Wat is de Jinn?

Het wezen en de realiteit van de Jinn in islamitische Openbaring en wetenschap

In deze paper zult u kunnen lezen en kennis vergaren over het wezen Jinn. Een Jinn is gemaakt van een rookloze vuurvlam (Qur’ān 55:15). U zult ook lezen welke soorten Jinnāt (meervoud van Jinn) er zijn, hoe slechte mensen gebruikmaken van de kennis van Jinnāt, enzovoorts. Merendeels gaat deze paper over de duivelse Jinn.

Islam (inclusief de islamitische wetenschap, maar ook de seculiere wetenschap) accepteert de aanwezigheid van andere wezens in het zichtbare koninkrijk, anders dan onze bekende fysieke wereldverschijnselen. Dus, alle moslims geloven in de wezenlijke aanwezigheid van wezens zoals engelen en de Jinnāt, zoals zij ook geloven dat de wereld waarin wij leven in werkelijkheid niet de enige is. Er zijn ook andere werelden zoals het Paradijs. Deze overtuiging wordt afgeleid uit de Heilige Qur’ān, welke moslims accepteren als het Woord van Allāh Ta’ālā, dat geopenbaard is aan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ en gebracht werd door de aartsengel Jibrāʾīl (ʿalayhis salām). Deze openbaringen vonden plaats en werden neergezonden op het hart van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ (Qur’ān 26:192‑194).

Moslims houden dit geloofwaardig in stand ondanks de opkomst en overheersing van de westerse wetenschap met haar scepticisme en vaak open minachting en vijandigheid voor zulke zaken. In werkelijkheid zijn westerlingen met hun erg materialistische en moderne seculiere natuur minachtend over spiritueel geloof, waarbij veel westerlingen in hun arrogante overtuiging menen dat dit “onverlicht” en “ouderwets” is in deze zogenaamde moderne wereld.

Zo is een specifieke Surah al‑Jinn (hoofdstuk 72) geopenbaard waarin Allāh Ta’ālā spreekt over de Jinnāt. Het woord ‘Jinn’ komt 49 keer voor in de Heilige Qur’ān (Qur’ān 6:100; 15:27). Deze surah begint met de volgende openbaring van Allāh Ta’ālā: “Zeg: Het is aan mij geopenbaard dat een groep der Jinn heeft geluisterd (naar de Qur’ān) en zij zeiden: ‘Waarlijk, wij hebben een wonderbaarlijke verkondiging gehoord!’” (Qur’ān 72:1).

Sinds het bestaan van de mensheid is er altijd een aantrekkingskracht geweest voor het bovennatuurlijke en het onzichtbare. De aanwezigheid van een wereld parallel aan de onze heeft veel mensen gefascineerd. Sommigen beweren Ufo’s (unidentified flying object = ongeïdentificeerde vliegende objecten) te hebben gezien die grote ogen hebben en superintelligent zijn. Het is niet vreemd, want uit de overleveringen weten wij dat Jinnāt grote uitpuilende ogen hebben (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2236). Zij kunnen door hun snelheid van verplaatsing snel informatie ophalen en elders verspreiden. Sommige Jinnāt zijn moslims en sommige kuffār (ongelovigen, zoals Iblīs = satan) (Qur’ān 18:50). Hun wereld wordt over het algemeen aangeduid als de spirituele wereld. Vrijwel ieder mens die ongeschoold is in de wereld van Rūḥānī (geestelijke leer over onder andere zikr‑e‑Rabbānī, fanāʾ fī Shaykh, fanāʾ fī Allāh Ta’ālā, baqāʾ, tasawwuf, ‘ilm‑e‑hudoori, ‘ilm‑e‑husooli) heeft een eigen concept over de spirituele wereld. De mensen die wel geschoold zijn door meesters (Murshid, Pīr, Ghaus, Qalander, Quṭb, Abdāl, enzovoorts) in het vak hebben hun leerlingen (Murīd) geleerd dat zij op de weg naar Allāh Ta’ālā veel dingen kunnen tegenkomen die niet hun aandacht dienen te trekken. Inshā’Allāh Ta’ālā, in een ander paper zal ik schrijven over het geestelijke pad, het pad van de soefi.

De Schepping, Vrije Wil en Bestemming van de Jinn volgens Qur’ān en Ahadīth

De Jinn is een schepping en is begunstigd met vrije wil. Zij leven op aarde in een wereld parallel aan de mensheid. De Jinnāt zijn fysiek onzichtbaar voor de mens zoals hun beschrijving suggereert. Deze onzichtbaarheid is één van de redenen waarom sommige mensen hun aanwezigheid ontkennen. Echter, het effect dat de Jinnāt hebben op onze wereld is voldoende om deze ontkenning te weerleggen. Het bestaan van de Jinnāt kan worden afgeleid van de openbaringen in de Heilige Qur’ān en Ahadīth. Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“En, waarlijk Wij schiepen de mens uit droge, klinkende klei, uit zwarte modder in vorm gewrocht. En Wij hadden voorheen de Jinn uit vlammend vuur geschapen.” (Qur’ān 15:26‑27).

Dus de Jinn bestond reeds vóór de schepping van de mens. Over bovenstaand vers zei de Heilige Profeet Mohammed ﷺ: “De engelen zijn geschapen uit licht en de Jinn uit rookloos vuur.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Zuhd, Hadith nr. 2996). Het is deze beschrijving van de Jinn die ons zoveel vertelt over hen. Daar zij uit vuur geschapen zijn, is hun verschijning voor de mens beangstigend. Net als voor de mens is ook voor de Jinn vereist dat zij Allāh Ta’ālā aanbidden en de islam volgen. Hun leven is net zoals dat van ons. Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“En, Ik heb de Jinn en de mensen slechts tot Mijn aanbidding geschapen.” (Qur’ān 51:56).

