profeet ﷺ te zien en hoorde hem de eerste toespraak tot de mensen van Madīnah geven: “O mensen! Verspreid de salām, voed de armen, onderhoud familiebanden en verricht gebed in de nacht terwijl de mensen slapen. Jullie zullen in vrede het Paradijs binnengaan.”  (al‑Tirmidhī, ḥadīth 2485)

De impact op ʿAbdullāh ibn Salām

De woorden van Rasūlullāh ﷺ maakten zo’n diepe indruk op ʿAbdullāh ibn Salām dat hij onmiddellijk naar het huis van Abū Ayyūb al‑Anārī (raiyAllāhu ʿanhu) ging, waar de Profeet ﷺ verbleef, en zei: “Ik getuig dat u de Boodschapper van Allāh bent en dat uw religie de ware religie is.”

Muarram en de tragedie van Karbalāʾ

Hoewel Muḥarram een maand van vrede en heiligheid is, werd de geschiedenis van de Ummah diep getekend door de gebeurtenissen van 10 Muarram 61 Hijrah — de dag van Karbalāʾ.

De morele erfenis van Imām usain (raiyAllāhu ʿanhu)

Het martelaarschap van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) wordt door soennitische geleerden gezien als: (1) een opoffering voor waarheid, (2) een verzet tegen tirannie,(3) en een herbevestiging van de waarden van īmān. Zijn standvastigheid gaf nieuw leven aan de spirituele kern van de islam.

De rol van de Ahl al‑Bayt in Muarram

Soennitische moslims wereldwijd herdenken in Muḥarram de Ahl al‑Bayt door: (1) liefdadigheid te verrichten, (2) voedsel uit te delen, (3) en spirituele bijeenkomsten te houden.

De morele boodschap van Muarram

De maand Muḥarram nodigt moslims uit tot zelfreflectie. De gebeurtenissen van de Hijrah en Karbalāʾ herinneren ons aan: (1)De Sunnah van Rasūlullāh . De woorden van de Profeet ﷺ bij zijn aankomst in Madīnah vormen een tijdloze blauwdruk voor succes: verspreid vrede, voed de armen, onderhoud familiebanden, aanbid Allāh in stilte en oprechtheid. (2) De Sunnah van Imām usain (raiyAllāhu ʿanhu). Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) leefde en stierf voor: waarheid, rechtvaardigheid, eer, en de bescherming van de islamitische waarden. Zijn leven is een uitnodiging om onze eigen oprechtheid te toetsen. (3) Liefde voor zowel Ahl al‑Bayt als aābah. De soennitische traditie benadrukt dat ware liefde voor de Profeet betekent: liefde voor zijn familie (Ahl al‑Bayt), én liefde voor zijn metgezellen (Ṣaḥābah).

Kort samengevat: De maand Muḥarram is een maand van: (1) spirituele vernieuwing, (2) historische reflectie, (3) liefde voor de Profeet ﷺ, (4) respect voor de Ahl al‑Bayt, (5) en waardering voor de Ṣaḥābah. Het is een maand waarin de Ummah wordt herinnerd aan de essentie van de islam: vrede, rechtvaardigheid, oprechtheid en liefde voor Allāh en Zijn Rasūl ﷺ.

Het martelaarschap van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) op 10 Muḥarram 61 Hijrah veroorzaakte een ongekende schok in de islamitische wereld. Klassieke soennitische historici beschrijven dat de natuur, de hemel en zelfs niet‑moslims reageerden op deze tragedie. Dit hoofdstuk geeft een academisch overzicht van de wonderbaarlijke gebeurtenissen die volgens de soennitische traditie plaatsvonden na Karbalāʾ.

Reacties in het paleis van Yazīd

Volgens klassieke bronnen werd het gezegende hoofd van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) naar het hof van Yazīd gebracht. Yazīd raakte het hoofd aan met zijn stok, een daad die zelfs niet‑moslims choqueerde. Een christelijke ambassadeur uit Rome zei: “Wij hebben op een eiland een hoef die wordt toegeschreven aan het rijdier van ʿĪsā (ʿalayhi al‑salām). Mensen komen van ver om het te zien en zweren erbij. Wij tonen respect voor dit reliek zoals jullie de Kaʿbah respecteren. Maar wat hebben jullie gedaan met de zoon van jullie Profeet ? Ik getuig dat jullie misleid zijn.(al‑Ṭabarī, 1987–2007, vol. 19, p. 34)

