Voorwoord
Voor u ligt de uitgewerkte tekst van de toespraak “Inleiding over de Ḥajj: het geestelijke en sociale karakter” van Prof. dr. Fazlur Raḥmān Anṣārī (ʿAlayhi al‑Raḥmah). De oorspronkelijke voordracht, die mondeling werd overgeleverd, heb ik zorgvuldig omgezet in geschreven vorm om haar toegankelijker te maken voor studie, onderwijs en verdere verspreiding binnen de gemeenschap.
Bij het transcriberen heb ik niet alleen gestreefd naar een getrouwe weergave van de inhoud en stijl van de professor, maar tevens naar een academisch verantwoorde presentatie. Daarom zijn de relevante primaire en secundaire bronnen opgezocht, gecontroleerd en waar nodig toegevoegd ter onderbouwing van de door hem aangehaalde concepten. Deze bronnen dienen zowel als verificatie van de oorspronkelijke argumentatie als verdieping voor de lezer die de thematiek van de Ḥajj in haar geestelijke en sociale dimensies verder wil bestuderen. Moge Allah de ziel van Prof. dr. Fazlur Raḥmān Anṣārī (ʿAlayhi al‑Raḥmah) verhogen en ons laten profiteren van zijn kennis. Amien. Vervolgens heb ik dit artikel uitgebreid met ḥajj regelgeving.
Inleiding
Prof. dr. Fazlur Raḥmān Anṣārī (ʿAlayhi al‑Raḥmah)
De Ḥajj is voornamelijk een devotionele instelling en vormt als zodanig het hoogtepunt van een moslimdemonstratie van toewijding aan Allāh Ta’ālā in een ceremoniële naleving. Ṣaḥīḥ Muslim, 1350; Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, 1521 — Ḥajj als zuivering en toewijding. Slogans, symbolen en plechtigheden hebben altijd deel uitgemaakt van mensenlevens op het religieuze, evenals het niet‑religieuze vlak, ongeacht wat de ongodsdienstige misschien tegenwoordig denkt. Al‑Ghazālī, Iḥyāʾ ‘Uloom-ud-Dīn, Boek over Ḥajj — betekenis van rituelen. Ze zijn echter nooit degenen die eindigen in zichzelf. Bovendien hangt hun waarde en werkzaamheid altijd af van de ideeën en concepten. Zij kunnen de projectie zijn van zinloze grillen en luimen van het mythische, of zij kunnen de vertegenwoordigers zijn van ware grote en nobele idealen. Al‑Qurṭubī, Tafsīr, bij 2:196–203 — onderscheid tussen ware en valse rituelen.
Ondertussen zijn symbolen, ceremonies en slogans te vinden in de islam als vanzelfsprekend, doch zij zijn strikt rationeel en subliem in contrast met de irrationele en zelfs vernederende ceremonies van andere religies. Ibn Kathīr, Tafsīr, bij 22:32 — rituelen van de islam zijn verheven en betekenisvol. Als een spirituele ceremoniële observatie dient de Ḥajj in dit licht te worden opgevat. Al‑Ghazālī, Iḥyāʾ’, Boek over Ḥajj — spirituele dimensie van Ḥajj. Elk van de ceremonies uitgevoerd door de pelgrim tijdens de Ḥajj is rijk aan bijbetekenis en draagt binnen haar boezem de verwezenlijking van een welomschreven spirituele “wensdroom”. Ibn Kathīr, Tafsīr bij 2:125–128 — symboliek van rituelen. Dus, wanneer de pelgrim rond de Ka’aba gaat in het voorgeschreven aantal tawāf, met onbedekt hoofd, gekleed in een naadloos gewaad, en als een verliefde minnaar geabsorbeerd is in de contemplatie van zijn Geliefde en Schepper, toont hij zijn opmars van het collectieve niveau van het menselijk leven tot een hogere status van spirituele glorie waarin hij zich bevestigt ten opzichte van Allāh Ta’ālā. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī 3207; Ṣaḥīḥ Muslim 164 — engelen die de Troon omcirkelen (parallel met tawāf).
De Heilige Profeet Muhammad ﷺ heeft gewezen op het enorme belang van de Ḥajj in de taak van spirituele hervorming en transformatie. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī 1773; Ṣaḥīḥ Muslim 1349 — “Ḥajj mabrūr heeft geen andere beloning dan het Paradijs.” Weet dat alleen degenen die de Ḥajj uitvoeren met wijsheid, met eer en geweten en met inzicht in de vereiste begeleidende geestelijke inspanning, de geestelijke voordelen in volle maat bereiken. Ṣaḥīḥ Muslim 1350 — Ḥajj zonder zonde keert terug als op de dag van geboorte.) De Ḥajj is een mijlpaal in het islamitische geestelijke leven en moet als zodanig worden behandeld. Al‑Nawawī, Riyāḍ al‑Ṣāliḥīn, hoofdstuk over Ḥajj.)