Jinnāt kunnen dus moslim of ongelovig zijn. Alle ongelovige Jinnāt vormen een deel van het leger van Iblīs, de Shayṭān. Kortom, deze ongelovige Jinnāt worden Shayṭān (duivels) genoemd. De Jinnāt die moslim werden stammen af uit de tijd van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, toen zij met verbazing de recitatie van de Heilige Qur’ān hoorden. Allāh heeft de Heilige Profeet Mohammed ﷺ opgedragen de mensen over deze gebeurtenis te vertellen.

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“Zeg: Het is aan mij geopenbaard dat een groep der Jinn heeft geluisterd (naar de Qur’ān) en zij zeiden: ‘Waarlijk, wij hebben een wonderbaarlijke verkondiging gehoord! Die tot rechtschapenheid leidt; daarom hebben wij (Jinnāt) erin geloofd, en wij (Jinnāt) zullen stellig niemand met onze Heer vereenzelvigen.’” (Qur’ān 72:1‑2).

De Jinnāt lijken op vele aspecten op de mens. De Jinnāt eten, trouwen, hebben kinderen en sterven ook. De duur van hun leven is wel langer dan die van de mens. Zo hoorde ik in een toespraak van de heilige Qaid‑e‑Ahle Sunnat Ḥazrat Allāmah Ḥāfiẓ Qārī Shah Aḥmad Noorani Siddiqui Qādrī (raḍiyAllāhu ʿanhu) dat er Jinnāt zijn die de Heilige Profeet Mohammed ﷺ gezien hebben en nog in leven zijn. Hij zei dat er Jinnāt zijn die Ḥāfiẓ‑e‑Qur’ān, Qārī, Muḥaddith en ‘ʿĀlim zijn.

De Jinnāt zullen net als de mens op de Dag des Oordeels over hun daden berecht worden in het Hof van Allāh Ta’ālā. Jinnāt met goede daden gaan het Paradijs niet binnen zoals de soennieten, maar zullen in een aparte wereld naast het Paradijs verblijven. De Jinnāt met slechte daden, evenals de ongelovige Jinnāt, gaan net als de mensen met slechte daden en ongeloof naar de Hel.

Ghaus-ul-Aʿẓam (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei ten aanzien van mawārid Ilāhiyyah (goddelijk geïnspireerde verkrijging) en tawāriq Shaitāniyya (satanische insinuaties): “De geheiligde geïnspireerde ontvangst komt alleen als reactie op istid’a (een oproep). Het verdwijnt niet door sabab (interveniërende oorzaken). Het komt niet in een ni’mat (bepaalde modus), noch op enige specifieke tijd. Wat de Tariq(a) Shaitāniyya (satanische insinuatie) betreft, dat is daarmee in alle opzichten in strijd.”

De Jinn is geschapen op donderdag en de engelen zijn op woensdag geschapen. De Jinn komen voornamelijk in de avond om mensen lastig te vallen. Zwarte magiërs werken daarom ook na maghrib als het donker is. Iblīs daalt neer op de oceaan met zijn troon na maghrib, en in de nacht gaan de Shayāṭīn verslag uitbrengen wat zij hebben veroorzaakt. De Jinnāt was 60.000 jaar vóór de Schepping van Ḥazrat Adam (ʿalayhis salām) geschapen. (Tafsīr Naʿīmī, deel 1, pg. 279)

Er zijn drie vormen van Jinnāt: Jinn die lopen, Jinn die vliegen en Jinn die kruipen. De Jinn is in aantal ten opzichte van de mens 1 op 9. De mens is 9 maanden zwanger terwijl een Jinni 3 maanden zwanger blijft. Er zijn zoal Chinese, Afrikaanse, Surinaamse (bakroe, asima), soenniet, Wahhābī, Aḥmadiyyah Jinnāt. Hoe ouder een Jinn wordt hoe sterker hij wordt.

  1. Jonge Jinn: gedaanteverandering in een dier zoals een leeuw.
  2. Oude Jinn: gedaanteverandering in grote arend (staat als teken op de US-dollar), kan praten met dieren, vliegen, lucht beheersen.
  3. Jonge Jānn: veranderen in dier zoals kameel.
  4. Oude Jānn: houdt van muziek, muskieten, aarde beheersen.
  5. Jonge Marad: veranderen in paard, water beheersen, houdt van glamour.
  6. Oude Marad: houdt van glamour, kan met dieren praten, water beheersen, veranderen in paard, vliegen, objecten beïnvloeden.
  7. Jonge Ifrīt: vervloekte vorm aannemen, vuur beheersen, in dier veranderen.
  8. Oude Ifrīt: veranderen in schorpioen, slang, met dieren praten, vliegen, van grootte veranderen, vuur beheersen.
  9. Jonge Shayṭān: objecten beïnvloeden, veranderen in jakhals.
  10. Oude Shayṭān: glamour, vliegen, lucht beheersen, veranderen in zwarte kameel, objecten beïnvloeden.
  11. Jonge Ghul: charme, sterk, vervloekt.
  12. Oude Ghul: vliegen, sterk, mensen beheersen, veranderen in aasgier.