De joodse geleerde

Een joodse man zei: “Er zijn zeventig generaties tussen mij en Dāwūd (ʿalayhi al‑salām), en toch respecteren de joden mij. Maar jullie hebben de kleinzoon van jullie eigen Profeet gedood.  (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 217)

De aankomst van de karavaan in Madīnah

Toen de gevangengenomen vrouwen en kinderen van Ahl al‑Bayt Madīnah bereikten, werd de stad overspoeld door verdriet. Historici beschrijven de scène als: “Alsof Qiyāmah was aangebroken.” (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 298)

Wonderbaarlijke tekenen in de natuur

Klassieke soennitische bronnen vermelden meerdere bovennatuurlijke fenomenen die plaatsvonden na de martelaarschap van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu). Deze gebeurtenissen worden gezien als tekenen van goddelijke verontwaardiging.

  1. De hemel kleurde rood gedurende zeven dagen. Tārīkh al‑Khulafāʾ, al‑Suyūṭī, p. 207.
  2. Ongewone bewegingen van sterren werden gezien. Dalāʾil al‑Nubuwwah, Abū Nuʿaym, vol. 6, p. 467.
  3. Een zonsverduistering op de dag van ʿĀshūrāʾ. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 208.
  4. Een rode gloed aan de horizon maanden vóór Karbalāʾ. Ibn Kathīr, al‑Bidāyah wa‑l‑Nihāyah, vol. 8, p. 217.
  5. Bloed onder stenen in Bayt al‑Maqdis. Abū Nuʿaym, Dalāʾil al‑Nubuwwah, vol. 6, p. 469.
  6. Stro in het leger van Yazīd vloog spontaan in brand. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 209.
  7. Vuurvonkjes uit het vlees van geslachte kamelen. Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 470.
  8. Het vlees werd zuur en oneetbaar. al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 209.
  9. Een man die slecht sprak over usain werd getroffen door vallende sterren.  Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 471.
  10. Djinns huilden hoorbaar bij de martelaarschap. Overgeleverd door Umm Salamah (raḍiyAllāhu ʿanhā). Abū Nuʿaym, Dalāʾil, vol. 6, p. 472.

Interpretatie door de Ulamā. De klassieke soennitische geleerden beschouwen deze fenomenen als: (1) tekenen van goddelijke woede over het onrecht, (2) manifestaties van de spirituele rang van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu), (3) en waarschuwingen aan tirannen en onderdrukkers. Al‑Suyūṭī schrijft: “De hemel en aarde weenden om usain.  (al‑Suyūṭī, 1997, p. 210)

De klassieke soennitische geleerden vermelden dat degenen die direct of indirect betrokken waren bij het martelaarschap van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) een tragisch en vernederend einde kenden. Deze gebeurtenissen worden beschreven in werken zoals Tārīkh al‑abarī, al‑Bidāyah wa‑l‑Nihāyah, al‑Kāmil fī al‑Tārīkh, Dalāʾil al‑Nubuwwah en al‑Mustadrak. De Ulamā beschouwen deze straffen als tekenen van goddelijke vergelding voor het onrecht dat werd gepleegd tegen de kleinzoon van Rasūlullāh ﷺ.

Algemene vergelding voor de daders

Abū Shaykh vermeldt dat iedereen die deelnam aan of hielp bij het martelaarschap van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) uiteindelijk slachtoffer werd van rampen, vernedering of een verschrikkelijke dood. (Abū Nuʿaym, Dalāʾil al‑Nubuwwah, vol. 6)

