De Sharīʿah aangaande het machinaal slachten door Muḥaddith-e-Kabīr Ḥazrat Allāmah Mufti Zia-ul-Mustafa Al-Qādrī Amjadi
Juridisch-theologische inleiding van Tangali voor Raza Sharīʿah en Sufi School
De status van vlees in het licht van de Sharīʿah
De consumptie van vlees binnen de islamitische levenswijze is onderworpen aan strikte voorwaarden die voortvloeien uit de Sharīʿah-e-Mutahharrah. Deze voorwaarden zijn niet slechts ritueel, maar vormen een fundamenteel onderdeel van de zuiverheid van voeding (ṭahārah), de acceptatie van aanbidding (ʿibādah) en de spirituele integriteit van de moslimgemeenschap.
De basisprincipes van ḥalāl vleesconsumptie zijn ondubbelzinnig vastgelegd in de Heilige Qur’ān, de authentieke Aḥādīth en de consensus (ijmāʿ) van de klassieke juristen (fuqahāʾ’). Slechts vlees dat is geslacht volgens de zibāh-e-Sharʿī, uitgevoerd door een moslim of een erkende Kitābi (Jood of Christen), en waarbij de naam van Allāh is uitgesproken met correcte intentie en handeling, kan als ḥalāl worden beschouwd.
In de hedendaagse context zijn echter nieuwe slachtmethoden ontstaan — met name machinale slachting en internationale vleesexport — die ernstige vragen oproepen over de geldigheid van de slachting, de toezichtstructuur, en de betrouwbaarheid van ḥalāl-certificering. Deze praktijken gaan vaak gepaard met:
- het ontbreken van menselijke intentie en fysieke handeling,
- het niet uitspreken van de Tasmiyyah (Bismillāh) per dier,
- het ontbreken van islamitisch toezicht,
- en het vermengen van correct en incorrect geslachte dieren.
Daarnaast is er juridisch verschil van mening over de status van de Zabīha van hedendaagse Kitābi, waarbij de meerderheid van de Ḥanafī-geleerden — op basis van sterke bewijsvoering — hun slachting als ḥarām beschouwt vanwege afwijkingen in geloof, praktijk en slachtmethode.
Deze samenvatting beoogt een juridisch-theologische analyse te bieden van de status van machinaal en geëxporteerd vlees, met verwijzing naar klassieke bronnen zoals Fatāwā Razviyya, Radd-ul Muḥtār, Fatḥ-ul Qādir, Majmaʿ-ul Anhur, en Bahār-e-Sharīʿat. Het doel is om moslims te voorzien van heldere richtlijnen, zodat zij hun voeding kunnen zuiveren, hun aanbidding kunnen beschermen, en hun vertrouwen in de ḥalāl-status van vlees kunnen baseren op bewijs, toezicht en integriteit.
Introductie door Muḥaddith-e-Kabīr
Tegenwoordig is het een gewoonte geworden om met behulp van mechanische apparatuur te slachten. De dieren die op deze wijze zijn geslacht, worden meestal geïmporteerd in islamitische landen. Met machinaal slachten bedoelen wij het afspelen van het slachtgebed op een cassettebandje of ander medium.
In veel landen hebben talloze islamitische slagers, nadat zij zich bewust werden van de slachtmethode van geïmporteerd vlees, hun eigen abattoir opgericht om het slachten van dieren onder eigen toezicht te laten uitvoeren. Deze actie werd ondernomen om de moslims te beschermen tegen het eten van vlees dat op machinale wijze was geslacht, en om hen te beschermen tegen de verkoop van haram vlees.
Ettelijke verwesterde moulvī hebben, zonder voldoende kennis van de Sharīʿah en zonder deze in acht te nemen, het op machinale wijze geslachte vlees als ḥalāl verklaard. Deze moulvi’s hebben bovendien het groene licht aan de moslims gegeven om ḥalāl vlees te kopen bij niet-moslimslagers. Deze moulvi’s zijn in alle opzichten gefaald. Zij proberen door dit soort uitspraken wereldse macht naar zich toe te trekken. Nooit en te nimmer kunnen zij aantonen dat hun uitspraken gebaseerd zijn op getuigenis van de Heilige Qur’ān, Aḥādīth of de Boeken der Fiqh (jurisprudentie). Ook hebben zij menigmaal getracht overal in de wereld de methode van machinale slachting als toegestaan te ratificeren, echter zonder succes.
Vanwege vrees voor nadelige gevolgen die veroorzaakt kunnen worden door machinale slachting, heb ik (mufti Zia-ul-Mustafa) mij verplicht gevoeld een beknopte verklaring te geven over het verschil tussen machinale slachting en correcte islamitische slachting, zodat de onschuldige moslims geen ḥarām vlees zullen kopen en eten.
Proper slachten in overeenstemming met de Sharīʿah
Iedere moslim moet zich ervan bewust zijn dat elk soort vlees, met uitzondering van vis en sprinkhanen, pas ḥalāl is wanneer het wordt geslacht in de naam van Allāh Ta’ālā, conform de Sharīʿah (islamitische wetgeving). In beginsel zijn er twee methoden in de Sharīʿah voor het slachten van dieren, namelijk:
- Zibāh-e-Ikhtiyāri: het slachten van levende dieren die onder beheer zijn (in voorraad).