In de algemene mythologie van het Arabisch Schiereiland is een Ifrīt een geestvormige Jinn die het element vuur belichaamt. Een Ifrīt beschouwt zichzelf als een superieur wezen, omdat zij, naar eigen zeggen, de oudste wezens van de wereld zijn, als eerste van alle rassen ontstaan. Hij is volkomen onzichtbaar en maakt een bromgeluid. Is bij mij geweest en liep om mijn bed heen, maar kon mij niet aanraken. Een Ifrīt kan het ook niet uitstaan dat de mensen magische middelen hebben gevonden om hen te beheersen. Zelfs als een Ifrīt geen vrije wil meer heeft, handelt hij vanuit een ironische en kwaadwillende houding en probeert hij de bevelen van zijn meester zo veel mogelijk te verdraaien. Een Ifrīt toont zichzelf vaak als wezen bezeten van bovenmenselijke kracht en schoonheid, maar ze zijn bijzonder moeilijk om mee om te gaan. Deze troon was van Bilqīs; zij had onder haar bewind 300 ministers en onder iedere minister was een formatie van 12.000 soldaten. (Tafsīr Ibn Kathīr)

Daar er Jinnāt zijn die zowel op land, in de lucht als op zee leven, zo zijn er ook tāwīz die voor water, lucht, aarde en vuur zijn. Net als bij Jinns in het algemeen zijn er zowel verhalen waarin een Ifrīt een dienstbare rol speelt als waarin een Ifrīt een gevaar vormt (dat dan weer overwonnen kan worden door bijvoorbeeld het juiste gebed tot Allāh Ta’ālā te richten). Allāh Ta’ālā openbaart:

“Iemand, die kennis van het geschrift had, zei: ‘Ik zal hem tot u [Profeet Sulaymān] brengen vóór uw bode terugkeert.’ En toen Salomo de troon naast zich zag geplaatst, zei hij: ‘Dit is bij de gratie van mijn Heer, opdat Hij mij moge beproeven of ik dankbaar of ondankbaar ben. En wie dankbaar is, is dankbaar voor het welzijn van zijn eigen ziel, maar wie ondankbaar is, waarlijk mijn Heer is Zichzelf‑genoeg, Geëerd.’” (Qur’ān 27:40).

Ḥazrat Abi Dujānah (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei aan de Profeet Mohammed ﷺ dat hij ’s avonds niet kon slapen omdat een soort insect, net als muskieten, hem prikte. De Profeet Mohammed ﷺ vertelde hem dat de muskieten Jinn waren. Vervolgens zei de Profeet Mohammed ﷺ aan Ḥazrat Ali (raḍiyAllāhu ʿanhu) om iets op te schrijven wat de Profeet Mohammed ﷺ dicteerde. Dat stukje papier gaf de Profeet Mohammed ﷺ aan Abi Dujānah en zei om het onder zijn kussen te leggen en te gaan slapen. Dit is dus een tāwīz geweest. Toen hij de tāwīz onder zijn kussen had gelegd rook hij een stankgeur en hoorde hij ruisgeluiden. Op dat moment verzochten de Jinnāt aan Ḥazrat Dujānah om hen te vergeven omdat zij aan het verbranden waren. Dujānah haalde toen de tāwīz onder zijn kussen weg en de stank en muskieten waren verdwenen. De volgende ochtend vertelde Dujānah het verhaal aan de Profeet Mohammed ﷺ en die zei:
“O Dujānah, je hebt goed gedaan om de tāwīz weg te halen van onder je kussen, anders zouden volgelingen van de Jinnāt tot de Dag des Oordeels blijven verbranden.”

Boosheid (Ghaḍab), liefde van deze wereld (Hubb‑ad‑Dunya), kwaadaardigheid zoals haat (Hiqd), jaloezie (Ḥasad), trots (‘Ujb), geldwolf (Bukhl), zucht naar rijkdom (Tama), gierigheid (Djasa’), lafaard (Jubn), luiheid (Batala), arrogantie (Kibr), pronken (Riya’), superioriteit (Adhama), achteloosheid (Ghawaba wal‑kasala), angstgevoel (Hamm) en depressie (Ghamm).

De grootste reden voor het door Jinnāt en Shayāṭīn worden beïnvloed is het niet naleven van de Sharīʿah. Niet alleen kāfir Jinn (dus Shayāṭīn) vallen mensen lastig, maar ook moslim Jinn. Bijvoorbeeld als zij verliefd worden op een moslim man/vrouw of een kind leuk vinden.

Aan Imam Saba (ʿAlayhi al-Raḥmah) werd gevraagd of Iblīs een vrouw heeft. Hij antwoordde nimmer gehoord of gelezen te hebben over het huwelijk van Iblīs. (Sa’b‑ul‑Īmān, Baihāqi) Hij vertelde verder dat Iblīs vijf eieren had gelegd waaruit al zijn kinderen zijn voortgekomen. (Ibn Abi Ḥākim)

De zwarte magiërs zijn de volgelingen van de Satan. Zwarte magiërs hadden Ḥazrat Musa (ʿalayhis salām) uitgedaagd, zij waren met 12.000 in aantal. (Ḥāshiyah alā al‑Jalālayn)

De moslim Jinnāt doen nikāḥ (net als bij de moslim met grote feesten), geven ook ṭalāq, eten voedsel en leven in groepen van 70.000 Jinnāt. Kāfir Jinn heeft geen nikāḥ/ṭalāq en zijn demonen.

Het voedsel van hen bestaat uit wat zij ook verkopen op markten zoals de beenderen en botten van gedierte die de moslims weggooien, zoals in de Heilige Qur’ān staat. Zodra zij bijvoorbeeld een been of bot van een dier dat door de mens is gegeten en weggegooid rapen, wordt dit automatisch vol met vlees, veel meer dan wat in werkelijkheid was. De Jinn heeft altijd honger. De moslim Jinn eet met de rechterhand en de Shayāṭīn met de linkerhand. Dus als mensen Bismillāh niet opzeggen voordat zij beginnen met eten met de rechterhand, dan eet de Hamzād mee. Het uitwerpsel van koeien is voedsel voor de rijdieren van de Jinnāt.

