In elke periode van de islamitische geschiedenis is de gemeenschap gewaarschuwd voor het gevaar van ongehoorzame en onbekwame ʿulamāʾ. Allāh Ta’ālā openbaart

“O, jij die gelooft, velen der priesters en monniken verteren de rijkdommen der mensen door valse middelen en leiden de mensen van de weg van Allāh af. En degenen, die goud en zilver ophopen en het niet voor de zaak van Allāh besteden, deel hun het nieuws van een pijnlijke straf mee.” (Qurʾān 9:34).

Wanneer religieuze leiders hun verantwoordelijkheid verwaarlozen, ontstaat er verwarring onder de gelovigen, verzwakt de morele structuur van de samenleving en wordt de zuiverheid van de religieuze leer aangetast. De klassieke geleerden benadrukken dat ware kennis niet alleen bestaat uit intellectuele beheersing van de teksten, maar vooral uit oprechtheid, gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ, en het vermogen om leiding te geven met wijsheid, rechtvaardigheid en vrees voor Allāh Ta’ālā. (Sunan Ibn Mājah, Boek 36, Hadith 261). De problematiek van incompetente of ongehoorzame religieuze leiders is daarom niet slechts een morele kwestie, maar een directe bedreiging voor de spirituele gezondheid van de Ummah.

De Profeet ﷺ waarschuwde zelfs dat hij iets voor zijn Ummah vreesde dat erger is dan de Dajjāl: misleidende geleerden (Musnad Aḥmad, Hadith 22160). Deze waarschuwing benadrukt dat de schade die voortkomt uit corrupte religieuze autoriteit dieper reikt dan individuele dwaling; zij tast de fundamenten van geloof, praktijk en gemeenschap aan.

Binnen de klassieke traditie wordt benadrukt dat ware ʿulamāʾ degenen zijn die hun kennis omzetten in daden, zichzelf disciplineren en de gemeenschap beschermen tegen innovaties, misleiding en moreel verval. Al‑Ghazālī beschrijft in zijn Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn dat kennis zonder zuivering van het hart leidt tot hoogmoed, misleiding en spirituele blindheid, en dat zulke geleerden een bron van fitnah kunnen worden (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1). Ook Ālāḥazrat Aḥmad Raza Khan benadrukt in Fatāwā Razviyya dat het volgen van onbekwame of ongehoorzame religieuze leiders een ernstige zonde is, omdat zij de gemeenschap afleiden van de weg van de Ahl al‑Sunnah (Fatāwā Razviyya, Deel 22).

Daarnaast waarschuwt Bahāre Sharīʿat dat religieuze autoriteit een amānah is die alleen gedragen mag worden door personen met kennis, taqwā en betrouwbaarheid, omdat fouten van geleerden gevolgen hebben voor de gehele gemeenschap (Bahāre Sharīʿat, Deel 1). Wanneer deze eigenschappen ontbreken, ontstaat er een vacuüm waarin onwetendheid, verdeeldheid en spirituele schade zich snel verspreiden.

Deze inleiding vormt daarom een basis om dit thema verder te analyseren vanuit authentieke soennitische bronnen, waarbij de nadruk ligt op het onderscheiden van ware geleerden van misleidende figuren, en op het belang van kennis die geworteld is in oprechtheid, discipline en gehoorzaamheid aan Allah en Zijn Boodschapper ﷺ.

De joden en christenen hadden geen liefde voor de profeten Mūsā en ʿĪsā (ʿalayhimā al‑salām), dus volgden zij hun eigen ego en brachten wijzigingen aan in de Boeken die Allāh Ta’ālā aan deze profeten had geopenbaard. Deze joden en christenen volgden niet de uitleg van de verzen die door de profeten was gegeven. Hierdoor ontstonden stromingen binnen hun religie, omdat elke groep haar eigen interpretatie boven de oorspronkelijke openbaring stelde. De Heilige Qurʾān vermeldt dat zij woorden verdraaiden van hun juiste plaatsen en de boodschap aanpasten aan hun verlangens. Allāh Ta’ālā openbaart hierover

“Verwacht je, dat zij je zullen geloven, terwijl een aantal hunner het woord van Allāh heeft vernomen en het verdraait, nadat zij het hebben begrepen, tegen beter weten in.” (Qurʾān 2:75).

