Tamhid-e-Imān

Inhoudsopgave

Voor u ligt de Nederlandse uitgave van het boek Tamhid-e-Imān. In dit boek worden de uitspraken van de Wahhābis/Deobandi aan een nadere beschouwing onderworpen. Dit handzame, compacte en bovenal integere boek is bestemd voor eenieder die meer wil weten over het denkpatroon en de uitspraken van de Wahhābis.
De maatschappij waarin wij leven is behoorlijk dynamisch. Dat is ook geen wonder, aangezien de Dag des Oordeels nabij is. Dit vraagt van ons (Ahle Sunnat) meer oplettendheid, vooral met betrekking tot de ouderlijke plicht jegens onze opgroeiende kinderen.

Alahazrat, een hooggeleerde ʿĀlim-e-Dīn en een zeer begaafde mysticus, heeft aan de hand van verzen uit de Heilige Qur’ān en de Ahādīth[1] de buitensporige uitspraken van bovengenoemde sekten weerlegd. Zijn buitengewoon zorgvuldige onderzoek is juridisch van aard.
Alahazrat is geen onbekende voor westerse wetenschappers. In meer dan duizend boeken schrijft hij niet alleen over islamitische wetenschap, maar ook over moderne wetenschappen op academisch niveau. In veel landen, waaronder aan de Universiteit Leiden, wordt wetenschappelijk onderzoek verricht naar de uitzonderlijke kennis van Alahazrat.

Amsterdam, Rabi’il Awwal 1427 (april 2006).

Bismillāhi Rahmānir Raḥīm (Allāh Naam is het begin, Meest Barmhartige, Meest Genadevolle).

Allāh Ta’ālā openbaart:

إِنَّا أَرْسَلْنَاكَ شَاهِدًا وَمُبَشِّرًا وَنَذِيرًا

لِتُؤْمِنُوا بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَتُعَزِّرُوهُ وَتُوَقِّرُوهُ وَتُسَبِّحُوهُ بُكْرَةً وَأَصِيلًا

“Wij hebben U [O Mohammed] uitgezonden als getuige en verkondiger en waarschuwer; opdat de mensheid moge geloven in Allāh en Zijn Boodschappers en dat u Hem mogen vereren en Hem mogen respecteren en Hem mogen verheerlijken, in de morgen en in de avond.” Surah al-Fath (de Overwinning), H48, verzen 8-9

O moslims! Let op: Allāh Ta’ālā openbaart in deze verzen heel duidelijk dat er drie goddelijke intenties zijn om ons het geloof (Imān) van de Islam te schenken en de Heilige Qur’ān aan de Heilige Profeet ﷺ te openbaren. De intenties zijn dat moslims in:

  1. Allāh en Zijn Profeet Mohammed  geloven.
  2. De Profeet Mohammed respecteren en
  3. Allāh Ta’ālā  aanbidden.

O moslims! Neem nota van het verheven Gebod waarin Allāh Ta’ālā drie belangrijke voornemens heeft geopenbaard. Aan het begin vermeldt Allāh Ta’ālā: “Geloof in Hem”, en aan het einde: “Aanbid Hem”. Daartussenin zegt Hij: “Eerbiedig Zijn geliefde Profeet Mohammed ﷺ.”
Dit onthult dat geloof zonder respect voor de Profeet ﷺ van generlei betekenis is. Er zijn veel christenen die boeken hebben geschreven over de grootheid van de Profeet ﷺ, die de beschuldigingen van ongelovigen weerleggen of preken houden over zijn verheven karakter. Toch geloven zij zelf niet in Allāh Ta’ālā. Hun geschriften en literatuur zijn slechts een verschijnsel, geen waarheid.
Als zij daadwerkelijk enige oprechte trouw in hun harten zouden koesteren voor de Profeet ﷺ, dan zouden zij beginnen te geloven in Allāh Ta’ālā. Wie de Profeet ﷺ niet eerbiedigt, zal geen beloning ontvangen in zijn levensloop, noch ware getrouwheid tonen aan Allāh Ta’ālā..

Er zijn vele yogi’s en anderen die afstand hebben genomen van alle wereldse genoegens en hun leven volledig wijden aan het aanbidden van Allāh Ta’ālā. Velen onder hen verkondigen herhaaldelijk: “Er is geen andere god dan Allāh” (Lā Ilāha illAllāh).
Toch is hun aanbidding zinloos zolang zij geen respect tonen voor de Profeet Mohammed ﷺ. Geloof in Allāh Ta’ālā zonder eerbied voor Zijn geliefde Profeet ﷺ mist betekenis en diepgang.

Allāh Ta’ālā  openbaart over deze mensen:

وَقَدِمْنَا إِلَى مَا عَمِلُوا مِنْ عَمَلٍ فَجَعَلْنَاهُ هَبَاء مَّنثُورًا

“En, Wij gaan na wat zij aan werk bedreven hebben en maken het dan tot stofdeeltjes.” Surah al-Furqān (de Schepping), H25 vers 23

Over zulke mensen openbaart Allāh Ta’ālā verder:

عَامِلَةٌ نَّاصِبَةٌ

تَصْلَى نَارًا حَامِيَةً

“Werkend en zwoegend, terwijl zij braden in een heet vuur.” Surah al-Ghāshiyah (de verpletterende gebeurtenis), H88, verzen 3-4

Moge Allāh Ta’ālā ons beschermen. Āmīn!
O moslims, is het eerbiedigen van de Profeet Mohammed ﷺ het eerste vereiste voor geloof en verlossing, of niet?
Ja, dat is absoluut waar. Zonder oprechte eerbied voor de Profeet ﷺ is het geloof incompleet en blijft ware verlossing uit.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

قُلْ إِن كَانَ آبَاؤُكُمْ وَأَبْنَآؤُكُمْ وَإِخْوَانُكُمْ وَأَزْوَاجُكُمْ وَعَشِيرَتُكُمْ وَأَمْوَالٌ اقْتَرَفْتُمُوهَا وَتِجَارَةٌ تَخْشَوْنَ كَسَادَهَا وَمَسَاكِنُ تَرْضَوْنَهَا أَحَبَّ إِلَيْكُم مِّنَ اللّهِ وَرَسُولِهِ وَجِهَادٍ فِي سَبِيلِهِ فَتَرَبَّصُواْ حَتَّى يَأْتِيَ اللّهُ بِأَمْرِه

“Zeg: indien uw vaders en uw zonen en broeders en uw echtgenoten en uw stamgenoten en bezittingen, die U verworven heeft, en koophandel, waarvan U mislukking vreest, en woningen die u behagen, u lieden liever zijn dan Allāh en Zijn Boodschapper en beijverend op Zijn weg, wacht dan af totdat Allāh met Zijn beschikking komt. (Maar) Allāh leidt niet recht de kwaad bedrijvers……” Surah Tawbah (vergiffenis) H9, vers 24

Aan de hand van dit vers[2] leren wij dat degene die een bloedverwant, geliefde persoon, rijkdom of enig ander werelds bezit dierbaarder acht dan Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ, in de ogen van Allāh Ta’ālā verworpen is.
Er bestaat geen mogelijkheid dat Allāh Ta’ālā tevreden met hem zal zijn. Zij moeten wachten op de straf die Allāh Ta’ālā voor hen heeft voorbestemd.
Moge Allāh Ta’ālā ons beschermen. Āmīn.

De geliefde Profeet ﷺ zegt: “Niemand van u zal een moslim worden, indien ik niet dierbaarder voor U ben dan uw ouders, kinderen en overige mensen.”

Uitleg: Deze ḥadīth is overgeleverd door Hazrat Anas bin Mālik al-Ansāri (radi Allāhu ʿanhu) en staat vermeld in zowel Ṣaḥīḥ al-Bukhārī als Ṣaḥīḥ Muslim. Hierin wordt kristalhelder uiteengezet dat degene die iets anders dierbaarder acht dan de Profeet Mohammed ﷺ, nooit een ware moslim kan zijn.
O moslims, is de hoogste gradatie van liefde en eerbied voor de Heilige Profeet ﷺ niet het fundamentele vereiste voor Īmān en redding? Ja, dat is het inderdaad.
Alle moslims die de Kalimah reciteren, accepteren diep in hun hart de liefde en het respect voor de Profeet ﷺ op het hoogste niveau. Ik benadruk dat wij onze Profeet ﷺ meer liefhebben dan onze ouders, kinderen en de rest van de wereld.
Broeders, ik bid tot Allāh Ta’ālā dat Hij deze instelling in ons oneindig moge bestendigen. Neem de volgende Woorden van Allāh Ta’ālā ook zeer aandachtig tot u op.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

أَحَسِبَ النَّاسُ أَن يُتْرَكُوا أَن يَقُولُوا آمَنَّا وَهُمْ لَا يُفْتَنُونَ

“Menen de mensen soms, dat zij vrijgelaten worden te zeggen: ‘wij geloven’, zonder dat zij aan verzoeking worden blootgesteld?” Surah alAnkābut (de spin) H29, vers 2

Het hierboven aangehaalde vers waarschuwt de moslims dat het enkel uitspreken van de Kalimah niet volstaat voor verlossing. Men zal op de proef worden gesteld.
Alleen wie wordt aangemerkt als een oprechte liefhebber van de Profeet Mohammed ﷺ, zal door Allāh Ta’ālā beloond worden als een ware moslim.

Om iets te toetsen, moet eerst worden vastgesteld of het de eigenschappen bezit die daarbij horen. Zoals u hebt kunnen lezen, verduidelijken de Heilige Qur’ān en de Ahādīth dat twee zaken essentieel zijn voor het islamitische geloof: respect voor de Profeet Mohammed ﷺ en een liefdesgraad voor hem die hoger is dan voor wie of wat dan ook.
De juiste methode om deze toets uit te voeren is als volgt: personen die normaliter liefde en respect afdwingen — zoals ouders, leraren, spirituele gidsen, kinderen, broers, vertrouwde vrienden, partners, moulvi (moslimgeleerden), ḥuffāẓ (zij die de Heilige Qur’ān uit het hoofd hebben geleerd), mufti’s (juristen), predikanten enzovoort — dienen beoordeeld te worden op hun eerbied voor de Profeet ﷺ. Als zij deze eerbied niet op het hoogste niveau tonen, dan dient u zich van hen te distantiëren.
U zult hen uit uw leven moeten verwijderen zoals men een vlieg uit een glas melk verwijdert. Ontwijk hen. Hecht geen waarde aan uw relatie of vriendschap met hen. Welke positie zij ook hebben verworven door dienstbaarheid en loyaliteit aan de Profeet ﷺ — indien zij oneerbiedig zijn geworden, verliezen zij die positie. Laat u niet misleiden door religieuze mantels of tulbanden.
Zijn er immers geen joden die mantels en tulbanden dragen? Wat moeten wij doen met uiterlijke verschijning, grote namen en lange titels, als deze niet gepaard gaan met eerbied voor de Profeet ﷺ? Zijn er geen christelijke priesters en filosofen met onmetelijke kennis over Schone Kunsten en andere onderwerpen?

Als zij blijk geven van oneerbiedigheid jegens de Profeet ﷺ en u toch vriendschap met hen onderhoudt — zonder dat er serieuze afschuw in u opkomt — dan zult u op de proef worden gesteld. En klaarblijkelijk: u zult niet slagen.
De Qur’ān en de Ahādīth hebben helder uiteengezet wat de essentiële vereisten zijn van het islamitische geloof. Beslis voor uzelf hoe ver u zich van deze gedragslijnen hebt verwijderd.
O moslims! Zal er iemand onder u zijn die de Profeet ﷺ het meest liefheeft in zijn hart, en toch respect toont voor mensen die hem niet eerbiedigen — zelfs als zij uw spirituele gids, leraar of vader zijn? Zal iemand die de Profeet ﷺ werkelijk liefheeft niet beginnen met het ontwijken van zulke mensen, zelfs als zij uw vriend, broer of zoon zijn?
In Allāh Ta’ālā naam: heb medelijden met uzelf. Luister naar de Woorden van Allāh Ta’ālā. Zie hoe Hij u oproept tot Zijn onbegrensde Barmhartigheid.

Allāh Ta’ālā openbaart

لَا تَجِدُ قَوْمًا يُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ يُوَادُّونَ مَنْ حَادَّ اللَّهَ وَرَسُولَهُ وَلَوْ كَانُوا آبَاءهُمْ أَوْ أَبْنَاءهُمْ أَوْ إِخْوَانَهُمْ أَوْ عَشِيرَتَهُمْ أُوْلَئِكَ كَتَبَ فِي قُلُوبِهِمُ الْإِيمَانَ وَأَيَّدَهُم بِرُوحٍ مِّنْهُ وَيُدْخِلُهُمْ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا عَنْهُ أُوْلَئِكَ حِزْبُ اللَّهِ أَلَا إِنَّ حِزْبَ اللَّهِ هُمُ الْمُفْلِحُونَ

“Niet zult gij bevinden dat lieden, die geloven in Allāh en de Laatste Dag, genegenheid hebben voor wie zich verzetten tegen Allāh en Zijn Boodschapper, ook al waren het hun vaders of hun zoons of hun broeders of hun stamgenoten. Diegenen, in hun harten heeft Allāh het geloof geschreven en Hij heeft hen versterkt met de geest van Hem, en Hij zal hen doen binnengaan in Tuinen, onder welke rivieren stromen, eeuwig levend daarin. Allāh heeft welgevallen aan hen en zij zijn welgevallen aan Hem. Diegenen zijn de partij van Allāh. Is het niet zo, dat de partijen van Allāh welvarender zijn?” Surah al-Mujādilah (de vrouw die zich verdedigt), H58, vers 22

Uitleg: Uit vers 58:22 blijkt dat een moslim geen respect behoort te tonen aan iemand die geen ontzag heeft voor Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ. Hieruit kan worden afgeleid dat wie bewust goede relaties onderhoudt met zulke mensen, niet als een ware moslim beschouwd kan worden.
Om de algemene en definitieve toepassing van dit goddelijke Gebod te benadrukken, worden in het vers expliciet de woorden “vader”, “zoon”, “broer” en “verwanten” genoemd.
Kortom: wie dit Gebod niet opvolgt en dezelfde houding van oneerbiedigheid jegens Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ tolereert — en desondanks in zijn hart dezelfde positie blijft toekennen aan zulke personen — stelt zijn geloof ernstig ter discussie.
Het zou al voldoende zijn geweest indien Allāh Ta’ālā de moslims had verboden om contact te onderhouden met deze mensen. Toch heeft Hij, uit Zijn oneindige Barmhartigheid, u uitgenodigd tot Zijn genade en u rechten verleend op de volgende voordelen [3]:

  1. Allāh Ta’ālā schrijft op uw hart de islamitische Imān. Dit wil zeggen, dat uw naam uiteindelijk zal voorkomen op een memorandum van Allāh Ta’ālā gewijde belofte voor verlossing, omdat wat Allāh Ta’ālā ook schrijft nooit uitgewist wordt. Met andere woorden, u zult uw laatste adem met Imān uitblazen.
  2. Allāh Ta’ālā zal u helpen met Zijn geesteskracht.
  3. Hij zal u naar de beloofde Tuinen leiden waar rivieren stromen.
  4. U zult behoren tot Allāh Ta’ālā ’s gezelschap en u zult de ware geliefde van Allāh Ta’ālā zijn.
  5. U zult krijgen wat u verlangt en u zult veel meer tijd krijgen dan u zich kunt voorstellen.
  6. Bovendien zal Allāh Ta’ālā met u tevreden zijn.
  7. Hij openbaart: “Ik zal zeer tevreden zijn met u en u zult bijzonder tevreden zijn met Mij.”

Voor een mens bestaat er geen grotere zegen dan dat Allāh Ta’ālā tevreden met hem is. Maar de hoogste weldaad is wanneer gezegd kan worden: “Allāh Ta’ālā is zeer tevreden met hen, en zij zijn zeer tevreden met Allāh Ta’ālā.”

O moslims! Spreek de waarheid in naam van Allāh Ta’ālā.
Stel dat iemand miljoenen levens had en hij zou elk daarvan opofferen om deze rijke en bijzondere zegens te verkrijgen — zelfs dan zou u al deze voordelen ontvangen, geheel kosteloos. Ik kan dit onder ede verklaren, want het is de waarheid.
Onder deze omstandigheden is het van groot belang om geen eerbied of liefde te koesteren voor respectloze relaties — zoals Jan, Piet en Klaas — die geen eer tonen aan Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ. Op dit punt heeft Allāh Ta’ālā talloze beloningen beloofd, en Zijn belofte is zonder twijfel waar. Het is gebruikelijk in de Heilige Qur’ān dat gelovigen goede tijdingen van zegens ontvangen, terwijl ongelovigen worden gewaarschuwd met de zweep van kastijding. Dit gebeurt opdat ook de minder moedige mensen — bij wie de overtuigingskracht van beloning niet voldoende werkt — uit angst voor bestraffing het Rechte Pad zullen volgen. Hieronder treft u een vers aan betreffende kastijding.

Allāh Ta’ālā openbaart:

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُواْ لاَ تَتَّخِذُواْ آبَاءكُمْ وَإِخْوَانَكُمْ أَوْلِيَاء إَنِ اسْتَحَبُّواْ الْكُفْرَ عَلَى الإِيمَانِ وَمَن يَتَوَلَّهُم مِّنكُمْ فَأُوْلَـئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ

“O gij, die gelooft, neemt niet tot uw vaders en uw broeders tot verbondenen, indien zij het ongeloof hoger schatten dan het geloof. En wie uwer zich afwenden, dat zijn de onrechtdoeners.” Surah al-Tawbah (berouw), H9, vers 23

En Allāh Ta’ālā  openbaart verder:

يٰأَيُّهَا ٱلَّذِينَ آمَنُواْ لاَ تَتَّخِذُواْ عَدُوِّي وَعَدُوَّكُمْ أَوْلِيَآءَ تُلْقُونَ إِلَيْهِمْ بِٱلْمَوَدَّةِ وَقَدْ كَفَرُواْ بِمَا جَآءَكُمْ مِّنَ ٱلْحَقِّ يُخْرِجُونَ ٱلرَّسُولَ وَإِيَّاكُمْ أَن تُؤْمِنُواْ بِٱللَّهِ رَبِّكُمْ إِن كُنتُمْ خَرَجْتُمْ جِهَاداً فِي سَبِيلِي وَٱبْتِغَآءَ مَرْضَاتِي تُسِرُّونَ إِلَيْهِمْ بِٱلْمَوَدَّةِ وَأَنَاْ أَعْلَمُ بِمَآ أَخْفَيْتُمْ وَمَآ أَعْلَنتُمْ وَمَن يَفْعَلْهُ مِنكُمْ فَقَدْ ضَلَّ سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ

“O gij die gelooft, neemt Mijn vijanden en uw vijanden niet tot vrienden! Biedt gij hun vriendschap aan, hoewel zij de Waarheid die tot u is gekomen hebben verworpen en de boodschapper en uzelf verdrijven, omdat gij in Allāh uw Heer gelooft? Indien gij optreedt om voor Mijn zaak te strijden en Mijn welbehagen te zoeken, zoudt gij hun dan in het geheim vriendschap betuigen? En Ik weet het beste wat gij verbergt en wat gij openbaar maakt. En wie van u zo handelt, is zeker van de rechte weg afgedwaald.” Surah al-Mumtahanah (de vrouw die verhoord zal worden), H60, vers 1

en Allāh Ta’ālā openbaart ook:

لَن تَنفَعَكُمْ أَرْحَامُكُمْ وَلاَ أَوْلاَدُكُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَامَةِ يَفْصِلُ بَيْنَكُمْ وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ

“Noch uw familiebanden noch uw kinderen zullen u op de Dag der Opstanding iets baten. Hij zal over u beslissen. En Allāh ziet alles wat gij doet.” Surah al-Mumtahanah (de vrouw die verhoord zal worden), H60, vers 3

Allāh Ta’ālā  openbaart:

  …………………وَمَن يَتَوَلَّهُم مِّنكُمْ فَإِنَّهُ مِنْهُمْ إِنَّ اللّهَ لاَ يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ

“……. en degenen onder u die met hen vriendschap zal onderhouden behoort tot hun groep. Ongetwijfeld, Allāh geeft aan degenen die met hen contacten onderhouden geen Leiding.” Surah al-Mā’idah (de Tafel), H5, vers 51

Uitleg: In de voorgaande verzen worden respectloze en schaamteloze mensen beschreven als zij die het slechte pad volgen. De laatstgenoemde verzen laten geen ruimte voor twijfel: wie vriendschap onderhoudt met zulke mensen, behoort tot hun groepering en wordt daarmee eveneens als ongelovige beschouwd.
Zij zullen met hetzelfde touw worden vastgebonden als de ongelovigen. Denk niet dat u hen in het geheim kunt ontmoeten, want Allāh Ta’ālā is Alwetend en kent al uw geheimen.
In het volgende vers wordt verwezen naar het touw waarmee de ongelovigen — zij die geen liefde en eerbied tonen voor de Profeet Mohammed ﷺ — zullen worden vastgebonden. Moge Allāh Ta’ālā ons beschermen. Āmīn.