In groepen van 70.000 Jinnāt leven zowel de moslim als de kāfir onder de Jinnāt. Zij kunnen heel lang leven; er zijn Jinnāt die de Profeet Mohammed ﷺ hebben gezien, maar ook de vorige profeten. Imam Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) schrijft in zijn boek Jinnāt wa Shayāṭīn: “De Profeet Mohammed ﷺ vertelde aan Ḥazrat Ibn Masʿūd: Atāni dā’iyal Jinni fazahtu ma’ahu faqar’atu alayhim‑ul‑Qur’ān.”
(Ik werd uitgenodigd door een Jinn en ging met hem mee. Daar heb ik voor hen de Heilige Qur’ān gelezen).

Maulana Shah Aḥmad Noorani Siddiqui (ʿAlayhi al-Raḥmah) vertelde dat er ook Ḥāfiẓ‑e‑Qur’ān, Muḥaddith, Mufti, Qāḍī onder de Jinnāt zijn.

Dat wat de Jinnāt onderscheidt van het mensdom zijn de krachten en bekwaamheden waarmee zij door Allāh Ta’ālā zijn begunstigd. Allāh Ta’ālā heeft hun krachten gegeven als een beproeving. Als zij anderen daarmee onderdrukken, dan zullen zij daarvoor verantwoordelijk worden gesteld. Door kennis te hebben van hun krachten kunnen wij vaak een veronderstelling maken van de mysterieuze dingen die om ons heen gebeuren.

Een van de krachten van de Jinnāt is dat zij bij machte zijn om de vorm van fysieke dingen en de mens aan te nemen. Dus, zij kunnen verschijnen als mens, dieren, bomen, enzovoorts. Zo hoorde ik in de toespraak van Allāmah Shah Aḥmad Noorani Siddiqui al Qādrī (raḍiyAllāhu ʿanhu), dat moslims die trachten hun Oemre qaḍāʾ namāz (namāz die zij in hun afgelopen jaren gemist hebben) in te halen door Iblīs bedrogen kunnen worden. Iblīs komt in hun dromen als een heilige en zegt: “O moslim of Murīd, je hebt je Oemre qaḍāʾ namāz al voldaan. Je hoeft niet meer moeite te doen.”

De afgelopen decennia hebben verschillende vliegende objecten de aandacht van mensen aangetrokken. Deze vliegende objecten zijn bijvoorbeeld aliens en Ufo’s. Productie van series als The X‑Files en The Outer Limits zijn toegenomen en daarmee de theoretische kennis van de mensen doen groeien.

Meer dan drie decennia doen zich voorvallen in woningen waar Jinnāt duivels zich manifesteren of hun onderdak proberen te vinden. Mensen die in de woningen wonen worden door de duivels de stuipen op het lijf gejaagd. De Jinnāt duivels vallen de mensen aan, zij laten dingen in het huis bewegen, zij lopen met zware voetstappen in het huis, enzovoorts. Ze beïnvloeden de gedachtegang van mensen op een negatieve manier. Jinnāt kan ook verliefd worden op mensen. Dan kunnen zij de familie van hun geliefde mens teisteren.

Daarom heeft de Heilige Profeet Mohammed ﷺ geadviseerd niet te vertoeven in de buurten waar Jinnāt verblijven. Deze plaatsen zijn bijvoorbeeld begraafplaatsen, ruïnes, woestijnen, strand, markten, bomen, gaten en bergen. Wij zijn ook opgedragen de Heilige Qur’ān vaak te reciteren in onze huizen. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Inderdaad, de Shayṭān vliegt uit het huis waarin Surah al‑Baqarāh (de koe, H2) wordt gereciteerd.” (Tirmīzī)

Veel mensen, waaronder ook moslims, willen uit jaloezie of vijandschap het leven van hun medemens kapot maken door jadoo (zwarte magie = voodoo, indarjaal, enzovoorts) en werken met de Jinnāt duivels. Deze mensen zijn op het pad van kufr (ongelovige), dus ook de moslims die naar jādūgar (zwarte magiër) gaan. U kunt alle zwarte magie verbreken door Surah al‑Baqarāh te reciteren. Zo hoorde ik in de toespraak van Allāmah Shah Aḥmad Noorani Siddiqui al Qādrī (raḍiyAllāhu ʿanhu) dat Āyat‑al‑Kursī (Surah 2, vers 255) en de vier Qul surah (Surah 109, 112, 113 en 114) van de Heilige Qur’ān ‘atoombom is tegen alle *jadoo’s’. Dus, door deze te reciteren verbreekt u alle jadoo. Wat u wel dient te weten is dat de kracht in uw ‘ʿibādah (trouwe aanbidder van Allāh Ta’ālā) zit: alle dagelijkse namāz verrichten, Ramaḍān doen, zakāt geven, naar hadj gaan. Maar ook nafl (vrijwillige) gebeden verrichten zoals zikr, reciteren van de Heilige Qur’ān en het sturen van Darood Sharīf naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ.

De heilige ‘Ālāḥazrat Imam‑e‑Ahle Sunnat Mujaddid‑e‑Aʿẓam‑e‑ʿĀlam Shah Aḥmad Raza Khan Qādrī Bareilwī (raḍiyAllāhu ʿanhu) schrijft in zijn wazifa boek dat u ook zikr kunt doen op de volgende du’ā (smeekbede): Hier is uw tekst vertaald naar klassiek Arabisch, zorgvuldig en zonder toevoegingen of weglatingen:

اللَّهُمَّ اكْفِنِي كُلَّ مُهِمٍّ مِنْ حَيْثُ شِئْتَ وَمِنْ أَيْنَ شِئْتَ، حَسْبِيَ اللَّهُ لِدِينِي، حَسْبِيَ اللَّهُ لِدُنْيَايَ، حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَا أَهَمَّنِي، حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَنْ بَغَى عَلَيَّ، حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَنْ حَسَدَنِي، حَسْبِيَ اللَّهُ كَادَنِي بِسُوءٍ، حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمَوْتِ، حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمَسْأَلَةِ فِي الْقَبْرِ، حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمِيزَانِ، حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الصِّرَاطِ، حَسْبِيَ اللَّهُ الَّذِي لَا إِلٰهَ إِلَّا هُوَ، عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَهُوَ رَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ.