Dit zien wij ook bij sommige ʿulamāʾ binnen de islam terug. Ze beginnen te frauderen, liegen, snuiven, naar meisjes fluiten, en nog meer satanische handelingen. In plaats van de Sunnah van de Profeet Mohammed ﷺ te volgen, nemen zij beslissingen op basis van persoonlijke voorkeur, politieke druk of gemakzucht. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het bepalen van het begin en einde van de Ramaḍān al‑Mubārak. In plaats van de Sharʿī‑richtlijnen te volgen, kijken zij naar wat andere landen beslissen, zelfs wanneer die beslissingen niet overeenkomen met de Sunnah of de fiqh‑principes van de Ahl al‑Sunnah. Dit is problematisch, want religieuze leiders behoren de gemeenschap te leiden op basis van kennis, taqwā en gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ.

De Profeet ﷺ waarschuwde dat de grootste fitnah voor de Ummah misleidende geleerden zijn — mensen die religieuze autoriteit claimen maar handelen tegen de Sunnah (Musnad Aḥmad, Hadith 22160). Zulke leiders veroorzaken verdeeldheid, verwarring en spirituele schade. Al‑Ghazālī legt in Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn uit dat kennis zonder oprechtheid en zelfdiscipline leidt tot hoogmoed en misleiding, en dat zulke geleerden een bron van fitnah worden in plaats van leiding (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1).

Ālāḥazrat benadrukt in Fatāwā Razviyya dat het volgen van onbekwame of ongehoorzame religieuze leiders een ernstige zonde is, omdat zij de gemeenschap afleiden van de weg van de Ahl al‑Sunnah en beslissingen nemen die niet geworteld zijn in fiqh, maar in persoonlijke voorkeur (Fatāwā Razviyya, Deel 22). Ook Bahāre Sharīʿat waarschuwt dat religieuze autoriteit een amānah is die alleen gedragen mag worden door personen met kennis, betrouwbaarheid en vrees voor Allāh, omdat fouten van geleerden gevolgen hebben voor de gehele gemeenschap (Bahāre Sharīʿat, Deel 1).

Wanneer ʿulamāʾ hun verantwoordelijkheid verwaarlozen, ontstaat er hetzelfde patroon als bij eerdere gemeenschappen: verdeeldheid, afwijking van de openbaring en het ontstaan van stromingen die niet geworteld zijn in de Sunnah. Daarom is het essentieel dat de Ummah onderscheid maakt tussen ware geleerden — die handelen volgens Qurʾān, Sunnah en fiqh — en degenen die hun eigen ego volgen. Alleen dan blijft de religieuze zuiverheid behouden en wordt de gemeenschap beschermd tegen misleiding.

Allāh Ta’ālā openbaart verder

“En houdt u allen tezamen vast aan het koord van Allāh en weest niet verdeeld en gedenkt de gunst van Allāh, die Hij u bewees toen je vijanden was en Hij uw harten verenigde, zo werd je door Zijn gunst broeders en je was aan de rand van een vuurput en Hij redde u er van. Zo legt Allāh u Zijn geboden uit opdat je zult worden geleid.” (Qur’ān 3:103)

“O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allāh en Zijn boodschapper en degenen, die onder u gezag hebben. En indien gij over iets twist, verwijst het naar Allāh en Zijn boodschapper, als gij gelooft in Allāh en de laatste Dag. Dit is beter en uiteindelijk het beste.” (Qur’ān 4:59)\

“O gij die gelooft, gehoorzaamt Allāh en de boodschapper en maakt uw werken niet nutteloos.”  (Qur’ān 47:33)

Allāh Ta’ālā openbaart keer op keer in de Heilige Qurʾān dat de moslims Allāh Ta’ālā en de Heilige Profeet Mohammed ﷺ moeten gehoorzamen, en dus moeten doen wat in de heilige Geschriften is voorgeschreven. Om Allāh Ta’ālā en de Profeet Mohammed ﷺ te gehoorzamen, moeten we ons goed bewust zijn van de inhoud van de Heilige Qurʾān. Allāh Ta’ālā vertelt ons in de Heilige Qurʾān dat wij kennis moeten hebben om Hem te vrezen. Dat komt omdat het hebben van kennis betekent dat wij ons goed bewust zijn van Allāh Ta’ālā en van de islam.