- Zibāh-e-Iztirāri: het slachten van dieren waarop wordt gejaagd.
In beide gevallen moet het dier worden geslacht met een scherp wapen (mes, spies, etc.). Met uitzondering van deze methoden zijn (meestal) andere methoden niet toegestaan.
Bij Zibāh-e- Ikhtiyāri moeten de luchtpijp, de slokdarm en de twee bloedvaten (aan weerszijden van de hals) worden doorgesneden. Als ten minste drie van de vier genoemde lichaamsdelen zijn doorgesneden en het slachtgebed is opgezegd, dan is het vlees ḥalāl voor consumptie.
Bij Zibāh-e-Iztirāri mag het dier overal op het lichaam worden geprikt of met de scherpe rand van een wapen worden gesneden, totdat het dier daardoor overlijdt. Indien een getrainde jachthond of jachtvogel deze verwondingen bij het gejaagde dier heeft aangebracht en het dier daaraan overlijdt, dan wordt het vlees ḥalāl. Zibāh-e-Iztirāri geldt overigens alleen voor vogelsoorten die heel hoog kunnen vliegen en daardoor niet gevangen kunnen worden. Voorts geldt het voor dieren die vanwege hun aanzienlijke snelheid eveneens niet gevangen kunnen worden.
Zibāh-e- Ikhtiyāri is de wet die geldt voor dieren zoals schapen en pluimvee, die praktisch wel gevangen kunnen worden. Een dier in de categorie Iztirāri dat gewond is geraakt door een speer of dergelijke, of door een jachtdier, moet conform de Zibāh-e-Ikhtiyāri worden geslacht; anders is het niet ḥalāl. Het slachten moet gebeuren voordat het dier aan de verwondingen overlijdt. (Hidāyah Ākhirain, pagina 505)
Machinaal slachten
Het is overduidelijk dat de dieren die machinaal geslacht worden eerst gevangengenomen dienen te worden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het slachten moet gebeuren in overeenstemming met de Zibāh-e-Ikhtiyāri. Het is zo evident dat, wanneer gezegd wordt dat de gekozen machinale methode niet Ikhtiyāri is, het onmogelijk is het dier machinaal te slachten.
Bij machinale slachting wordt de fysieke kracht en intentie van de islamitische slager niet gebruikt. Integendeel, de persoon in kwestie drukt op een knop of een schakelaar van de machine, die vervolgens elektriciteit laat stromen naar de motor. Daarna wordt de katrol elektrisch in werking gebracht. Ook worden de messen door toevoer van elektriciteit in beweging gebracht, die uiteindelijk de hals van de dieren doorsnijden. Dus, noch de motor noch de messen worden door een fysieke kracht van de mens in beweging gebracht. Als er geen stroom is, zal de machine niet werken en zullen de messen de dieren niet slachten. Het is dus duidelijk dat de machineoperator niet direct betrokken is bij het in beweging brengen van de messen, noch bij de slachting van de dieren.
Stel dat iemand een scherp mes in de muur metselt of het ergens aan vastbindt met de intentie voor zibāh (slachten). Vervolgens wordt de veestapel opgejaagd richting het mes, waarbij de dieren zodanig tegen het mes oplopen dat hun bloedvaten worden doorgesneden en zij sterven. Zelfs onder deze condities is het dier ḥarām, omdat het dier zelf en op eigen kracht tegen het mes is opgelopen.
In Kanzul Daqāʾiq staat: “Als iemand een kleine zaag of een scherp wapen in het bos installeert en daarbij ook ‘Bismillāh’ opzegt met de intentie een antilope te vangen, en de volgende dag een dood dier aantreft dat verwond is geraakt door het wapen, dan nog is het niet toegestaan het vlees van dat dier te eten.” (Kanzul Daqāʾiq, p. 220)
Imam Zaili (raḍiyAllāhu ʿanhu) heeft uitgelegd dat in Zibāh-e-Ikhtiyāri een moslim het dier eigenhandig moet slachten, en in Iztirāri het dier zelf ter dood moet brengen. Zonder deze handelingen kan het dier niet als ḥalāl worden beschouwd, omdat het dier in de categorie Natihāen Mūtardiyya valt (doodgeslagen of doodgevallen).
Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:
حُرِّمَتْ عَلَيْكُمُ ٱلْمَيْتَةُ وَٱلْدَّمُ وَلَحْمُ ٱلْخِنْزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ لِغَيْرِ ٱللَّهِ بِهِ وَٱلْمُنْخَنِقَةُ وَٱلْمَوْقُوذَةُ وَٱلْمُتَرَدِّيَةُ وَٱلنَّطِيحَةُ وَمَآ أَكَلَ ٱلسَّبُعُ إِلاَّ مَا ذَكَّيْتُمْ وَمَا ذُبِحَ عَلَى ٱلنُّصُبِ وَأَنْ تَسْتَقْسِمُواْ بِٱلأَزْلاَمِ ذٰلِكُمْ فِسْقٌ ٱلْيَوْمَ يَئِسَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن دِينِكُمْ فَلاَ تَخْشَوْهُمْ وَٱخْشَوْنِ ٱلْيَوْمَ أَكْمَلْتُ لَكُمْ دِينَكُمْ وَأَتْمَمْتُ عَلَيْكُمْ نِعْمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلإِسْلٰمَ دِيناً فَمَنِ ٱضْطُرَّ فِي مَخْمَصَةٍ غَيْرَ مُتَجَانِفٍ لإِثْمٍ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ
“Verboden is u het gestorvene, het bloed en het varkensvlees en al waarover een andere naam dan die van Allāh is aangeroepen; hetgeen is geworgd en is doodgeslagen en hetgeen is doodgevallen of hetgeen door de horens van dieren is gedood en hetgeen door een wild beest is aangevreten, behalve wat gij hebt geslacht. Verder hetgeen voor afgoden is geslacht en wat gij loot door pijlen, dit is een overtreding. Heden zullen de ongelovigen aan uw godsdienst wanhopen. Vreest dus niet hen, maar Mij. Nu heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooit en de Islam voor u als godsdienst gekozen. Maar wie door honger wordt gedwongen zonder dat hij tot de zonde is geneigd, voorzeker, Allāh is Vergevensgezind, Genadevol.” Surah al-Māʾidah (de tafel), H5, vers 3
Het punt in Kanz (over het de volgende dag dood aangetroffen dier) is denkbeeldig. Zelfs als het op dezelfde dag dood was aangetroffen, zou het niet ḥalāl zijn, omdat het niet voldoet aan de voorwaarden van zibāh. (Tabīnul Haqāid, deel 6, p. 226)
Het is mogelijk dat enkele mensen gaan twijfelen aan de bovenstaande wetgeving, nadat zij het volgende citaat uit Durr-Mukhtar, Kitāb-us-Sayd, etc. hebben gelezen betreffende het jagen: “Als een jager een scherp wapen zet in een val, toeziet, een dier in de val trapt en daaraan doodgaat, dan is het ḥalāl.” Hieruit kan blijken dat, indien een moslim een mes plaatst en ‘Bismillāh’ zegt met de intentie voor zibāh, en een dier zich aan dat mes verwondt en vervolgens doodgaat, het ḥalāl is geworden. Met andere woorden, het lijkt voldoende te zijn het mes te plaatsen met de intentie (niyyāh) voor zibāh. Het lijkt niet noodzakelijk te zijn dat het dier door die persoon zelf geslacht moet worden. Als dit werkelijk zo is, dan zou het slachten met mechanische apparatuur toegestaan zijn. In het toelichten van deze twijfels wil ik slechts zeggen dat het overduidelijk is dat de wet afgeleid van Durr-Mukhtar en andere Kitābs specifiek geldt voor dieren in de categorie Zibāh-e-Iztirāri, en dat de wetten van het jagen in hen geheel onbezonnen zijn (Ghayr Qiyās). Zij zijn dus niet van toepassing op de veestapel die onder toezicht staat van mensen. In werkelijkheid, zelfs als een wild dier gevangen is genomen en onder toezicht van een moslim komt, kan zo’n dier niet geslacht worden onder de condities van Zibāh-e-Iztirāri. Dit dier valt dan onder de categorie Zibāh-e-Ikhtiyāri. In dit geval is zonder enige twijfel het dier voor de machinale slachting onder toezicht, en de wet van Iztirāri is dus niet van toepassing. Deze dieren, die onder toezicht staan, vallen in de categorie Ikhtiyāri en moeten met de hand en intentie door een moslim geslacht worden.
Als het toegestaan was een veestapel door jachtdieren te laten afmaken, dan zou het ook geoorloofd zijn een veestapel overal op het lichaam ernstig te verwonden totdat het dier overleed. Kortom, het is niet toegestaan zo barbaars om te gaan met dieren. Met uitzondering van bovenstaande is er ikhtilāf (verschil van mening) tussen de Fuqahāʾ (moslimjuristen) over de wet aangaande het jagen. In Khulāṣa en Muḥīṭ staat: “Als een jager een mes plaatst in een val (zonder toezicht) en een dier raakt daaraan verwond en overlijdt, dan is het dier ḥarām. Als de jager een mes plaatst en het in de gaten houdt, dan is het jagen ḥalāl.”