De islam is niet een “persoonlijke religie” zoals sommige zielenheil geloven. Het is de religie van samenleving. Zijn functie is hervorming, omvorming en de opbouw van niet alleen de enkeling, maar het hele sociale geheel. Al‑Ghazālī, Iḥyāʾ’, Boek over de maatschappelijke dimensie van religie; Al‑Siyāsah al‑Sharʿiyyah. In feite is islam de religie van de samenleving in een mate dat zelfs haar zuiver godsdienstige instellingen duidelijke sociale gevolgen en functies hebben. Ibn Kathīr, Tafsīr bij 3:110 — “jullie zijn de beste gemeenschap…” Neem als voorbeeld het geval van namāz, dat misschien de meest “persoonlijke” en “privé” aangelegenheid is van alle religieuze instellingen. In de islam heeft het gebed de maatschappelijke functie daarvan zo nadrukkelijk als de spirituele of devotionele. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, 606; Ṣaḥīḥ Muslim, 1509 — de waarde van congregatiegebed. De moskee is de enige plek ter wereld waar het ideaal van broederschap echt en praktisch gerealiseerd wordt, waar alle onderscheid van kaste, ras, rang en kleur zijn uitgewist. Ṣaḥīḥ Muslim, 2564 — verbod op raciale superioriteit; Khuṭbah al‑Wada‘. En in die zin van repetitie en bevestiging van menselijke broederschap moet een moslim vijf keer per dag verplicht naleven. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, 657 — verplichting van congregatiegebed.
Islam bestrijdt niet voor de praktische inrichting door menselijke broederschap te beperken. Van de dagelijkse plaatselijke gemeenten aan de meer uitgebreide vrijdagcongregatie, en van de stad‑congregatie tot de wereld‑congregatie in Mekka ter gelegenheid van de Ḥajj, vergroot het geleidelijk de reikwijdte en de functie van die repetitie en bevestiging. Ṣaḥīḥ Muslim, 852 — vrijdaggebed; Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, 1521 — Ḥajj als wereldwijde bijeenkomst. Totdat het voor de moslimgemeenschap behaalt wat onmogelijk was om te bereiken voor andere samenlevingen, namelijk perfecte menselijke gelijkheid en broederschap. Khuṭbah al‑Wada‘ — “geen Arabier is beter dan een niet‑Arabier… behalve in taqwā”.
“The ideal of a League of Human Races”, zegt de islam’s vijandige criticus professor Snouck Hurgronje: “has indeed been approached by Islam more nearly than any other religion; for the League of Nations founded on the basis of Muhammad’s religion takes the principle of the equality of all human races so seriously as to put other communities to shame.” Snouck Hurgronje, C. (1916). Mohammedanism. New York: G.P. Putnam’s Sons.)
Ḥajj‑regelgeving volgens al‑Mukhtaṣar al‑Qudūrī (Ḥanafī‑fiqh)
Omdat klassieke islamitische werken verschillende edities hebben, gebruik ik de standaard en wereldwijd meest gebruikte edities (Dar al‑Kutub al‑‘ʿIlmiyyah, Dar al‑Fikr, Dar Iḥyāʾ’ al‑Turāth, enz.). Dit is de correcte academische manier om klassieke bronnen te citeren.
Verplichtingen van de islam
Na het betreden van het islamitische raamwerk door de geloofsovertuiging (Imān) én door het aanvaarden met zowel het hart als het mondeling verklaren (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Īmān, Deel 1, p. 36) zijn vier fundamentele vormen van aanbidding (Ibādah) verplicht voor elke moslim. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Īmān, Deel 1, p. 49 — “Buniyal‑Islām ‘alā khams”
- De Ṣalāt = dagelijkse vijf gebeden (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Ṣalāt, Deel 1, p. 102, Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Ṣalāt, Deel 1, p. 252)
- Saum = vasten (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Ṣawm, Deel 2, p. 226, Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Ṣiyām, Deel 2, p. 556)
- Zakāt = armenbelasting (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Zakāt, Deel 2, p. 131, Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Zakāt, Deel 2, p. 690)
- Ḥajj = bedevaart naar Mekka. (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Ḥajj, Deel 2, p. 318, Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Ḥajj, Deel 2, p. 835) en bezoek aan de Profeet ﷺ in Medina. (Al‑Nawawī, Al‑Majmū‘, Deel 8, p. 274 — aanbeveling van ziyārah, Ibn Kathīr, Tafsīr, Deel 2, p. 348 — uitleg bij 4:64, Al‑Subkī, Shifā’ al‑Siqām, p. 12–15 — verplichting van liefde en aanbeveling van bezoek, Qādī ‘ʿIyāḍ, al‑Shifā’, Deel 2, p. 67 — de rechten van de Profeet ﷺ)