Individuele gevallen van goddelijke vergelding

  1. Een oude man die opschepte dat hij nooit gestraft was, werd plotseling door vuur verzwolgen toen hij een lamp wilde aansteken. Hij rende schreeuwend naar de Tigris, maar het vuur doofde niet totdat hij stierf. (al‑Suyūṭī, Tārīkh al‑Khulafāʾ, p. 210).
  2. Manṣūr ibn ʿAmmār vermeldt: “De moordenaars van usain werden getroffen door een dorst die nooit gelest kon worden, hoeveel zij ook dronken.  (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 220).
  3. Sadmī vertelt dat een man in Karbalāʾ beweerde dat hem niets was overkomen ondanks zijn betrokkenheid bij Karbalāʾ. Diezelfde nacht werd hij door vuur verzwolgen en volledig tot as verbrand. (Ibn al‑Athīr, 1994, vol. 3, p. 300).
  4. Imām al‑Zuhrī vermeldt: “Sommigen werden gedood, sommigen werden blind, en de gezichten van sommigen werden zwart.”  (al‑Ṭabarī, vol. 19).
  5. Imām al‑Wāqidī vertelt over een oude man die aanwezig was bij Karbalāʾ maar niet deelnam. Hij werd blind nadat hij Rasūlullāh ﷺ in een droom zag: “De Profeet ﷺ had een zwaard in zijn hand en voor hem lagen tien dode moordenaars van Ḥusain. Hij zei tegen mij: ‘Door jouw aanwezigheid heb je hun aantal vergroot.’ Toen raakte hij mijn ogen met het bloed van Ḥusain, en ik werd blind.” (al‑Wāqidī, Maghāzī).
  6. Sābit ibn al‑Jawzāʾ vertelt dat de man die het gezegende hoofd van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) op zijn paard hing, na enkele dagen een gezicht kreeg dat zwarter was dan steenkool. Hij zei: “Elke nacht komen twee mannen, grijpen mij vast en gooien mij in een vuur. De vlammen likken mijn gezicht.” (al‑Suyūṭī, p. 211). Hij stierf een verschrikkelijke dood.
  7. Een oude man zag Rasūlullāh ﷺ in een droom met een schaal vol bloed. De Profeet ﷺ merkte op: “Jij was niet aanwezig, maar je wenste het in je hart.” Hij werd blind toen hij wakker werd. (Abū Nuʿaym, vol. 6).
  8. Ibn Ziyād, de gouverneur die verantwoordelijk was voor de moord op Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu), werd uiteindelijk gedood. Zijn hoofd werd tentoongesteld. Een ooggetuige zei: “Ik zag een slang uit zijn neusgat komen en door het andere neusgat naar buiten gaan. Dit herhaalde zich meerdere keren.” (Ibn Kathīr, 1997, vol. 8, p. 223).
  9. Manṣūr vertelt dat hij in Syrië een man zag wiens gezicht leek op dat van een varken. De man zei: “Ik vervloekte vroeger ʿAlī en zijn familie. In een droom klaagde Imām asan over mij bij de Profeet . De Profeet vervloekte mij en spuwde op mijn gezicht. Toen veranderde mijn gezicht in dat van een varken. (al‑Suyūṭī, p. 212).
  10. Imām al‑Ḥākim vermeldt een overlevering waarin Rasūlullāh ﷺ zei dat Allāh Ta’ālā tegen Jibrāʾīl zei: “Voor de dood van Yayā ibn Zakariyyā doodde Ik zeventigduizend mensen. En voor usain heb Ik zeventigduizend gedood, en nog eens zeventigduizend. (al‑Ḥākim, al‑Mustadrak, deel 3, p. 485, ḥadīth 4408)

De gebeurtenissen van Karbalāʾ vormen een van de meest aangrijpende en betekenisvolle hoofdstukken in de geschiedenis van de islam. De reis van Sayyidunā Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) — van Madīnah naar Makkah, van Makkah naar Kufa, en uiteindelijk naar het bloeddoorweekte veld van Karbalāʾ — is niet slechts een historische episode, maar een eeuwige herinnering aan de strijd tussen waarheid en valsheid, rechtvaardigheid en tirannie, licht en duisternis.

Zijn weigering om trouw te zweren aan een corrupte en onrechtvaardige heerser, zijn standvastigheid tegenover onderdrukking, zijn geduld in beproeving, en zijn bereidheid om alles op te offeren voor de bescherming van de islamitische waarden, maken hem tot het tijdloze voorbeeld van morele moed. De martelaarschap van Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) was geen politieke opstand, maar een principiële verdediging van de Waarheid — een daad die de Ummah tot op de dag van vandaag inspireert.

De wonderbaarlijke tekenen die de klassieke soennitische bronnen vermelden, de profetische uitspraken over zijn status, en de diepe rouw die de moslimwereld overspoelde na zijn shahādah, onderstrepen de spirituele grootheid van deze gebeurtenis. Karbalāʾ is niet slechts een tragedie; het is een moreel kompas dat de gelovigen eraan herinnert dat de weg van Allāh Taʿālā soms offers vraagt, maar dat de uiteindelijke overwinning altijd aan de waarheid behoort.

De dag van ʿĀshūrāʾ, waarop deze gebeurtenissen plaatsvonden, blijft een dag van reflectie, vasten, aanbidding en dankbaarheid. De vele profetische gebeurtenissen die volgens de klassieke geleerden op deze dag plaatsvonden, tonen de bijzondere plaats van ʿĀshūrāʾ in de goddelijke ordening. De nawāfil‑ʿibādāt die op deze dag worden aanbevolen, evenals de spirituele lessen die eraan verbonden zijn, versterken de band van de gelovige met Allāh Taʿālā en met de erfenis van de Ahl al‑Bayt.