Theologische toelichting

De kern van jouw tekst draait om een fundamenteel principe binnen de islamitische theologie: gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ is de basis van īmān en de sleutel tot leiding (hidāyah). De Qurʾān benadrukt herhaaldelijk dat ware gelovigen Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ moeten gehoorzamen (Qurʾān 4:59). Deze gehoorzaamheid is niet abstract, maar concreet verbonden aan het volgen van de openbaring zoals die in de Heilige Qurʾān en de authentieke Sunnah is vastgelegd.

1. Gehoorzaamheid als goddelijke opdracht: De Qurʾān maakt duidelijk dat gehoorzaamheid aan de Profeet ﷺ een directe vorm van gehoorzaamheid aan Allāh is (Qurʾān 4:80). De Profeet ﷺ verduidelijkte dat wie zich afwendt van zijn Sunnah, niet tot zijn gemeenschap behoort (Sunan Ibn Mājah, Boek 1, Hadith 2). In de theologie wordt dit gezien als een tweeledige gehoorzaamheid: aan Allāh door Zijn geboden, en aan de Profeet ﷺ door zijn uitleg en toepassing van de openbaring.

2. Kennis als voorwaarde voor gehoorzaamheid: De Qurʾān koppelt kennis direct aan vrees voor Allāh: “Alleen de geleerden vrezen Allāh werkelijk” (Qurʾān 35:28). Al‑Ghazālī legt uit dat kennis (ʿilm) een licht (nūr) is dat Allāh in het hart plaatst, en dat ware kennis leidt tot nederigheid en gehoorzaamheid (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1). Onwetendheid daarentegen leidt tot afwijking en ongehoorzaamheid.

3. Waarom kennis leidt tot vrees voor Allāh: De theologische logica is dat wie Allāh kent, Zijn eigenschappen begrijpt en Zijn grootheid beseft, vanzelf tot khashyah komt. De Profeet ﷺ zei dat wie Allāh het meest vreest, degene is met de meeste kennis (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 1, Hadith 71). Daarom is kennis een spirituele bescherming tegen dwaling.

4. De rol van de Qurʾān in het vormen van dit bewustzijn: De Qurʾān is de primaire bron van leiding en morele vorming. De Sunnah is de praktische uitleg daarvan. Ālāḥazrat benadrukt in Fatāwā Razviyya dat het onmogelijk is om de Qurʾān correct te volgen zonder de Sunnah, omdat de Profeet ﷺ de enige is die de openbaring volledig heeft uitgelegd (Fatāwā Razviyya, Deel 6).

5. Gehoorzaamheid als fundament van een gezonde gemeenschap: Wanneer individuen en leiders de Qurʾān en Sunnah volgen, ontstaat eenheid en spirituele groei. Wanneer zij dit niet doen, ontstaat verdeeldheid en fitnah. Bahāre Sharīʿat waarschuwt dat religieuze autoriteit een amānah is die alleen gedragen mag worden door personen met kennis, taqwā en betrouwbaarheid (Bahāre Sharīʿat, Deel 1). De Profeet ﷺ waarschuwde dat misleidende geleerden een grotere fitnah vormen dan de Dajjāl (Musnad Aḥmad, Deel 5, Hadith 22160).