Shurūṭ al‑Wujūb (voorwaarden verplichtend voor de Ḥajj)
- Moslim zijn (soenniet of anderszins binnen de islamitische geloofsgrenzen), Ḥajj is alleen verplicht voor een moslim. Al‑Qudūrī, al‑Mukhtaṣar, Kitāb al‑Ḥajj, Radd al‑Muḥtār, 2/456
- Volwassen zijn (bāligh). Ḥajj is niet verplicht voor een kind. al‑Hidāyah, 1/144, al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj
- Gezond verstand (ʿaql). Ḥajj is niet verplicht voor iemand die geestelijk niet toerekeningsvatbaar is. Al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj, Radd al‑Muḥtār, 2/457
- Vrijheid (geen slaaf of gevangene). Een slaaf of gevangene heeft geen mogelijkheid om te reizen, dus geen verplichting. Al‑Hidāyah, 1/145, al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj
- Gezondheid en fysieke mogelijkheid. Ḥajj is niet verplicht voor een blinde zonder begeleider, iemand die niet kan zitten op een rijdier, iemand die te zwak is om te reizen en iemand met een permanente handicap die reizen onmogelijk maakt. Al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj, Ibn ʿĀbidīn, Radd al‑Muḥtār, 2/458
- Vermogen (māl) en onderhoud voor gezin. Ḥajj is verplicht wanneer men de reis kan bekostigen, de terugreis kan bekostigen, voldoende onderhoud achterlaat voor het gezin, schulden kan aflossen zonder in armoede te vallen. Al‑Hidāyah, 1/146, al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj, Iḥyāʾ, Asrār al‑Ḥajj
- Veiligheid van de route. Ḥajj is niet verplicht als de route gevaarlijk is door oorlog, bandieten of politieke blokkades. al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj, Radd al‑Muḥtār, 2/459
Voor inwoners van Dār al‑Ḥarb. Ḥajj wordt verplicht als de persoon veilig kan reizen, de autoriteiten van dat land het toestaan, de route naar Mekka open is. al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj (hoofdstuk: Ḥajj van inwoners van Dār al‑Ḥarb, al‑Hidāyah, 1/147
Verplichting van de Ḥajj (Shurūṭ al‑Wujūb) volgens Qudūrī & Iḥyāʾ
Tijdstip van de Ḥajj. De maanden van de Ḥajj zijn Shawwāl, Dhū al‑Qaʿdah en de eerste tien dagen van Dhū al‑Ḥijjah. al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj; al‑Hidāyah 1/144. Voor Shawwāl en na de 10e Dhū al‑Ḥijjah kan men geen ihrām voor Ḥajj aannemen. Radd al‑Muḥtār 2/460
Hadith over het nalaten van de Ḥajj: “Wie de Ḥajj kan verrichten maar het nalaat, laat hem sterven als jood of christen.” Deze uitspraak wordt door al‑Ghazālī genoemd in Iḥyāʾ ʿUloom ud‑Dīn, Boek van de Ḥajj. Iḥyāʾ, Kitāb Asrār al‑Ḥajj, Deel 1, p. 270–271.
Let op: De uitspraak wordt door sommige muḥaddithīn als zwak geclassificeerd, maar de betekenis (dat het nalaten van Ḥajj ernstig is) wordt bevestigd door de fiqh‑geleerden.
Voortreffelijkheden van de Ḥajj (Faḍāʾil al‑Ḥajj)
“Kondig de Ḥajj aan onder de mensen… en verkondig de Ḥajj aan de mensen; zij zullen tot jou komen te voet en op elke magere kameel, vanuit elke verre vallei.” Qurʾān 22:27, Tafsīr Ibn Kathīr, Deel 5, p. 415, Tafsīr al‑Qurṭubī, Deel 12, p. 56
Qatādah zei dat Allāh Ta’ālā Ḥazrat Ibrāhīm (‘ʿalayhis salām) beval om de Ḥajj te verkondigen, waarna hij riep: “O mensen, Allāh heeft een Huis gemaakt, verricht de bedevaart.” Tafsīr Ibn Kathīr, Deel 5, p. 416, Tafsīr al‑Ṭabarī, Deel 18, p. 589
“Dat zij voordelen kunnen verkrijgen… Opdat zij getuige zijn van de voordelen die voor hen zijn.” Qurʾān 22:28. De voordelen omvatten handel (wereldse baten) en vergeving en beloning (hiernamaals). Een wijze zei: “Bij de Heer van de Kaʿbah, Hij heeft hen vergeven.” Tafsīr al‑Qurṭubī, Deel 12, p. 60, Tafsīr Ibn Kathīr, Deel 5, p. 417
Shayṭān op het rechte pad. “Ik zal voor hen zitten op Uw rechte pad.” Qurʾān 7:16. Sommige mufassirīn leggen uit dat Shayṭān de mensen probeert te weerhouden van de Ḥajj door hen angst, twijfel of moeilijkheden in te fluisteren. Tafsīr al‑Qurṭubī, Deel 7, p. 223, Tafsīr Ibn Kathīr, Deel 3, p. 412
Hadith: “Vrij van zonden zoals op de dag van geboorte.” De Profeet ﷺ zei: “Wie de Ḥajj verricht zonder onzedelijke daad en zonder ruzie, keert terug zoals op de dag dat zijn moeder hem baarde.” Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Kitāb al‑Ḥajj, Hadith 1521 (Deel 2, p. 318), Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al‑Ḥajj, Hadith 1350 (Deel 2, p. 835)
