Inleiding
Veel moslims verrichten de namāz (dagelijkse verplichte vijf gebeden), maar zijn niet op de hoogte van de kwaliteit van hun namāz. Helaas zie ik moslims, vooral jongeren, die handelingen in namāz doen die hun namāz ongeldig maken. Daarom heb ik dit boek geschreven door de meeste informatie te vertalen uit Durr-ul-Mukhtar, de toelichting Radd-ul-Mukhtar en andere bronnen. Daarom is wat in dit boek staat van toepassing in de Ḥanafī madhhab.
De makrūh van namāz zijn van twee soorten. Bij gebruik van alleen het woord makrūh betekent het taḥrīmī makrūh (een verbod dat is vastgesteld door dalīl (bewijs) of zann (gevolgtrekking). Iets voor wiens verbod geen bewijs of getuige is, maar dat niet goed is om te doen, heet tanzīhī makrūh. Het is (taḥrīmī) makrūh om de wājib en de muakkad sunnat niet toe te passen en (tanzīhī) makrūh om de (sunnat die niet muakkad zijn) in namāz te volgen (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 4, Hadith 759). Tanzīhī makrūh ligt dichter bij ḥalāl en taḥrīmī makrūh ligt dichter bij ḥarām. Hoewel de namāz uitgevoerd met makrūh ṣaḥīḥ (juist) is, zal het niet maqbool (geaccepteerd) worden, dat wil zeggen, het zal niet de beloofde zegeningen opleveren (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Boek 76, Hadith 1).
Vierenveertig Makrūhāt
De onderstaande makrūh zijn in namāz op zowel de man als de vrouw van toepassing.
- Het is makrūh om je jas over je schouders te draperen in plaats van het erop te zetten. Het is niet makrūh om de voorkant van uw vacht zonder knopen open te laten (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Boek 8, Hadith 355).
- Wanneer je de sajdah (prosterneert) doet, is het makrūh om je rokken of je broekmanchetten omhoog te trekken of op te rollen (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 4, Hadith 759).
- Het is makrūh de namāz te beginnen met uw rokken of mouwen opgerold. Als je in haast wudu maakt zodat je in namāz achter de Imām kan aansluiten en als gevolg daarvan liet je ze opgerold, dan moet je ze langzaam uitrollen tijdens namāz. Evenzo, als het hoofddeksel van een persoon valt terwijl hij namāz uitvoert, kan hij het beter (na de sajdah) terugzetten op zijn hoofd (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Boek 8, Hadith 360).