Afwijkend hiervan zeggen Imam Zaili (raḍiyAllāhu ʿanhu) en verschillende juristen dat in beide gevallen het dier ḥarām is. Daarom beschrijft Imam Shulbi (raḍiyAllāhu ʿanhu) het argument van Kanz als volgt: “Het maakt niet uit of de jager een kleine zaag heeft uitgezet en weggaat of de val in de gaten blijft houden. In beide gevallen heeft het dier zichzelf verstrikt en is daaraan doodgegaan. Het is niet de jager die met fysieke kracht en intentie het dier heeft gedood, dus is het vlees ḥarām.” Hieruit voortvloeiend is het begrijpelijk dat Imam Zaili (raḍiyAllāhu ʿanhu) in dit geval de opinie van Khulāṣa en andere Kitābs niet accepteert. (Tabīnul Haqāid, deel 6, p. 226)
In dit model heeft Imam Shāmī (raḍiyAllāhu ʿanhu) verwoord dat voor Zibāh-e-Iztirāri het niet noodzakelijk is dat de persoon zelf slacht. (Swami, deel 5, p. 192). U moet weten dat in de kwestie Zibāh-e-Iztirāri een verschil van mening bestaat. In het geschilpunt Ikhtiyāri is unaniem aanvaard dat de zibāh verricht moet worden door een moslim voordat een dier ḥalāl verklaard kan worden voor consumptie. Volgens de Sharīʿah en de terminologie is Fā’il degene die op eigen kracht en intentie een slachthandeling verricht. Met andere woorden: zelf met de hand slachten. Ergo, het is overduidelijk dat machinale slachting (zibāh) niet wordt uitgevoerd door een mens die ‘Bismillāh’ zegt, maar door bewegende messen die de bloedvaten doorsnijden. Dit is een heldere uitleg die niet verworpen kan worden door een geestelijke. Zelfs degenen die machinale slachting goedkeuren, zijn het met mijn uitleg eens.
Opsomming van mijn argument
Veel van de voorwaarden die vereist zijn voor het correcte islamitische zibāh (slachten), ontbreken bij de methode van machinale slachting. Graag wil ik een aantal van deze voorwaarden opsommen:
- Het is noodzakelijk dat de slager een gezond verstand heeft en de wetgeving aangaande zibāh (islamitisch slachten) kent. De reden hiervan is dat het slachten door een persoon of kind zonder kennis van de wetten over zibāh het vlees ḥarām maakt. (Hidāyah Ākhirain, p. 434; Tabeen, deel 5, p. 287; Majma’ul Anhur, deel 2, p. 598).
- Het is noodzakelijk voor de slager om ‘Bismillāh’ zelf op te zeggen. Indien ‘Bismillāh’ door een ander wordt gezegd, zal de zibāh niet correct zijn en het dier niet als ḥalāl worden beschouwd. (Radd ul Muḥtār, deel 5, p. 192).
- Als iemand zijn hand op het mes van de slager legt om hem daarbij behulpzaam te zijn, dan moeten beiden ‘Bismillāh’ opzeggen. Indien een van hen verzuimt ‘Bismillāh’ op te zeggen, dan is de zibāh ḥarām. (Radd ul Muḥtār, deel 5, p. 192; Durr Mukhtar, deel 5, p. 212).
- Indien iemand niet-moslim of Kitābi is (mensen van het Boek) of ongelovige, en het mes van de slager aanraakt tijdens het slachten, wordt de zibāh ḥarām. (Al Ashbāh Anil Khāniya, deel 1, p. 145).
- De slager moet slachten met zijn eigen intentie en handeling, zoals eerder gememoreerd bij Imam Zaili en Allāmah Shāmī (raḍiyAllāhu ʿanhu). In de Heilige Qur’ān staat: “Accepteer datgene wat je hebt geslacht.” (Surah Māʾidah [5], vers 3).
- Het is ook een voorwaarde dat de Tasmiyyah gelezen moet worden met de intentie van slachten. Als ‘Bismillāh’ gezegd wordt met een andere intentie dan het slachten, is het dier niet ḥalāl. (Durr Mukhtar, deel 5, p. 191).
Toelichting op bovenstaande
Bovenstaande maakt duidelijk dat de intentie voor het slachten strikt noodzakelijk is, evenals het opzeggen van de Bismillāh. Het is ook overduidelijk dat de machine niet de kennis heeft om zelf Bismillāh te zeggen, noch de kracht heeft zichzelf onder controle te houden. Hoe kan de machine dan slachten met de intentie van zibāh en het opzeggen van Bismillāh met de intentie van slachten?
Het is evident dat elektriciteit, de machine en de messen die in beweging worden gebracht niet zelf kunnen denken en geen intentie kunnen uitspreken. Aangezien de machine en elektriciteit die de slachting verrichten niet in staat zijn om Bismillāh te zeggen, hoe is het dan mogelijk voor de operator of iemand die naast de machine staat om Bismillāh te zeggen namens de machine? Stel dat de slager beide acties van de moslim en de machine in acht neemt, dan moet worden aangenomen dat de machine — die noch moslim noch Kitābi is en zelfs Bismillāh niet zegt — deel uitmaakt van de handeling van zibāh. Dit maakt de Zabīha ḥarām. Allāh Almachtige heeft duidelijk gezegd dat het slachten dient plaats te vinden door een moslim en met zijn eigen intentie en handeling. De reden hiervan is vertrouwen.
Onjuiste beweringen van voorstanders van machinale slachting
- In overeenstemming met islamitisch slachten mag degene die aanwezig is Bismillāh zeggen vanuit iedere positie en wordt het gebruik van scherpe instrumenten erkend zolang het bloed maar stroomt na de snee. Of dit gedaan is door een persoon of een machine, in beide gevallen beweren zij dat de zibāh ḥalāl is.