Allāh Ta’ālā  openbaart verder:

وَالَّذِينَ يُؤْذُونَ رَسُولَ اللّهِ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

“Maar degenen die de Profeet van Allāh ongehoorzaam is, voor hen heeft Allāh een zware straf weggelegd.” Surah al-Mā’idah (de Tafel), H5, vers 61

En, Allāh Ta’ālā openbaart verder:

 إِنَّ ٱلَّذِينَ يُؤْذُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُ لَعَنَهُمُ ٱللَّهُ فِي ٱلدُّنْيَا وَٱلآخِرَةِ وَأَعَدَّ لَهُمْ عَذَاباً مُّهِيناً

“Zij, die Allāh en Zijn Profeet krenken, hen vervloekt Allāh in het nabije en het latere leven, en Hij heeft voor hen een vernederende bestraffing bereid.” Surah al-Ahzāb (de samenzweerders), H33, vers 57

Aan de hand van deze verzen worden zeven straffen genoemd voor degene die vriendschappelijke relaties onderhoudt met hen die geen ontzag en liefde tonen voor Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ.

  1. Hij is een bruut.
  2. Hij is afgedwaald van het Rechte Pad.
  3. Hij is een ongelovige.
  4. Een zeer pijnlijke straf is hem voorbestemd.
  5. Hij zal onverbiddelijk lijden in het Hiernamaals.
  6. Hij is onder vervloeking van Allāh Ta’ālā in zowel deze wereld als de volgende.
  7. Hij is een vijand van Allāh Ta’ālā.

Moge Allāh Ta’ālā ons beschermen!

O moslims! Herinnert u zich dat u behoort tot de natie van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ — hij die de leider is van de gehele mensheid. Handel rechtvaardig en beoordeel zelf: zijn de volgende zeven zegens niet beter voor u, indien u afstand neemt van hen die het slechte pad volgen?

  1. De Imān van de Islam zal verstevigen in uw hart.
  2. Allāh Ta’ālā zal uw Helper worden.
  3. Het Paradijs zal uw permanente residentie worden.
  4. U wordt een liefhebber van Allāh Ta’ālā.
  5. U krijgt alles wat u ook maar verlangt.
  6. Allāh Ta’ālā zal zeer tevreden zijn met u.
  7. U zult zeer tevreden zijn met Allāh Ta’ālā.

Of kiest u liever voor de onderstaande zeven straffen die zijn voorbestemd voor de ongelovigen? En zult u deze beledigers van Allāh Ta’ālā en de Heilige Profeet Mohammed ﷺ blijven steunen en aanhouden in uw nabijheid?

  1. U wordt een bruut.
  2. U zult afdwalen van het Rechte Pad.
  3. U wordt een ongelovige.
  4. U zult naar de Hel worden verbannen.
  5. U zult lijden onder belediging en vernedering in het Hiernamaals.
  6. U zult tot de degenen behoren die Allāh Ta’ālā’ s toren over zich uitroepen.
  7. U zult leven onder de vloek van Allāh Ta’ālā in beide werelden.

O Allāh Ta’ālā! Wie zou durven beweren dat de zeven straffen beter zijn? En wie zou zeggen dat de zeven zegens minder waard zijn? Echter, broeders: louter woorden en ijdel gepraat zullen hier niet baten. Deze tijd op aarde is een tijd van beproeving. U hebt zojuist het vers uit de Heilige Qur’ān gelezen en begrepen: “Kan men zich voorstellen, dat zij met rust zullen worden gelaten, omdat zij zeggen gelovig te zijn en dus niet zullen worden beproefd met onheil?”

Imān en Islam gebaseerd op de liefde en eerbied van de Heilige Profeet Mohammed

De Almachtige Allāh wil u beproeven. Hij openbaart dat uw bloedverwanten en vrienden u op de Dag des Oordeels niet kunnen en zullen helpen. Met wie wilt u, nadat u zichzelf aan Allāh Ta’ālā heeft verbonden, vriendschap sluiten? Allāh Ta’ālā is Alwetend: Hij kent uw daden, luistert naar uw woorden en weet wat zich in uw gedachten afspeelt. Gedraag u niet achteloos omwille van anderen. Verspil uw Hiernamaals niet voor wereldse gunsten. Wees niet hardnekkig in zaken die betrekking hebben op Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ. Hij waarschuwt u voor Zijn bestraffing — en niemand kan daaraan ontkomen. Allāh Ta’ālā nodigt u uit tot Zijn Barmhartigheid. Niemand kan een succesvol leven leiden zonder Zijn genade. Alle andere dwalingen zijn slechts misdaden die u de Angst en Straf van Allāh Ta’ālā onthullen. Maar u zult uw geloof (Īmān) niet verliezen. Na de bestraffing voor de begane zonden zal, door de Barmhartigheid van Allāh Ta’ālā of door de bemiddeling van de Heilige Profeet ﷺ, een einde komen aan de bestraffing.

Echter, alles hangt af van het eerbetoon en de liefde voor de Profeet Mohammed ﷺ. Liefde en eerbied voor de Profeet ﷺ vormen de grondbeginselen van Īmān.
U hebt de verzen uit de Heilige Qur’ān gelezen waarin wordt verduidelijkt dat degenen die tekortschieten in het liefhebben en respecteren van de Profeet ﷺ, zowel in deze wereld als in het Hiernamaals door Allāh Ta’ālā vervloekt zullen worden. Als u uw Īmān verliest, zult u worden bestraft — voor eens en altijd, zonder einde. Zij die respectloos zijn tegenover de Profeet ﷺ zullen hun straf ondergaan in het Hiernamaals, en er zal niemand zijn die u kan redden.
Zelfs als zij komen, wat zouden zij kunnen doen? Beslis voor uzelf of u uw leven wilt riskeren door gestraft te worden door Allāh Ta’ālā, enkel omdat u relaties blijft onderhouden met mensen die de Profeet ﷺ niet respecteren en liefhebben.
In de naam van Allāh Ta’ālā: vergeet alle minderwaardige overwegingen en persoonlijke belangen. Denk aan het moment waarop u voor Allāh Ta’ālā zult staan — en aan de Statigheid en Nobelheid die Hij heeft geschonken aan Zijn Profeet ﷺ: Īmān en Islām, die zijn gegrondvest op liefde en respect voor de Profeet ﷺ.

Beslis voor uzelf: Kunt u werkelijk iemand liefhebben die beweert dat de diepzinnigheid van Satans kennis bewezen kan worden aan de hand van de Qur’ān, terwijl hij stelt dat er in de Qur’ān geen bewijs te vinden is voor de intelligentie en geleerdheid van de Profeet Mohammed ﷺ? Heeft deze respectloze persoon de Heilige Profeet ﷺ daarmee niet beledigd?

Heeft deze persoon niet respectloos beargumenteerd dat de kennis van Satan groter zou zijn dan die van de Profeet Mohammed ﷺ?
O moslims! Zeg tegen zulke respectloze en vulgaire mensen: “Jij bent met jouw kennis gelijkwaardig aan Satan.” Observeer of deze persoon zich beledigd voelt, nu hij weet dat zijn kennis als gelijkwaardig aan die van Satan wordt beschouwd.
Als het karakteriseren van iemands kennis als gelijk aan die van Satan als beledigend wordt ervaren, is het dan geen belediging van de Profeet ﷺ om te beweren dat zijn kennis minderwaardig is aan die van Satan? En als deze respectloze persoon zegt zich niet te kunnen verenigen met uw uitspraak — dat hij vergeleken wordt met Satan — verlaat hem dan.

Dit is het standpunt van een kāfir

Als u deze bewering van de kāfir als testcase wilt gebruiken, ga dan naar de rechtbank en zeg tegen de rechter: “De Satan heeft meer kennis dan u.”
De zaak zal onmiddellijk kristalhelder worden, want dit is een rechtstreekse belediging. Vertel mij: is het beledigen van de Profeet Mohammed ﷺ geen daad van godslastering? Ja, dat is het onverkort.
Iemand die beweert dat de kennis van Satan uit de Qur’ān blijkt en dat deze groter is dan die van de Profeet ﷺ, handelt onmiskenbaar als een ongelovige.
Bovendien beweert deze respectloze persoon dat het beschouwen van de Profeet als hooggeleerd en hoogbegaafd zou neerkomen op het gelijkstellen van de Profeet aan Allāh Ta’ālā. Deze persoon zal moeten verklaren welk Īmān hij bezit, want hij lijkt Satan te respecteren als deelgenoot van Allāh Ta’ālā.
Als men beweert dat “A” op specifieke gronden een deelgenoot is van Allāh Ta’ālā, dan volgt logisch dat “B” — op dezelfde gronden — ook als deelgenoot wordt beschouwd. Maar het is een fundamenteel geloofsfeit dat Allāh Ta’ālā de absolute Eenheid is en dat Hij geen deelgenoten heeft.
Als iemand beweert dat de Profeet Mohammed ﷺ deelgenoot zou worden van Allāh Ta’ālā vanwege zijn diepe kennis, dan impliceert men dat deze eigenschap exclusief aan Allāh Ta’ālā toebehoort. Hoe komt het dan dat deze respectloze persoon dezelfde eigenschap — diepgaande kennis — toeschrijft aan Satan?
Het is overduidelijk dat hij Satan als deelgenoot van Allāh Ta’ālā heeft verklaard.
O moslims! Is dit geen belediging van Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ?
Zeer zeker, dat is het. Het beledigen van Allāh Ta’ālā impliceert het toekennen van deelgenoten aan Hem. En wie is deze vermeende deelgenoot? Iblīs — de vervloekte Iblīs — wordt dan erkend als Zijn deelgenoot. Aan de andere kant: het beledigen van de Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā impliceert het verheffen van Iblīs boven de Profeet ﷺ, en het toeschrijven van goddelijke eigenschappen aan Iblīs. Maar als diezelfde eigenschappen aan de Profeet ﷺ worden toegeschreven, zou men hem — volgens deze redenering — als deelgenoot van Allāh Ta’ālā beschouwen. O moslims! Is iemand die Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ beledigt geen ongelovige? Ja zeker, dat is hij.

Heeft deze respectloze persoon niet beweerd dat kennis van het onzichtbare geen bijzondere eigenschap is van de Profeet Mohammed ﷺ, omdat — volgens hem — dergelijke kennis ook wordt beheerst door willekeurige mensen zoals Jan, Piet of Klaas, en zelfs door geesteszieken en dieren? Heeft hij daarmee geen ongepaste en denigrerende taal gebruikt jegens de Heilige Profeet ﷺ? Kan men werkelijk stellen dat de Profeet Mohammed ﷺ slechts beschikte over dezelfde kennis van het onzichtbare als ieder ander mens of dier?

O moslim! O lid van de gemeenschap van de Profeet Mohammed ﷺ! Ik leg een eed op uw religie en Īmān en vraag u: bestaat er nog steeds geen twijfel bij u dat het gebruik van ongepaste taal goddeloos is en een directe belediging vormt?
Moge Allāh Ta’ālā ons vergeven. Heeft het respect voor de Profeet Mohammed ﷺ geen plaats meer in uw hart, dat u geen afkeer toont van zulke grievende taal — taal die de persoonlijkheid van de Profeet beledigt? Als u nog steeds niet overtuigd bent, ga dan naar deze respectloze mensen en spreek hen aan over zichzelf, hun leraren en hun spirituele gidsen.
Zeg tegen hen: “Luister, u beschikt slechts over de kennis van een varken; uw leraren bezitten de kennis van een hond; uw spirituele gidsen hebben slechts de kennis van een ezel.” Kortom: hun kennis is gelijkwaardig aan die van een uil, een ezel, een hond of een varken.
Observeer of zij deze karakterisering accepteren. Zij zullen het als een belediging ervaren — en mogelijk zullen zij u verwijten dat u zulke respectloze taal tegen hen hebt gebruikt. Als zij deze woorden als belediging beschouwen, hoe kan het dan geaccepteerd worden dat zij soortgelijke beledigingen richten aan onze Profeet Mohammed ﷺ? Moge Allāh Ta’ālā mij vergeven.
Is de waardigheid van de Profeet Mohammed ﷺ minder dan — of zelfs gelijk aan — die van deze mensen? Is dit wat u Īmān noemt?
Grote Genade! Een respectloze persoon beweert dat iedereen wel iets weet van het geheim van een ander, en dat de mens om die reden gekenmerkt moet worden als bezitter van kennis over het onzichtbare. Maar is het toekennen van ʿIlm al-Ghayb aan ieder willekeurig mens niet een ernstige miskenning van de unieke positie van de Profeet ﷺ?

Met het oog op dit argument, waarbij Jan het initiatief neemt om alle mensen bijeen te roepen die beweren kennis te hebben van het onzichtbare, rijst de volgende vraag: Wordt kennis van het onzichtbare beschouwd als een bijzondere eigenschap van de Profeet Mohammed ﷺ?

Wanneer wordt beweerd dat iedere gelovige — en zelfs iedere ongelovige — afzonderlijk beschikt over deze eigenschap, hoe kan deze dan nog worden beschouwd als een bijzondere eigenschap van het profeetschap? En indien deze veronderstelling niet wordt gedaan, dan is het noodzakelijk om het onderscheid te verklaren tussen een Profeet ﷺ en een gewoon mens.

Hier is een man die het verschil niet kent tussen de Profeten van Allāh Ta’ālā en dieren of geesteszieken, en die ongepaste taal gebruikt jegens de Geliefde Boodschapper van Allāh Ta’ālā. Heeft hij door op deze wijze te spreken niet openlijk de Woorden van Allāh Ta’ālā verworpen en weerlegd?

Allāh Ta’ālā openbaart:

وَأَنزَلَ اللّهُ عَلَيْكَ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَعَلَّمَكَ مَا لَمْ تَكُنْ تَعْلَمُ وَكَانَ فَضْلُ اللّهِ عَلَيْكَ عَظِيمًا

“En, Allāh heeft op U neergezonden het Schrift en de Wijsheid en heeft u onderwezen wat gij niet wist. En Allāh Ta’ālā’ s genade jegens u is ontzaglijk.” Surah an-Nisā’ (de vrouwen), H4, vers 113

وَإِنَّهُ لَذُو عِلْمٍ لِّمَا عَلَّمْنَاهُ وَلَـكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لاَ يَعْلَمُونَ

“En hij [profeet Jakoep] was welbekend met wat Wij hem onderwezen hadden, maar de meeste der mensen weten niet.” Surah Yusuf, H12, vers 68

فَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةً قَالُوا لَا تَخَفْ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَامٍ عَلِيمٍ

“Engelen hebben aan Ibrahim de boodschap gebracht over een nog te geboren geleerde [profeet Ishāq].“ Surah az-Zāriyāt (de wind die verspreid), H51, vers 28

وَعَلَّمْنَاهُ مِن لَّدُنَّا عِلْمًا

“En, aan wie [profeet Khizr] Wij kennis van Ons hadden onderwezen.” Surah al-Kahf (de grot), H18, vers 65

De kennis van de Profeet is de gelijke van Jan, Piet of Klaas

Er zijn vele verzen in de Heilige Qur’ān die aangeven dat Allāh Ta’ālā kennis heeft geschonken aan Zijn Profeten, waardoor hun wijsheid is toegenomen. Deze bijzondere kennis is niet gegeven aan gewone mensen. Stel nu dat men de naam “Jan” vervangt door “Allāh Ta’ālā” en “absolute kennis” door “kennis van het onzichtbare”. Het spreekt voor zich dat eenvoudige kennis door ieder dier kan worden beheerst. Bekijk nu hoe de verklaring van deze respectloze persoon de Woorden van Allāh Ta’ālā verwerpt. Met andere woorden: deze persoon heeft een positie ingenomen tegen Allāh Ta’ālā en beweert dat de Profeet Mohammed ﷺ en de andere Profeten — in het licht van Allāh Ta’ālā — slechts bezitters zijn van kennis die ook door gewone mensen wordt gedragen. Maar wat voor soort kennis bezitten zij dan? Is het kennis die slechts gedeeltelijk is, over een specifiek onderwerp?
Dan is het niets bijzonders, want zulke kennis kan ook worden toegeschreven aan Jan, Piet, Klaas, geesteszieken en dieren. Onder deze omstandigheden, als Allāh Ta’ālā iedereen een “knappe kop” zou noemen, rijst de vraag waarom Hij kennis dan als een kwalitatieve eigenschap van Zijn Profeten benoemt. Een eigenschap die niet te onderscheiden is van die van een gelovige of een gewoon mens, kan niet worden beschouwd als een unieke eigenschap van het profeetschap. En als dit vermoeden niet bestaat, dan is het noodzakelijk om het verschil tussen een Profeet en een gewoon mens te verklaren. In het geval dat het om volmaakte kennis gaat — kennis die geen enkele lering of wetenschap uitsluit — dan is de verwerping van deze persoon feitelijk en intellectueel weerlegd. Daarmee is dit onderwerp afgesloten.