Farḍ‑handelingen (Arkān) van de Ḥajj volgens de Ḥanafī‑fiqh
- Aannemen van Ihrām vóór elk ander ritueel. Dit is de eerste farḍ van de Ḥajj. Zonder ihrām is geen enkele handeling van de Ḥajj geldig. Al‑Qudūrī, al‑Mukhtaṣar, Kitāb al‑Ḥajj, Deel 1, p. 112, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 144, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 456
- Wuqūf (verblijf) in ʿArafāt. Minimaal één moment tussen zawāl (middag) op 9 Dhū al‑Ḥijjah tot fajr op 10 Dhū al‑Ḥijjah. Dit is de essentiële pilaar van de Ḥajj. Al‑Qudūrī, Deel 1, p. 113, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 145, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 457, Iḥyāʾ, Asrār al‑Ḥajj, Deel 1, p. 270
- Tawāf al‑Ifāḍa (Tawāf al‑Ziyārah). Uit te voeren na het verblijf in ʿArafāt, met de juiste intentie. Dit is de derde farḍ van de Ḥajj. Al‑Qudūrī, Deel 1, p. 113, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 146, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 458
- Volgorde tussen de farḍ‑handelingen. De volgorde is verplicht (1) Ihrām, (2) Wuqūf in ʿArafāt en (3) tawāf al‑Ifāḍa. al‑Hidāyah, Deel 1, p. 147, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 459
- Geen geslachtsgemeenschap vóór het wuqūf in ʿArafāt. Indien dit gebeurt vóór wuqūf, wordt de Ḥajj ongeldig en moet de Ḥajj worden afgemaakt, én het volgende jaar opnieuw worden verricht, én een badanah (kameel) worden geofferd. al‑Qudūrī, Deel 1, p. 114, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 148, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 460
Wājib‑handelingen in de Ḥajj (Ḥanafī‑fiqh)
- Verblijven in Muzdalifah (al‑mabīt bi‑Muzdalifah). Minstens een moment na Fajr op 10 Dhū al‑Ḥijjah. al‑Qudūrī, Deel 1, p. 115; al‑Hidāyah, Deel 1, p. 150; Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 462)
- Saʿy tussen Ṣafāʾ en Marwah. Na een geldige tawāf. al‑Qudūrī, p. 116; al‑Hidāyah, p. 151; Radd al‑Muḥtār, p. 463
- Stenen gooien bij de Jamarāt (ramy al‑jamarāt) op de 10e dag: alleen Jamrah al‑ʿAqaba, de 11e en 12e dag op alle drie. al‑Qudūrī, p. 117; al‑Hidāyah, p. 152
- Tawāf al‑Wadāʿ (afscheidstawaaf). Voor niet‑inwoners van Mekka. al‑Qudūrī, p. 118; Radd al‑Muḥtār, p. 465
- Halq of taqṣīr (scheren of knippen). Binnen de Ḥaram en binnen de ayyām al‑naḥr (10–12 Dhū al‑Ḥijjah). al‑Hidāyah, p. 153; Radd al‑Muḥtār, p. 466
- Ihrām niet overschrijden voorbij de mīqāt. Wie de mīqāt passeert zonder ihrām moet een dam betalen. al‑Qudūrī, p. 114; al‑Hidāyah, p. 149
- Geen overtredingen van de ihrām‑verboden zoals: (1) seksuele gemeenschap vóór taḥallul, (2) dragen van genaaide kleding (voor mannen), (3) bedekken van hoofd of gezicht (voor mannen). al‑Hidāyah, p. 148–149; Radd al‑Muḥtār, p. 460–461
- Verlenging van wuqūf in ʿArafāt tot na zonsondergang. Voor wie vóór zonsondergang arriveert. al‑Hidāyah, p. 147; Radd al‑Muḥtār, p. 459
- Maghrib en ʿIshāʾ uitstellen tot Muzdalifah. Beide gebeden worden gecombineerd in Muzdalifah. al‑Qudūrī, p. 115; al‑Hidāyah, p. 150
- Tawāf al‑Ifāḍa niet uitstellen voorbij de ayyām al‑naḥr. 10–12 Dhū al‑Ḥijjah. Radd al‑Muḥtār, p. 467
- Beginnen van tawāf bij de Zwarte Steen (al‑Ḥajar al‑Aswad). al‑Hidāyah, p. 146
- Tawāf tegen de klok in (tegen de zon). al‑Qudūrī, p. 113
- Tawāf buiten de Ḥātim (niet erdoorheen). De Ḥātim is onderdeel van de Kaʿbah. al‑Hidāyah, p. 146
- Lopen tijdens tawāf (voor wie geen excuus heeft). Radd al‑Muḥtār, p. 468
- Ṭahārah (wudūʾ) tijdens tawāf. Tawāf zonder wudūʾ vereist dam. al‑Qudūrī, p. 113; al‑Hidāyah, p. 146
- Bedekking van de ʿawrah tijdens tawāf. Radd al‑Muḥtār, p. 468
- Twee rakʿāt na de tawāf. Bij voorkeur achter Maqām Ibrāhīm. al‑Qudūrī, p. 113; al‑Hidāyah, p. 146
- Saʿy beginnen vanaf Ṣafāʾ. al‑Hidāyah, p. 151
- Lopen tijdens Saʿy (voor wie geen excuus heeft). Radd al‑Muḥtār, p. 469
- Saʿy uitvoeren na een geldige tawāf. al‑Qudūrī, p. 116
- Slachten (naḥr) voor tamattuʿ en qirān. Een schaap of equivalent. al‑Hidāyah, p. 153; Radd al‑Muḥtār, p. 470
- Volgorde tussen: ramy → slachten → halq/taqṣīr. al‑Hidāyah, p. 152–153
Handelingen vóór het aantrekken van ihrām (Sunnah‑handelingen)
- Ghusl verrichten (of wudūʾ als ghusl niet mogelijk is). Ghusl is sunnah muʾakkadah vóór het betreden van de ihrām. al‑Qudūrī, Deel 1, p. 111, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 143, Iḥyāʾ, Deel 1, p. 268
