Morele en sociaal-religieuze oplossing voor de wereldwijde aidspandemie door Allāma Maulana Shah Mohammad Abdul Aleem Siddiqui al-Qādri (ʿAlayhi al-Raḥmah)
Voorwoord
Er is geen registratie van de datum waarop de edele auteur dit prachtige boek Bloesem van de jeugd schreef. Daarom wordt een inschatting gemaakt dat dit boek tussen de jaren dertig en begin jaren veertig van de 20e eeuw is verschenen.
Dit werk is een vertaling van mij (Tangali) uit 2012 en in 2025 aangevuld met bronnen en andere tekstuele inhoud en ingedeeld in hoofdstukken, van een passage uit de oorspronkelijke tekst van Allāmah Abdul Aleem Siddiqui al‑Qādrī (ʿAlayhi al‑Raḥmah), een van de vooraanstaande geleerden en daʿwāh‑pioniers van de twintigste eeuw. In de originele tekst werden geen expliciete bronverwijzingen opgenomen; de auteur schreef in de klassieke traditie waarin morele, maatschappelijke en spirituele observaties rechtstreeks werden gepresenteerd zonder formele annotatie.
Bij het vertalen heb ik ervoor gekozen om deze lacune niet te laten bestaan. Daarom heb ik, met behoud van de volledige inhoud en intentie van de auteur, passende bronnen opgezocht en toegevoegd uit de Heilige Qur’ān, de authentieke Aḥadīth‑verzamelingen en de klassieke fiqh‑ en tafsīr‑werken die binnen de soennitische traditie als gezaghebbend worden beschouwd. Deze bronnen zijn zorgvuldig geselecteerd op basis van thematische aansluiting, inhoudelijke relevantie en de interpretatieve kaders van de traditionele geleerden.
Daarnaast heb ik een theologische toelichting geschreven waarin de besproken onderwerpen worden geplaatst binnen de bredere islamitische ethiek, jurisprudentie en spirituele reflectie. Deze toelichting dient niet als vervanging van de oorspronkelijke tekst, maar als een begeleidende laag die de hedendaagse lezer helpt om de maatschappelijke en morele thema’s beter te begrijpen in het licht van de klassieke bronnen.
Tot slot is een besluit toegevoegd waarin de kernpunten worden samengevat en de lezer wordt uitgenodigd om de besproken kwesties te benaderen met kennis, reflectie en verantwoordelijkheid. Hiermee vormt dit werk een brug tussen de oorspronkelijke boodschap van Allāmah Abdul Aleem Siddiqui en de hedendaagse behoefte aan academische nauwkeurigheid, bronvermelding en contextuele duiding.
Een analyse van hedendaagse zedelijke ontwrichting
Vanaf de jaren dertig van de 19e eeuw tijd tot het huidige tijdperk is de zedenleer op mondiaal niveau ontaard tot een alarmerend niveau, uitlopend in de menselijke begeerte naar de top van vernietiging en totale uitsterving van de ethische menselijke waarden en normen. Vandaag zijn de burgers van de wereld slachtoffer geworden van door corruptie gecontroleerde ongodsdienstige regeringen die prostitutie legaliseren, de vrijheid van illegale seks, homoseksualiteit, lesbische vrouwen (lesbo’s), pornografie en een heleboel andere ondeugden. Niet alleen doen de regeringen aan legaliseren, maar zij laten ook op deze wijze blijken dat het een sociale norm is geworden. Daarom is het passend om enkele belangrijke kritieke kwesties van vandaag de dag te bespreken en te bediscussiëren voor het algemeen belang van de mensheid.