Er is geen verschil tussen de Profeet en dieren

Het is dus bewezen dat alle verzen van Allāh Ta’ālā de onlogische argumenten van respectloze mensen verwerpen. O moslims! U hebt gelezen dat deze vulgaire personen niet alleen beledigende taal hebben gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ, maar ook de Woorden van Allāh Ta’ālā hebben verworpen.
Het is niet verbazingwekkend dat iemand die de Woorden van Allāh Ta’ālā verwerpt, vervalst, negeert en onder zijn voeten vertrapt, de kennis van het onzichtbare die aan de Profeet ﷺ is geschonken, vergelijkt met de kennis van geesteszieken en dieren. Deze persoon heeft zijn ogen gesloten voor Īmān, Islām en menselijkheid, en beweert dat er geen verschil bestaat tussen een Profeet en een dier. Vraag hem: geldt zijn beledigende uitspraak over de Profeet ﷺ ook voor zijn eigen leraren, kameraden en spirituele gidsen? Zo niet, waarom niet? En indien wel, wat is dan de rechtvaardiging? Vraag deze respectloze persoon wanneer hij ons toestaat een eenvoudige vraag te stellen. Over het algemeen worden mensen zoals u aangesproken als geleerden, religieuze leiders en spirituele gidsen. Dieren zoals honden en varkens worden echter niet met deze titels aangeduid. Mensen tonen u waardering, kussen uw handen en voeten, maar behandelen dieren zoals uilen en ezels niet op dezelfde manier. Wat is hiervan de reden? U bezit geen volmaakte kennis over alles, en kennis in beperkte mate is niets bijzonders. Volgens uw eigen uitspraak beschikken zelfs uilen, honden en varkens over aanmerkelijke kennis.
Op basis daarvan zouden deze dieren ook als geleerden, religieuze leiders en spirituele gidsen kunnen worden beschouwd. Als u veronderstelt dat dieren niet als geleerden kunnen worden aangeduid, rijst de vraag waarom kennis dan als een van uw bijzondere prestaties wordt beschouwd. Volgens uw eigen redenering is de mens niets bijzonders, omdat dieren zoals ezels, honden en varkens ook kennis bezitten. Waarom zou kennis dan op aarde worden beschouwd als een unieke menselijke prestatie? In het licht van uw eigen verklaring is het essentieel dat u het verschil verklaart tussen uzelf en een ezel, een hond en een varken. Daarmee is dit discussiepunt afgesloten.

O moslims! Indien u bovenstaande vragen stelt aan deze brutale mensen, zult u merken welke grove en respectloze woorden zij hebben gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ. Bovendien hebben zij vele verzen uit de Heilige Qur’ān verworpen.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيراً مِّنَ الْجِنِّ وَالإِنسِ لَهُمْ قُلُوبٌ لاَّ يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُنٌ لاَّ يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ آذَانٌ لاَّ يَسْمَعُونَ بِهَا أُوْلَـئِكَ كَالأَنْعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ أُوْلَـئِكَ هُمُ الْغَافِلُونَ

“En voor Jahannam hebben Wij geschapen velen van de djinn en de mensen welke harten hebben, waarmede zij niet verstandig denken, en welke ogen hebben, waarmede zij niet zien, en welke oren hebben, waarmede zij niet horen. Diegenen zijn als de kuddedieren, neen, zij dwalen nog erger. Diegenen, dat zijn de onachtzamen.” Surah al-A’rāf (de stadsmuur), H7, vers 179

 فَهَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا سُنَّتَ الْأَوَّلِينَ  

عَاقِبَةُ الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ وَكَانُوا أَشَدَّ مِنْهُمْ قُوَّةً وَمَا كَانَ اللَّهُ لِيُعْجِزَهُ مِن شَيْءٍ فِي السَّمَاوَاتِ وَلَا فِي الْأَرْضِ

“Kijk eens, degenen die hun verlangen als hun ‘god’ hebben gemaakt. Zult u de verantwoordelijkheid van deze mensen op u nemen? Of hebt u het vermoeden dat velen uit hen horen en verstandig zijn? Neen, neen, zij zijn kuddedieren, maar veel erger nog zij zijn gedwaald.” Surah al-Fātir (de Schepper), H35, verzen 43 en 44

Kennis van de tegenstanders van de Profeet is gelijkwaardig aan die van de dieren

Deze respectloze mensen erkennen dat de kennis van de Profeet Mohammed ﷺ gelijkwaardig zou zijn aan die van viervoetige dieren. Vraag hen nu of hun eigen kennis gelijkwaardig is aan die van de Profeet ﷺ. Zij zullen niet direct “ja” zeggen — want als zij dat doen, verklaren zij zichzelf als gelijkwaardig aan viervoetige dieren. Zij zijn immers mensen, en zullen zich diep schamen voor deze vergelijking. Vraag hen ook naar hun leraren, religieuze leiders en spirituele gidsen: Is er ooit iemand geweest met meer kennis dan anderen, of zijn zij allen gelijkwaardig in kennis? Uiteindelijk zullen zij toegeven dat hun leraren grotere kennis bezitten dan zijzelf. De conclusie — op basis van hun eigen redenering — is dan dat hun leraren gelijkwaardig zijn aan viervoetige dieren, en dat zijzelf nog minder begaafd zijn. Dit is precies waarom zij leerlingen zijn geworden. Volgens de algebraïsche regel: Indien een persoon minder is dan “A”, en “A” en “B” zijn gelijkwaardig, dan is die persoon ook minder dan “B”. Aldus zijn deze respectloze mensen — in het licht van hun eigen verklaringen — verder verwijderd van waardigheid dan viervoetige dieren. Zij behoren tot de categorie mensen die worden beschreven in het volgende vers:

Allāh Ta’ālā  openbaart:

فَأَذَاقَهُمُ اللَّهُ الْخِزْيَ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَلَعَذَابُ الْآخِرَةِ أَكْبَرُ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ

“Toen deed Allāh hen smaken de vernedering in het nabije leven; maar de bestraffing van het latere is waarlijk groter, indien zij het slechts wisten.” Surah az-Zumar (de groepen), H39, vers 26

Allāh Ta’ālā kan leugens vertellen

O moslims! Ik heb uitvoerig gediscussieerd over de verklaringen van de kāfir betreffende de ongepaste taal die zij gebruiken jegens de Profeten — en in het bijzonder tegen de laatste Profeet Mohammed ﷺ. Maar nog ernstiger zijn hun geschreven uitspraken, waarin zij een opzettelijke aanval hebben gedaan om Allāh Ta’ālā te vernederen. Deze respectloze mensen beweren dat er een mogelijkheid bestaat dat Allāh Ta’ālā — bij toeval — ooit een leugen zou hebben verteld. Dit impliceert dat zij geloven dat Allāh Ta’ālā een leugenaar is, dat Hij leugens heeft geuit en blijft openbaren. Sommigen binnen de islamitische gemeenschap stellen dat deze mensen de verzen van de Qur’ān slechts verkeerd hebben geïnterpreteerd, en daarom niet als ongelovigen mogen worden beschouwd. Maar dit is een ernstige vergissing. Degenen die beweren dat er geen strenge rechtspraak op hen van toepassing zal zijn, handelen onrechtvaardig. Deze kwestie is niet nieuw: ook de geleerden uit het verleden verschilden van mening over dergelijke uitspraken.

Degenen die beweren dat deze respectloze uitspraken slechts kleine meningsverschillen zijn — vergelijkbaar met de verschillen tussen Hanafi- en Shāfiʿī-denkscholen over het vouwen van de handen onder of boven de navel — redeneren onjuist. Het benoemen van Allāh Ta’ālā als waarheidsgetrouw of als leugenaar is een veel ernstiger zaak dan rituele verschillen binnen de fiqh.
Kortom: iemand die Allāh Ta’ālā uitmaakt voor leugenaar, kan niet worden beschouwd als een gedwaalde of een zondaar. Deze respectloze mensen hebben openlijk beweerd dat Allāh Ta’ālā — bij toeval — een leugen heeft geopenbaard.

Ik, Alāhazrat, zeg het volgende: Hoe kan iemand nog als moslim worden beschouwd nadat hij een anti-islamitische verklaring heeft verkondigd?
En hoe kan iemand die zulke respectloze mensen als moslims erkent, zelf nog moslim blijven? O moslims! In de naam van Allāh Ta’ālā, vertel mij in alle rechtvaardigheid: wat is Īmān?
Īmān is het getuigen dat Allāh Ta’ālā Groot en Waarheidsgetrouw is. De tegenstelling van waarheid is leugen. Wie beweert dat Allāh Ta’ālā leugens heeft geopenbaard, vernietigt daarmee het islamitische geloof. Als het geloof ongeschonden zou blijven nadat men een leugen aan Allāh Ta’ālā toeschrijft — wie weet dan nog waar Īmān werkelijk voor staat? Waarom noemen wij astrologen, Hindoes, Christenen en Joden ongelovigen? Omdat zij hun goden als leugenachtig beschouwen en de Woorden van Allāh Ta’ālā niet als waarheid accepteren — omdat zij Hem niet kennen. U zult geen ongelovige vinden die Allāh Ta’ālā erkent als de ware Allāh, Zijn Woorden als goddelijke openbaring aanvaardt, en Hem toch openlijk een leugenaar noemt. Kortom: geen rechtvaardig mens kan twijfelen aan het feit dat deze respectloze mensen zware beledigingen en ongepaste taal hebben gebruikt jegens Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ. Dit is het moment waarop Allāh Ta’ālā ons beproeft. Vrees Allāh Ta’ālā, de Almachtige, en handel in het licht van de bovengenoemde Qur’ān-verzen.
Uw ware Īmān zal uw hart vervullen met afkeer jegens deze respectloze mensen.
Uw geloof zal u niet toestaan partij te kiezen tegen Allāh Ta’ālā en Zijn geliefde Profeet ﷺ. U zult hen niet volgen, maar hen ontwijken. Handel rechtvaardig in de naam van Allāh Ta’ālā! Als iemand uw moeder, vader, leraar of spirituele gids uitscheldt — zult u hem dan verdedigen met verzonnen en onnozele argumenten? Als u als mens enige waardigheid bezit en genegenheid koestert voor uw ouders, zult u deze respectloze mensen ontwijken — zelfs hun schaduw.
U zult hen beschouwen als vijanden, en niemand zal hen proberen te beschermen. Zet nu uw moeder en vader in de ene schaal, en uw Īmān in Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ in de andere schaal van de weegschaal. Als u een moslim bent, zult u de eer van Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ hoger achten dan de genegenheid voor uw ouders. U zult uw liefde voor uw ouders als gering beschouwen in vergelijking met uw liefde voor Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ.
Het is dus uw plicht — zelfs duizendmaal uw plicht — om deze respectloze mensen te ontwijken, ver uit hun buurt te blijven, en hen uw afkeuring te tonen.
Zelfs duizendmaal meer dan wanneer iemand uw ouders zou krenken.
Zo zult u behoren tot degenen aan wie Allāh Ta’ālā de zeven zegens heeft beloofd.
O moslims! Uw nederige sympathisant hoopt dat de verzen van de Heilige Qur’ān van onze enige en Almachtige Allāh Ta’ālā voldoende zijn, zodat verdere verklaringen en argumenten overbodig worden. Uw Īmān zal u dwingen deze respectloze mensen tegen te spreken — zoals Allāh Ta’ālā heeft gesproken over de natie van de Profeet Ibrāhīm (ʿalayhis salām) — met de bedoeling u een ethische les te leren.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

 قَدْ كَانَتْ لَكُمْ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ فِيۤ إِبْرَاهِيمَ وَٱلَّذِينَ مَعَهُ إِذْ قَالُواْ لِقَوْمِهِمْ إِنَّا بُرَءآؤُاْ مِّنْكُمْ وَمِمَّا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ كَفَرْنَا بِكُمْ وَبَدَا بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمُ ٱلْعَدَاوَةُ وَٱلْبَغْضَآءُ أَبَداً حَتَّىٰ تُؤْمِنُواْ بِٱللَّهِ وَحْدَهُ إِلاَّ قَوْلَ إِبْرَاهِيمَ لأَبِيهِ لأَسْتَغْفِرَنَّ لَكَ وَمَآ أَمْلِكُ لَكَ مِنَ ٱللَّهِ مِن شَيْءٍ رَّبَّنَا عَلَيْكَ تَوَكَّلْنَا وَإِلَيْكَ أَنَبْنَا وَإِلَيْكَ ٱلْمَصِيرُ

رَبَّنَا لاَ تَجْعَلْنَا فِتْنَةً لِّلَّذِينَ كَفَرُواْ وَٱغْفِرْ لَنَا رَبَّنَآ إِنَّكَ أَنتَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ

لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِيهِمْ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ لِّمَن كَانَ يَرْجُو ٱللَّهَ وَٱلْيَوْمَ ٱلآخِرَ وَمَن يَتَوَلَّ فَإِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلْغَنِيُّ ٱلْحَمِيدُ

“Er was toch voor u lieden een schoon voorbeeld in Ibrahim en hen, die met hem waren. Toen zij zeiden tot hun volk: ‘wij zijn los van u lieden en wat gij dient buiten Allāh; wij zijn ongelovig aan u lieden, en tussen ons en u is er vijandschap en haat voortdurend’, zolang gij niet gelooft in Allāh alleen. Er was waarlijk voor u in hen een schoon voorbeeld, voor wie degenen die in Allāh  en de Laatste Dag geloven. Maar zo een zich afwendt welnu dan is Allāh geen belang bij, de Lofwaardige.” Surah al-Mumtahanah (de beproeving), H60, verzen 4-6

Allāh Ta’ālā openbaart dat Zijn Profeet Ibrāhīm Khalīlullāh (ʿalayhis salām) en zijn metgezellen hun banden met hun volk verbraken omwille van Allāh Ta’ālā. Zij werden vijanden van hun eigen natie en toonden hun afkeuring — uit zuivere toewijding aan de Waarheid. Zo zult ook u moeten handelen tegenover deze respectloze mensen. U zult hen moeten zeggen dat u uw relatie met hen verbreekt. Houd daarbij in gedachten dat Allāh Ta’ālā volkomen onafhankelijk is.
Zoals deze respectloze mensen vijanden zijn geworden van Allāh Ta’ālā, zo zult ook u hun vijand worden. Uw goede of slechte daden hebben geen invloed op de positie van Allāh Ta’ālā. Er zijn vele vijanden van de Waarheid — en als u het Rechte Pad niet volgt, zult u hun bondgenoot worden. Allāh Ta’ālā heeft u dit alles geopenbaard in uw eigen belang, want Hij is Zelf onafhankelijk van alles wat bestaat. Zijn Eigenschappen zijn de hoogste en de meest volmaakte in hun eigen recht.

Wanneer Allāh Ta’ālā iemand wil helpen, schenkt Hij hem de moed om goede daden te verrichten. Niettemin zien wij hier twee groepen mensen die om vergeving vragen, terwijl zij weigeren deze goddelijke geboden na te leven.

De eerste groep

Gelijkenis met een ezel die boeken draagt

Argeloze en onontwikkelde mensen geven doorgaans twee soorten excuses.
Het eerste excuus is dat zij hun verantwoordelijkheid afschuiven op hun leraar, vriend of een ander persoon. Maar u hebt het antwoord van Allāh Ta’ālā reeds gelezen in de Heilige Qur’ān: Zelfs uw vader mag geen overweging zijn indien u op de Dag des Oordeels de straf van Allāh Ta’ālā wilt ontlopen. Het tweede excuus is dat deze respectloze mensen religieuze leiders zouden zijn, en dat niemand hen mag bestempelen als ongelovigen of slechte mensen.
Het antwoord hierop luidt als volgt:

Allāh Ta’ālā openbaart:

أَفَرَأَيْتَ مَنِ اتَّخَذَ إِلَهَهُ هَوَاهُ وَأَضَلَّهُ اللَّهُ عَلَى عِلْمٍ وَخَتَمَ عَلَى سَمْعِهِ وَقَلْبِهِ وَجَعَلَ عَلَى بَصَرِهِ غِشَاوَةً فَمَن يَهْدِيهِ مِن بَعْدِ اللَّهِ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

“Zie dan eens, Wie zijn eigen lust tot zijn god maakt, en wie Allāh doet dwalen in volle kennis daarvan, en wiens oor en hart Hij verzegeld heeft en op wiens blik Hij een sluitdoek heeft gelegd, wie zal zo een, na Allāh, nog kunnen recht leiden?” Surahal-Jāthiyah (het knielen), H45, vers 23

مَثَلُ الَّذِينَ حُمِّلُوا التَّوْرَاةَ ثُمَّ لَمْ يَحْمِلُوهَا كَمَثَلِ الْحِمَارِ يَحْمِلُ أَسْفَارًا بِئْسَ مَثَلُ الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِ اللَّهِ وَاللَّهُ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ

“De gelijkenis van hen, wie de Taurah te dragen is gegeven, en haar daarna niet hebben willen dragen, is als de gelijkenis van de ezel, die boeken draagt. Kwaad is de gelijkenis der lieden, die de tekenen Allāh voor leugen verklaren. En Allāh leidt niet recht de onrecht doende lieden.” Surah al-Jumu’ah (het vrijdaggebed), H62, vers 5

وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ الَّذِيَ آتَيْنَاهُ آيَاتِنَا فَانسَلَخَ مِنْهَا فَأَتْبَعَهُ الشَّيْطَانُ فَكَانَ مِنَ الْغَاوِينَ

وَلَوْ شِئْنَا لَرَفَعْنَاهُ بِهَا وَلَـكِنَّهُ أَخْلَدَ إِلَى الأَرْضِ وَاتَّبَعَ هَوَاهُ فَمَثَلُهُ كَمَثَلِ الْكَلْبِ إِن تَحْمِلْ عَلَيْهِ يَلْهَثْ أَوْ تَتْرُكْهُ يَلْهَث ذَّلِكَ مَثَلُ الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُواْ بِآيَاتِنَا فَاقْصُصِ الْقَصَصَ لَعَلَّهُمْ يَتَفَكَّرُونَ

سَاء مَثَلاً الْقَوْمُ الَّذِينَ كَذَّبُواْ بِآيَاتِنَا وَأَنفُسَهُمْ كَانُواْ يَظْلِمُونَ

مَن يَهْدِ اللّهُ فَهُوَ الْمُهْتَدِي وَمَن يُضْلِلْ فَأُوْلَـئِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ

“Vertel aan hen hun eigen verklaring waarover Wij onze tekenen gegeven hadden en die zich toen daaraan onttrok, waarop de Satan hem vervolgde, zodat hij werd tot een der gedwaalde.