- Zij zeggen dat er geen reden is om machinale slachting als niet-islamitisch en de Zabīha als ḥarām te veroordelen, zolang de messen de dieren snijden. Zolang het slachten plaatsvindt en een moslim de Tasmiyyah leest met de intentie van slachten, is er volgens hen geen reden om machinale slachting ḥarām te verklaren.
Reactie van Ulamā uit Egypte
Verschillende Ulamā van Egypte hebben machinale slachting veroordeeld. Hun argumenten zijn: “Als de persoon in kwestie of de operator van de machine een moslim of Ahle Kitāb is en de machine heeft een mes dat de noodzakelijke snee kan aanbrengen, dan moet in dat geval de persoon die ‘Bismillāh’ opzegt voor elk dier dat geslacht wordt (apart) ‘Bismillāh’ opzeggen. In dat geval kan het mes geaccepteerd worden als vergelijkbaar met de hand van de slager. Zulk Zabīha kan als ḥalāl worden erkend, en indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan is de Zabīha ḥarām.” (Fatāwā Islāmiyyah, Darul Asariya, deel 7, p. 2616).
De wetten betreffende de Ahle Kitāb zullen nader verklaard worden naarmate wij onze argumenten vervolgen. Mijn vraag hierbij is: “Wanneer iemand die de Tasmiyyah opzegt niet zelf het dier slacht en ook niet persoonlijk verantwoordelijk is voor de handeling van zibāh, dan is de bewering dat het bewegende mes vergelijkbaar is met de hand van de slager meer een claim zonder geldig getuigenis van de Sharīʿah.”
Inderdaad, het is bewezen dat de Ulamā van Egypte zelf getuigen dat de zibāh met de hand gedaan moet worden. Toch hebben zij om dezelfde reden toegestaan dat het bewegende mes vergeleken kan worden met de hand van een slager.
Ik heb al eerder het bewijs aangevoerd dat in Zibāh-e-Ikhtiyāri het slachten door de slager zelf verricht moet worden, met zijn eigen intentie en actie. Geen tegenbewijs is eerder getoond. Het lijkt erop dat de Ulamā van Egypte machinaal slachten gelijkwaardig zien aan een menselijke handeling. Dit is de reden waarom zij de operator van de slachtmachine hebben geaccepteerd als de ‘gedoogde methode’ van zibāh. Het lijkt erop alsof zij geen kennis hebben van het feit dat in Zibāh-e-Ikhtiyāri de Sharīʿah deze methode van slachten (machinaal) niet erkent als gelijkwaardig aan een slager. De Sharīʿah heeft het zelf slachten als voorwaarde gesteld.
Op deze kritiek moet ook begrepen worden dat de methode van iemand het gevolg is van de manier van de volgende. Met andere woorden: de operator schakelt de machine in en maakt het de werkwijze. Als er elektriciteit is, zal daardoor de katrol in beweging worden gebracht, die de messen continu laat bewegen (met de bedoeling de dieren te slachten). Is de handeling van de operator te beschouwen als een elektrisch verlengstuk? Is de operator vergelijkbaar met de machine?
Experimenten hebben bewezen dat de machine werkt op een snelheid waarbij in de tijd die nodig is om slechts één keer Bismillāh op te zeggen, honderd dieren worden geslacht. Het is meer dan duidelijk dat voor 99 van de 100 geslachte dieren geen Bismillāh is gelezen tijdens de machinale zibāh. In werkelijkheid kan geen van deze dieren als correcte Zabīha worden geaccepteerd, omdat niet vastgesteld kan worden voor welke van de 100 dieren Bismillāh is opgezegd.
Uit betrouwbare bronnen heb ik vernomen dat de rechtvaardige en vrome Ulamā van Egypte door valse Egyptische Ulamā gevangen zijn genomen, terwijl anderen de omstreden methode op basis van hun westerse ideologie verkondigen als loyaliteit tegenover de Egyptische regering. Met andere woorden: de vrome, eerlijke en onbesproken Ulamā zijn door de regering gevangengezet, terwijl de anderen die onwaarheden verkondigen door de regering worden betaald. Het lijkt mij dat het invoeren van machinale slachting een westerse lobby is die in Egypte en andere landen in het Midden-Oosten invloed heeft. Ik kan niet begrijpen hoe de beweging van het mes door de machine gelijkgesteld kan worden met de hand van een slager. Zulk hardnekkigheid druist in tegen de Sharīʿah en is absoluut niet toegestaan.
Een andere geldige reden die vlees ḥarām verklaart
Tot nu toe was het discussiepunt het slachten van de dieren door de machine en niet door de slager (met eigen intentie en handeling). Uit eerdere onderzoeken heb ik opgemerkt dat gedurende het machinaal slachten de messen het doel missen vanwege machinestoringen en daardoor soms de borst, de kop en zelfs andere ledematen van het dier snijden. Tijdens deze voorvallen loopt de ketting van de katrol in de machine vast. Deze dieren worden vervolgens verwisseld door andere. De dieren die op andere plekken worden gesneden dan de daarvoor bestemde plaatsen zijn ḥarām conform de Ijmāʿ (overeenstemming van islamitische schriftgeleerden), zelfs als de handelingen door een moslim plaatsvinden.