Allāh Ta’ālā openbaart
هَلْ أَتَىٰ عَلَى ٱلإِنسَانِ حِينٌ مِّنَ ٱلدَّهْرِ لَمْ يَكُن شَيْئاً مَّذْكُوراً
“Voorzeker, er is voor de mens een tijdperk geweest toen hij geen vermeldenswaardig ding was.” (Qur’ān 76:1)
ظَهَرَ ٱلْفَسَادُ فِي ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ بِمَا كَسَبَتْ أَيْدِي ٱلنَّاسِ لِيُذِيقَهُمْ بَعْضَ ٱلَّذِي عَمِلُواْ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ
“Verderf is gekomen over land en zee door hetgeen de handen der mensen hebben gewrocht, zodat Hij hen een gedeelte van hun daden zou doen smaken, opdat zij zich bekeren.” (Qur’ān 30:41)
أَرَأَيْتَ مَنِ ٱتَّخَذَ إِلَـٰهَهُ هَوَاهُ أَفَأَنتَ تَكُونُ عَلَيْهِ وَكِيلاً
“Heb je hem gezien, die zijn eigen begeerte als zijn Schepper aanneemt? Wil je dan een beschermer over hem zijn? (Qur’ān 25:43)
Van het moordende ziekteverschijnsel aidsvirus was in de tijd van de auteur nog niets bekend. In dit moderne tijdperk heeft dit dodelijke virus ten minste een kwart van de wereldbevolking aangetast en vormt het nog steeds een grote bedreiging voor de rest van het menselijke ras.
Prostitutie was in het verleden zeer discreet door strenge gouvernementele wetgeving, maar vandaag de dag vernemen wij van de media in sommige zogenaamde progressieve moderne beschaafde landen hoe prostituees schaamteloos en poedelnaakt in etalages poseren en hun potentiële klanten benaderen als koopwaar.
Allāh Ta’ālā openbaart
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُحِبُّونَ أَن تَشِيعَ ٱلْفَاحِشَةُ فِي ٱلَّذِينَ آمَنُواْ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ فِي ٱلدُّنْيَا وَٱلآخِرَةِ وَٱللَّهُ يَعْلَمُ وَأَنْتُمْ لاَ تَعْلَمُونَ
“Zij die graag willen dat onbetamelijkheid zich onder de gelovigen moge verspreiden, zullen in deze wereld en in het Hiernamaals een pijnlijke straf ondergaan. Allāh weet, en je weet niet.” (Qur’ān 24:19)
وَلاَ تَقْرَبُواْ ٱلزِّنَىٰ إِنَّهُ كَانَ فَاحِشَةً وَسَآءَ سَبِيلاً
“En houdt u verre van overspel; want het is een afschuwelijke zaak en een slechte weg.” (Qur’ān 17:32)
Homoseksueel en lesbienne zijn was een geheim uit het verleden, maar tegenwoordig is het openlijk door regeringen toegestaan en beschermd wegens officiële wetgeving van vele zogenaamde ‘beschaafde landen’.
Allāh Ta’ālā openbaart
وَلُوطاً إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَتَأْتُونَ ٱلْفَاحِشَةَ مَا سَبَقَكُمْ بِهَا مِنْ أَحَدٍ مِّن ٱلْعَالَمِينَ
إِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلرِّجَالَ شَهْوَةً مِّن دُونِ ٱلنِّسَآءِ بَلْ أَنْتُمْ قَوْمٌ مُّسْرِفُونَ
“En (profeet) Lūṭ, toen hij tot zijn volk zeide: “Pleeg je een gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vóór u pleegde?”
“Gij nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen. Neen, U bent een volk dat de perken te buiten gaat.” (Qur’ān 7:80–81)
وَلُوطاً إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَتَأْتُونَ ٱلْفَاحِشَةَ وَأَنتُمْ تُبْصِرُونَ
أَإِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلرِّجَالَ شَهْوَةً مِّن دُونِ ٱلنِّسَآءِ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ تَجْهَلُونَ
“En Lūṭ, toen hij tot zijn volk zeide: “Bega je onzedelijkheid tegen beter weten in? Nader je wellustig de mannen in plaats van de vrouwen? Neen, je bent een onwetend volk.” (Qur’ān 27:54–55)
Verkrachting was een zeldzame gebeurtenis uit het verleden, maar uit de statistieken en televisieberichten in de week van 23 februari 2009 blijkt dat dagelijks duizenden onschuldige en fatsoenlijke vrouwen in bijvoorbeeld Italië worden verkracht.