- Twee ongezoomde doeken dragen (izār en ridāʾ). Nieuwe of gewassen doeken zijn aanbevolen. al‑Qudūrī, p. 111, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 455
- Attar (parfum zonder alcohol daarin) gebruiken vóór het aannemen van ihrām. Dit is sunnah, zolang het vóór de niyyah wordt aangebracht. al‑Hidāyah, p. 143, Radd al‑Muḥtār, p. 456, Iḥyāʾ, p. 269
- Twee rakʿāt bidden vóór het aannemen van ihrām. Bij voorkeur met de intentie van ṣalāt al‑ihrām. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143
- De duʿāʾ bij het betreden van ihrām. De duʿāʾ die jij noemt is correct in betekenis: Allāhumma innī urīdu al‑ḥajja fa‑yassirhu lī wa‑taqabbalhu minnī. (“O Allāh, ik wil de Ḥajj verrichten, maak het mij gemakkelijk en accepteer het van mij.”) Iḥyāʾ, Deel 1, p. 269, Radd al‑Muḥtār, p. 456
- Het uitspreken van de Talbiyah. Na de ṣalāh en niyyah van ihrām: Labbayk Allāhumma labbayk, Labbayk lā sharīka laka labbayk. Inna al‑ḥamda wa‑n‑niʿmata laka wa‑l‑Mulk, lā sharīka lak. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Deel 2, p. 314, Ṣaḥīḥ Muslim, Deel 2, p. 830, al‑Qudūrī, p. 111, Iḥyāʾ, p. 269
Verboden daden tijdens de ihrām‑periode (Ḥanafī‑fiqh)
(NB: Zodra men de Talbiyah heeft uitgesproken, is de ihrām actief.)
- Rafath (seksuele omgang en seksuele taal). Dit omvat geslachtsgemeenschap, seksuele aanraking, seksuele opmerkingen of toespelingen. al‑Qudūrī, Deel 1, p. 114, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 148, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 460
- Fusūq (zonden) en jidāl (ruzie, discussie). Dit is expliciet verboden in de Qurʾān: “Geen rafath, geen fusūq en geen jidāl tijdens de Ḥajj.” Qurʾān 2:197, Tafsīr Ibn Kathīr, Deel 1, p. 532, al‑Hidāyah, p. 148
- Niet doden van dieren (jachtverbod). Men mag geen landdieren doden, jacht verrichten, anderen opdracht geven om te jagen. Qurʾān 5:95, al‑Qudūrī, p. 114, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Verboden kleding voor mannen. Een man in ihrām mag niet dragen: een shirt, broek, tulband, pet, jurk, khuffs (leren sokken), tenzij hij geen sandalen vindt → dan moeten ze onder de enkel worden afgesneden. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Deel 2, p. 312, al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143
- Geen bedekking van hoofd of gezicht (voor mannen). Het hoofd bedekken is verboden en het gezicht bedekken is ook verboden volgens de Hanafī’s. al‑Hidāyah, p. 148, Radd al‑Muḥtār, p. 460
- Geen Attar (parfum) gebruiken. Dit omvat parfum op lichaam, parfum op kleding, geparfumeerde olie, geparfumeerde zeep. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143, Iḥyāʾ, p. 269
- Geen haar of nagels verwijderen. Verboden zijn hoofdhaar scheren, lichaamshaar verwijderen, baard knippen, nagels knippen. Qurʾān 2:196, al‑Qudūrī, p. 114, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Geen haar wassen met heemst (khitmi). Heemst heeft een geur en verzachtende werking, daarom verboden. al‑Hidāyah, p. 149, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Geen genaaide kleding dragen (voor mannen). Dit betekent kleding die op maat is genaaid voor het lichaam. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143
- Geen kleding geverfd met saffraan of saffloerolie, tenzij de geur volledig verdwenen is, de stof gewassen is. Ṣaḥīḥ Muslim, Deel 2, p. 829, Radd al‑Muḥtār, p. 462
Toegestane daden tijdens de ihrām‑periode (Ḥanafī‑fiqh)
(Dit zijn handelingen die niet verboden zijn tijdens ihrām.)
- Ghusl verrichten. Het is toegestaan én aanbevolen om ghusl te doen tijdens ihrām. al‑Qudūrī, Deel 1, p. 111, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 143, Iḥyāʾ, Deel 1, p. 269
- Een badhuis betreden. Het betreden van een badhuis of hammām is toegestaan, zolang men geen parfum gebruikt, geen haar verwijdert, geen verboden kleding aantrekt. Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 462, al‑Hidāyah, p. 149
- In de schaduw zitten. Toegestaan is in de schaduw van een huis, schaduw van een tent, schaduw van een luifel, schaduw van een paraplu. al‑Qudūrī, p. 111, Radd al‑Muḥtār, p. 462. Let op: het hoofd bedekken is verboden voor mannen. Schaduw is geen bedekking.