De Heilige Qurʾān herinnert de gelovigen herhaaldelijk aan het gevaar van wereldse afleiding. Rijkdom, bezit en familie zijn zegeningen van Allāh Ta’ālā, maar kunnen, wanneer zij het hart domineren, een oorzaak worden van geestelijke verlies. In Surah al‑Munāfiqūn waarschuwt Allāh Ta’ālā dat deze wereldse zaken de mens niet mogen afhouden van Zijn gedachtenis en gehoorzaamheid. Deze goddelijke waarschuwing vormt de basis voor een diepere reflectie op onze verantwoordelijkheden als moslims en op de noodzaak om ons voor te bereiden op de Dag des Oordeels. Allāh Ta’ālā openbaart:

“O gij die gelooft, laat uw rijkdommen en uw kinderen u niet afleiden van de gedachtenis aan Allāh. En wie dat doet behoort tot de verliezers. En besteedt uit datgene waarvan Wij u voorzien hebben voordat de dood één uwer overvalt en deze zegt: ‘Mijn Heer! Waarom hebt Gij mij niet voor een wijle uitstel verleend, opdat ik aalmoezen zou kunnen geven en tot de rechtvaardigen behoren?’ En Allāh geeft niemand uitstel wanneer zijn tijd is gekomen; en Allāh is volkomen op de hoogte van hetgeen gij doet.” (Qurʾān 63:9–11)

Theologische toelichting

Mensen hebben de gewoonte om afgeleid te raken door wereldse zaken. Dit is een van de redenen waarom de manipulatie van de menselijke geest zo gemakkelijk te bereiken is. Zelfs gelovigen kunnen afgeleid raken of trots worden op hun familie of hun bezittingen. Wanneer iemand met iets gezegend wordt, is het eenvoudig om Allāh Ta’ālā te vergeten, terwijl Hij Degene is Die deze gunsten heeft geschonken (Qurʾān 14:7). Daarom herinnert Allāh Ta’ālā ons aan onze verantwoordelijkheden als moslims. De Profeet Mohammed ﷺ waarschuwde dat de wereld zoet en aantrekkelijk is, en dat Allāh ons daarin zal beproeven om te zien hoe wij handelen (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 42, Hadith 99). Wie zich laat afleiden door rijkdom of kinderen, verliest zijn spirituele focus en behoort tot de verliezers, zoals in de verzen hierboven vermeld.

Al‑Ghazālī legt uit dat het hart van de mens geneigd is tot verstrooiing, en dat alleen voortdurende dhikr en bewustzijn van Allāh het hart zuivert en beschermt tegen misleiding (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 3). Ālāḥazrat benadrukt dat wereldse afleiding een van de grootste oorzaken is van ongehoorzaamheid, omdat het de mens wegleidt van zijn werkelijke doel: de tevredenheid van Allāh (Fatāwā Razviyya, Deel 24). Wanneer de dood komt, krijgt niemand uitstel. De mens zal dan wensen dat hij meer sadaqāh had gegeven en meer rechtvaardige daden had verricht. Bahāre Sharīʿat benadrukt dat het verrichten van goede daden vóór de dood een verplichting is, omdat berouw en goede voornemens na het sterven geen nut meer hebben (Bahāre Sharīʿat, Deel 1).

Daarom moeten moslims zich voorbereiden op de Dag des Oordeels door gehoorzaam te zijn aan Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ. Wie niet gehoorzaam is geweest, zal eerst gestraft worden voordat hij het Paradijs mag binnengaan (Sunan al‑Tirmidhī, Boek 38, Hadith 2627).

Wie de Boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt Allāh” — De Essentie van Islamitische Gehoorzaamheid

Allāh Ta’ālā zegt: “Gehoorzaam Allāh Ta’ālā en gehoorzaam de Boodschapper en degenen die belast zijn met autoriteit onder jullie. Als u van mening verschilt in iets onder u, verwijs het dan naar Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper als u in Allāh Ta’ālā en de Laatste Dag gelooft: Dat is het beste en het meest geschikt voor definitieve vastberadenheid.” (Qurʾān 4:59)

Allāh Ta’ālā openbaart:

“Wij hebben u (Profeet Mohammed ﷺ) als getuige en drager van blijde tijdingen en als waarschuwer gezonden. Opdat gij in Allāh en Zijn Boodschapper zoudt geloven, hem steunen en eren en Hem ’s morgens en ’s avonds zoudt verheerlijken. Voorwaar, zij die u trouw zweren, zweren trouw aan Allāh; Allāhs hand rust op hun handen. Doch wie zijn eed schendt, doet dit tot zijn eigen nadeel, en wie zijn belofte aan Allāh vervult, Hij zal hem een grote beloning geven.” (Qurʾān 48:8–10)