Laten wij voor enkele ogenblikken aannemen dat het machinaal slachten ḥalāl is. Dan is door de vermenging van de geslachte dieren met die dieren die niet op de juiste plaats zijn geslacht, het vlees ḥarām geworden. Tijdens dit experiment is bewezen dat door de machinale slachting ook andere plekken dan de zibāh-plek (keel) worden gesneden. Waarom hebben degenen die het machinaal slachten toestaan niet gediscussieerd over deze argumenten?
De wet over exportvlees
Wat betreft de actuele situatie vind ik het noodzakelijk om de verboden factoren uit te leggen over geïmporteerd en geëxporteerd vlees. Zij die uitsluitend ḥalāl vlees willen consumeren, moeten afstand nemen van geïmporteerd vlees, omdat het ḥalāl zijn ervan twijfelachtig is.
Redenen voor het ḥarām zijn van exportvlees
- In geëxporteerd vlees maakt de methode van machinale slachting het vlees ḥarām.
- Het meest geïmporteerde vlees komt uit Europa, Amerika, Australië, etc., en de meeste controleurs van de abattoirs en de exporteurs van het vlees zijn christenen. Hedendaags geslacht vlees door christenen is ḥarām, zoals ik straks zal beargumenteren.
- Geëxporteerd vlees bereikt de consumenten vanuit plaatsen waar het niet onder direct toezicht staat van moslims en exporteurs. Dit vlees, dat opgeslagen is in cargocarriers, bevindt zich eveneens buiten het gezichtsveld van de moslim. De meerderheid van de douane en de verkopers op de schepen van die landen zijn mushrik (veelgodenvereerders), mulhid (afvalligen) of christenen van deze tijd. De Sharīʿah zegt dat indien het vlees buiten het gezichtsveld van een moslim, zelfs voor een ogenblik, wordt geslacht, het ḥarām wordt. Ook als het geëxporteerde of geïmporteerde vlees de Zabīha is van een moslim, wordt het als ḥarām beschouwd. Dit zal straks worden bewezen.
- Abattoirs die vlees exporteren plakken ook een sticker ‘HALAAL’ op het vlees van dieren die door andere verwondingen tijdens de zibāh zijn gestorven. Als gevolg van Iejma is zulk vlees ḥarām verklaard. Tijdens mijn verblijf in Saoedi-Arabië merkte ik het prijsverschil op tussen geïmporteerd en lokaal geslacht vlees. Geïmporteerd vlees werd verkocht voor zes à zeven riyals per kilogram, terwijl lokaal geslacht vlees werd verkocht voor 27 riyals per kilogram. Dit is de reden waarom in hotels, restaurants en tijdens de Hadj door reisagentschappen geïmporteerd vlees aan de Hujāj wordt gegeven. De vrome mensen van Saoedi-Arabië nemen afstand van geïmporteerd vlees. Ik ken veel bewuste Hujāj die om dezelfde reden afstand nemen van het eten van vlees in Saoedi-Arabië. Iedereen moet in de gaten houden dat het eten van ḥarām vlees ellende veroorzaakt. Dit is ook de reden waarom du’ā (smeekbede) in het Hof van Allāh niet wordt geaccepteerd. Hoe kan dan de Ibādah en de Ziyārah van de Hadj worden geaccepteerd? Daarom is het heel belangrijk voor de Hujāj om in de nabijheid van Allāh Ta’ālā en Zijn Rasool voorzichtig te zijn met wat er gegeten wordt. Indien u enkele dagen geen vlees eet, zal dit geen schade aan uw gezondheid brengen.
Slachten door de Ahle Kitāb
In overeenstemming met de Heilige Qur’ān en Aḥādīth worden alleen de joden en christenen aangemerkt als mensen van het Boek. Met uitzondering van de belijders van deze twee geloven kan geen kāfir zich beroepen op een Boek dat aan hen is gebracht door een Profeet en geopenbaard door Allāh. Er bestaan verschillende meningen bij de Ulamā inzake het ḥalāl zijn van de Zabīha van deze twee geloven. De meeste Mashā’ikh (schriftgeleerden) hebben verklaard dat hun Zabīha ḥarām is, hoewel er enkelen zijn die het ḥalāl verklaren. De eerste verklaring (ḥarām) is het principe van de Ḥanafī Madhhab en de bewijsvoering is sterker in dit argument.
Imam Ibn Humām verhaalt in Fathul Qādir: “Behalve in geval van erge noodzaak moet het geslachte vlees van een Ahle Kitāb niet worden gegeten.”
In Majmaʿ-ul-Anhur staat het volgende: “De christenen van tegenwoordig hebben openlijk Ḥazrat Isa (‘ʿalayhis salām) verklaard als de zoon van Allāh. Wij hebben geen dringende reden hun Zabīha te eten (het vermijden van hun Zabīha is wājib), omdat de Ulamā van mening verschillen over hun Zabīha. Zolang er geen overeenstemming is bereikt, zal het eten van door hen geslacht vlees verboden zijn.”