En zo Wij gewild hadden, zouden Wij hem verhoogd hebben daardoor, maar hij neigde naar de aarde en volgde zijn lust. Zijn gelijkenis is als die van een hond, die zijn tong laat hangen, om het even of men hem wegjaagt of wel met rust laat; dat is de gelijkenis van de lieden, die Onze tekenen voor leugen verklaren. Houd hun dus de vertelling voor, opdat zij wellicht tot nadenken komen. Slecht is de gelijkenis der lieden, die Onze tekenen voor leugen verklaren en zichzelf onrecht doen. Wie Allāh leidt, die is het recht geleide, maar wie Hij doet dwalen, diegenen zijn de verliezers.” Surah al-A’rāf (de verheven plaatsen), H7, verzen 175-178

Kennis kan geen leiding garanderen

Dit impliceert dat leidinggeven niet afhankelijk is van kennis, maar voortkomt uit de kracht en wil van Allāh Ta’ālā. De betreffende verzen uit de Heilige Qur’ān veroordelen geleerden die zijn afgeweken van het rechte pad. Er zijn bovendien andere verzen en Ahādīth van de Profeet ﷺ die spreken over deze dwalende geleerden. Het onderwerp is zo ernstig dat — volgens een Hadith— de engelen van de hel deze respectloze geleerden als eersten zullen grijpen, nog vóór de afgodendienaren. Deze zogenaamde geleerden zullen protesteren: “Waarom worden wij eerst gegrepen, en niet de afgodendienaren?”
Het antwoord van Allāh Ta’ālā zal zijn: “Degenen die weten en zij die niet weten zijn niet gelijk.” Surah al-Zumar, H39, vers 9

Broeders! Wij respecteren de geleerden, omdat wij hen beschouwen als opvolgers van de Profeet Mohammed ﷺ. De trouwe en wettige opvolger van de Profeet ﷺ is degene die het Rechte Pad volgt. Een respectloze persoon die het verkeerde pad bewandelt, is eerder een volgeling van de Satan dan van de Profeet ﷺ. Het respecteren van een waarheidsgetrouwe geleerde betekent het eerbiedigen van de Profeet ﷺ. Het respecteren van een respectloze geleerde is gelijk aan het respecteren van de Satan. Iemand die zelf niet op het Rechte Pad loopt, kan een ander niet op dat pad brengen. De geleerden van de ongelovigen kunnen niet worden erkend als leiders van de moslimgemeenschap. Een geleerde die ongepaste taal gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ is een ongelovige.
Hij verdient geen respect van de moslimgemeenschap.
O mijn broeders! Kennis is waardevol wanneer zij de Īmān versterkt. Anderzijds zijn hindoeïstische en christelijke geleerden binnen hun eigen gemeenschappen ook eminente denkers. Iblīs was een respectabele geleerde — hij stond bekend als leraar van de engelen, wat betekent dat hij kennis aan hen verschafte. Toch eerbiedigt geen enkele moslim hem. Hij werd vervloekt. [5] en afgewezen toen hij weigerde te knielen voor het Licht van de Profeet Mohammed ﷺ , dat scheen op het voorhoofd van Hazrat Adam (alayhis salām).

Sindsdien hebben de vooraanstaande leerlingen zich van hem afgekeerd. Zij vervloeken hem. Ieder jaar wordt Iblīs gedurende de maand Ramadān in ketenen gelegd. Op de Dag des Oordeels zullen zij hem in de hel werpen. Hieruit begrijpen wij dat kennis en status tekortschieten om iemand te redden die de Profeet ﷺ vernedert.
Broeders! Het is overduidelijk dat een moslim diep respect moet tonen voor Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ. De regel is dat een moslim niemand — geen broer, vriend of enig ander — meer mag liefhebben of respecteren dan Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ. Moge Allāh Ta’ālā ons leiden en helpen om trouwe moslims te worden, door Zijn Barmhartigheid en door de Lof van Zijn geliefde Profeet ﷺ. Āmīn.

De tweede groep

Geen Verlossing door Tauhid alleen

De vijanden van uw Īmān, die niet handelen conform de regels van het geloof, proberen te ontsnappen aan het etiket “ongelovige” door de Islam, de Qur’ān, Allāh Ta’ālā, de Profeten en onze Īmān belachelijk te maken. Zij vertellen sprookjes in de geest van Iblīs, zodat mensen gaan geloven dat er geen noodzaak bestaat om te handelen naar de essentiële waarden van het geloof.
Zij willen dat de Islam wordt gereduceerd tot een papegaaiachtige uiting van de Kalimah. Een mens hoeft volgens hen slechts de Kalimah te reciteren — en het zou er niet toe doen of hij daarna Allāh Ta’ālā een leugenaar noemt of vernederende taal gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ. Toch blijft hij beweren dat hij een moslim is.

Allāh Ta’ālā openbaart:

بَل لَّعَنَهُمُ اللَّه بِكُفْرِهِمْ فَقَلِيلاً مَّا يُؤْمِنُونَ

“Neen, gevloekt heeft Allāh hen wegens hun ongeloof, zodat hun geloof gering was.” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, vers 88

Moslims! De antagonisten — vijanden van de Islam — verkondigen satanische en bedrieglijke argumenten met de duivelse intentie om mensen te misleiden en het Īmān in de Enige en Almachtige Allāh Ta’ālā te verzwakken. Hun eerste bedrieglijke argument betreft hun uitlating over de Kalimah. In de Hadith lezen wij de overlevering: “Hij die zegt: ‘Er is geen god dan Allāh Ta’ālā’, zal het Paradijs binnengaan.” Zij beweren dat men niemand als ongelovige mag bestempelen op basis van zijn daden en woorden, zolang hij de Kalimah uitspreekt.
O moslims! Wees waakzaam. De essentie van dit bedrieglijke argument is dat het louter uitspreken van “Er is geen god dan Allāh Ta’ālā” iemand de status zou verlenen van — bij wijze van spreken — een zoon van Allāh Ta’ālā. Als de zoon van Ādam (ʿalayhis salām) u beledigt, u met een schoen slaat of u op andere wijze krenkt, dan blijft hij desondanks de zoon van Ādam.
Evenzo, zo redeneren zij, blijft iemand binnen de cirkel van de Islam, zelfs als hij Allāh Ta’ālā een leugenaar noemt en beledigende taal gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ. Het antwoord op dit misleidende betoog is reeds geopenbaard in de Heilige Qur’ān, in Surah al-ʿAnkabūt (29:2): “Denken de mensen dat zij met rust gelaten worden omdat zij zeggen: ‘Wij geloven’, en dat zij niet beproefd zullen worden?” Als de Islam slechts zou bestaan uit het uitspreken van de Kalimah, waarom verklaart de Heilige Qur’ān dan dat trotse en zelfzuchtige mensen slecht zijn?

Allāh Ta’ālā  openbaart

قَالَتِ الْأَعْرَابُ آمَنَّا قُل لَّمْ تُؤْمِنُوا وَلَكِن

قُولُوا أَسْلَمْنَا وَلَمَّا يَدْخُلِ الْإِيمَانُ فِي قُلُوبِكُمْ

“De analfabeten zeggen: wij geloven. Zeg: Gij gelooft niet, maar zegt: wij hebben Overgave gedaan; doch het geloof is nog niet binnengegaan in uw harten.” Surah al-Hujarāt (de binnenkamers), H49, vers 14

إِذَا جَاءكَ الْمُنَافِقُونَ قَالُوا نَشْهَدُ إِنَّكَ لَرَسُولُ اللَّهِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّكَ لَرَسُولُهُ وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ

“Wanneer de huichelaars tot u komen, zeggen zij: wij getuigen, dat gij waarlijk de Boodschapper Allāh zijt. Maar Allāh weet wel, dat gij zijn Boodschapper zijt, en Allāh getuigt, dat de huichelaars leugenaars zijn.” Surah al-Munāfiqun (de huichelaar) H63, vers 1

Het is zeker vermeldenswaard dat het herhaaldelijk afleggen van eden en het reciteren van de Kalimah geen waarde heeft bewezen voor de hypocrieten.
Allāh Ta’ālā heeft hen in de Heilige Qur’ān als leugenaars bestempeld. In het licht van deze verzen is het helder en duidelijk dat het uitspreken van de Kalimah op zichzelf niet betekent dat men werkelijk moslim is geworden. In principe moet iemand die de Kalimah uitspreekt als moslim worden erkend — totdat hij iets zegt of doet dat indruist tegen de Islam. Zodra hij een anti-islamitische handeling verricht, verliest het uitspreken van de Kalimah zijn betekenis voor hem.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

يَحْلِفُونَ بِاللّهِ مَا قَالُواْ وَلَقَدْ قَالُواْ كَلِمَةَ الْكُفْرِ وَكَفَرُواْ بَعْدَ إِسْلاَمِهِمْ وَهَمُّواْ بِمَا لَمْ يَنَالُو…….

“Zij zweren bij Allāh, dat zij het niets gezegd hebben[6], terwijl zij toch het woord van het ongeloof gesproken hadden en zijn zij nadat zij een gelovige waren, ongelovig geworden.” Surah at-Tawbah (berouw), H9, vers 74

Ibn Jarīr, al-Ṭabrānī, Abū Shaykh en Ibn Mardawayh hebben een Hadith overgeleverd via ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (radi Allāhu ʿanhum). Hij vertelt dat op een dag de Profeet Mohammed ﷺ in de schaduw van een boom zat en zei: “Er zal spoedig iemand komen die met de ogen van Satan zal opkijken naar mijn metgezellen.”
De Profeet ﷺ adviseerde zijn metgezellen om niet met deze persoon te spreken zodra hij arriveerde. Niet veel later passeerde een man de Profeet ﷺ, wiens ogen leken op die van een kat.
De Profeet ﷺ riep hem en vroeg waarom hij en zijn vrienden minachtende taal hadden gebruikt jegens de Profeet ﷺ. De man vertrok en keerde terug met zijn vrienden. Zij zwoeren allen dat zij geen ongepaste taal hadden gebruikt jegens de Profeet ﷺ. Op dat moment openbaarde Allāh Ta’ālā een vers waarin Hij verklaarde dat zij brutaal waren geweest tegenover de Profeet ﷺ, ondanks hun eden op Allāh Ta’ālā. Deze openbaring maakt duidelijk dat zij — vanwege hun beledigende taal jegens de geliefde Profeet ﷺ — tot de ongelovigen zijn gaan behoren. Wij moeten hieruit opmaken dat Allāh Ta’ālā zelf bevestigt: Een enkel ongepast woord tegen Zijn Profeet ﷺ kan iemand brengen tot het laagste niveau van ongeloof. Zelfs als zo iemand duizenden keren beweert moslim te zijn of de Kalimah miljoenen keren heeft uitgesproken, blijft hij — in het licht van deze openbaring — een ongelovige.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَلَئِن سَأَلْتَهُمْ لَيَقُولُنَّ إِنَّمَا كُنَّا نَخُوضُ وَنَلْعَبُ قُلْ أَبِاللّهِ وَآيَاتِهِ وَرَسُولِهِ كُنتُمْ تَسْتَهْزِئُونَ

لاَ تَعْتَذِرُواْ قَدْ كَفَرْتُم بَعْدَ إِيمَانِكُمْ …….…

“En indien gij hen vraagt, zullen zij zeggen: wij waren slechts in besprekingen verdiept en schertsten. Zeg: Waart gij dan aan het spotten met Allāh Ta’ālā en Zijn tekenen en Zijn Boodschapper? Doe niet zogenaamd, jullie zijn al ongelovigen geworden, nadat jullie gelovigen waren.” Surah at-Tawbah(berouw), H9 verzen 65 en 66

Ibn Abī Shaybah, Ibn Jarīr, Ibn al-Mundhir, Ibn Abī Ḥātim en Abū Shaykh (raḥimahum Allāh) rapporteren een hadīth die zij hebben vernomen van Imām Mujāhid — een geliefde leerling van Sayyidunā ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (radi Allāhu ʿanhumā). Deze hadīth luidt als volgt: “Een man raakte een kameel kwijt. Iedereen zocht naar die kameel. De Profeet Mohammed ﷺ vertelde in welk bos en op welke plek in dat bos de kameel zich bevond.”
Hierop reageerde een hypocriet met de opmerking dat de Profeet ﷺ onmogelijk kon weten waar de kameel was, omdat hij — volgens hem — geen kennis had van het onzichtbare (ʿIlm al-Ghayb). In deze kwestie openbaarde Allāh Ta’ālā een vers (Qur’ān 9:65), waarin Hij vroeg: “Maakten jullie dan grappen met Allāh, Zijn tekenen en Zijn Boodschapper?”
Het vers verklaart verder dat zij geen excuus kunnen aanvoeren, en dat zij — vanwege hun kwaadsprekerij — ongelovigen zijn geworden, nadat zij eerst moslims waren. [7].

O moslims! Onthoud dat deze man door Allāh Ta’ālā werd gestraft omdat hij beweerde dat de Profeet Mohammed ﷺ geen kennis had van het onzichtbare (ʿIlm al-Ghayb). Zijn recitatie van de Kalimah was voor hem niet langer van toepassing.
Allāh Ta’ālā heeft duidelijk verklaard dat hij geen excuses mag aanvoeren, omdat hij zichzelf heeft verlaagd tot de ongelovigen — ondanks dat hij eerder de Islam had aangenomen. Mensen moeten hieruit lering trekken: men mag niet zeggen of denken dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ geen kennis heeft van het onzichtbare. Het is vermeldenswaard dat deze uitspraak in oorsprong afkomstig is van een hypocriet. Allāh Ta’ālā heeft hem en zijn hypocriete volgelingen gebrandmerkt als mensen die spotten met Allāh Ta’ālā, de Heilige Qur’ān en de Profeet ﷺ. Allāh Ta’ālā classificeert hen als ongelovigen en afvalligen (murtaddīn). Dit is terecht, want kennis van het onzichtbare is een goddelijk privilege dat behoort tot de eigenschappen van het profeetschap. Dit onderwerp is uitvoerig behandeld door prominente islamitische geleerden zoals Imām al-Ghazālī, Imām Aḥmad al-Qasṭallānī, Mullā ʿAlī al-Qārī en ʿAllāmah Muḥammad al-Zurqānī (raḥimahum Allāh).
Ik heb — in naam van Allāh Ta’ālā — de noodzakelijke details over ʿIlm al-Ghayb uiteengezet in mijn nieuwsbrieven Rasāʾil-e-ʿIlm al-Ghayb. Stel u de volslagen ellende en verschrikkelijke tegenspoed voor van degene die beweert dat de Profeet ﷺ niets weet van het onzichtbare, terwijl Allāh Ta’ālā hem deze kennis heeft geschonken. Zo iemand denkt dat het voor Allāh Ta’ālā onmogelijk is om kennis van het onzichtbare aan iemand te geven — en dat is een ernstige misvatting. Moge Allāh Ta’ālā ons allen beschermen tegen de misleiding van Satan. Āmīn.

In werkelijkheid is het een vorm van ongeloof wanneer iemand denkt iets te kunnen weten zonder dat Allāh Ta’ālā daarvan op de hoogte is. Het is eveneens een vorm van ongeloof tegenover de consensus van de islamitische geleerden om te beweren dat de kennis van een geschapen individu gelijkwaardig zou zijn aan de volmaakte kennis van Allāh Ta’ālā. De kennis over alles — vanaf de schepping tot aan de Dag des Oordeels — is slechts een fractie van de kennis die Allāh Ta’ālā bezit. Het lijkt op een miljoenste deel, als een druppel water vergeleken met de zeeën. Het is beter te zeggen dat de kennis van de Profeet Mohammed ﷺ zo onmetelijk groot en uitgebreid is, dat de kennis van dit universum slechts een puntje vormt binnen zijn profetische kennis. De details over dit onderwerp zijn uitvoerig besproken in Ad-Dawlat al-Makkiyyah en andere klassieke werken. Laten wij nu terugkeren naar het oorspronkelijke discussieonderwerp.

Het tweede bedrieglijke argument van deze respectloze groep is dat Imām-e-Aʿẓam (raḥimahullāh) zou hebben gezegd: “Wij verklaren niemand tot ongelovige zolang hij bidt met het gezicht in de richting van de Kaʿbah.” Er bestaat inderdaad een hadīth die inhoudt dat degene die met ons bidt, zijn gezicht richt naar de Kaʿbah en vlees eet van dieren die volgens islamitische richtlijnen zijn geslacht, als moslim wordt beschouwd.
O moslim! In dit bedrieglijke argument hebben deze mensen het standpunt over het reciteren van de Kalimah als voorwaarde voor Īmān verwisseld met het standpunt dat het richten van het gezicht naar de Kaʿbah voldoende zou zijn.
Zij beweren nu dat iemand die bidt in de richting van de Kaʿbah een moslim is — zelfs als hij Allāh Ta’ālā een leugenaar noemt en ongepaste taal gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ. In de eerste plaats is het antwoord op dit bedrieglijke argument dat de uiterlijke handeling van het gebed geen garantie biedt voor het innerlijke geloof. De Qur’ān en de Sunnah maken duidelijk dat Īmān niet alleen bestaat uit rituelen, maar uit oprechte overtuiging, respect voor Allāh Ta’ālā en Zijn Boodschapper ﷺ, en het vermijden van godslasterlijke uitspraken.
Wie Allāh Ta’ālā een leugenaar noemt of de Profeet ﷺ beledigt, treedt — ongeacht zijn gebedsrichting — buiten de grenzen van de Islam. De consensus van de geleerden bevestigt dat een belediging jegens de Profeet ﷺ een daad van ongeloof is, zelfs als deze persoon uiterlijk islamitische handelingen verricht.
Het geloof is een samenhang van uitspraak (qawl), overtuiging (ʿaqīdah) en daad (ʿamal) — en het respect voor de Profeet ﷺ is daar een fundamenteel onderdeel van.

Allāh Ta’ālā openbaart

لَّيْسَ ٱلْبِرَّ أَن تُوَلُّواْ وُجُوهَكُمْ قِبَلَ ٱلْمَشْرِقِ وَٱلْمَغْرِبِ وَلَـٰكِنَّ ٱلْبِرَّ مَنْ آمَنَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلآخِرِ وَٱلْمَلاۤئِكَةِ وَٱلْكِتَابِ وَٱلنَّبِيِّينَ وَآتَى ٱلْمَالَ عَلَىٰ حُبِّهِ ذَوِي ٱلْقُرْبَىٰ وَٱلْيَتَامَىٰ وَٱلْمَسَاكِينَ وَٱبْنَ ٱلسَّبِيلِ وَٱلسَّآئِلِينَ وَفِي ٱلرِّقَابِ وَأَقَامَ ٱلصَّلاةَ وَآتَى ٱلزَّكَاةَ وَٱلْمُوفُونَ بِعَهْدِهِمْ إِذَا عَاهَدُواْ وَٱلصَّابِرِينَ فِي ٱلْبَأْسَآءِ وٱلضَّرَّآءِ وَحِينَ ٱلْبَأْسِ أُولَـٰئِكَ ٱلَّذِينَ صَدَقُواْ وَأُولَـٰئِكَ هُمُ ٱلْمُتَّقُونَ

“Het is geen deugd, dat je jouw gezicht naar het Oosten of naar het Westen wendt, maar waarlijke deugd is in hem, die in Allāh, de Laatste Dag, de engelen, het Boek en de profeten gelooft en die van zijn vermogen geeft uit liefde voor Hem aan de verwanten, de wezen, de armen, de reiziger, de bedelaars en voor het vrijkopen van slaven en die het gebed onderhoudt en de Zakaat betaalt; verder in degenen, die hun belofte nakomen, wanneer zij een belofte doen en de geduldigen in armoede, in kwellingen en in oorlogstijd; dezen zijn het, die bewezen hebben, waarachtig te zijn en dezen zijn vromen.” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, vers 177

Alāhazrat (raḥimahullāh) stelt dat het in de Heilige Qur’ān ondubbelzinnig is uiteengezet dat Īmān in werkelijkheid inhoudt: het aanvaarden van álle essentiële voorwaarden van de Islam. Met andere woorden: Īmān beperkt zich niet tot het louter uitspreken van de Kalimah, maar vereist ook het erkennen van de overige fundamentele geloofsartikelen en verplichtingen die door Allāh Ta’ālā zijn vastgesteld.