Voor studenten van kennis — en in het bijzonder voor de studenten van CPS3 (ʿĀlim) van de Raza Sharīʿah & Sufi School — vormt Karbalāʾ een essentieel studieonderdeel. Niet alleen vanwege de historische feiten, maar vooral vanwege de morele en spirituele dimensies die het fundament vormen van een oprechte islamitische levenshouding. De lessen van Karbalāʾ roepen op tot rechtvaardigheid, nederigheid, standvastigheid, en liefde voor de Ahl al‑Bayt en de Ṣaḥābah (ridwānullāhi ʿalayhim ajmaʿīn).

Moge Allāh Taʿālā ons in staat stellen om de waarden waarvoor Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) zijn leven gaf, te begrijpen, te omarmen en te belichamen. Moge Hij onze harten vullen met liefde voor de familie van de Profeet ﷺ, en ons beschermen tegen onrecht, onderdrukking en moreel verval. En moge Hij ons leiden op het pad van waarheid, oprechtheid en spirituele zuiverheid — het pad dat door Imām Ḥusain (raḍiyAllāhu ʿanhu) met zijn bloed werd verlicht.

Wa mā tawfīqī illā bi‑llāh.

  • Aḥmad ibn Ḥanbal. (1995). Musnad Amad. Mu’assasāt al‑Risālah. (Origineel werk ca. 855)
  • Aḥmad Yār Khān, M. (n.d.). Tafsīr Naʿīmī.
  • Abū Nuʿaym al‑Iṣfahānī. (1998). Dalāʾil al‑Nubuwwah. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (2002). aī al‑Bukhārī. Dār Ṭawq al‑Najāh. (Origineel werk ca. 846)
  • al‑Burūsawī, I. Ḥ. (n.d.). al‑Bayān. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Dhahabī, S. (1982). Siyar Aʿlām al‑Nubalāʾ. Mu’assasāt al‑Risālah. (Origineel werk ca. 1348)
  • al‑Ḥākim al‑Naysābūrī. (1990). al‑Mustadrak ʿalā al‑aīayn. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Jīlānī, ʿA. Q. (n.d.). Ghunyat al‑ālibīn.
  • Ibn al‑Jawzī, A. (1992). al‑Muntaam fī Tārīkh al‑Mulūk wa‑l‑Umam. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah. (Origineel werk ca. 1200)
  • al‑Mubārakpūrī, A. (2001). Tufat al‑Awadhī. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Nawawī, Y. (1996). al‑Adhkār. Dār al‑Minhāj.
  • al‑Nawawī, Y. (1996). Shar aī Muslim. Dār al‑Minhāj.
  • al‑Ṣafūrī, ʿA. R. (n.d.). Nuzhat al‑Majālis. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Suyūṭī, J. (1997). Tārīkh al‑Khulafāʾ. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Suyūṭī, J. (2004). Shar al‑udūr. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Tibrīzī, W. (2002). Mishkāt al‑Maābī. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
  • al‑Tirmidhī, M. ibn ʿĪsā. (1998). Jāmiʿ al‑Tirmidhī. Dār al‑Gharb al‑Islāmī. (Origineel werk ca. 892)
  • al‑Ṭabarī, M. ibn Jarīr. (1987–2007). Tārīkh al‑Rasūl wa‑l‑Mulūk (E. Yar‑Shater, Ed.). State University of New York Press. (Origineel werk ca. 915)
  • Ibn ʿĀbidīn, M. (2003). Radd al‑Mutār ʿalā al‑Durr al‑Mukhtār. Dār al‑Fikr.
  • Ibn al‑Athīr, ʿI. (1994). al‑Kāmil fī al‑Tārīkh. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah. (Origineel werk ca. 1231)
  • Ibn Kathīr, I. (1997). al‑Bidāyah wa‑l‑Nihāyah. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah. (Origineel werk ca. 1373)
  • Ibn Mājah, M. ibn Yazīd. (2009). Sunan Ibn Mājah. Dār al‑Risālah al‑ʿĀlamiyyah.
  • Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. (2006). aī Muslim. Dār Iḥyāʾ al‑Turāth al‑ʿArabī. (Origineel werk ca. 875)

Lees ook: Les 3 De Kruistochten en Sultan Saladijn: Vroeger en Nu >>>


Translate »
error: Content is protected !!