Allāhumma-kfini kullā muhimmin min ḥaythu shi’ta wa min ayna shi’ta, ḥasbiyallāhu li-dīnī, ḥasbiyallāhu li-dunyāya, ḥasbiyallāhu limā ahammanī, ḥasbiyallāhu liman baghā ‘alayya, ḥasbiyallāhu liman ḥasadani, ḥasbiyallāhu kādanī bi-sū’in, ḥasbiyallāhu ‘inda al-mawt, ḥasbiyallāhu ‘inda al-mas’alati fī al-qabr, ḥasbiyallāhu ‘inda al-mīzān, ḥasbiyallāhu ‘inda al-ṣirāt, ḥasbiyallāhu alladhī lā ilāha illā Huwa, ‘alayhi tawakkaltu wa Huwa Rabb al-‘Arsh al-‘Aẓīm. (1 of 3 keer).

Vertaling: O Allah, bescherm mij tegen elke zorg, van waar U wilt en van waar U wilt. Allah is mij voldoende voor mijn religie, Allah is mij voldoende voor mijn wereld, Allah is mij voldoende voor wat mij bezighoudt. Allah is mij voldoende tegen degene die mij kwaad wil doen, Allah is mij voldoende tegen degene die mij benijdt, Allah is mij voldoende tegen degene die mij met kwaad belaadt. Allah is mij voldoende bij de dood. Allah is mij voldoende bij de ondervraging in het graf. Allah is mij voldoende bij de weegschaal. Allah is mij voldoende bij de brug (Sirāt). Allah is mij voldoende – Hij, er is geen god behalve Hij. Op Hem stel ik mijn vertrouwen, en Hij is de Heer van de Geweldige Troon.

ArabischFonetischNederlands
اللَّهُمَّ اكْفِنِي كُلَّ مُهِمٍّ مِنْ حَيْثُ شِئْتَ وَمِنْ أَيْنَ شِئْتَAllāhumma‑kfini kullā muhimmin min ḥaythu shi’ta wa min ayna shi’taO Allah, bescherm mij tegen elke zorg, van waar U wilt en van waar U wilt.
حَسْبِيَ اللَّهُ لِدِينِيḤasbiyallāhu li‑dīnīAllah is mij voldoende voor mijn religie.
حَسْبِيَ اللَّهُ لِدُنْيَايَḤasbiyallāhu li‑dunyāyaAllah is mij voldoende voor mijn wereld.
حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَا أَهَمَّنِيḤasbiyallāhu limā ahammanīAllah is mij voldoende voor wat mij bezighoudt.
حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَنْ بَغَى عَلَيَّḤasbiyallāhu liman baghā ‘alayyaAllah is mij voldoende tegen degene die mij kwaad wil doen.
حَسْبِيَ اللَّهُ لِمَنْ حَسَدَنِيḤasbiyallāhu liman ḥasadaniAllah is mij voldoende tegen degene die mij benijdt.
حَسْبِيَ اللَّهُ كَادَنِي بِسُوءٍḤasbiyallāhu kādanī bi‑sū’inAllah is mij voldoende tegen degene die mij met kwaad belaadt.
حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمَوْتِḤasbiyallāhu ‘inda al‑mawtAllah is mij voldoende bij de dood.
حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمَسْأَلَةِ فِي الْقَبْرِḤasbiyallāhu ‘inda al‑mas’alati fī al‑qabrAllah is mij voldoende bij de ondervraging in het graf.
حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الْمِيزَانِḤasbiyallāhu ‘inda al‑mīzānAllah is mij voldoende bij de weegschaal.
حَسْبِيَ اللَّهُ عِنْدَ الصِّرَاطِḤasbiyallāhu ‘inda al‑ṣirātAllah is mij voldoende bij de brug (Sirāt).
حَسْبِيَ اللَّهُ الَّذِي لَا إِلٰهَ إِلَّا هُوَḤasbiyallāhu alladhī lā ilāha illā HuwaAllah is mij voldoende – Hij, er is geen god behalve Hij.
عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَهُوَ رَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ‘Alayhi tawakkaltu wa Huwa Rabb al‑‘Arsh al‑‘AẓīmOp Hem stel ik mijn vertrouwen, en Hij is de Heer van de Geweldige Troon.

Wanneer u gaat slapen leest u:

  • Āyat‑ul‑Kursī (zolang u slaapt zullen u en uw gezin onder bescherming staan van Almachtige Allāh. U wordt beschermd tegen diefstal en de slechte Jinnāt).
  • U zult lezen de drie Quls en dan op uw handpalmen blazen, daarna zult u uw hele lichaam met de zegen insmeren. Dit zal u ook beschermen tegen het gefluister van Shayṭān.
  • Deze Darood Sharīf leest u 100 keer na Asr namāz voor de vernietiging van uw vijand en het complot tegen:

يَا جَبَّارُ صَلِّ عَلَى سَيِّدِ الْقَاهِرِينَ قَاتِلِ الْمُشْرِكِينَ دَافِعِ الْحَاسِدِينَ وَآلِهِ وَصَحْبِهِ أَجْمَعِينَ. اللَّهُمَّ اقْهَرْ عَلَى أَعْدَائِنَا بِقَهْرِكَ الْعَظِيمِ يَا قَهَّارُ.