Allāh Ta’ālā  openbaart verder:

وَمَا مَنَعَهُمْ أَن تُقْبَلَ مِنْهُمْ نَفَقَاتُهُمْ إِلاَّ أَنَّهُمْ كَفَرُواْ بِاللّهِ وَبِرَسُولِهِ وَلاَ يَأْتُونَ الصَّلاَةَ إِلاَّ وَهُمْ كُسَالَى وَلاَ يُنفِقُونَ إِلاَّ وَهُمْ كَارِهُونَ

“En niets anders heeft verhinderd, dat hun bijdragen (geld) van hen aangenomen werden, dan dat zij ongelovig waren aan Allāh en Zijn Boodschapper, terwijl zij niet de Salāt vervulden dan in onachtzaamheid, en geen bijdragen (geld) schenken dan met tegenzin.[8]Surah at-Tawbah (berouw), H9, vers  54

Hun gebeden worden genoemd — toch blijven zij ongelovigen. Hebben zij hun gebed niet verricht met het gezicht gericht naar de Kaʿbah? Neem er nota van dat zij hun gebeden verrichtten in een gemeente geleid door de meest geliefde, de grootste en laatste Profeet Mohammed ﷺ, met het gezicht in de richting van de Kaʿbah. Ondanks deze uiterlijke handelingen heeft Allāh Ta’ālā hen als ongelovigen bestempeld, vanwege hun innerlijke hypocrisie en beledigende houding jegens de Profeet ﷺ.

Allāh Ta’ālā openbaart:

فَإِن تَابُواْ وَأَقَامُواْ الصَّلاَةَ وَآتَوُاْ الزَّكَاةَ فَإِخْوَانُكُمْ فِي الدِّينِ وَنُفَصِّلُ الآيَاتِ لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ

وَإِن نَّكَثُواْ أَيْمَانَهُم مِّن بَعْدِ عَهْدِهِمْ وَطَعَنُواْ فِي دِينِكُمْ فَقَاتِلُواْ أَئِمَّةَ الْكُفْرِ إِنَّهُمْ لاَ أَيْمَانَ لَهُمْ لَعَلَّهُمْ يَنتَهُونَ

“Doch indien zij zich berouwvol bekeren en de Salāt verrichten en de Zakāt opbrengen, dan zijn zij uw broeders in de godsdienst. En Wij zetten de tekenen duidelijk uiteen voor geleerden, die weten. En indien zij hun beloftes breken, nadat zij bondsplicht hebben aangegaan en uw godsdienst aanvallen, bestrijdt dan de leiders van het ongeloof. Op hun eed kan geen vertrouwen ontstaan, misschien zullen zij hun zonden laten.” Surah at-Tawbah(berouw), H9, verzen 11-12

Begrijp goed: zij verrichten gebeden en voldoen — zij het rampzalig — aan de verplichting tot armenbelasting (zakāt). Zij tonen een oppervlakkig geloof, maar worden desondanks door Allāh Ta’ālā bestempeld als hoofden van de ongelovigen en leiders van het ongeloof, omdat zij de Islam aanvallen. Zijn de arrogante woorden van deze respectloze mensen jegens Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ niet gelijk aan een aanval op de Īmān van de Islam zelf?

In dit verband openbaart Allāh Ta’ālā :

مِّنَ الَّذِينَ هَادُواْ يُحَرِّفُونَ الْكَلِمَ عَن مَّوَاضِعِهِ وَيَقُولُونَ سَمِعْنَا وَعَصَيْنَا وَاسْمَعْ غَيْرَ مُسْمَعٍ وَرَاعِنَا لَيًّا بِأَلْسِنَتِهِمْ وَطَعْنًا فِي الدِّينِ وَلَوْ أَنَّهُمْ قَالُواْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا وَاسْمَعْ وَانظُرْنَا لَكَانَ خَيْرًا لَّهُمْ وَأَقْوَمَ وَلَكِن لَّعَنَهُمُ اللّهُ بِكُفْرِهِمْ فَلاَ يُؤْمِنُونَ إِلاَّ قَلِيلاً

“Onder hen die het Jodendom belijden, zijn er die de bewoordingen verdraaien van haar plaatsen en zeggen: wij hebben gehoord, maar wij zijn ongehoorzaam. En, hoor! Zonder dat het hoorbaar is. En, hoed ons! Hun tongen verdraaiende en de godsdienst verwondende[9]. En zo zij zeiden: wij hebben gehoord en gehoorzaamd. En, hoor en geef ons een kans! Zou dat beter voor hen zijn en juister. Maar Allāh heeft hen vervloekt wegens hun ongeloof, zodat zij niet geloven, tenzij weinig.” Surah anNisā’ (de vrouwen), H4, vers 46

Sommige Joden onderbraken de Profeet Mohammed ﷺ herhaaldelijk tijdens zijn toespraken met het dubbelzinnige Arabische woord “Rāʿinā.” Allāh Ta’ālā weet dat zij ogenschijnlijk respect wilden tonen, maar in werkelijkheid koesterden zij oneerbiedige bedoelingen jegens de Profeet ﷺ. Het woord “Rāʿinā” heeft meerdere betekenissen:

  • In beleefde vorm betekent het: “Luister naar ons.”
  • En bij verlenging van de middenklinker: “Onze schaapherder.”
  • In spottende toon: “Luister naar ons, jij die hardhorend bent.”

Vanwege deze dubbelzinnigheid heeft Allāh Ta’ālā dit woord als een ernstige poging tot belediging en aanval op de Islam beschouwd. Wees eerlijk: zijn deze drie betekenissen niet beledigend jegens onze Profeet ﷺ — net zoals de uitspraken van respectloze mensen vandaag de dag, die beweren dat de kennis van de Profeet ﷺ minder is dan die van Satan, of vergelijkbaar met die van een dwaas of een dier? Sommigen hebben zelfs gezegd dat Allāh Ta’ālā een leugenaar is, terwijl zij zich voordoen als deugdzame soennitische moslims.
Wij zoeken toevlucht bij Allāh Ta’ālā, de Heer der Werelden. Ten tweede is het een ongegronde bewering jegens Imām-e-Aʿẓam (raḥimahullāh), want in zijn werk Fiqh al-Akbar staat duidelijk: “Alle eigenschappen van Allāh Ta’ālā zijn eeuwig; niemand heeft ze bedacht, noch zijn ze toevallig ontstaan. Wie beweert dat deze eigenschappen bedacht zijn, toevallig zijn ontstaan, twijfelt of zich van deze kwestie distantieert, behoort tot de ongelovigen.”

Overtuig uzelf van de helderheid van dit punt: Iedere moslim die fouten toeschrijft aan de Profeet Mohammed ﷺ is geen moslim meer — hij wordt een ongelovige, en zijn echtgenote is niet langer zijn partner. Bidt deze persoon niet met het gezicht in de richting van de Kaʿbah? Reciteert hij de Kalimah niet?
Ja, dat doet hij. Maar sinds hij de Profeet ﷺ heeft beledigd, heeft hij alle kansen verloren op acceptatie van zijn gebed richting de Kaʿbah en zijn recitatie van de Kalimah. O Allāh Ta’ālā, wij zoeken bescherming bij U!

Ten derde: het feit dat iemand bidt “met het gezicht in de richting van de Kaʿbah” geldt — volgens de opinie van de Imams — uitsluitend voor hen die alle essentiële geloofspunten van de Islam aanvaarden. Als een persoon zelfs één essentieel punt verwerpt, dan wordt hij — in het licht van het eensgezinde vonnis van de islamitische geleerden — ongetwijfeld als ongelovige beschouwd.
Degenen die zo iemand toch als gelovige bestempelen, zijn zelf ook ongelovig geworden.
In Shifāʾ Sharīf, Bazaziyya, Durar, Gorar, Fatāwā Khayriyyah en vele andere klassieke werken staat het volgende geschreven: *“Alle moslims zijn unaniem van mening dat iemand die oneerbiedig is jegens de Profeet Mohammed ﷺ een ongelovige is. Wie twijfelt aan de straf die daarvoor is vastgesteld, of twijfelt aan het feit dat zo iemand een kāfir is geworden, behoort zelf ook tot de ongelovigen.”

Majmūʿa al-Anhur en Durr al-Mukhtār bevatten de volgende uitspraak: “Degene die een ongelovige is geworden als gevolg van het tonen van minachting jegens de Profeet Mohammed ﷺ zal niet vergeven worden. En wie twijfelt aan de straf die daarvoor is vastgesteld, of twijfelt aan het feit dat deze persoon ongelovig is geworden, behoort zelf ook tot de ongelovigen.” Allāh Ta’ālā zij geprezen!
Dit is een essentieel aspect van dit onderwerp. De gehele moslimgemeenschap is unaniem van mening dat deze respectloze en brute mensen als ongelovigen moeten worden beschouwd. En hij die hen niet als ongelovigen erkent, wordt zelf als ongelovige aangemerkt.

In de uitleg van Fiqh al-Akbar staat het volgende: “De correcte benadering houdt in dat mensen die met het gezicht in de richting van de Kaʿbah bidden, niet als ongelovigen worden beschouwd, tenzij zij de essentiële vereisten van het geloof (Īmān) weigeren te aanvaarden — bijvoorbeeld door iets wat door Allāh Ta’ālā als verboden (ḥarām) is verklaard, als toegestaan (ḥalāl) te beschouwen.”
Het is algemeen bekend dat wanneer onze geleerden zeggen dat mensen die met het gezicht naar de Kaʿbah bidden niet zonder meer als ongelovigen mogen worden bestempeld vanwege bepaalde zonden, zij daarmee niet enkel doelen op de gebedsrichting. Wat zij bedoelen is dat zulke mensen ook de fundamentele voorwaarden van het geloof moeten aanvaarden. Neem bijvoorbeeld de Rāfiḍī-sekte: Deze mensen beweerden ten onrechte dat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) een fout maakte bij het overbrengen van de Openbaring — dat Allāh Ta’ālā de Openbaring eigenlijk had bedoeld voor Sayyidunā ʿAlī (raḍiya Allāhu ʿanhu) in plaats van voor de Profeet Mohammed ﷺ. Sommigen onder hen gingen zelfs zo ver dat zij Sayyidunā ʿAlī (raḍiya Allāhu ʿanhu) als Allāh behandelden. Zulke mensen, ook al bidden zij met het gezicht in de richting van de Kaʿbah, kunnen niet als moslims worden beschouwd. Deze interpretatie sluit aan bij de betekenis van de betreffende hadīth, waarin staat: “Degene die met ons bidt, zijn gezicht richt naar de Kaʿbah en het vlees eet van de dieren die wij slachten, is een moslim.”
Deze hadīth duidt op uiterlijke tekenen van het geloof, maar impliceert niet dat deze voldoende zijn zonder de aanvaarding van de essentiële geloofspunten.

Dit betekent dat iemand moet geloven in de essentiële vereisten van het islamitisch geloof, en niets mag doen dat indruist tegen de geest van het Īmān.
In hetzelfde boek treffen wij de volgende verklaring aan: “Er dient gezegd te worden dat men in gedachten moet houden dat met ‘het gezicht richten naar de Kaʿbah’ bedoeld wordt: die mensen die zich schikken naar alle essentiële vereisten van het geloof. Bijvoorbeeld: het geloven in de schepping van het heelal, de sterfelijkheid van het lichaam, en het feit dat Allāh Ta’ālā beschikt over totale kennis — van het kleinste tot het grootste — evenals andere fundamentele aspecten van het geloof.”
Daarentegen: iemand die zijn hele leven wijdt aan het gebed, maar tegelijkertijd gelooft dat het universum eeuwig is, ontkent de komst van de Dag des Oordeels voor de schepping, of beweert dat Allāh Ta’ālā niet alle details van alles weet — zo iemand kan niet worden beschouwd als iemand die werkelijk met het gezicht naar de Kaʿbah bidt. In overeenstemming met de geloofsovertuiging van Ahl al-Sunnah betekent de uitspraak “noem degene die met het gezicht naar de Kaʿbah bidt geen ongelovige” dat hij niet als ongelovige wordt gekenmerkt, tenzij hij duidelijke tekenen of symptomen van ongeloof vertoont — of iets zegt of doet dat daadwerkelijk als ongeloof wordt beschouwd.

De prominente imam Sayyid Abdul Aziz bin Mohammed Bukhārī al-Hanafī schrijft in zijn boek Sharḥ-e-Uṣūl-e-Ḥussāmī over misleid religieus fanatisme: “Er kan gesteld worden dat wanneer een ongelovige fanatiek is in zijn ongeloof, het voor een moslim noodzakelijk is hem als ongelovige te benoemen. Indien zo iemand deelneemt aan een islamitische kwestie of daartegen bezwaar maakt, zal zijn deelname zonder betekenis zijn.
De reden is eenvoudig: Het voorrecht om onschuld te bewijzen op grond van vergissing is uitsluitend voorbehouden aan de islamitische gemeenschap.[11]. Hij mag bidden met zijn gezicht in de richting van de Kaʿbah en zichzelf beschouwen als een moslim —maar hij maakt geen deel uit van de moslimgemeenschap (Ummah), omdat Ummah niet betekent: “iemand die bidt met het gezicht naar de Kaʿbah,” maar: “de gemeenschap van gelovigen die de essentiële vereisten van het geloof aanvaarden.” Deze misleide personen zijn — in het licht van hun overtuigingen en daden — ongelovigen. Niettemin zal zo iemand zichzelf op basis van zijn eigen opinie niet willen beschouwen als ongelovige.”

Ik [Alahazrat] citeer uit Radd al-Muḥtār: ‘Er kan gesteld worden dat het een gedeelde opvatting is onder islamitische geleerden, dat iemand die de elementaire vereisten van de Islam verwerpt, als ongelovige wordt beschouwd — ondanks dat hij bidt met het gezicht naar de Kaʿbah en zijn hele leven heeft gewijd aan het naleven van toegestane handelingen. Dit staat eveneens vermeld in Sharḥ Taḥrīr van Imām Ibn al-Humām.’

In deze werken over islamitisch geloof, wetgeving en rechtsprincipes wordt dit onderwerp op duidelijke en gedetailleerde wijze behandeld.

Ten vierde: dit onderwerp kent zijn eigen heldere logica.
Kan iemand die vijf keer per dag bidt met het gezicht in de richting van de Kaʿbah, maar op andere momenten Maha Dev aanbidt, door een verstandig mens ooit als moslim worden beschouwd? De handeling van het aanbidden van Maha Dev, het uitroepen van Allāh Taʿālā als leugenaar, of het beledigen van de Profeet Mohammed ﷺ zijn allen handelingen van ongeloof (kufr). Echter, het vernederen van Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ is zonder twijfel ernstiger dan het aanbidden van Maha Dev. Sommige vormen van ongeloof zijn immers ernstiger dan andere.
De reden hiervoor is dat het aanbidden van een afgodsbeeld een symbolische weigering van Allāh Taʿālā inhoudt — maar deze symboliek is niet gelijkwaardig aan een expliciete en bewuste verwerping. Bovendien: sajdah (neerknielen of zich op de grond werpen) voor een idool kan in sommige gevallen worden geïnterpreteerd als een handeling van respect, en niet als aanbidding. Iedere sajdah met de intentie van respect is op zichzelf geen handeling van ongeloof. Bijvoorbeeld: als iemand een sajdah verricht uit eerbied voor zijn leraar of spirituele leider, dan wordt hij als zondaar beschouwd — maar niet als ongelovige. Het aanbidden van beelden is echter een daad van de ongelovigen, en daarom heeft de Sharīʿah hen als kāfir bestempeld.

Integendeel: het kwaad spreken over de Profeet Mohammed ﷺ is op zichzelf een daad van ongeloof (kufr), waarbij geen sprake meer is van islamitisch geloof — met andere woorden: men is reeds ongelovig geworden. Mijn standpunt berust niet op het onderscheid dat de islamitische gemeenschap — bij eenstemmige beslissing — een afgodaanbidder zou kunnen vergeven, maar op het feit dat zelfs duizend grote schriftgeleerden niemand kunnen en willen vergeven die de Profeet ﷺ van de Islam beledigt. Onze vooraanstaande Hanafi-geleerden zijn het hierover eens geworden, waaronder:

  • Imām Bazāzī
  • ʿAllāmah al-Muḥaqqiq Muḥammad bin ʿAlī al-Ḥaṣkafī (auteur van Durr al-Mukhtār)
    Radi Allāhu ʿanhum ajmaʿīn.
  • Imām Ibn al-Humām
  • ʿAllāmah Maulā Khusr (auteur van Durar)
  • ʿAllāmah Zayn bin Nujaym (auteur van Baḥr al-Rāʾiq en Ishbāh wa al-Naẓāʾir)
  • ʿAllāmah ʿUmar bin Nujaym (auteur van Nahr al-Fāʾiq)
  • ʿAllāmah Abū ʿAbdullāh Muḥammad bin ʿAbdullāh al-Ghazālī (auteur van Tanwīr al-Absār)
  • ʿAllāmah Khayr al-Dīn al-Ramlī (auteur van Fatāwā al-Khayriyyah)
  • ʿAllāmah Shaykh-Zāda (auteur van Majmūʿa al-Anhur)

Het moet goed begrepen worden dat de onmacht om te vergeven beperkt is tot de rechtbank binnen een islamitische heerschappij. Deze rechtbank is verplicht het doodvonnis uit te spreken — zelfs na het aanhoren van een pleidooi voor vergiffenis. Aan de andere kant: wanneer iemand oprecht en hartgrondig vergiffenis zoekt, dan is dat — in principe — acceptabel in de rechtbank van Allāh Taʿālā. Toch bestaat er een ernstig risico: respectloze personen moeten zich ervan bewust zijn dat voor vergiffenis geen garantie kan worden gegeven.
De juiste houding bij het verzoeken om vergiffenis is dat het ongeloof (kufr) volledig wordt uitgewist. Men moet zich bekeren tot de Islam en daardoor bevrijd worden van eeuwige bestraffing in de hel. Over deze graad van vereiste bekering bestaat eenstemmigheid onder islamitische geleerden — zie onder andere Radd al-Muḥtār en verwante werken.

Het derde misleidende argument van deze ongelovige groep is dat de islamitische wet zou stellen dat iemand die 99 uitspraken van ongeloof doet en slechts één islamitische uitspraak aanhangt, niet als ongelovige mag worden bestempeld.

Ten eerste

Dit kwetsbare argument is het zwakste en minst overtuigende van allemaal. Als iemand de Azān (oproep tot het gebed) verricht of dagelijks twee Rakʿāt bidt,
maar vervolgens de rest van de dag 99 keer afgodsbeelden aanbidt, op signaalhoorns blaast of de kerkklok luidt — kan hij dan volgens deze redenering als moslim worden beschouwd? Zulke mensen bezitten geen Īmān. Zelfs als we het begrip Īmān terzijde zouden leggen, dan nog zou geen enkel verstandig mens hen als moslim erkennen.