- Een ḥimyān (geldriem) dragen. Het dragen van een gordel, riem of geldtas is toegestaan, zelfs als deze genaaid is. Dit geldt ook voor tassen, riemen, buidels, heuptassen. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143, Radd al‑Muḥtār, p. 455
Bekogelen van Jamrat al‑ʿAqaba (ramy al‑jamarāt) – Ḥanafī‑fiqh
(Dit betreft de eerste steniging op 10 Dhū al‑Ḥijjah (Yawm al‑Naḥr)).
- Stenen gooien bij Jamrat al‑ʿAqaba. Volgens de Ḥanafī‑geleerden moet men (1) Vanaf de binnenkant van het dal gooien. Dit is de sunnah‑positie. al‑Hidāyah, Deel 1, p. 152, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 463. (2) Met zeven steentjes. De grootte is ongeveer zoals de steentjes van een katapult (ḥaṣā al‑khadhf). al‑Qudūrī, Deel 1, p. 117, al‑Hidāyah, p. 152. (3) Takbīr zeggen bij elke worp. Allāhu akbar bij elke steen. al‑Hidāyah, p. 152, Iḥyāʾ, Deel 1, p. 273. (4) Meteen vertrekken na het gooien. Men blijft niet staan om te bidden of duʿāʾ te doen. Radd al‑Muḥtār, p. 463
- Stoppen met de Talbiyah bij de eerste worp. Zodra de eerste steen wordt gegooid, stopt men met de Talbiyah. al‑Qudūrī, p. 117, al‑Hidāyah, p. 152
- Slachten (naḥr) voor de pelgrim die tamattuʿ of qirān doet. Ifrād → géén verplicht offer, Tamattuʿ en Qirān → verplicht offer (dam al‑shukr). al‑Qudūrī, p. 118, al‑Hidāyah, p. 153, Radd al‑Muḥtār, p. 470
- Halq of taqṣīr (scheren of knippen) Scheren (halq) is superieur. Knippen (taqṣīr) is toegestaan. Dit moet binnen de Ḥaram gebeuren. al‑Hidāyah, p. 153, Radd al‑Muḥtār, p. 466
- Na halq/taqṣīr: alles is toegestaan behalve vrouwen. Dit heet taḥallul al‑awwal (eerste ontbinding van ihrām). Verboden blijven seksuele omgang, huwelijkscontract, seksuele toenadering. al‑Qudūrī, p. 118, Radd al‑Muḥtār, p. 466
Ḥajj al‑Ifrād – correcte Ḥanafī‑uitleg
Wat is Ifrād? Alleen Ḥajj, zonder ʿUmrah. Men gaat in ihrām alleen voor Ḥajj. Geen offer verplicht. al‑Qudūrī, p. 112, al‑Hidāyah, p. 144
- Wie mag Ifrād doen? (1) Inwoners van de Ḥaram (Mekka). Zij doen altijd Ifrād. al‑Hidāyah, p. 144.
- Inwoners binnen de mīqāt. Zoals inwoners van Jeddah. Radd al‑Muḥtār, p. 457.
- Inwoners buiten de mīqāt (Afaqīs). Zij mogen Ifrād doen, maar Tamattuʿ is aanbevolen, Qirān is toegestaan, Ifrād blijft geldig en toegestaan. al‑Qudūrī, p. 112
Bijzondere voorschriften voor vrouwen tijdens de Ḥajj (Ḥanafī‑fiqh)
De vrouw is in alle farḍ‑, wājib‑ en sunnah‑handelingen gelijk aan de man, behalve in de volgende uitzonderingen die specifiek voor haar gelden.