Theologische Toelichting
De beschreven morele en maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de negentiende eeuw tot het huidige tijdperk kunnen binnen de islamitische theologie worden begrepen als manifestaties van een dieper liggende spirituele ontwrichting. De Qur’ān schetst een duidelijk kader waarin menselijke geschiedenis, moreel verval en goddelijke leiding met elkaar verweven zijn. De aangehaalde verzen plaatsen deze ontwikkelingen niet slechts in een sociologisch perspectief, maar in een theologisch‑existentiële context.
1. De mens en zijn oorsprong (Qur’ān 76:1)
Het vers “Er is voor de mens een tijdperk geweest toen hij geen vermeldenswaardig ding was” (76:1) herinnert de mens aan zijn oorsprong, afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Klassieke mufassirīn zoals al‑Qurṭubī en de auteurs van Tafsīr al‑Jalālayn benadrukken dat dit vers de mens oproept tot nederigheid en morele verantwoordelijkheid.
Wanneer samenlevingen deze oorsprong vergeten, ontstaat een cultuur waarin begeerte, macht en zelfverheerlijking de plaats innemen van godsvrucht en ethiek.
2. Corruptie als gevolg van menselijke daden (Qur’ān 30:41)
Het vers “Verderf is gekomen over land en zee door hetgeen de handen der mensen hebben gewrocht” (30:41) vormt een kernprincipe in de islamitische ethiek:
moreel verval is niet slechts een sociaal verschijnsel, maar een spirituele consequentie van menselijke keuzes.
De mufassirīn leggen uit dat “fasād” zowel fysieke als morele ontwrichting omvat.
Wanneer begeerte, economische belangen en politieke macht de plaats innemen van goddelijke richtlijnen, ontstaat een samenleving waarin immoraliteit wordt genormaliseerd en zelfs wettelijk beschermd.
3. Begeerte als afgoderij (Qur’ān 25:43)
Het vers “Heb je hem gezien die zijn begeerte tot zijn god neemt?” (25:43) beschrijft een toestand waarin de mens zijn verlangens verheft boven goddelijke leiding.
In de theologie wordt dit gezien als een subtiele vorm van shirk: niet in de juridische zin, maar in de zin van innerlijke afgoderij, waarbij de mens zijn eigen begeerte tot hoogste autoriteit maakt.
Dit vers verklaart theologisch waarom samenlevingen morele grenzen loslaten:
wanneer begeerte de norm wordt, wordt alles wat begeerte dient uiteindelijk gelegitimeerd.
4. De verspreiding van immoraliteit (Qur’ān 24:19; 17:32)
De Heilige Qur’ān waarschuwt dat degenen die willen dat immoraliteit zich verspreidt onder de mensen, een pijnlijke straf tegemoet gaan (24:19).
Klassieke geleerden leggen uit dat dit niet alleen betrekking heeft op het plegen van immoraliteit, maar ook op het normaliseren, promoten of wettelijk beschermen ervan.
Het verbod “Nadert de ontucht niet” (17:32) toont dat de Qur’ān niet alleen de daad zelf verbiedt, maar ook alle wegen die ernaartoe leiden.
Dit omvat publieke schaamteloosheid, commerciële exploitatie van het lichaam en het reduceren van menselijke waardigheid tot koopwaar.
5. De daden van het volk van Lūṭ (Qur’ān 7:80–81; 27:54–55)
De verzen over het volk van Lūṭ worden in de islamitische traditie gezien als een duidelijke afwijzing van seksuele handelingen die buiten de door Allāh vastgestelde orde vallen.
De Qur’ān beschrijft deze daden als “een gruweldaad zoals niemand vóór jullie pleegde” (7:80), waarmee de ernst en afwijking van de natuurlijke orde wordt benadrukt.
De klassieke tafsīr‑werken leggen uit dat deze verzen niet slechts historische beschrijvingen zijn, maar blijvende morele richtlijnen voor de mensheid.
6. Onrecht, agressie en misdaad (Qur’ān 2:190; 5:33)
De toename van geweld, waaronder verkrachting, wordt in de Qur’ān geplaatst binnen het bredere kader van onrecht en agressie.
Allāh zegt: “Allah houdt niet van de overtreders” (2:190), en zware misdaden tegen onschuldigen worden in 5:33 scherp veroordeeld.