Ten tweede

In het licht van deze redenering — uitgezonderd de atheïsten, die het bestaan van Allāh Taʿālā ontkennen — zouden alle overige ongelovigen, zoals hindoes, christenen en joden, als moslims moeten worden beschouwd. Zij hebben immers één gemeenschappelijk punt: het geloof in het bestaan van Allāh Taʿālā.
Volgens deze opvatting — die sommigen beschouwen als een fundamenteel principe van de Islam — zouden zelfs wijsgerig georiënteerde ongelovigen, zoals de Ārya Samāj of vergelijkbare stromingen, als gelovigen kunnen worden aangemerkt vanwege hun eigen concepten over de Eenheid van Allāh Taʿālā.
Joden en christenen zouden dan zelfs als voorname moslims worden beschouwd, omdat zij — naast het geloof in de Eenheid van Allāh Taʿālā — ook geloven in:

  • Paradijs en hel
    Zijn geopenbaarde Geschriften
  • Duizenden van Zijn Profeten
  • De Dag des Oordeels
  • Rekenschap en verantwoording op de Dag der Vergelding
  • Beloning en straf

Veel van deze geloofspunten komen overeen met de Islam.

Ten derde Nadwa hervormer

De verzen uit de Heilige Qurʾān die eerder zijn opgesomd, zijn voldoende om dit argument te weerleggen. Deze verzen bewijzen dat — ondanks het uitspreken van de Kalimah of het verrichten van het gebed — deze brutale personen als ongelovigen worden beschouwd.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَكَفَرُواْ بَعْدَ إِسْلاَمِهِمْ وَهَمُّواْ بِمَا لَمْ يَنَالُواْ وَمَا نَقَمُواْ إِلاَّ أَنْ أَغْنَاهُمُ اللّهُ

“En, zij zijn ongelovigen geworden, nadat zij de Islam hadden aanvaard, omdat zij een eigen verklaring hebben opgemaakt.” Surah at-Tawbah(berouw), H9, vers 74

Op een andere plaats in de Heilige Qurʾān openbaart Allāh Taʿālā: ‘Maak geen excuses; jullie zijn ongelovig geworden nadat jullie het geloof hadden aanvaard.

In overeenstemming met dit onzinnige argument zouden er meer dan 99 uitspraken van ongeloof nodig zijn om iemand als ongelovige te bestempelen —
terwijl Allāh Taʿālā hen in de Heilige Qurʾān als ongelovigen heeft verklaard op basis van slechts één woord van ongeloof. Misschien zullen deze brutale mensen beweren dat dit een vergissing is van Allāh Taʿālā, of dat Hij overhaast de grenzen van de Islam heeft vastgesteld. Zij zullen kritiek uiten op het feit dat mensen die met het gezicht naar de Kaʿbah bidden en de Kalimah reciteren uit de Islam zijn verbannen vanwege slechts één uitspraak — en dat zij geen kans hebben gekregen om vergiffenis te vragen. Allāh Taʿālā heeft echter geen aanbidder van de natuur (atheïst), geen docent van de Nadwah, en geen vrijzinnige islamitische hervormer om hun mening gevraagd. Moge de vervloeking van Allāh Taʿālā neerdalen op de respectlozen.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

ثُمَّ أَنتُمْ هَـؤُلاء تَقْتُلُونَ أَنفُسَكُمْ وَتُخْرِجُونَ فَرِيقاً مِّنكُم مِّن دِيَارِهِمْ تَظَاهَرُونَ عَلَيْهِم بِالإِثْمِ وَالْعُدْوَانِ وَإِن يَأتُوكُمْ أُسَارَى تُفَادُوهُمْ وَهُوَ مُحَرَّمٌ عَلَيْكُمْ إِخْرَاجُهُمْ أَفَتُؤْمِنُونَ بِبَعْضِ الْكِتَابِ وَتَكْفُرُونَ بِبَعْضٍ فَمَا جَزَاء مَن يَفْعَلُ ذَلِكَ مِنكُمْ إِلاَّ خِزْيٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ يُرَدُّونَ إِلَى أَشَدِّ الْعَذَابِ وَمَا اللّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ

أُولَـئِكَ الَّذِينَ اشْتَرَوُاْ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا بِالآَخِرَةِ فَلاَ يُخَفَّفُ عَنْهُمُ الْعَذَابُ وَلاَ هُمْ يُنصَرُونَ

“Gelooft gij dan in een deel van de Schrift en zijt gij ongelovig in een ander deel? Wat dan is de vergelding voor wie dat bedrijven onder u anders dan vernedering in het nabije leven, terwijl zij op de Dag der Opstanding worden teruggezonden tot de hevigste bestraffing? Niet is Allāh achteloos betreffende wat gij bedrijft. Diegenen zijn het, die het nabije leven voor het latere gekocht hebben; dus zal voor hen niet verlicht worden de bestraffing, en niet zullen zij geholpen worden.” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, verzen 85-86

Stel dat er duizend beweringen staan in de Heilige Qurʾān. De islamitische Īmān vereist dat elke bewering volledig wordt aanvaard. Als iemand 999 beweringen accepteert maar één enkele verwerpt, dan stelt de Glorieuze Qurʾān dat hij geen moslim is. Het Qurʾānische gebod luidt dat hij een ongelovige is, omdat hij één uitspraak van Allāh Taʿālā heeft verworpen. Hij zal vernedering ondergaan in deze wereld en eeuwige bestraffing in het Hiernamaals. Dit is het gevolg van het verwerpen van een enkel gebod uit de Qurʾān. Hoe kan iemand dan als moslim worden beschouwd wanneer hij slechts één bewering accepteert en 99 verwerpt van de honderd principes van Īmān? Klaarblijkelijk is dit geen islamitische geloofsbelijdenis. Het Qurʾānische bewijs leidt ons tot de conclusie dat dit overduidelijk een daad van ongeloof (kufr) is.

Ten vierde Aanklacht tegen islamitische geleerden

Deze brutale mensen hebben hun ongegronde klacht luidkeels geuit tegen de islamitische geleerden. De specialisten in islamitische wetgeving hebben nooit een dergelijke uitspraak gedaan. Deze mensen hebben zich gedragen zoals de joden die — volgens de Heilige Qurʾān — de betekenissen van goddelijke verklaringen verdraaiden: “Zij veranderden en interpreteerden de verklaring buiten de kaders.” De rechtsgeleerden hebben niet gezegd dat een man die 99 handelingen van ongeloof verricht en slechts één islamitische handeling uitvoert, van karakter als moslim beschouwd moet worden. O Allāh Taʿālā, wij zoeken bescherming tegen zulk vreselijk onheil!

De waarheid is dat de gehele moslimgemeenschap overeenstemming heeft bereikt over het volgende punt: Wie in zijn weegschaal 99 uitspraken van islamitisch geloof heeft, maar één uitspraak van ongeloof doet, is zonder twijfel een ongelovige. Als je 99 druppels rozenwater mengt met één druppel urine, wordt het hele mengsel onrein. Maar deze brutale mensen beweren het tegenovergestelde: dat als je één druppel rozenwater toevoegt aan 99 druppels urine, het mengsel vroom en rein zou worden. Bespottelijk!
Laat de islamitische geleerden even buiten beschouwing — zelfs een verstandige en gewone mens zou zulke dwaze beweringen nooit doen.

Recentelijk hebben specialisten in islamitische wetgeving verklaard dat, indien een moslim een woord gebruikt met honderd mogelijke betekenissen — waarvan 99 verwijzen naar ongeloof en slechts één naar de Islam — het niet redelijk is om hem als ongelovige te bestempelen, tenzij bewezen wordt dat zijn intentie was om een uiting van ongeloof te doen.
De logica achter deze benadering betreft de algemene strekking van uitspraken en het principe van ḥusn al-ẓann (het geven van het voordeel van de twijfel).
De rechtsgeleerden willen voorkomen dat moslims onterecht tot ongelovige worden verklaard op basis van dubbelzinnige taal. Uiteindelijk is er slechts één interpretatie van betekenis in de Islam: het is mogelijk dat de spreker de islamitische betekenis heeft bedoeld, en in dat geval zal deze interpretatie hem ten goede komen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat, indien zijn intentie daadwerkelijk gericht was op ongeloof, hij — volgens de beslissing van Allāh Taʿālā — als ongelovige zal worden beschouwd.

Bijvoorbeeld als Zaid zegt: “Amar bezit onvoorwaardelijk kennis van het onzichtbare.”

Deze bewering heeft wellicht de volgende 21 betekenissen van ongeloof: Amar weet van nature alles over het onzichtbare. Dit is duidelijk ongeloof en kameraadschap met Allāh Ta’ālā.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

قُل لَّا يَعْلَمُ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ الْغَيْبَ إِلَّا اللَّهُ

“Zeg: niet kennen wie in de hemelen en op de aarde zijn de verborgenheid, dan Allāh alleen[13].“  Surahan-Naml (de mier), H27, vers 65

Amar bezit niet de kennis over het onzichtbare, maar sommige geesten (djinn) die deze kennis wel bezitten maken deze kennis openbaar aan hem. Zo verkrijgt hij formeel de kennis van het onzichtbare. Dit is ook ongeloof!

Allāh Ta’ālā  openbaart:

خَرَّ تَبَيَّنَتِ الْجِنُّ أَن لَّوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ الْغَيْبَ مَا لَبِثُوا فِي الْعَذَابِ الْمُهِينِ

“Werd het duidelijk aan de Djinn, dat zo zij de verborgenheid gekend hadden, zij niet gebleven zouden zijn in de vernederende bestraffing[14].“ Surah Saba’ (Sheba), H34, vers 14

  1. Amar is een astroloog.
  2. Hij bestudeert een kaart om een gebeurtenis te voorspellen.
  3. Hij is een handlezer.
  4. Hij kan de betekenis begrijpen van het gekrijs van de kraaien.
  5. Hij kan de betekenis interpreteren van het bij toeval vallen van een insect, reptiel of vogel op een mens.
  6. Hij kan weten of prediken door in overweging te nemen de onzichtbare gebeurtenissen van een vogel of ander dier die iemand links of rechts passeert.
  7. Hij kent de voortekens van het plotseling knipperen van de ogen of beweging van een ander deel van het lichaam.
  8. Hij gooit met dobbelstenen.
  9. Hij gist de gebeurtenissen door een naam na te trekken.
  10. Hij communiceert via een medium met de zielen van dode mensen om kennis te vergaren van het onzichtbare.
  11. Hij weet hoe hij mensen moet hypnotiseren.
  12. Hij maakt gebruik van een magische tafel.
  13. Hij verkrijgt kennis door een geschreven mededeling van geesten.
  14. Hij speculeert vrijwel nauwkeurig.
  15. Hij weet hoe een horoscoop te tekenen en doormiddel van deze vaardigheid krijgt hij bepaalde kennis over het onzichtbare.

Al bovenstaande zijn eveneens ongeloof.

De Profeet Mohammed ﷺ heeft gezegd: “Wie een waarzegger of medicijnman raadpleegt en gelooft in wat hij zegt, heeft waarlijk verworpen wat Mohammed ﷺ heeft gebracht.” Deze overlevering is gerapporteerd door Imām Aḥmad en al-Ḥākim onder gezag van Abū Hurayrah, via authentieke ketens (ṣaḥīḥ isnād).
Ook Imām Aḥmad en Abū Dāwūd rapporteerden — eveneens onder gezag van Abū Hurayrah — de volgende overlevering: “Hij heeft herroepen of afstand genomen van datgene wat aan Mohammed ﷺ is geopenbaard.”

De bewering dat Amar openbaringen ontvangt die behoren tot het profeetschap — en daarmee kennis van het onzichtbare verkrijgt zoals de Profeten — is zonder twijfel een daad van ongeloof (kufr).

Allāh Ta’ālā  openbaart:

يَكُونُ لِي غُلاَمٌ وَقَدْ بَلَغَنِيَ الْكِبَرُ وَامْرَأَتِي عَاقِرٌ قَالَ كَذَلِكَ اللّهُ يَفْعَلُ مَا يَشَاء

“Zeer zeker, hij is de Profeet van Allāh en als laatste Profeet gekomen. En Allāh weet alles.” Surah Aali ‘Imrān (de huishouding van profeet Imrān), H3, vers 40

Hij ontvangt geen openbaring, maar beweert kennis van het onzichtbare (ʿilm al-ghayb) te verkrijgen via instinct (ilhām). Hij stelt dat zijn kennis de volledige Kennis van Allāh Taʿālā omvat. Dit is zonder twijfel een daad van ongeloof (kufr),
omdat hiermee wordt gesuggereerd dat zijn kennis een hoger niveau heeft dan die van de Profeet Mohammed ﷺ — terwijl zelfs de kennis van de Profeet ﷺ niet de alomvattende Kennis van Allāh Taʿālā bestrijkt.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

قُلْ هَلْ يَسْتَوِي الَّذِينَ يَعْلَمُونَ وَالَّذِينَ لَا يَعْلَمُونَ

“Zeg: zijn soms gelijk zij die kennis hebben en zij die geen kennis hebben?” Surah Az-Zumar (de groepen), H39, vers 9

In Nasīm al-Riyāḍ staat geschreven dat wie beweert dat een bepaald persoon meer kennis bezit dan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, hem daarmee heeft beledigd. Belediging is een vorm van vernedering, en diens bevel zal dan het bevel zijn van degene die de Profeet ﷺ heeft beledigd. Hoewel deze persoon niet beweert alles over het onzichtbare (ʿilm al-ghayb) te weten, stelt hij dat zijn beperkte, instinctieve kennis over het onzichtbare hem rechtstreeks door Allāh Taʿālā is gegeven — zonder leiding of bemiddeling van een Profeet, engel of mens. Ook dit is zonder twijfel een daad van ongeloof (kufr).

Allāh Ta’ālā  openbaart:

….مَا كَانَ اللّهُ لِيُطْلِعَكُمْ عَلَى الْغَيْبِ وَلَكِنَّ اللّهَ يَجْتَبِي مِن رُّسُلِهِ…

“…… luister mensen, het is niet Allāh onwil om jullie kennis over het onzichtbare te geven, maar het is bestemd voor Zijn uitverkoren profeten……..” Surah Aali ‘Imrān (de huishouding van profeet Imrān), H3, vers 179

إِلَّا مَنِ ارْتَضَى مِن رَّسُولٍ

“Allāh geeft Zijn onzichtbare kennis aan niemand anders, dan zijn geliefde profeten”. Surah al-Djinn, H72, vers 27

Amar krijgt kennis van de Profeet Mohammed ﷺ over sommige onzichtbare zaken via zijn oog, oor of door instinct van Allāh Ta’ālā. Dit is in de juiste Islam mogelijk.

Moslimgeleerden zullen iemand niet direct als ongelovige verklaren wanneer een uitspraak 21 mogelijke betekenissen heeft — waarvan er één naar de Islam verwijst en de overige naar ongeloof. Zij zullen hem dan wel verwijten, maar hem het voordeel van de twijfel geven en rekening houden met de islamitische interpretatie, totdat bewezen is dat zijn intentie gericht was op ongeloof. Deze juridische voorzichtigheid is echter niet van toepassing op een brutale en respectloze persoon die beweert dat Allāh Taʿālā kan liegen, of beledigende taal gebruikt jegens de Profeet Mohammed ﷺ. Deze kwestie is zo duidelijk dat wij hem zonder twijfel als ongelovige moeten beschouwen. Het feit dat men hem niet als ongelovige benoemt, betekent niet dat zijn ongeloof als Islam kan worden aanvaard. Sterker nog: wie ongeloof als Islam accepteert, is zelf een ongelovige.
In authentieke werken zoals Ash-Shifāʾ, Bazāziyya, Durar, Baḥr, Nahr, Fatāwā al-Khayriyyah, Majmūʿa al-Anhur en Durr al-Mukhtār staat expliciet geschreven dat: En wie twijfelt aan diens ongeloof, wordt zelf als ongelovige beschouwd.

Wie de Profeet ﷺ beledigt, is een ongelovige

Het is anders dan degenen die als Joden denken en de betekenissen van de woorden anders hebben geïnterpreteerd[15] door het uit de context te halen en valse beweringen aan de grote geleerden toe te schrijven.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَسَيَعْلَمُ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَيَّ مُنقَلَبٍ يَنقَلِبُونَ

“En eens zullen zij die onrecht doen, weten welke ommekeer hen wacht[16].” Surah Ash-Shu’arā (de dichters), H26, vers 227

In Sharḥ Fiqh al-Akbar staat geschreven: ‘Waarlijk, zij hebben vermeld dat wanneer er sprake is van een kwestie van kufr (ongeloof), waarbij 99 aspecten naar kufr verwijzen en één aspect niet, het meest passend is voor de Muftī en Qāḍī om te handelen in het voordeel van dat ene aspect dat niet naar kufr verwijst.’

In Fatāwā Khulāṣah, Jāmiʿ al-Fuṣūlayn, Muḥīṭ en Fatāwā ʿĀlamgīrī staat geschreven: ‘Wanneer een uitspraak meerdere betekenissen toelaat, waarvan sommige tot verwerping (takfīr) leiden en één betekenis dit verhindert, dan dienen de Muftī en Qāḍī te neigen naar die ene betekenis die verwerping voorkomt. Zij mogen geen uitspraak van ongeloof doen over iemand die persoonlijk een goede Īmān in de Islam heeft. Als de intentie van degene die deze woorden heeft uitgesproken verwijst naar het aspect dat verwerping verhindert, dan wordt hij als moslim beschouwd. Indien zijn intentie daarentegen strijdig is met dat aspect, dan zullen de Muftī’s hun oordeel moeten baseren op het standpunt dat geen verwerping vereist — wat in deze zaak zinloos zal blijken.’
Met andere woorden: De Muftī zal geen fatwa van ongeloof uitspreken zolang de intentie niet ondubbelzinnig naar kufr verwijst, omdat de Islam gebiedt om goed te handelen jegens moslims. Als de intentie niet naar ongeloof verwijst, blijft hij moslim. Maar als zijn intentie wel naar ongeloof verwijst, dan biedt de juridische bescherming van de Muftī hem geen voordeel.

In dezelfde strekking vinden wij in Fatāwā Bazāziyya, Baḥr al-Rāʾiq, Majmūʿa al-Anhur, Ḥadīqah Nāḍiyah, en verder in Tātār Ghunyah, Baḥr, Ṣall al-Ḥusām en Tanbīh al-Wulāt: ‘Een persoon mag niet tot kāfir (ongelovige) worden verklaard indien er sprake is van twijfel, zelfs al betreft het slechts één aspect. Want het uitspreken van takfīr is een ultieme sanctie die slechts van toepassing is bij een buitengewone misdaadzaak. In een twijfelachtige zaak mag geen absolute straf worden uitgesproken.’”