Yā Jabbāru salli ‘alā sayyidil Qāhirīna qātilil mushrikīna dāfi‘il ḥāsidīna wa ālihi wa ṣaḥbihi ajma‘īn. Allāhumma‑qhar ‘alā a‘dā’inā bi‑Qahrikal ‘Aẓīmī Yā Qahhāru.

Andere gebeurtenissen waarmee Iblīs (de duivel) de mensen probeerde te foppen was: “Hindoe afgodsbeelden die melk dronken.” Van Mumbai tot Londen en van Delhi tot Californië hebben ontelbare afgodsbeelden melk gedronken. Ganesh (Ganesh, de olifanten afgodsbeeld bleek de grootste drinker te zijn! In feite was het niet alleen melk wat Ganesh dronk, maar op dat moment zag een vrouw in India ook dat Ganesh van alles dronk – dus schonk zij bij het afgodsbeeld van Ganesh whisky! En ja hoor, Ganesh dronk zelfs de whisky op! Daarop werd die vrouw uit India verbannen. Ma’āzAllāh = moge Allāh ons vergeven) en zelfs Shiva lingam (penis), alles leek gulzig van de melk te drinken.

Deze gebeurtenis heeft veel invloed gehad op mensen, inclusief moslims, en velen gingen de Hindoe goden (Ma’āzAllāh) voeden.

Eenieder die iets afweet van de Jinnāt‑mogelijkheden zal ongetwijfeld weten dat bovenstaande gebeurde om de mensen te beïnvloeden en te betrekken in shirk (veelgodendom). En het lukte de duivel ook, want veel mensen begonnen deze levenloze beelden te aanbidden.

Ieder mens kan bij zichzelf afvragen of Allāh voedsel nodig heeft. Het antwoord is overduidelijk: er is géén god dan Allāh. Iets wat afhankelijk is (van eten, drinken, kleding, enzovoorts) is nietig. En Allāh Ta’ālā is volkomen onafhankelijk van wat en wie dan ook!

Vanwege hun mogelijkheden van vliegen en onzichtbaarheid zijn de Jinnāt belangrijkste componenten van geheime activiteiten. Voodoo, zwarte magie, klopgeest, hekserij en medium kunnen allemaal uitgelegd worden vanuit de invalshoek van de Jinnāt. Aangezien de Jinnāt in enkele seconden enorme afstanden kan overbruggen, is hun waarde voor magiërs (hindoes, atheïsten, vuuraanbidders, enzovoorts) van enorm belang. In ruil daarvoor (helpen van de magiër) vragen de Jinnāt duivels vaak aan de magiërs om hun zielen af te staan aan Iblīs, de duivel. Dus nemen de magiërs de Jinnāt duivels aan als hun idolen (Ma’āzAllāh) naast Allāh.

De laatste tijd hebben zich enkele gebeurtenissen voorgedaan. Deze gebeurtenissen van magiërs en illusionisten zijn zonder enige twijfel tot stand gekomen met de hulp van Jinnāt duivels. Een bekend geval is het laten verdwijnen van het Vrijheidsbeeld in New York en het beeld laten vliegen over de Grand Kanyon. Ook het tevoorschijn halen van een schip uit de Bermuda Driehoek is een gebeurtenis. Beide gevallen zijn door de joodse magiër David Copperfield gedaan. Er is geen mogelijkheid dat een ongelovige mens zulke dingen kan doen zonder de hulp van de duivel.

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “De voorgeschreven straf voor de magiër is, dat hij zal worden geëxecuteerd met het zwaard.” (Tirmīzī, Kitāb al‑Ḥudūd, Hadith nr. 1460).

Een van de meest voorkomende activiteiten die geassocieerd worden met de Jinnāt duivel zijn de voorspellers. Voor de komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ waren voorspellers en waarzeggerij wijdverspreid aanwezig. Deze mensen maakten gebruik van de hulp van de Jinn duivels om over de toekomst te kunnen weten. De Jinn duivels gingen dan naar de eerste hemel om te luisteren naar wat de engelen onderling bespraken over wat zij van Allāh Ta’ālā over de toekomst hadden gehoord. De Jinn duivels informeerden vervolgens de voorspellers over datgene wat zij hadden gehoord bij de engelen.

Echter, tot de komst van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ werden de hemelen intensief beschermd door de engelen en iedere Jinnāt duivel die probeerde af te luisteren werd met meteoren (zogenaamd vallende ster) aangevallen. Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“Maar indien iemand steelsgewijze luistert, vervolgt hem een heldere vlam.” (Qur’ān 15:18).

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Zij (de Jinnāt) zullen de informatie doorgeven naar beneden toe totdat het de lippen van de magiër of voorspeller heeft bereikt. Soms zal een meteoor hen raken voordat zij de informatie hebben kunnen overbrengen. Als de informatie is overgebracht voordat zij geraakt zijn (door de meteoor) hebben zij allang honderden leugens aan toegevoegd.” (Ṣaḥīḥ Bukhārī, Kitāb al‑Bad’ al‑Khalq, Hadith nr. 4701).

Theologische toelichting

Dus, is door het bovenstaande overduidelijk geworden hoe de voorspellers informatie krijgen over de toekomst. Het is ook evident hoe zij veel mensen op het verkeerde been zetten. Mensen als Michel de Nostradamus (een Franse voorspeller uit de 16de eeuw) zijn daar voorbeelden van. Sommige van zijn voorspellingen over de gebeurtenissen in de toekomst zijn goed uitgekomen, terwijl hij met andere voorspellingen volledig naast zat.

