- Les 3 De Kruistochten en Sultan Saladijn: Vroeger en Nu
- Dictaat les 3: Juzoef Tangali, bachelor student januari – april 2011
- Docent: Prof. dr. P.S. van Koningsveld
- Islamitische Universiteit van Europa
Inleiding: Het moderne gebruik van het woord “kruisvaarders”
In hedendaags islamistisch taalgebruik verwijst de term kruisvaarders naar Westerse grootmachten, vooral de Verenigde Staten, die worden gezien als moderne equivalenten van de middeleeuwse kruisvaarders. Zij zouden de islamitische wereld militair, economisch en cultureel willen onderwerpen. Vaak worden zij gekoppeld aan “zionisten”, die als bondgenoten worden beschouwd in een wereldwijde anti‑islamitische onderneming.
Binnen dit islamistische perspectief is het conflict niet primair een strijd tussen islam en christendom, maar tussen islam en het secularistische, goddeloze Westen, dat volgens hen de ware leer van Jezus heeft verlaten. De middeleeuwse kruisvaarders worden in deze optiek niet gezien als echte christenen, omdat Jezus volgens de islam niet aan het kruis stierf en de kruisdood geen religieuze betekenis heeft.
Van islamitische zijde wordt het Westen dus niet religieus maar etnisch gezien: de vijand zijn de Europese volkeren die van de ware leer zijn afgedwaald. Daarom wordt ook Saladijn niet gezien als iemand die tegen het christendom vocht, maar tegen de Franken — de Europese indringers. Ook moderne leiders zoals Saddam Hoessein gebruikten dit frame: niet het christendom is de vijand, maar het “imperialistisch‑zionistische Westen”.
In middeleeuwse Arabische bronnen worden kruisvaarders dan ook etnisch aangeduid als Ifranj (Franken) of Rūm (Byzantijnen en andere volkeren uit het noorden).
Ontstaan van de kruistochtideologie
De opkomst van een christelijke ridderideologie
In de 11e eeuw ontstond binnen het Westerse christendom een ideologie waarin leken — ridders — werden gezien als strijders van Christus (milites Christi). Zij moesten oorlog voeren voor rechtvaardige doelen. Paus Gregorius VII riep al op tot hulp aan oosterse christenen na de Turkse opmars in 1071.
De oproep van Urbanus II (1095)
Paus Urbanus II riep in 1095 in Clermont op tot een kruistocht om:
- oosterse christenen te bevrijden,
- Jeruzalem te heroveren,
- de moslims te verdrijven,
- en het pauselijk gezag te versterken.
De kruistocht werd gepresenteerd als pelgrimstocht én krijgstocht. Deelnemers kregen kerkelijke bescherming, vergeving van zonden en moesten een gelofte afleggen.
Religieuze motieven en geweld tegen joden
Hoewel materiële motieven meespeelden, waren religieuze motieven sterk aanwezig. Tijdens de tocht naar het oosten pleegden kruisvaarders massale pogroms tegen joden — door sommige historici “de eerste holocaust” genoemd. Joden werden gezien als vijanden van Christus, net als moslims.
De verovering van Jeruzalem (1099)
De kruisvaarders namen Jeruzalem in, hielden processies met relieken en richtten een massale slachting aan onder de islamitische bevolking. De Rotskoepel werd tot kerk gewijd.
Praktische omgang met moslims
Hoewel gedwongen bekering aanvankelijk voorkwam, werd dit later onhaalbaar. Moslims werden: (1) gedood, (2) verkocht als slaven, (3) of kregen vrijgeleide.
In Spanje en Sicilië werden moslims onder christelijk bestuur getolereerd, ondanks kerkelijke bezwaren. Pas in de 14e eeuw werd officieel uitgesproken dat islam geen godsdienstvrijheid mocht krijgen in christelijke gebieden.
Reacties van islamitische zijde
Eerste fase: paniek en onbegrip
De eerste islamitische reacties waren gekenmerkt door: (1) paniek, (2) vlucht, (3) en het idee dat de kruisvaarders slechts een tijdelijke ramp waren. Men zag hen als voortzetting van Byzantijnse vijanden, niet als een nieuwe ideologische beweging. Er was geen sprake van een oproep tot jihād.
Samenwerking en pragmatisme
Er waren zelfs verdragen en samenwerkingen tussen lokale moslimvorsten en kruisvaarders. Handel en dagelijkse contacten gingen door. Interne conflicten binnen de islamitische wereld bleven bestaan.
Tweede fase: groeiend religieus bewustzijn
Door voortdurende plunderingen, brandstichtingen van moskeeën, vernietiging van Qur’ans, en kerstening van moskeeën, ontstond een religieuze tegenbeweging. Schriftgeleerden riepen op tot defensieve jihād en tot eenheid onder moslims.
Derde fase: institutionalisering van jihād (Nūr al‑Dīn)
Onder Nūr al‑Dīn (1146–1174):
- werd jihād een georganiseerde ideologie,
- werd Jeruzalem centraal in propaganda,
- ontstond een orthodoxiseringsgolf,
- werden filosofie en afwijkende stromingen (zoals sjiisme) afgewezen,
- en werden Syrië en Egypte politiek verbonden.
Vierde fase: de periode van Saladijn
Onder Salah al‑Dīn (Saladijn):
- werd jihād staatsideologie;
- werd orthodox soennisme versterkt;
- bloeide antichristelijke polemiek;
- werd Jeruzalem in 1187 heroverd;
- werd het Fatimidische kalifaat beëindigd.
De kruistochten verloren daarna geleidelijk terrein tot de laatste bolwerken in de 13e eeuw vielen.
Conclusies: vroeger en nu
Lange historische confrontatie
De auteur schetst een lange keten van confrontaties:
- islamitische expansie,
- christelijke tegenreactie (kruistochten),
- Ottomaanse expansie,
- Europees kolonialisme,
- mogelijk een neokoloniale fase onder leiding van de VS.
Geleidelijkheid van jihād‑vorming
Net als in de kruistochten ontstond jihād‑verzet pas laat, na:
- propaganda,
- bewustwording,
- en politieke unificatie.
Dit patroon herhaalde zich in het koloniale tijdperk en volgens de auteur ook in de moderne tijd.
Vijandsbeelden
De erfenis van de kruistochten bestaat vooral uit wederzijdse vijandsbeelden:
- Westerlingen worden gegijzeld of gedood omdat zij “Westerlingen” zijn.
- Moslims worden in Europa bespuugd, bedreigd of hun moskeeën worden aangevallen.
Beide processen zijn geworteld in eeuwenoude beeldvorming die mensen ontmenselijkt en geweld legitimeert.