“In Baḥr al-Rāʾiq, Tanwīr al-Absār, Ḥadīqah Nāḍiyah, Tanbīh al-Wulāt en Ṣall al-Ḥusām lezen wij het volgende: ‘Een moslim mag niet tot kāfir (ongelovige) worden verklaard indien zijn uitspraak zodanig geïnterpreteerd kan worden dat deze raakvlakken heeft met goede intenties.’”

Tot zover zien wij dat een woord meerdere betekenissen kan hebben. Echter, de Joden hebben — zoals vermeld in de Heilige Qurʾān — de betekenissen verdraaid door deze opzettelijk anders te interpreteren.

Kennis van het onzichtbare

Dit onderzoek naar de waarheid heeft tevens een ander punt verhelderd. In sommige islamitische uitspraken, zoals in Fatāwā Qāḍī Khān, staat geschreven dat: Wie de namen van Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ opgeeft als getuigen bij een huwelijksovereenkomst (Nikāḥ), of beweert dat de zielen van spirituele gidsen aanwezig en alwetend zijn, of stelt dat engelen beschikken over kennis van het onzichtbare (ʿilm al-ghayb), of zegt: ‘Ik bezit kennis van het onzichtbare’, wordt als ongelovige (kāfir) beschouwd. Al deze beweringen verwijzen naar ongeloof, dat hij op basis van zijn eigen overtuiging heeft uitgesproken. In deze uitspraken staat niet expliciet vermeld dat het gaat om een onvoorwaardelijke claim, noch dat de term ‘kennis van het onzichtbare’ in goed geloof is gebruikt. Wanneer wij andere interpretatieve mogelijkheden onderzoeken, komen wij 21 — beter gezegd 42 — alternatieven tegen. Veel van deze alternatieven vallen buiten de kaders van ongeloof, omdat het met zekerheid beweren dat men beschikt over onzichtbare kennis een daad van kufr is. Maar het slechts denken dat de mogelijkheid bestaat dat onzichtbare kennis aanwezig is, kan niet als ongeloof worden aangemerkt. In Baḥr al-Rāʾiq en Radd al-Muḥtār staat geschreven: ‘Uit hun publicaties blijkt dat degene die iets, dat door Allāh Taʿālā als ḥarām is verklaard, door zijn ijdele hoop als ḥalāl beschouwt, niet als kāfir wordt veroordeeld. Hij wordt pas als kāfir beschouwd wanneer hij iets resoluut — met overtuiging en Īmān — als ḥalāl beschouwt terwijl het ḥarām is. En insgelijks in vergelijkbare gevallen.’”

Al-Qurṭubī (inwoner van Córdoba, Spanje) schrijft in zijn Sharḥ Muslim dat: Wie denkt — uit ijdele hoop — het onzichtbare te kunnen beoordelen, zoals sterrenkijkers en handlezers menen te kunnen doen via dagelijkse praktijk,
heeft een onjuiste overtuiging, maar valt niet direct onder kufr. Indien iemand beweert kennis van het onzichtbare (ʿilm al-ghayb) te bezitten, of schijnbaar aanspraak maakt op notie van het onzichtbare, dan is dat ḥarām, maar geen kufr.
Maar indien iemand zelfverzekerd en stellig zegt dat hij beschikt over kennis van het onzichtbare, dan is dat zonder twijfel een daad van ongeloof (kufr).”

De vraag die hierbij opkomt, is waarom islamitische geleerden bepaalde uitspraken als een daad van ongeloof (kufr) hebben veroordeeld, terwijl er ogenschijnlijk meerdere islamitische interpretaties mogelijk zijn. Het antwoord ligt voor de hand: zij hebben prioriteit gegeven aan de vermoedelijke vooruitzichten — interpretaties die het sterkst wijzen op ongeloof. Indien wij dit inzicht niet accepteren, verliezen de uitspraken en redeneringen van deze geleerden hun waarde en gezag. Meer details hierover zijn te vinden in onder andere Jāmiʿ al-Fuṣūlayn, Radd al-Muḥtār, Ḥāshiya ʿAllāmah Nūḥ, Multaqā Fatāwā Ḥujjat, Tātār Ghunyah, Majmūʿa al-Anhur, Ḥadīqah Nāḍiyah en Ṣall al-Ḥusām. De sleutelverwijzingen naar Qurʾānische verzen en profetische tradities kunnen bestudeerd worden in gespecialiseerde werken over kennis van het onzichtbare (ʿilm al-ghayb), zoals Al-Luʾluʾ al-Maknūn. Al deze bronnen zijn afhankelijk van de Leiding en Macht van Allāh Taʿālā.”

Het volgende fragment uit Ḥadīqah Nāḍiyah volstaat: ‘In de boeken van islamitische rechtsuitspraken (fatāwā) wordt uitsluitend aandacht gevestigd op dat woord waarvan de betekenis ondubbelzinnig naar ongeloof (kufr) verwijst.
Op de spreker van zo’n woord wordt een fatwā van ongeloof uitgesproken.
Indien het uitgesproken woord geen kufr inhoudt, dan zal er geen uitspraak van ongeloof worden gedaan.’

Alleen een woord met meerdere betekenissen biedt ruimte voor interpretatie en betrouwbaarheid. Uitsluitend uit zulke woorden kan een alternatieve betekenis worden afgeleid. Wanneer een verklaring echter helder en ondubbelzinnig is, is het niet raadzaam om vergezochte interpretaties te onderzoeken. Als wij tegemoetkomen aan onredelijke herinterpretaties, zal geen enkele uitspraak ooit als ongeloof (kufr) kunnen worden geclassificeerd. Bijvoorbeeld: Zaid zegt letterlijk dat er twee goden zijn. Indien hij deze bewering achteraf probeert te herinterpreteren als een figuurlijke verwijzing naar twee vormen van het gebod van Allāh Taʿālā, dan is dat een onredelijke en ontoelaatbare interpretatie.[17].

Stel dat Amar zou zeggen: ‘Ik ben de Boodschapper van Allāh Taʿālā.’ Deze uitspraak is onmogelijk om als figuurlijk te beschouwen. Amar zou hiermee bedoelen dat Allāh Taʿālā een ziel in hem heeft geplaatst, en hij veronderstelt dat hij daarom als Profeet op aarde is gekomen.
In Ash-Shifāʾ Sharīf staat geschreven: ‘Wanneer een bewering op zichzelf helder en duidelijk is, is het niet noodzakelijk om vergezochte interpretaties aan te horen of te overwegen.’

Sharh Shifa Qāri zegt: “Zulk claim in de islamitische wetgeving is verwerpelijk.”

Nasimoer Riad zegt: “Zulk interpretatie kan geen sympathie teweegbrengen en het zal worden beschouwd als overbodig en onzinnig gepraat.”

In onder andere Fatāwā Khulāṣah, Fasūl al-Imādiyyah, Jāmiʿ al-Fuṣūlayn en Fatāwā Hindiyyah staat geschreven: ‘Als iemand zichzelf een profeet van Allāh Taʿālā noemt, en daarmee bedoelt dat hij boodschappen overbrengt zoals de profeten dat deden, dan wordt hij als ongelovige (kāfir) beschouwd.’

Dergelijke interpretaties worden binnen de islamitische wetgeving niet als geldig beschouwd. Moge Allāh Taʿālā ons beschermen tegen dwaling en misleiding.

Het vierde bedrieglijke argument is ‘ontkenning’. Deze respectloze personen ontkennen zonder enige uitdrukking de beschuldiging dat zij beledigende uitspraken hebben gedaan jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ. Wanneer zij iemand ontmoeten die hun boeken niet heeft gelezen, beweren zij onschuldig te zijn. Maar zodra geleerden in gepubliceerde werken aantonen wat zij daadwerkelijk hebben geschreven, reageren zij met een fronsende blik, lopen weg, of kijken de geleerden recht aan en verklaren schaamteloos dat zij dezelfde beweringen blijven herhalen — zelfs wanneer zij met het tegendeel worden geconfronteerd. Tegenover niet-geestelijke personen beweren deze brutale mensen dat hun uitspraken iets anders betekenen.

Omwille van Allāh Taʿālā, laat het duidelijk worden wat deze personen werkelijk van plan waren te zeggen namens hun schrijvers. Het antwoord op deze situatie is vervat in het volgende vers van de Heilige Qurʾān: ‘Zij zweren bij Allāh Taʿālā dat zij niets verkeerds hebben gezegd, terwijl zij toch het woord van ongeloof hebben uitgesproken en ongelovig bleven, nadat zij aanvankelijk gelovig waren.’ Surah 9:74
Het is een feit dat leugenaars vaak hun eigen woorden ontkennen — zelfs wanneer deze ondubbelzinnig zijn vastgelegd.

De boeken waarin uitspraken van ongeloof (kufr) zijn gedaan, zijn lang geleden gepubliceerd en uitgegeven door deze respectloze personen, toen zij nog in leven waren. Sommige van deze boeken zijn zelfs herdrukt, en opnieuw hebben de geleerden van Ahl al-Sunnah hun afkeuring uitgesproken en gepubliceerd.
De gedrukte documenten waarin deze personen Allāh Taʿālā een leugenaar noemen — voorzien van hun zegels en handtekeningen — zijn tot op heden zichtbaar. Er zijn foto’s van deze documenten genomen. Ik heb persoonlijk een foto, samen met andere boeken, meegenomen naar Makkah al-Mukarramah en Madīnah al-Munawwarah om deze voor te leggen aan de geleerden van deze heilige plaatsen. Deze foto’s bevinden zich nog steeds in het archief van de Saoedische overheid. Het onheilige oordeel, waarin de valse bewering wordt gedaan dat Allāh Taʿālā een leugenaar zou zijn, werd 18 jaar geleden opnieuw gepubliceerd — met een weerlegging — in Rabīʿ al-Ākhir 1308 Hijri, in het tijdschrift Ṣiyānat al-Nās, gedrukt door Ḥadīqah al-ʿUlūm Press in Meerut (India).
Later, in 1318 Hijri, werd een gedetailleerde weerlegging gepubliceerd door Gulzār-e-Ḥasniyyah Press in Mumbai.
In 1320 Hijri volgde een uitgebreide tegenspraak via Tuhfah-e-Ḥanafiyyah Press in Patna Azimabad. De auteur van dit onheilige oordeel overleed in de maand Jamādī al-Ākhir 1323 Hijri. Tot aan zijn dood bleef hij volledig stil.
Nooit heeft hij verklaard dat het niet zijn oordeel (fatwā) was, noch gaf hij aan dat hij iets anders bedoelde dan wat de geleerden van Ahl al-Sunnah hadden begrepen. Hij had zijn intentie kunnen verduidelijken — maar deed dat niet. En dit betrof geen onbeduidende kwestie: het ging om een ernstige zaak van kufr.
Stel dat Zaid nog leeft, en een gestempeld en ondertekend oordeel is openlijk onder zijn naam gepubliceerd, waarin hij als ongelovige wordt beschreven — hoe kan hij zich dan permitteren dit te negeren? Stel dat hij dat wel doet, en zijn boek wordt jarenlang herdrukt, terwijl anderen weigeren hem als ongelovige te bestempelen, en hij leeft in stilte gedurende 15 jaar — kan iemand met gezond verstand dan concluderen dat Zaid ontkende of het niet zo bedoelde? De andere respectloze personen die vandaag de dag leven, zijn terughoudend en aarzelend over dit onderwerp. Zij kunnen hun gepubliceerde boeken niet verwerpen, noch een alternatieve uitleg geven over hun eigen bewoordingen en beledigingen.

In het jaar 1320 Hijri werden de verklaringen van ongeloof (kufr) van deze personen gepubliceerd in een enkelvoudig volume, samen met een aannemelijke tegenspraak. Destijds benaderden enkele moslimleiders de leider van deze respectloze groep met een reeks intellectuele vragen. Deze vragen brachten hen zichtbaar in verwarring — getuigen kunnen bevestigen hoe bezorgd zij reageerden. Toch waren zij niet in staat hun eigen uitspraken te verwerpen, noch konden zij een alternatieve uitleg formuleren. Hun leider verklaarde dat hij niet gekomen was om deel te nemen aan een debat. Hij gaf aan geen discussie te willen voeren, omdat hij en zijn geleerden niet begaafd waren in debattechniek.
Zijn laatste woorden waren dat hij zou blijven herhalen wat hij eerder had gezegd — zelfs als anderen hem overtuigden van het tegendeel.

De gestelde vragen, samen met een gedetailleerd rapport, zijn gepubliceerd op 15 Jamādī al-Ākhir 1323 Hijri. Dit document werd overhandigd aan de leider van deze respectloze volgelingen. Vier jaar zijn verstreken sinds deze gebeurtenis, en nog steeds hebben wij geen enkel verweer vernomen. Onder deze omstandigheden — en gezien hun bedrieglijke ontkenning — kan men stellen dat deze respectloze personen, die beledigende uitspraken hebben gedaan jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ, zich gedragen alsof zij nooit in deze wereld zijn geboren. Zij ontkennen hun eigen woorden en weigeren verantwoordelijkheid te nemen. Er lijkt niets gedaan te kunnen worden, omdat hun houding volkomen vals en misleidend is. Moge Allāh Taʿālā hen het besef van eigen eer en respect schenken.

Het vijfde bedrieglijke argument dat zij aanvoeren, is dat zij de Schriftgeleerden van Ahl al-Sunnah beschuldigen van het brandmerken van anderen als ongelovigen (kāfir). Deze beschuldiging onthult hun hulpeloosheid en gebrek aan morele moed. Het ontbreekt hen aan de innerlijke kracht om vergiffenis te vragen aan Allāh Taʿālā en Zijn Profeet Mohammed ﷺ voor hun gepubliceerde, beledigende uitspraken en arrogante houding. Zij dienen — net zoals zij schriftelijk beledigende uitspraken hebben gedaan over Allāh Taʿālā en de Heilige Profeet ﷺ — ook schriftelijk te verklaren dat hun beweringen onjuist zijn. De reden hiervoor is gebaseerd op een overlevering van onze Heilige Profeet ﷺ, waarin hij zegt: ‘Wie in stilte een zonde begaat, dient in stilte vergiffenis te vragen.
En wie een zonde schriftelijk begaat, dient deze ook schriftelijk te herroepen om vergiffenis te verkrijgen.’ Deze ḥadīth is overgeleverd door Imam Aḥmad in Az-Zuhd, Imam Ṭabarānī in Al-Kabīr, en Imam Bayhaqī in Shuʿab al-Īmān, via Ḥaḍrat Muʿādh ibn Jabal.

Deze respectloze mensen citeren het onderstaande vers:

الَّذِينَ يَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اللّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا وَهُم بِالآخِرَةِ هُمْ كَافِرُونَ

“Welke afhouden van de weg van Allāh, dat het een kronkelweg was, terwijl zij ongelovig zijn aan het latere leven.” Surah Hoed (profeet Hoed), H11, vers 19

Sommigen proberen de moslimgemeenschap op te hitsen door de Schriftgeleerden van Ahl al-Sunnah te beschuldigen van het willekeurig brandmerken van moslims als ongelovigen (kāfir). Zij beweren spottend dat deze geleerden beschikken over een ‘machine’ die automatisch oordelen van ongeloof publiceert. Onder deze beschuldigingen worden namen genoemd zoals Ismāʿīl Dehlvī, Moulvī Ishāq, Moulvī ʿAbdul Ḥayy — allen als ongelovigen bestempeld.
De brutaliteit gaat verder: (moge Allāh Taʿālā ons vergeven voor het noemen van hun namen) Hazrat Shāh ʿAbdul ʿAzīz, Shāh Walī Allāh, Ḥājī Imdādullāh, Maulānā Shāh Faḍl-ur-Raḥmān worden eveneens genoemd. De absolute schaamteloosheid bereikt haar hoogtepunt wanneer men beweert dat Hazrat Shaykh Aḥmad Mujaddid al-Fārūqī (radiy Allāhu ʿanhu) als ongelovige is bestempeld. Kortom, zij noemen bewust namen van personen die hoog in aanzien staan bij hun gesprekspartners, en proberen zo verwarring en verdeeldheid te zaaien. Zo ver zelfs, dat een van deze respectloze personen naar Maulānā Shāh Muḥammad Ḥussain Allahābādī (moge Allāh Taʿālā zijn ziel zegenen) ging en abusievelijk beweerde dat Zijne Heiligheid Hazrat Sayyidinā Shaykh al-Akbar Muḥyiddīn ibn ʿArabī ook als ongelovige is bestempeld. Moge Allāh Taʿālā Maulānā een plaats schenken in de hoogste gradatie van het Paradijs!

Hij handelde conform de Qur’ān vers.