- Zij bedekt haar hoofd. Voor vrouwen is het verplicht om het hoofd te bedekken, ook in ihrām. al‑Hidāyah, Deel 1, p. 148, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 461
- Zij onthult haar gezicht. Het gezicht mag niet bedekt worden met een niqāb of sluier die het gezicht raakt. Wel toegestaan een losse doek voor het gezicht, zonder aanraking (zogenaamde sadal). al‑Qudūrī, Deel 1, p. 111, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Zij verheft haar stem niet in de Talbiyah. De Talbiyah wordt zacht uitgesproken. al‑Hidāyah, p. 143, Iḥyāʾ, Deel 1, p. 269
- Geen raml (snel lopen) in tawāf. Raml is een mannelijke sunnah en geldt niet voor vrouwen. al‑Hidāyah, p. 146, Radd al‑Muḥtār, p. 468
- Zij loopt niet tussen de twee groene palen (in Saʿy). Het snelle stuk tussen de twee palen is alleen voor mannen. al‑Qudūrī, p. 116, al‑Hidāyah, p. 151
- Zij scheert haar hoofd niet, maar knipt een stukje van de haarpunten. Mannen: halq (scheren) of taqṣīr (knippen) en vrouwen: alleen knippen, ongeveer een vingertopje (½–1 cm). al‑Hidāyah, p. 153, Radd al‑Muḥtār, p. 466
- Menstruatie bij het betreden van ihrām. Als een vrouw menstrueert vóór het aannemen van ihrām dan verricht zij ghusl, zij gaat in ihrām, zij doet alles wat een pelgrim doet behalve tawāf totdat zij rein is. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 143, Iḥyāʾ, p. 269
- Menstruatie na wuqūf en Tawāf al‑Ifāḍa. Als zij menstrueert na wuqūf in ʿArafāt en/of Tawāf al‑Ifāḍa, dan mag zij Mekka verlaten zonder Tawāf al‑Wadāʿ (afscheidstawaaf). Er is geen dam (boete) voor haar. al‑Qudūrī, p. 118, Radd al‑Muḥtār, p. 465
Overtredingen tijdens de Ḥajj en hun boetedoeningen (Ḥanafī‑fiqh)
(Damm, sadaqāh, of keuze‑boete volgens Qurʾān 2:196 en de Ḥanafī‑uitleg)
- De Ḥanafī‑geleerden verdelen overtredingen in drie categorieën: (1) Damm al‑Shah – verplicht offer van een schaap, (2) Sadaqāh – geven van voedsel of geld aan de armen, (3) Takhyīr‑boete – keuze uit drie opties (slachten, voeden, vasten).
- Parfum gebruiken tijdens ihrām. Parfum op lichaam of kleding is verboden. Boete (1) Hele ledemaat of meer → dam (schaap), (2) Minder dan een ledemaat → sadaqāh (waarde van een handvol voedsel). al‑Qudūrī, Deel 1, p. 114, al‑Hidāyah, Deel 1, p. 149, Radd al‑Muḥtār, Deel 2, p. 461
- Genaaide kleding dragen of hoofd bedekken (voor mannen). Mannen mogen geen genaaide kleding dragen en hun hoofd niet bedekken. Boete (1) Volledige dag → damm, (2) Minder dan een dag → sadaqāh. al‑Qudūrī, p. 111, al‑Hidāyah, p. 148, Radd al‑Muḥtār, p. 460
- Haar scheren of knippen tijdens ihrām. Boete (1) ¼ van het hoofd of meer → damm, (2) Minder dan ¼ → sadaqāh. al‑Hidāyah, p. 149, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Nagels knippen tijdens ihrām. Boete (1) Nagels van beide handen én beide voeten, of één hand + één voet → damm (2) Minder dan vijf nagels totaal → Abū Ḥanīfah & Abū Yūsuf: sadaqāh maar Muḥammad al‑Shaybānī zegt: damm. al‑Qudūrī, p. 114, Radd al‑Muḥtār, p. 461
- Overtredingen door een geldig excuus (ʿudhr), bijvoorbeeld ziekte, wond, noodzaak, extreme hitte, medische reden. De pelgrim heeft dan keuze uit drie (takhyīr): (1) Een schaap slachten of (2) Drie sāʿa voedsel geven aan zes arme mensen of (3) Drie dagen vasten. Dit is gebaseerd op Qurʾān 2:196, al‑Hidāyah, p. 149, Radd al‑Muḥtār, p. 462, Iḥyāʾ, Deel 1, p. 272
Na Ḥajj en/of ʿUmrah naar Medina – Deugden en voorschriften
- Medina is de beste plaats na Mekka. De geleerden zijn het erover eens dat Mekka is de beste plaats op aarde. Medina is de beste plaats na Mekka. al‑Qudūrī, Kitāb al‑Ḥajj (aanbeveling van ziyārah), Iḥyāʾ, Deel 1, p. 274, al‑Shifāʾ van Qāḍī ʿIyāḍ, Deel 2, p. 67
- De beloning van één gebed in de Masjid an‑Nabawī. De Profeet ﷺ zei: “Een gebed in mijn moskee is beter dan duizend gebeden elders, behalve in al‑Masjid al‑Ḥarām.” Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Deel 2, p. 76, Ṣaḥīḥ Muslim, Deel 2, p. 1012. Dit geldt volgens de geleerden ook voor andere goede daden in Medina.
- De beloning van een gebed in Bayt al‑Maqdis (Jeruzalem). De Profeet ﷺ zei: “Een gebed in al‑Masjid al‑Aqṣā is gelijk aan 500 gebeden elders.” Sunan Ibn Mājah, Hadith 1406, Musnad Aḥmad, Deel 3, p. 343. Ook hier geldt: alle goede daden worden vermenigvuldigd.
- Overlevering met 10.000 – 1.000 – 100.000 gebeden. Er bestaat een overlevering waarin staat: (1) Gebed in Mekka = 100.000, (2) Gebed in Medina = 10.000, (3) Gebed in Bayt al‑Maqdis = 1.000. Deze overlevering is zwak, maar wordt door veel fuqahāʾ genoemd als faḍāʾil (deugden), niet als wetgeving. al‑Baihāqi, Shuʿab al‑Īmān, Deel 3, p. 490, al‑Munāwī, Fayḍ al‑Qadīr, Deel 6, p. 257. De betekenis wordt door de geleerden niet afgewezen, omdat het gaat om deugden, niet om aḥkām.