De islamitische rechtsgeleerden beschouwen bescherming van eer, veiligheid en lichamelijke integriteit als een van de maqāṣid al‑Sharīʿah (hogere doelen van de wet).
Wanneer samenlevingen deze bescherming niet langer waarborgen, ontstaat een toestand van morele chaos.
Deze theologische toelichting plaatst de maatschappelijke observaties in een Qur’ānisch en klassiek‑islamitisch kader, zodat de lezer begrijpt dat de besproken kwesties niet slechts historische of sociologische fenomenen zijn, maar deel uitmaken van een dieper religieus‑ethisch discours.
Over de medische, epistemologische en historische kaders van de auteur
Aangezien de auteur, Sheikh Abdul Aleem Siddiqui (ʿAlayhi al-Raḥmah), door geleerden en religieuze autoriteiten hoog wordt gerespecteerd, heeft de Engelse vertaler geen wijzigingen aangebracht in de feitelijke inhoud van het oorspronkelijke werk, noch onderdelen weggelaten. Integendeel, de vertaler heeft het werk aangevuld met enkele relevante gegevens ter versterking en harmonisering van de oorspronkelijke presentatie, met name ten behoeve van de hedendaagse jonge generatie.
Daarnaast dient de lezer erop gewezen te worden dat de auteur een ḥākim was, gespecialiseerd in homeopathie en de wetenschap van de Profetische Geneeskunde (Ṭibb‑e‑Nabawī). Hij was geen arts in de moderne biomedische zin van het woord. Zijn uitspraken over menselijke anatomie kunnen daarom afwijken van de hedendaagse medische inzichten. Het is om die reden raadzaam zijn werk niet te beoordelen of te bekritiseren vanuit het perspectief van moderne medische wetenschap, maar het te lezen binnen het kader waarin het oorspronkelijk werd geschreven.
Voorts moet worden opgemerkt dat de auteur van de oorspronkelijke tekst een medische opleiding genoot binnen een ander epistemologisch en methodologisch kader dan dat van de moderne medische en fysiologische referenties. Zijn denksysteem benaderde het menselijk lichaam op een wijze die verschilt van de huidige biomedische benadering. Hoewel de gebruikte terminologie soms afwijkend of ongebruikelijk kan lijken, kan deze — mits correct geïnterpreteerd — in verband worden gebracht met hedendaagse fysiologische kennis. Het parafraseren van de oorspronkelijke tekst in moderne medische terminologie zou afbreuk doen aan de historische authenticiteit van het werk. Hoewel sommige standpunten mogelijk in tegenspraak zijn met hedendaagse medische opvattingen, dienen zij opnieuw te worden bezien binnen hun oorspronkelijke context.
In een afzonderlijk addendum is een overzicht opgenomen van enkele wetenschappelijk vastgestelde seksueel overdraagbare infecties die voorkomen bij lesbiennes, homoseksuelen, prostituees en personen die zich bezighouden met illegale seksuele activiteiten. Deze informatie is verzameld door professionals, waaronder moslimartsen, op basis van interviews en casestudies. De samenstelling van dit addendum is met grote oprechtheid verricht, met de intentie een dienst te bewijzen aan de mensheid. Moge de Sublieme Heer van het heelal, de Almachtige Allāh, deze inspanningen accepteren en het tot een middel van leiding maken voor allen. Āmīn.
Nawoord door de auteur Sheikh Abd al-Hadi al-Qādri Radawi
Allāh Taʿālā heeft de mensheid gezegend met talrijke mogelijkheden, en Zijn Wijsheid heeft de mens uitgerust met de kennis om deze te benutten. Hoewel de Schepper bepaalde vormen van kennis ook aan dieren heeft gegeven, bestaat er een wezenlijk onderscheid tussen mens en dier. Aangezien de mensheid de hoogste orde van de schepping vormt, heeft de Schepper de mens begiftigd met een bijzondere kennisfaculteit die hem superieur maakt ten opzichte van de overige schepselen. Allāh heeft het de mens mogelijk gemaakt deze kennis creatief toe te passen en verder uit te breiden. Een dergelijke capaciteit is in het dierenrijk niet aanwezig.