Allāh Ta’ālā zegt verder:

“Wie de Boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad Allāh.” (Qurʾān 4:80)

Theologische toelichting

1. Gehoorzaamheid aan Allāh en Zijn Boodschapper ﷺ is één geheel: De Qurʾān maakt duidelijk dat gehoorzaamheid aan de Profeet ﷺ niet optioneel is, maar een verlenging van gehoorzaamheid aan Allāh (Qurʾān 4:80). De Profeet ﷺ zei dat wie zich afwendt van zijn Sunnah, niet tot zijn gemeenschap behoort (Sunan Ibn Mājah, Boek 1, Hadith 2).

2. Terugverwijzen naar Qurʾān en Sunnah bij meningsverschillen: Qurʾān 4:59 vormt de basis van islamitische rechtsmethodologie:

  • meningsverschillen worden niet opgelost door emoties,
  • niet door meerderheid,
  • maar door terug te keren naar Qurʾān en Sunnah.

Ālāḥazrat benadrukt dat elke uitspraak van een geleerde ongeldig is als deze tegen Qurʾān en Sunnah ingaat (Fatāwā Razviyya, Deel 6).

3. De verplichting om de Profeet ﷺ te eren en te steunen

Qurʾān 48:8–10 toont drie plichten:

  • geloven in de Profeet ﷺ,
  • hem steunen (taʿzīr),
  • hem eren (taqwīr).

Al‑Ghazālī legt uit dat het eren van de Profeet ﷺ een voorwaarde is voor de zuiverheid van het hart en de acceptatie van daden (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 2).

4. Gehoorzaamheid beschermt tegen spirituele verlies: De Qurʾān noemt degenen die afgeleid raken van gehoorzaamheid “verliezers” (Qurʾān 63:9). Bahāre Sharīʿat benadrukt dat ongehoorzaamheid leidt tot spirituele schade en dat gehoorzaamheid de sleutel is tot redding (Bahāre Sharīʿat, Deel 1).

Gehoorzaamheid aan de Boodschapper : Een Onmisbare Voorwaarde voor Īmān

Elk vers in de Heilige Qurʾān dat spreekt over het gehoorzamen van de Profeet Mohammed ﷺ maakt duidelijk dat deze gehoorzaamheid verplicht is voor alle gelovigen. Daarom zijn de praktijken (Sunnah) van de Profeet Mohammed ﷺ onberispelijk en staan zij onder de bescherming van Allāh Ta’ālā. Met andere woorden: alles in de Sunnah is gebaseerd op Openbaring, en het volgen ervan is een essentieel onderdeel van īmān. Allāh Ta’ālā openbaart:

“En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allāh en Zijn Boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen nog een keuze zou zijn in die zaak. En wie Allāh en Zijn Boodschapper niet gehoorzaamt, is zeker klaarblijkelijk afgedwaald.” (Qurʾān 33:36)

Theologische toelichting

1. Gehoorzaamheid aan de Profeet is verplicht: De Qurʾān maakt duidelijk dat wanneer Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ een beslissing geven, de gelovige geen keuzevrijheid meer heeft (Qurʾān 33:36). Dit toont dat de Sunnah niet optioneel is, maar een bindende bron van wetgeving. De Profeet ﷺ zei: “Wie zich afwendt van mijn Sunnah, behoort niet tot mij.” (Sunan Ibn Mājah, Boek 1, Hadith 2)

2. Gehoorzaamheid aan de Profeet = gehoorzaamheid aan Allāh: Allāh Ta’ālā zegt:

“Wie de Boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad Allāh.” (Qurʾān 4:80). Dit is een van de sterkste bewijzen dat de Sunnah openbaring is en dat de Profeet ﷺ niet uit eigen begeerte spreekt (Qurʾān 53:3–4).