Jammer genoeg groeit het aantal moslims dat naar voorspellers gaat. Tijdens een doorreis in Marokko zag ik in de stad Marrakesh op het plein Jama‑al‑Fanāʾ hoe bij zonsondergang het krioelt van de voorspellers die onder een grote parasol allerlei mensen met hun voorspellingen foppen. Als u in Marokko naar de hemel kijkt op een heldere nacht, dan ziet u veel schietende sterren. Dit is een duidelijke verschijning van de duivels die door de engelen gestenigd worden in de hemelen.

Voorspellers werken ook samen met de Qarīn die iedere mens vanaf de geboorte bij zich heeft. De Qarīn is een vriend van de Jinnāt duivel. De Qarīn fluistert alles over u (wat u doet, wat u eet, wat u verlangt, enzovoorts) aan de Jinnāt duivel. De Qarīn probeert de moslims van het Rechte Pad weg te houden.

Ḥazrat Abdullah ibn Masʿūd (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Iedereen heeft een metgezel gekregen uit de Jinn (soort: Qarīn). De metgezellen van de Heilige Profeet ﷺ vroegen: ‘Zelfs u ook, O Profeet?’ De Heilige Profeet ﷺ antwoordde: ‘Zelfs ik heb een Jinn met mij, maar Allāh helpt mij tegen hem. Nu vertelt hij (de Qarīn) mij alleen goede dingen te doen’.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2814).

Daar de Qarīn bij u uw hele leven (van de wieg tot het graf) blijft, weet de Qarīn alles over u. Door contact te maken met de Qarīn weet de voorspeller dus alles over u. De voorspeller kijkt in een kristallenbol of leest uw handpalm en vertelt dingen die u verbazen, dingen die niemand anders weet dan uzelf. Laat u dus niet door mensen die met Jinn duivel werken beduvelen, maar ga in sajdah (posternatie = onderwerping) voor Allāh Ta’ālā en vraag Hem om hulp.

De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zegt over degene die naar voorspellers gaan:
“Het gebed van iemand die een voorspeller benadert en hem om hulp vraagt of wat dan ook, zal niet geaccepteerd worden gedurende 40 dagen en nachten.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2230). En verder: “Wie dan ook een voorspeller benadert en gelooft in wat hij zegt, heeft ongeloof bewezen in wat was geopenbaard aan Mohammed ﷺ.” (Musnad Aḥmad, Hadith nr. 9532).

Een van de grootste manipulaties van de Jinnāt duivel is visioen. Door deze visioenen worden veelal mensen beïnvloed en weggehouden van de aanbidding van Allāh Ta’ālā. Wanneer bij mensen visioenen voor ogen komen, is het moeilijk voor hen te onderkennen of het de Satan is of niet. Daarvoor hebt u Īmān, Amal en ‘Ilm (geloof, praktiseren van de islam en kennis van de islam) nodig.

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“Daarin zullen kuise meisjes zijn met zedige blik, door mens noch Jinn ooit aangeraakt.” (Qur’ān 55:56).

“O gezelschap van Jinn en mensen; kwamen er niet uit uw midden Boodschappers tot u die u Mijn tekenen verhaalden en die u voor de ontmoeting van deze Dag waarschuwden? Zij zullen zeggen: ‘Wij getuigen tegen onszelf’. Het wereldse leven bedroog hen; en zij zullen tegen zichzelf getuigen, dat zij ongelovigen waren. Dit komt, omdat uw Heer de steden niet onrechtvaardig wilde vernietigen, terwijl de mensen ervan onbewust waren.” (Qur’ān 6:130‑131).

“Voorwaar, Wij hebben menige Jinn en mens geschapen wier einde de hel zal zijn; zij hebben harten maar begrijpen er niet mee en zij hebben ogen maar zij zien er niet mee en zij hebben oren maar horen er niet mee; zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer (dan dit), zij zijn de achtelozen.” (Qur’ān 7:179).

Ḥazrat Abu Saʿīd al‑Khuḍrī verhaalde dat Ḥazrat Muhammad ibn Abu Yaḥyā zei, dat zijn vader vertelde dat hij en zijn vriend naar Ḥazrat Abu Saʿīd al‑Khuḍrī (raḍiyAllāhu ʿanhum) gingen om een bezoek te brengen. Hij zei: “Toen kwamen wij naar buiten en ontmoetten een vriend van ons die naar hem wilde gaan. Wij liepen verder en gingen in de moskee zitten. Hij kwam toen terug en vertelde ons dat hij Ḥazrat Abu Saʿīd al‑Khuḍrī (raḍiyAllāhu ʿanhu) hoorde zeggen: ‘De Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā zei: ‘Sommige slangen zijn Jinn, dus wanneer iemand een slang in het huis ziet zult u de slang drie keer een waarschuwing geven het huis te verlaten en als de slang terugkomt dient u het te doden.’” (Sunan Abu Dawood, Kitāb al‑Adāb, Hadith nr. 5246).

De Heilige Profeet ﷺ zei: “Maak uzelf niet schoon met compost of met botten, omdat dat voedsel is voor uw broeders onder de (moslim) Jinnāt.” (Tirmīzī, Kitāb al‑Ṭahārah, Hadith nr. 1461).

Ḥazrat Ali ibn Abu Ṭālib (raḍiyAllāhu ʿanhu) stond op het podium van de Kufa moskee en zei: “Wanneer Jumuʿah (vrijdaggebed) nadert, gaan de Jinnāt duivels met hun vlaggen naar de markten en laten zij de mensen zich verzakken in hun benodigdheden en houdt hen weg van Jumuʿah.” (Sunan Abu Dawood, Kitāb al‑Ṣalāt, Hadith nr. 1076).

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“En, Ik heb de Jinn en de mensen slechts tot Mijn aanbidding geschapen.” (Qur’ān 51:56). Dus, zij die Allāh aanbidden zijn moslims.