Het verschil in opinie van de Ulamā op deze voorwaarde is dat de slager bekend moet zijn met de wetten van zibāh. Met andere woorden: alle noodzakelijke bloedaders moeten worden doorgesneden en de zibāh moet uitsluitend in Allāhs naam worden verricht. De Zabīha van een moslim zal niet ḥalāl zijn als niet voldaan wordt aan de juiste voorwaarden van islamitische zibāh. Hoe kan dan de Zabīha van een christen als ḥalāl worden beschouwd?
De zibāh van de christenen is niet in overeenstemming met de Sharīʿah, aangezien zij (al jaren geleden) de takbīr niet meer opzeggen en de zibāh niet meer verrichten overeenkomstig de zibāh-wetgeving. Zij consumeren liever de Zabīha van moslims. Zij wurgen ook pluimvee en vogels of steken een mes door de nek van een levend schaap, waarbij zij de regels voor het doorsnijden van de bloedvaten verachten. Dit maakt hun zibāh onacceptabel. In Fatāwā Qazi Khan staat het volgende geschreven: “Christenen slachten niet, maar wurgen het dier of zij eten zibāh van moslims.”
Ālāḥazrat (raḍiyAllāhu ʿanhu) citeerde zijn persoonlijke ervaring in Zill Qaḍāʾ 1295 Hijrah als volgt: “Ik zag een ram aan boord van een schip die eigendom was van een christen uit Samur. Hij verkocht de ram voor 40 roepies. Ik wenste vlees te eten en besloot voor het dier contant te betalen. De verkoper weigerde het dier aan mij te verkopen, maar zei dat ik het vlees kon kopen na de zibāh. De slager stak het mes in de nek van het dier en hield geen rekening met het feit dat de bloedvaten moesten worden doorgesneden. Ik zei dat het vlees nu even slecht was als zwijn en niet meer geschikt was voor consumptie.” (Fatāwā Razviyya, deel 8, p. 331).
Kortom, de Zabīha-methode van hedendaagse christenen schiet tekort en maakt hun Zabīha absoluut ḥarām. Zelfs de joden hebben de takbīr achterwege gelaten en de zibāh-methode veranderd. Ook hun Zabīha is ḥarām. Als er geen noodzaak is om vlees te eten, dan is het definitief makrūh hun Zabīha te eten. Een andere reden om hun Zabīha als ḥarām te verklaren is het feit dat veel hedendaagse christenen mulhid (afvalligen) of communisten zijn geworden. Voor verdere details over dit onderwerp raadpleeg Fatāwā Razviyya, deel 8, p. 329-331.
Is het vlees dat uit het gezichtsveld van een moslim is geslacht ḥalāl of ḥarām?
Om vlees als ḥalāl te kunnen beschouwen, is de basis afhankelijk van de correcte islamitische methode van zibāh, uitgevoerd door een moslim of door een Kitābi. Het dier moet ook van een soort zijn die voor het eten door een moslim is toegestaan en moet door het uitspreken van Allāhs naam worden geslacht. Als er enige twijfel bestaat, hoe klein ook, over het islamitisch correcte zijn van het vlees, dan is het ḥarām.
Zolang de Zabīha van een moslim in het gezichtsveld van een moslim plaatsvindt, is het ḥalāl. Als het slachten niet onder toezicht van een moslim gebeurt of heeft plaatsgevonden, dan bestaat er twijfel en is het ḥarām. Het wordt uitsluitend ḥalāl na Zibāh-e-Sharīʿah. Indien er geen bewijs is van de toepassing van de Sharīʿah tijdens het slachten, dan is het vlees ḥarām.
In Al-Ashbāh staat het volgende geschreven: “Het vlees van een levend dier is ḥarām, dus de koper is gebonden aan het feit dat het ḥarām is, én zolang de correcte zibāh van het dier niet bewezen is, zal het ḥarām blijven.”
Als een kāfir zegt dat het vlees dat door hem of haar gekocht is ḥalāl is, zal de moslim daar geen zekerheid aan verbinden, omdat ḥalāl en ḥarām samenhangen met het geloof in de islam en vertrouwen. De moslim kan een kāfir niet vertrouwen. Daarom staat in Fathul Qādir:
“Het vlees van de slager (die een polytheïst is) is niet ḥalāl totdat bewezen is dat het geslacht is door een moslim. Dit vlees is in werkelijkheid ḥarām, want deze slager moet in twijfel worden genomen.”
Allāmah Shāmī (raḍiyAllāhu ʿanhu) schrijft in Radd ul Mukhtar: “Als iemand een Majoosī is, is het voldoende om vast te stellen dat het vlees ḥarām is, zelfs als hij beweert dat de Zabīha van een moslim afkomstig is. De reden hiervan is dat op basis van vertrouwen, integriteit en eerlijkheid zijn woord onacceptabel is.”