3. De Sunnah staat onder goddelijke bescherming: Ālāḥazrat schrijft dat de daden van de Profeet ﷺ vrij zijn van fouten in religieuze zaken, omdat Allāh Ta’ālā hem bewaakt tegen dwaling (Fatāwā Razviyya, Deel 6). Al‑Ghazālī benadrukt dat de Sunnah de praktische uitleg is van de Qurʾān, en dat gehoorzaamheid aan de Profeet ﷺ noodzakelijk is voor spirituele zuiverheid (Iḥyāʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1).

4. Gehoorzaamheid leidt tot leiding en succes: Bahāre Sharīʿat legt uit dat gehoorzaamheid aan de Profeet ﷺ de weg opent naar leiding, terwijl ongehoorzaamheid leidt tot spirituele blindheid en verlies (Bahāre Sharīʿat, Deel 1).

Uit de aangehaalde verzen en klassieke bronnen blijkt onmiskenbaar dat gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ de kern vormt van het geloof en de basis is voor leiding, eenheid en spirituele zuiverheid binnen de Ummah. De Heilige Qurʾān maakt duidelijk dat de gelovige geen keuzevrijheid heeft wanneer Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ een oordeel hebben uitgesproken; ware īmān betekent volledige overgave aan de goddelijke openbaring. De Sunnah van de Profeet Mohammed ﷺ is daarbij niet slechts een historische traditie, maar een door Allāh beschermde en onmisbare uitleg van de Qurʾān.

Wanneer moslims deze gehoorzaamheid verwaarlozen, ontstaat verwarring, verdeeldheid en spirituele achteruitgang — precies zoals gebeurde bij eerdere gemeenschappen die hun profeten niet volgden. Maar wanneer de gelovigen zich vasthouden aan Qurʾān en Sunnah, ontstaat er helderheid, stabiliteit en een sterke band met Allāh Ta’ālā.

Daarom is het noodzakelijk dat iedere moslim, en in het bijzonder de ʿulamāʾ, zich bewust blijft van deze verantwoordelijkheid. Gehoorzaamheid is geen theoretisch concept, maar een dagelijkse praktijk die het hart zuivert, het geloof versterkt en de weg opent naar succes in deze wereld en verlossing in het Hiernamaals.

Lees ook Correcte of corrupte moslimleiders >>>

  • Aḥmad ibn Ḥanbal. (z.j.). Musnad Amad, Deel 5, Hadith 22160.
  • Ālāḥazrat al‑Bareilwī. (z.j.). Fatāwā Razviyya, Deel 1–30.
  • al‑Bukhārī, M. (z.j.). aī al‑Bukhārī, Deel 1, Boek 1, Hadith 71.
  • al‑Ghazālī, A. H. M. (z.j.). Iʾ ʿUloom al‑Dīn, Deel 1–4.
  • al‑Tirmidhī, M. (z.j.). Sunan al‑Tirmidhī, Deel 5, Boek 38, Hadith 2627.
  • Amjad ʿAlī Aʿẓamī. (z.j.). Bahāre Sharīʿat, Deel 1–20.
  • Ibn Mājah, M. (z.j.). Sunan Ibn Mājah, Deel 1, Boek 1, Hadith 2.
  • Ibn Mājah, M. (z.j.). Sunan Ibn Mājah, Deel 5, Boek 36, Hadith 261.
  • Muslim, M. (z.j.). aī Muslim, Deel 4, Boek 42, Hadith 99.
  • Qurʾān 2:75. (z.j.). Al‑Baqarah.
  • Qurʾān 4:59. (z.j.). Al‑Nisāʾ.
  • Qurʾān 4:80. (z.j.). Al‑Nisāʾ.
  • Qurʾān 9:34. (z.j.). Al‑Tawbah.
  • Qurʾān 14:7. (z.j.). Ibrāhīm.
  • Qurʾān 33:36. (z.j.). Al‑Azāb.
  • Qurʾān 35:28. (z.j.). ir.
  • Qurʾān 48:8–10. (z.j.). Al‑Fat.
  • Qurʾān 53:3–4. (z.j.). Al‑Najm.
  • Qurʾān 63:9. (z.j.). Al‑Munāfiqūn.
  • Qurʾān 63:9–11. (z.j.). Al‑Munāfiqūn.

Translate »
error: Content is protected !!