Tegenwoordig wordt beweerd dat de mens zich in hoog tempo ontwikkelt en spoedig het hoogtepunt van perfectie zal bereiken. De menselijke vooruitgang op het gebied van technologie, wetenschap, chemie en diverse ontdekkingen heeft een nieuwe dimensie aan de wereld gegeven. De snelheid van deze ontwikkeling maakt het voorstelbaar dat de mens ooit de tot dusver onaantastbare grenzen van het heelal zal bereiken. De wetenschappelijke vooruitgang in technologie maakt het mogelijk om in enkele momenten te volbrengen wat de fysieke hand nog geen eeuw geleden niet kon realiseren. Waar de voeten vroeger jaren van inspanning vereisten om grote afstanden af te leggen, doet moderne technologie dit in enkele uren. In dit wetenschappelijke tijdperk kan men met trein, auto of vliegtuig de aarde in enkele weken tot zelfs enkele uren rondreizen, terwijl dit in het verleden fysiek onmogelijk was. De reikwijdte van het menselijk gehoor en zicht was beperkt, maar moderne technologie maakt het mogelijk objecten op miljoenen mijlen afstand waar te nemen. Televisies, telefoons, telescopen en draadloze communicatie kunnen beelden en geluiden in fracties van seconden ontvangen uit de verste uithoeken van het universum, terwijl dit enkele decennia geleden als onmogelijk werd beschouwd.
Deze ontwikkelingen worden doorgaans gezien als een indrukwekkende prestatie van de mensheid. Wanneer men echter zorgvuldig nadenkt over de bijzondere vaardigheden en kennis waarop het Westen voor zijn voortbestaan vertrouwt, kan men tot de onontkoombare conclusie komen dat de mens in werkelijkheid niet vooruitgaat, maar juist achteruit. Sommigen zullen deze stelling wellicht willen weerleggen door te wijzen op de bijdrage van deze ontwikkelingen aan de mensheid. Toch hebben deze bijzondere vaardigheden ook geleid tot vormen van zelfvernietiging. Zo zijn talloze soorten medicijnen ontwikkeld ter bescherming en verbetering van menselijke capaciteiten, maar deze vormen in werkelijkheid vaak illusies die bij nadere beschouwing doorzien kunnen worden.
Een toename in aantallen bewijst op zichzelf geen vooruitgang van een entiteit. Een juiste conclusie kan slechts worden bereikt na zorgvuldige overweging van alle factoren. Zo kon men tweehonderd jaar geleden in een gemeenschap van honderdduizend mensen constateren dat binnen tien jaar een groei van tienduizend gezonde en sterke individuen plaatsvond. Tegenwoordig is een dergelijke stijging niet meer zichtbaar. In een gemeenschap van honderdduizend mensen treft men hooguit twintig- tot vijfentwintigduizend gezonde individuen aan, terwijl de meerderheid zwak of ziek is. Men moet zich afvragen of dit als vooruitgang of als achteruitgang moet worden beschouwd. De toename van ziekten, de verzwakking van het lichaam en de afname van natuurlijke productiviteit tonen duidelijk aan dat de productie van sperma en andere bijzondere vermogens van de mensheid niet alleen worden belemmerd in hun ontwikkeling, maar ook onvoldoende worden beschermd. Anders zou een dergelijke situatie niet zijn ontstaan.
Wanneer een enkel zaad in het juiste seizoen wordt geplant en de omgeving en verzorging strikt volgens de regels van de teelt worden toegepast, bestaat er een grote kans op een gezonde oogst. Wordt hetzelfde zaad echter onsystematisch geteeld, dan zal er geen gewas of oogst zijn. Indien het zaad toevallig toch ontkiemt, zal het gewas zwak zijn; en indien het gewas toevallig gezond is en vruchten voortbrengt, zal de kwaliteit ervan zeker niet hoog zijn. Hetzelfde geldt voor het zaad van de man (sperma): wanneer dit willekeurig wordt verspreid op onvruchtbare of vervuilde plaatsen, of op onrechtmatige wijze wordt gebruikt, zal het eindresultaat rampzalig zijn en niet bijdragen aan de vooruitgang van samenlevingen. Hoewel er geen tekort is aan artsen en medicijnen, bestaat er een grote populatie zieke mensen die medische hulp nodig heeft. De situatie van behandeling en medicatie is vergelijkbaar met het dichten van een gat met een oud en zwak stuk doek.