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān:

“En voorzeker, waren er enige mensen die toevlucht bij sommige Jinn zochten, waardoor zij hun zonden vermeerderden. En zij meenden inderdaad, zoals gij meende, dat Allāh nooit een Boodschapper zou zenden.” (Qur’ān 72:6‑7).

Allāh Ta’ālā openbaart ook in de Heilige Qur’ān:

“Wanneer de zaak is beslist zal Shayṭān (duivel) zeggen: ‘Allāh deed u een ware belofte, ik echter beloofde u en faalde, maar ik had geen macht over u dan dat ik u riep en gij mij gehoorzaamde; verwijt mij daarom niet, maar beschuldigt uzelf; ik kan u niet bijstaan noch kunt gij mij bijstaan; ik verwerp dat gij mij voordien met Allāh hebt vereenzelvigd; er zal voor de onrechtvaardigen gewis een smartelijke straf zijn.” (Qur’ān 14:22).

Het bestaan en de invloed van Jinnāt zijn een spirituele realiteit die door de Qur’ān en Ahadīth wordt bevestigd. Hun rol is tweezijdig: sommigen aanbidden Allāh en leven als moslims, anderen misleiden en brengen mensen tot shirk en zonde. De mens wordt gewaarschuwd zich niet te wenden tot voorspellers, magiërs of afgodsbeelden, omdat dit direct samenhangt met de misleiding van Shayṭān en zijn volgelingen. Uiteindelijk is de doelstelling van zowel mens als Jinn hetzelfde: aanbidding van Allāh Ta’ālā (Qur’ān 51:56). Wie zich vasthoudt aan Īmān (geloof), Amal (praktijk) en ‘Ilm (kennis), en zich beschermt door Qur’ān en duʿāʾ, zal veilig zijn tegen de listen van Iblīs en zijn volgelingen.

  • Blijf verankerd in Qur’ān en Sunnah: reciteer regelmatig Āyat al‑Kursī, Surah al‑Baqarah en de vier Quls als bescherming tegen misleiding van Jinnāt en Shayāṭīn.
  • Vermijd voorspellers, magiërs en waarzeggerij: deze praktijken zijn direct verbonden met de duivel en leiden tot shirk en ongeloof.
  • Onderhoud uw dagelijkse ‘ʿibādah: verricht de verplichte gebeden, vast in Ramaḍān, geef zakāt en verricht vrijwillige daden zoals zikr en het sturen van salawāt (Darood Sharīf). Dit versterkt uw spirituele schild.
  • Wees bewust van misleiding: verschijnselen zoals afgodsbeelden die “melk drinken”, illusies van magiërs of visioenen zijn beproevingen. Zie ze in het licht van islamitische kennis en laat u er niet door afleiden.
  • Onderwijs en bewustwording: gebruik deze kennis in onderwijs en lezingen om moslims te waarschuwen voor de subtiele en openlijke invloeden van Jinnāt en Shayāṭīn.

De beste bescherming tegen de listen van Iblīs en zijn volgelingen ligt niet in angst of speculatie, maar in trouwe aanbidding, kennis van de islam en het vasthouden aan de Qur’ān en Sunnah.

Qur’ān‑verzen

  • Qur’ān 2:255 (Āyat al‑Kursī).
  • Qur’ān 2: Surah al‑Baqarah.
  • Qur’ān 6:100.
  • Qur’ān 6:130‑131.
  • Qur’ān 7:179.
  • Qur’ān 14:22.
  • Qur’ān 15:18.
  • Qur’ān 15:26‑27.
  • Qur’ān 15:27.
  • Qur’ān 18:50.
  • Qur’ān 26:192‑194.
  • Qur’ān 27:40.
  • Qur’ān 51:56.
  • Qur’ān 55:15.
  • Qur’ān 55:56.
  • Qur’ān 72:1.
  • Qur’ān 72:1‑2.
  • Qur’ān 72:6‑7.
  • Qur’ān 109, 112, 113, 114 (de vier Quls).

Ahadīth

  • Ṣaḥīḥ Bukhārī, Kitāb al‑Bad’ al‑Khalq, Hadith nr. 4701.
  • Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Zuhd, Hadith nr. 2996.
  • Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2230.
  • Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2236.
  • Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Salām, Hadith nr. 2814.
  • Sunan Abu Dawood, Kitāb al‑Adāb, Hadith nr. 5246.
  • Sunan Abu Dawood, Kitāb al‑Ṣalāt, Hadith nr. 1076.
  • Tirmīzī, Sunan al‑Tirmīzī, Kitāb al‑Faḍāʾil, Hadith nr. 2877.
  • Tirmīzī, Sunan al‑Tirmīzī, Kitāb al‑Ḥudūd, Hadith nr. 1460.
  • Tirmīzī, Sunan al‑Tirmīzī, Kitāb al‑Ṭahārah, Hadith nr. 1461.
  • Musnad Aḥmad ibn Hanbal, Hadith nr. 9532.

Klassieke bronnen en tafsīr

  • Baihāqi, Sa’b ul‑Īmān.
  • Ibn Abi Ḥākim, Riwayāt.
  • Ḥāshiyah alā al‑Jalālayn.
  • Imam Suyūṭī, Jinnāt wa Shayāīn.
  • Tafsīr Naʿīmī, Deel 1, p. 279.
  • Tafsīr Ibn Kathīr, Vol. 3, p. 357 (verwijzing naar Bilqīs en de troon).
  • Shah Aḥmad Noorani Siddiqui al‑Qādrī, toespraken (mondelinge overlevering).
  • Imam Aḥmad Raza Khan Qādrī Bareilwī, Wazifa boek.

Lees ook: Koning van de Jinnaat >>>


Translate »
error: Content is protected !!