- De Profeet ﷺ zei: “Wie de ontberingen van Medina verdraagt…”. De Profeet ﷺ zei: “Wie de moeilijkheden van Medina geduldig verdraagt, voor hem zal ik voorspraak doen op de Dag der Opstanding.” Ṣaḥīḥ Muslim, Deel 2, p. 1015, Musnad Aḥmad, Deel 3, p. 21. Dit toont de spirituele status van Medina en de liefde van de Profeet ﷺ voor zijn stad.
- Aanbeveling van het bezoeken van Medina na Ḥajj of ʿUmrah. De klassieke Sunni‑geleerden (al‑Nawawī, al‑Subkī, Qāḍī ʿIyāḍ) zeggen: (1) Het bezoeken van de Profeet ﷺ is sterk aanbevolen (mandūb muʾakkad). (2) Het behoort tot de volmaakte uitvoering van de Ḥajj‑reis. (30 Het is een daad van liefde, respect en nabijheid tot de Profeet ﷺ. al‑Nawawī, al‑Majmūʿ, Deel 8, p. 274, al‑Subkī, Shifāʾ al‑Siqām, p. 12–15, al‑Shifāʾ, Deel 2, p. 67
Het innerlijke verlangen naar de Ḥajj
(Gebaseerd op al‑Ghazālī, Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1, p. 268–272)
Het verlangen naar de Ḥajj behoort tot de hoogste innerlijke staten van de dienaar. De Ka’aba is het Huis van Allāh Ta’ālā, en wie naar dit Huis verlangt, verlangt in werkelijkheid naar Allāh Zelf.
Al‑Ghazālī legt uit dat de reis naar de Ka’aba een uiterlijke reis is, maar het werkelijke doel is de innerlijke reis naar Allāh Ta’ālā. De betekenis van het gaan naar de Ka’aba is niet slechts het bereiken van een gebouw van steen, maar het zoeken naar de nabijheid van Allāh Ta’ālā en het verlangen naar Zijn ‘gelaat’ (Riḍwān). Het fysieke oog van deze wereld is zwak en onvolmaakt.
Het kan de schittering van het goddelijke licht niet verdragen. Daarom zegt al‑Ghazālī: Het oog van deze wereld is tijdelijk, maar het oog van het Hiernamaals is blijvend vrij van zwakte, blindheid en beperking. Pas in het Hiernamaals zal de gelovige een glimp van het Licht van Allāh kunnen verdragen — een licht dat in deze wereld te krachtig is voor het menselijke oog. Wie dus in deze wereld verlangt naar de Ka’aba, moet begrijpen dat dit verlangen slechts een voorbereiding is op het hogere verlangen: het verlangen naar de ontmoeting met Allāh Ta’ālā in Zijn eeuwige verblijfplaats. Daarom zegt al‑Ghazālī dat de ware pelgrim niet tevreden is met het zien van de Ka’aba, maar verlangt naar Degene tot Wie de Ka’aba leidt. De Ka’aba is een richting, maar Allāh Ta’ālā is het Doel.
Bronnen
- Al‑Bukhārī, M. I. (z.j.). Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī (Deel 1–9). Dar al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Al‑Ghazālī, A. H. (z.j.). Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn (Deel 1–4). Dar al‑Maʿrifah.
- Al‑Marghīnānī, B. (z.j.). Al‑Hidāyah (Deel 1–4). Dar al‑Fikr.
- Al‑Nawawī, Y. (z.j.). Al‑Majmūʿ Sharḥ al‑Muhadhdhab (Deel 1–20). Dar al‑Fikr.
- Al‑Nawawī, Y. (z.j.). Riyāḍ al‑Ṣāliḥīn.
- Al‑Qādī ʿIyāḍ. (z.j.). Al‑Shifāʾ bi‑Taʿrīf Ḥuqūq al‑Muṣṭafā (Deel 1–2). Dar al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Al‑Qudūrī, A. (z.j.). Al‑Mukhtaṣar (Deel 1). Dar al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Al‑Qurṭubī, M. (z.j.). Al‑Jāmiʿ li‑Aḥkām al‑Qurʾān (Deel 1–20). Dar al‑Kutub al‑Miṣriyyah.
- Al‑Subkī, T. (z.j.). Shifāʾ al‑Siqām fī Ziyārat Khayr al‑Anām. Dar al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Al‑Ṭabarī, M. (z.j.). Jāmiʿ al‑Bayān fī Taʾwīl al‑Qurʾān (Deel 1–30). Dar al‑Fikr.
- Ibn ʿĀbidīn, M. (z.j.). Radd al‑Muḥtār ʿalā al‑Durr al‑Mukhtār (Deel 1–10). Dar al‑Fikr.
- Ibn Kathīr, I. (z.j.). Tafsīr Ibn Kathīr (Deel 1–8). Dar Iḥyāʾ al‑Turāth al‑ʿArabī.
- Muslim, I. al‑Ḥ. (z.j.). Ṣaḥīḥ Muslim (Deel 1–5). Dar Iḥyāʾ al‑Turāth al‑ʿArabī.
- Snouck Hurgronje, C. (1916). Mohammedanism. G.P. Putnam’s Sons.