Het is daarom van groot belang dat verstandige mensen — ter wille van de verlossing en ter bescherming van de ware essentie van de mensheid — juiste methoden formuleren voor het gebruik van de bijzondere vermogens waarmee de Schepper, Allāh, de mens heeft gezegend.
Bescherm uw sperma zoveel mogelijk, want voorwaar, het is het water van het leven in de delicate baarmoeder.
Besluit
Op basis van de voorgaande beschouwingen kan worden geconcludeerd dat de uitzonderlijke vermogens waarmee de mens door Allāh Taʿālā is begiftigd, zowel een bron van vooruitgang als van kwetsbaarheid vormen. Hoewel de moderne tijd wordt gekenmerkt door indrukwekkende technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen, tonen de maatschappelijke en biologische realiteiten aan dat vooruitgang niet uitsluitend kan worden gemeten aan de hand van materiële of technologische maatstaven. De fysieke verzwakking van de mens, de toename van ziekten en de afname van natuurlijke vitaliteit wijzen erop dat vooruitgang zonder morele, spirituele en sociale integriteit onvolledig blijft.
De islamitische traditie benadrukt dat ware ontwikkeling slechts mogelijk is wanneer de mens zijn vermogens gebruikt binnen de grenzen van goddelijke leiding en ethische verantwoordelijkheid. De huidige toestand van de mensheid toont aan dat het loslaten van deze grenzen leidt tot ontwrichting, zowel op individueel als op collectief niveau. Het behoud van menselijke waardigheid, gezondheid en morele stabiliteit vereist daarom een herwaardering van de principes die door de Schepper zijn vastgesteld.
Het is dan ook noodzakelijk dat verstandige en verantwoordelijke individuen zich inzetten voor het formuleren en toepassen van methoden die de menselijke natuur beschermen en versterken. Dit omvat het zorgvuldig omgaan met de fysieke, morele en spirituele vermogens waarmee de mens is begiftigd. De oproep om het menselijk voortplantingsvermogen te beschermen — als “het water van het leven” — dient in dit licht te worden begrepen: als een pleidooi voor het behoud van de essentie van de mensheid en het waarborgen van een gezonde toekomst voor komende generaties.
Moge Allāh Taʿālā de mensheid leiden naar een evenwichtige ontwikkeling waarin kennis, ethiek en spiritualiteit hand in hand gaan, en moge Hij deze inzichten tot een bron van reflectie en verbetering maken. Āmīn.
Bronnen
- Al‑Hindiyyah. (z.j.). Al‑Fatāwā al‑ʿĀlamgīriyya.
- Al‑Qur’ān al‑Karīm. (z.j.).
- Amjadi, A. (z.j.). Bahāre Sharīʿat.
- Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.j.). Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī.
- Ḥaṣkafī, A. ibn Muḥammad. (z.j.). Durr al‑Muḥtār.
- Ibn ʿĀbidīn, M. A. (z.j.). Radd al‑Muḥtār ʿalā al‑Durr al‑Muḥtār.
- Ibn Ḥajar al‑ʿAsqalānī, A. (z.j.). Fatḥ al‑Bārī bi‑Sharḥ Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī.
- Ibn Mājah, M. ibn Yazīd. (z.j.). Sunan Ibn Mājah.
- Jalālayn (al‑Maḥallī, J. & al‑Suyūṭī, J.). (z.j.). Tafsīr al‑Jalālayn.
- Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). Ṣaḥīḥ Muslim.
- Qurṭubī, A. A. (z.j.). Al‑Jāmiʿ li‑Aḥkām al‑Qur’ān.
- Raza Foundation. (z.j.). Fatāwā Razviyya.
- Siddiqui al‑Qādrī, A. A. (z.j.). Bloesem van de jeugd (oorspronkelijke tekst).
- Suyūṭī, J. (z.j.). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān.
- Tirmidhī, M. ibn ʿĪsā. (z.j.). Jāmiʿ al‑Tirmidhī.