إِن جَاءكُمْ فَاسِقٌ بِنَبَأٍ فَتَبَيَّنُوا أَن تُصِيبُوا قَوْمًا

“Indien een kwaaddrijver tot u komt met een bericht, vergewist u dan daarvan.” Surah Al-Hujarāt (de binnenkamers), H49, vers 6

Hij schreef een brief met als doel de waarheid vast te stellen. Als antwoord daarop werd een beschouwing getiteld Anjāʾ al-Barī ʿan Wīswasāt al-Muftī opgesteld en verzonden. Na ontvangst van deze beschouwing stuurde de Maulānā een brief aan de betreffende persoon als verwerping van de inhoud.
Deze respectloze personen blijven leugens verspreiden, en het antwoord op hun beweringen blijft onveranderd.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

إِنَّمَا يَفْتَرِي الْكَذِبَ الَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ بِآيَاتِ اللّهِ وَأُوْلـئِكَ هُمُ الْكَاذِبُونَ

“Leugenachtig is het slechts wat zij, die niet aan de tekenen Allāh geloven.” Surah an-Nahl (de bijen), H16, vers 105

En, Allāh Ta’ālā  openbaar verder in de Qur’ān:

وأَنفُسَكُمْ ثُمَّ نَبْتَهِلْ فَنَجْعَل لَّعْنَةُ اللّهِ عَلَى الْكَاذِبِينَ

“En, spreken (plechtig) en leggen de vloek Allāh op de bedriegers.” Surah Aali ‘Imrān (de familie van profeet Imrān), H3, vers 61

O moslims! Het is niet moeilijk om op te treden tegen dit zwakke en bedrieglijke argument. Vraag deze personen om bewijzen te leveren. Er bestaat geen twijfel over het feit dat zulke mensen als ongelovigen (kuffār) kunnen worden beschouwd — mits hun uitspraken ondubbelzinnig en aantoonbaar in strijd zijn met de islamitische geloofsleer. Zij dienen bewijsstukken te tonen: het boek, het tijdschrift, het islamitische oordeel (fatwā) of enig ander document waarin zulke verklaringen daadwerkelijk staan geschreven. Waarom overleggen zij deze documenten niet? Op welke bijzondere dag wachten zij?
Als zij werkelijk over bewijs beschikken, laat hen dat dan tonen. Maar abusievelijk — zij kunnen het niet. En Allāh Taʿālā weet dat zij geen enkel documentair bewijs kunnen overleggen. De Heilige Qurʾān levert het bewijs dat zij liegen. O moslims! Wees waakzaam, en laat jullie niet misleiden door loze woorden zonder bewijs.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

فَإِذْ لَمْ يَأْتُوا بِالشُّهَدَاء فَأُوْلَئِكَ عِندَ اللَّهِ هُمُ الْكَاذِبُونَ

“Immers, nu zij geen getuigen bijbrachten, waren zij het, die ten overstaan van Allāh leugenachtig waren.” Surah an-Noor(het Licht), H24, vers 13

O moslims! Er is geen nut in het opnieuw testen van mensen die al ontelbare keren zijn getest. Het is herhaaldelijk voorgekomen dat deze respectloze personen veel ophef en lawaai maakten, maar wegrenden zodra moslims hen vroegen om bewijsstukken te overleggen. Zij konden de confrontatie niet verdragen. Zij zijn verslaafd aan het veroorzaken van opschudding en herrie.
Hun doel is het verbergen van het ongeloof van degenen die beledigende taal hebben gebruikt jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ, door de moslimgemeenschap op te hitsen met de bewering dat de geleerden van Ahl al-Sunnah anderen willekeurig als ongelovigen bestempelen.
O moslims! Deze uitvinders van leugens kunnen geen enkel bewijsstuk leveren.
En dat is een feit: leugen heeft geen poot om op te staan.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَأَنَّ اللّهَ لاَ يَهْدِي كَيْدَ الْخَائِنِينَ

“En, dat Allāh niet recht leidt de aanslag der trouweloze.”  Surah Yusuf, H12, vers 52

Dit licht der waarheid is voldoende om hun leugen te onthullen.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَمَا يَشْعُرُونَ أَيَّانَ يُبْعَثُونَ

“Lever het bewijs indien je de waarheid spreekt.” Surah an-Naml (de mier), H27, vers 65

Ten eerste

Er is geen verdere discussie noodzakelijk. Toch zullen wij, bij de gratie van Allāh Taʿālā, bewijzen leveren betreffende hun leugens — zodat de feiten zullen stralen als het daglicht. Dit bewijs ontmaskert hen als verzinners van leugens, stralender dan de zon. Het is geschreven, gepubliceerd en al vele jaren oud. Van degenen die de geleerden van Ahl al-Sunnah beschuldigen van het brandmerken van anderen als ongelovigen (kāfir), komt de naam van Ismāʿīl Dehlvī het meest naar voren. Er bestaat geen twijfel over het feit dat de Schriftgeleerden van Ahl al-Sunnah meerdere uitspraken van ongeloof (kufr) hebben aangetroffen in zijn werk. Zij hebben hun bevindingen onderbouwd en gepubliceerd. Raadpleeg bijvoorbeeld Subḥān al-Subbūḥ ʿan ʿAyb al-Kidhib al-Maqbūḥ, eerste editie, gepubliceerd in 1309 Hijri door Anwār-e-Muḥammadī Press in Lucknow.
In dit werk is met overtuigende argumenten aangetoond dat degene die het boek van Ismāʿīl Dehlvī als waarheid accepteert, het verdient om als ongelovige te worden beschouwd — op basis van 75 punten. Uiteindelijk werd dit oordeel neergelegd in een document van circa 90 pagina’s, waarin — uit voorzichtigheid en behoedzaamheid — de geleerden hem niet expliciet als ongelovige bestempelden. Het betreft een zorgzaam en geoorloofd vonnis. Er kan gezegd worden: ‘Dit is het antwoord. Dit is de basis van het vonnis. Dit is onze religie. En dit is de bron van zelfvertrouwen, veiligheid en solidariteit.’

Ten tweede

Raadpleeg Al-Kawkab al-Shahābiyyah fī Kufriyyāt Abī al-Wahhābiyyah, een werk dat primair is geschreven om de uitspraken van Ismāʿīl Dehlvī en zijn volgelingen te weerleggen. Het werd voor het eerst gepubliceerd in de maand Shaʿbān 1316 Hijri door Tuhfah-e-Ḥanafiyyah Press in Azimabad. In dit boekje zijn relevante verzen uit de Heilige Qurʾān, gelijkende overleveringen (aḥādīth) van de Profeet ﷺ, en briljante verklaringen van de Imams opgesomd — met verwijzing naar authentieke bronnen en paginanummers. Op basis van meer dan 70 argumenten is aangetoond dat deze respectloze persoon uitspraken heeft gedaan die het oordeel van ongeloof (kufr) rechtvaardigen. Om tot een zorgvuldige conclusie te komen, is het commentaar verspreid over 62 pagina’s. In deze zaak was dit de meest passende voortgang van het juridische proces: namelijk het onthouden van een expliciete uitspraak van takfīr, terwijl de bewijzen ondubbelzinnig zijn gepresenteerd. Allāh Taʿālā alleen kent de volledige waarheid.

Ten derde

Raadpleeg Ṣall al-Ṣuyūf al-Hindiyyah ʿalā Kufriyyāt Bābā al-Najdiyyah, gepubliceerd in de maand Ṣafar 1316 Hijri in Azimabad. In dit boekje zijn eveneens sterke aanwijzingen gegeven, waaruit blijkt dat Ismāʿīl Dehlvī en zijn volgelingen uitspraken hebben gedaan die het oordeel van ongeloof (kufr) rechtvaardigen — op basis van hun eigen anti-islamitische verklaringen, zoals vermeld op pagina’s 21 en 22. Aangezien het hier een kwestie van juridisch vonnis betrof, was uiterste zorgvuldigheid noodzakelijk. Onze geleerden zijn prijzenswaardig: ondanks dat zij beledigingen hoorden jegens oprechte moslims door de spirituele gidsen van deze respectloze personen, bleven zij geduldig en wraakloos, en hielden zij vast aan de principes van terughoudendheid en rechtsgeldige voorzichtigheid bij het uitspreken van hun oordeel. Zij onderzoeken nog steeds of iemand zondermeer als ongelovige mag worden bestempeld.
Want zolang men het niet eens is met de uitspraken van deze brute personen,
kan men niet als ongelovige worden beschouwd. Het vaststellen dat een uitspraak kufr is, is iets anders dan het bestempelen van een persoon als kāfir.
De juiste houding is om zorgvuldigheid en stilte te betrachten, geduld op te brengen, en Allāh Taʿālā te vrezen bij het uitspreken van een vonnis van ongeloof — vooral wanneer er zelfs het zwakste teken van Islam in iemand aanwezig is.

Ten vierde

Raadpleeg Isālat al-ʿĀr bi Hijr Karīm ʿan Kalb al-Nār, voor het eerst gepubliceerd in 1317 Hijri te Azimabad. Op pagina 10 van dit werk schreven wij dat in deze kwestie het beleid van onze geleerden van Ahl al-Sunnah is toegepast. Dit beleid houdt in dat geen enkele moslim als ongelovige (kāfir) wordt bestempeld,
zolang hij de essentiële principes van het geloof (ʾīmān) niet ontkent. Zelfs indien iemand een persoon als moslim beschouwt, terwijl die persoon de fundamentele geloofsprincipes ontkent, zal men hem nog niet direct als ongelovige bestempelen. Deze benadering weerspiegelt de fiqh-regel van terughoudendheid bij takfīr, zoals verankerd in de werken van klassieke geleerden.

Ten vijfde

Ismāʿīl Dehlvī niet buiten beschouwing latend, waren deze respectloze personen — over wie inmiddels een oordeel van ongeloof is uitgesproken — lange tijd onderwerp van onderzoek. Toen wij hun duidelijk beledigende uitspraken jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ nog niet kenden, beschouwden wij hen als beschuldigde leugenaars. Nadat ik 78 redenen had onthuld waaruit ongeloof bleek, schreef ik in Subḥān al-Subbūḥ dat ik hen niet wilde brandmerken als ongelovigen. Zelfs vandaag de dag beschouw ik de moderne volgelingen van deze respectloze personen als moslims, hoewel ik geen twijfel heb over hun kleinerende en negatieve houdingen. Ik beschouw zelfs Ismāʿīl Dehlvī — de leider van deze groep — niet als ongelovige, omdat onze Profeet Mohammed ﷺ ons heeft verboden een moslim als ongelovige te bestempelen, tenzij de reden van zijn ongeloof duidelijker is dan de zon en er absoluut geen mogelijkheid meer bestaat om hem binnen de kaders van de Islam te handhaven.

O moslims! O moslims! Denk aan uw īmān, uw godsdienst, en aan de Almachtige Allāh Taʿālā, voor wie u zult verschijnen op de Dag des Oordeels. Overweeg hoe zorgvuldig ik ben in het bestempelen van een moslim als ongelovige (kāfir),
ondanks de vele genoteerde redenen die daartoe aanleiding zouden kunnen geven. Het is volkomen schaamteloos, misdadig en oneerbiedig van deze respectloze personen om mij valselijk te beschuldigen van het overhaast verklaren van anderen tot ongelovigen. Zonder twijfel hebben zij een leugen verzonnen. De Profeet Mohammed ﷺ heeft gezegd — en wat hij zegt is de waarheid: ‘Wanneer je geen schaamte kent, doe dan wat je wilt.’” Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 6120

O moslims! U hebt voor u deze kristalheldere en krachtige verklaringen. Sommige zijn tussen de 10 en 17 jaar geleden gepubliceerd, en 19 jaar geleden geschreven.
Deze respectloze personen zijn sinds 1320 Hijri veroordeeld tot ongeloof (kufr) —
het jaar waarin Al-Muʿtamad al-Mustanad werd gepubliceerd, circa zes jaar geleden. Lees deze verklaringen zeer nauwkeurig, en wees rechtvaardig — met vrees voor Allāh Taʿālā en liefde voor Zijn Profeet ﷺ. Deze vonnissen weerleggen niet alleen de aanvallen van de verzinners der leugens, maar bewijzen ook dat een gewaarschuwde moslimgeleerde deze respectloze personen niet als ongelovigen heeft bestempeld, totdat hun ongeloof duidelijker werd dan de zon en er geen enkele mogelijkheid meer bestond — binnen de islamitische uitleg —
om hen nog binnen de kaders van de Islam te handhaven.

Deze dienaar van Allāh Taʿālā is toch dezelfde persoon die ongeveer zeventig aanklachten van ongeloof (kufr) heeft opgesomd, waarmee hij elke prominente respectloze figuur heeft weerlegd — en desondanks hen niet als ongelovige (kāfir) heeft bestempeld. Hij geeft hen het voordeel van de twijfel, in het licht van het bevel van de Profeet Mohammed ﷺ: dat een moslim niet als ongelovige mag worden bestempeld, zolang zijn ongeloof niet duidelijker is dan de zon en er geen enkele mogelijkheid meer bestaat om hem binnen de kaders van de Islam te handhaven.

Deze dienaar van Allāh Taʿālā is dezelfde persoon die 78 redenen heeft aangedragen die het ongeloof (kufr) van deze respectloze personen rechtvaardigen, maar desondanks zijn terughoudendheid heeft uitgesproken om hen als ongelovigen (kuffār) te bestempelen — omdat hij op dat moment niet exact wist welke beledigende uitspraken waren gedaan jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ. Hij koesterde geen woede jegens hen, en had geen gedeeld kenmerk of directe relatie die opheldering kon geven over het toenmalige meningsverschil.
De relatie tussen moslims is immers afhankelijk van liefde en haat jegens Allāh Taʿālā en Zijn Profeet ﷺ. Zolang deze respectloze personen geen beledigende uitspraken deden, of deze dienaar van Allāh Taʿālā deze uitspraken niet zelf had gezien of gehoord, respecteerde hij hun lippendienst aan de Islam. Hij betrachtte uiterste voorzichtigheid, en sloot zich niet aan bij die Schriftgeleerden die van mening waren dat deze personen het verdienen als ongelovigen te worden bestempeld. Daarentegen sloot hij zich aan bij de geleerden die pleiten voor grote zorgvuldigheid bij het uitspreken van takfīr. Maar toen hij met eigen ogen de beledigende uitingen zag jegens Allāh Taʿālā en de Profeet Mohammed ﷺ, raakte hij overtuigd dat deze personen gefaald hadden om de essentiële principes van de Islam te waarborgen. Hij had toen geen andere keuze dan hen als ongelovigen te verklaren. U hebt reeds in het begin gelezen dat de grote Imams stellen: Wie twijfelt aan een daad van ondubbelzinnig ongeloof, wordt zelf tot ongelovige gerekend. Het was noodzakelijk mijn eigen īmān te beschermen, evenals die van mijn moslimbroeders en de islamitische gemeenschap. Daarom werd een vonnis van ongeloof gepubliceerd en uitgegeven.

Allāh Ta’ālā  openbaart:

وَقُلْ جَاء الْحَقُّ وَزَهَقَ الْبَاطِلُ إِنَّ الْبَاطِلَ كَانَ زَهُوقًا

“En zeg: het wezenlijke is gekomen en het ijdele is vergaan. Het ijdele is waarlijk vergankelijk.” Surah  al-Isrā’ (de nachtreis), H17, vers 81

En, Allāh Ta’ālā  openbaart verder:

لاَ إِكْرَاهَ فِي الدِّينِ قَد تَّبَيَّنَ الرُّشْدُ مِنَ الْغَيِّ

“Er is geen dwang in de godsdienst. De rechtsgerichtheid is duidelijk onderscheiden van de verdeling.” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, vers 256

  1. De geschreven en gepubliceerde verklaringen van deze respectloze mensen zijn definitief beledigingen van Allāh Ta’ālā  en Zijn Profeet Mohammed ﷺ.
  2. Eenieder die Allāh Ta’ālā  en Zijn Profeet Mohammed ﷺ beledigt is definitief een ongelovige.
  3. Eenieder die hen geen kāfir noemt, met hen een vriendschappelijke band onderhoudt of hun positie in overweging neemt als leraren, verwanten of vrienden wordt ook definitief een van hen. Hij wordt een ongelovige net als zij. Op de Dag des Oordeels zal hij eveneens worden vastgebonden aan hetzelfde touw.
  4. Wat voor zwakke excuses en bedrieglijke argumenten zij ook geven, ze zijn ongeldig en vals.

Al deze vier punten zijn, bij de gratie van Allāh Taʿālā, zeer helder geworden. De verzen van de Heilige Qurʾān hebben overtuigende bewijzen geleverd en de richting aangegeven. Enerzijds is er het Paradijs en eeuwige genot; anderzijds de Hel en het eeuwige vuur. Eenieder kan kiezen wat hij of zij verkiest. Echter, het moet goed begrepen worden: wie de Profeet Mohammed ﷺ wil verlaten en in plaats daarvan kiest voor Jan, Piet of Klaas, zal nooit succesvol zijn. Leiding is uitsluitend in de macht van Allāh Taʿālā. Deze kwestie was op zichzelf al helder voor iedere moslim, maar vaak verlangen onze moslimbroeders naar de zegel van erkende geleerden op officiële documenten. De zegels van de geleerden uit Makkah al-Muʿaẓẓamah en Madīnah al-Munawwarah zijn het hoogst in rang,
omdat onze īmān op die heilige plaatsen zijn oorsprong vond. De overeengekomen tradities van de Profeet ﷺ bevestigen dat Satan in dat deel van de wereld nooit succes zal hebben. Daarom is, ter voldoening van onze moslimbroeders, deze kwestie voorgelegd aan de rechters en geleerden van de islamitische wetgeving in Makkah al-Muʿaẓẓamah en Madīnah al-Munawwarah.
Deze leiders van de islamitische wereld hebben het vonnis gewillig en enthousiast gecertificeerd. Alle lof zij aan Allāh Taʿālā!

NB van Tangali: Hun vonnissen, getuigschriften en commentaren zijn opgenomen — met Urdu-vertaling op de tegenoverliggende pagina’s — in het boek Ḥussām al-Ḥaramayn ʿalā Manhir al-Kufr wa al-Mayn, zodat onze moslimbroeders het grondig kunnen bestuderen.

O Allāh Taʿālā, Schenk wijsheid en moed aan mijn moslimbroeders om de waarheid te aanvaarden, en bescherm hen tegen het steunen — uit koppigheid of zelfzucht — van Zayd en ʿAmr tegen U en Uw geliefde Profeet Mohammed ﷺ.
Aanvaard onze smeekbede (duʿāʾ) in naam van de verhevenheid en edelmoedigheid van de Profeet ﷺ. Āmīn! Āmīn!

Alle lof behoort toe aan Allāh Taʿālā, de Heerser van het Heelal. En de beste ṣalawāt en salām aan onze Heilige Profeet Mohammed ﷺ, zijn kinderen en kleinkinderen, metgezellen (ṣaḥābah), vrienden en alle overige moslims..


[1] Overleveringen van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ

[2] Qur’ān 9:24

[3] Als u afstand neemt van de respectloze mensen ten einde de naam van Allāh Ta’ālā en Zijn Profeet ﷺ te verheerlijken.

[4]Deze hadīth is verhaald door Hazrat Annas, door Imam Tabrānī in Muadjam Kabir en door Hazrat Abu Naiem in Hiljaa (radi Allāhu anhum).

[5] Tafsīr Kabir van Imam Fakhruddin Rāzi, deel 2,  pagina 455

[6] Hier wordt bedoeld, dat zij geen respectloze daad jegens de Profeet Mohammed ﷺ hebben gebruikt.

[7] Lees hierover Commentaar door Imam Ibn Jarīr (radi Allāhu anhu), gepubliceerd in Egypte, deel 10, pag. 105; en Commentaar Durre Mansoor door Imam Jalāluddin Suyuti (radi Allāhu anhu), deel 3, pag. 254.

[8]Hier wordt bedoeld dat de Munāfiqun Kufr jegens Allāh Ta’ālā en de Profeet Mohammed ﷺ hebben gepleegd. Allah accepteert noch hun geld noch hun wereldse namāz.

[9] Hier wordt bedoeld, dat zij hun tong verdraaien (Rai-iena) en daardoor de betekenis ervan verdraaien om de Islam te verzwakken.

[10] Dit is een groep van de Zia.

[11] Hier wordt bedoeld Ummat-e-Idjabat.

[12] Voor meer details en discussie over dit onderwerp raadpleegt u het boek “Fatāwa-e-Razwiyah”.

[13] Hiermee wordt bedoeld dat niemand uit zichzelf iets van het onzichtbare weet.

[14] Toen de Profeet Sulaimān (alayhis salām) zijn laatste adem uitblies, wisten de Djinns dit gedurende 1 jaar niet, terwijl zij vaak met hem samen waren en zijn opdrachten uitvoerden.

[15] Degenen die de gedachte op nahouden zoals de Joden, dat indien iemand van de 100 dingen, 1 ding van de Islam accepteert hij dan geen ongelovige mag worden genoemd. De Islamitische geleerden zeggen, dat indien van de 100 dingen slechts een ding twijfelachtig is ten aanzien van het ongeloof, hij geen ongelovige zal worden genoemd, totdat het niet bewezen is dat hij de intentie had van ongeloof.

[16] Mensen die onze Heilige Profeet hebben beledigd, weten welke straf hen op de Dag des Oordeels wacht.

[17] Mubaram en Mo-allakqie

[18] Het tijdspad vanaf nu is 112 jaar geleden.

[19] Hier wordt bedoeld Motakallimien (Oelama die gespecialiseerd zijn op het terrein van Aqīda).


Translate »
error: Content is protected !!