In Muʿāmalāt (algemene handelsliaisons) kan de boodschap van een kāfir alleen geaccepteerd worden op voorwaarde dat de kāfir behoorlijk de overhand heeft zonder twijfel. Als er enige twijfel bestaat in zijn algemene handelsonderneming, dan zal niemand op zijn woorden moeten afgaan. (Bahāre Sharīʿat, deel 12, p. 37). Als bevestigd wordt dat vlees vanaf het slachten tot de verkoop niet uit het oog van een moslim is geweest, kan het vlees als ḥalāl worden beschouwd. Evenzo, als iemand zijn mushrik medewerker of slaaf stuurt om ḥalāl vlees te kopen, dan zal het vlees als ḥalāl worden beschouwd zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- De kāfir die het vlees gaat kopen en naar jou brengt, is jouw medewerker of slaaf.
- Jouw medewerker of slaaf moet beweren het vlees gekocht te hebben van een moslim.
In algemene handelszaken is het woord van een kāfir geaccepteerd. Als een kāfir in het kader van dīnyāt (integriteit en vertrouwen) zegt dat vlees ḥalāl of ḥarām is, zullen zijn woorden onacceptabel zijn.
Het staat in Hidāyah en andere Kitābs dat de vereisten van de medewerkers en slaven de basis vormen van de Sharīʿah (het nakomen van noodzakelijke voorwaarden). Sinds de Fuqahāʾ hebben vastgesteld dat het vlees van een slager of van een uitnodigende kāfir (gastheer/-vrouw) ḥarām is, zelfs als zij beweren dat het de Zabīha van een moslim is.
In Fatāwā Qazi Khan staat geschreven: “Als een christen of een Majoosī u uitnodigt voor het eten van vlees in zijn huis, dan is het eten van vlees voor de moslim Makrūh Taḥrīmī, zelfs als de gastheer zegt het op de markt gekocht te hebben, omdat de Majoosī de dieren wurgt of doodslaat en de christelijke Zabīha niet correct is voor de moslim.”
In Hidāyah staat geschreven: “Indien een moslim een Majoosī medewerker of slaaf stuurt om vlees te kopen, dan zal de medewerker moeten beweren het vlees gekocht te hebben bij een moslim of Kitābi. Alleen dan kan het beschouwd worden als consumeerbaar.”
In Fatāwā ʿĀlamgīrī staat geschreven dat het woord van een kāfir geaccepteerd is in algemene handelszaken en onacceptabel in zaken aangaande religie en integriteit. Evenzo, als om deze reden in muʿāmalāt het woord van een kāfir geaccepteerd is, zal in connectie met de woorden van dīnyāt het geaccepteerd worden, aangezien tegenwoordig op basis van noodzaak dīnyāt op basis van muʿāmalāt geaccepteerd is.
- Als iemands hart zekerheid betuigt en het bevestigd wordt dat er geen twijfel is in zijn hart over de waarheid die de medewerker vertelt.
Het staat in Jawhirah Nayyira dat in algemene handelszaken het woord van een kāfir acceptabel is als bevestigd is dat hij de waarheid spreekt. Als er iemand is die denkt dat de kāfir liegt, dan zal het woord van de kāfir niet geaccepteerd worden. (Bahāre Sharīʿat, deel 6, p. 37).
Allāmah Shāmī (raḍiyAllāhu ʿanhu) heeft verklaard: “Indien het woord van zijn medewerker niet bepalend is, dan is het niet toegestaan daarop in te gaan.”
Ter afronding van mijn argumenten
Als het geïmporteerde en geëxporteerde vlees vanaf het slachten tot de import niet onder toezicht van een moslim is, en het gedurende de export ook niet onder toezicht van een moslim is, en zelfs de afhandeling ervan niet in het zicht van een moslim gebeurt, dan kan op geen enkele grond het vlees als ḥalāl worden beschouwd. Als het bekend is dat het vlees de Zabīha is van een hedendaagse christen en dat het een product is van een machinale slachting, dan is zulk vlees volkomen ḥarām.
Bronnen
- Hidāyah Ākhirain. (z.j.). Deel 2–6. [Klassiek islamitisch werk].
- Ibne Humaam. (z.j.). Fathul Qadier. [Klassiek islamitisch commentaar].
- Majmūʿ Anhur. (z.j.). Deel 2. [Klassiek islamitisch werk].
- Shāmī, A. (z.j.). Radd ul Muḥtār. Deel 5. [Fiqh‑commentaar].
- Durr Mukhtar. (z.j.). Deel 5. [Fiqh‑werk].
- Qazi Khan. (z.j.). Fatāwā Qazi Khan. [Verzameling van fatwa’s].
- Ālāḥazrat. (1295 H). Fatāwā Razviyya. Deel 8, pp. 329‑331.
- Kanz al‑Daqāʾiq. (z.j.). p. 220. [Fiqh‑werk].
- Bahāre Sharīʿat. (z.j.). Deel 6 & 12. [Fiqh‑werk].
- Fatāwā ʿĀlamgīrī. (z.j.). [Fiqh‑verzameling].
