Deze paper is de samenvatting van de masterclass ʿUloom Tafsīr van mijn Imam-opleiding aan de Hogeschool Inholland en MPhil Islamic Studies (Serving His Creation) aan de Hijaz College in Engeland.

De letterlijke betekenis van Tafsīr in de Arabische taal is het openen of uitleggen, interpreteren of becommentariëren. Technisch gezien is de wetenschap van Tafsīr een tak van kennis waarin de betekenissen van de Heilige Qur’ān worden uitgelegd en de bevelen en wijsheden openlijk en duidelijk worden beschreven. (al-Burhān)

De Glorieuze Heilige Qur’ān, die de heilige Profeet ﷺ aanpakt, zegt:

بِٱلْبَيِّنَاتِ وَٱلزُّبُرِ وَأَنْزَلْنَا إِلَيْكَ ٱلذِّكْرَ لِتُبَيِّنَ لِلنَّاسِ مَا نُزِّلَ إِلَيْهِمْ وَلَعَلَّهُمْ يَتَفَكَّرُونَ

“En Wij hebben de vermaning tot u [Profeet ﷺ] gezonden, opdat u aan het mensdom moogt uitleggen hetgeen tot hen werd neergezonden, zodat zij mogen nadenken.” Surah an-Nahl (de Bij), H16, vers 44

Allāh Ta’ālā openbaart ook:

لَقَدْ مَنَّ ٱللَّهُ عَلَى ٱلْمُؤمِنِينَ إِذْ بَعَثَ فِيهِمْ رَسُولاً مِّنْ أَنْفُسِهِمْ يَتْلُواْ عَلَيْهِمْ آيَاتِهِ وَيُزَكِّيهِمْ وَيُعَلِّمُهُمُ ٱلْكِتَابَ وَٱلْحِكْمَةَ وَإِن كَانُواْ مِن قَبْلُ لَفِي ضَلالٍ مُّبِينٍ

“Voorwaar, Allāh heeft de gelovigen [moslims] een gunst bewezen, daar Hij een boodschapper uit hun midden opwekte, die hun Zijn tekenen verkondigt, hen loutert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst, hoewel zij voordien duidelijk dwaalden.” (Surah Al-ʿImrān (het Huis van ʿImrān), H3, vers 164)

Om dit in zicht te houden, moet worden opgemerkt dat de heilige Profeet ﷺ niet alleen de Woorden van Allāh Ta’ālā [in de Heilige Qur’ān] heeft onderwezen, maar hij legde deze ook in detail uit. Daarom moesten de gerespecteerde metgezellen, in sommige gevallen samen, jaren wijden aan het leren van één Soera.

Tot de tijd dat de heilige Profeet ﷺ de aardse wereld met zijn aanwezigheid sierde, was het zoeken naar de uitleg van een vers geen groot probleem. Wanneer de metgezellen moeilijkheden ondervonden, gingen zij naar hem en kregen een bevredigend antwoord. Later, na hem, werd het noodzakelijk dat de tafsīr van de Heilige Qur’ān werd bewaard als een permanente tak van kennis, zodat samen met de Woorden van de edele Heilige Qur’ān, zijn juiste betekenis goed en streng werd beschermd en geconserveerd voor de islamitische Ummah, en ketters en sekten geen ruimte kregen voor vervorming van de betekenissen. Dus, met de genade en gunst van Allāh Ta’ālā heeft de Ummah deze prachtige missie met zo’n doelmatigheid bereikt dat wij vandaag de dag zonder enige twijfel of angst voor afwijzing kunnen zeggen dat niet alleen de Woorden van het laatste Boek van Allāh Ta’ālā beschermd zijn, maar ook dat de juiste tafsīr, die ons bereikt heeft door de heilige Profeet ﷺ en zijn metgezellen, beschermd is. Zij waren ooit bereid hun leven voor hem op te offeren.

Onderzoeksvragen

  1. In welke opzichten heeft de moslim Ummah de ʿilm beschermd en bewaard?
  2. Welke extreme moeilijkheden hebben zij in deze achtervolging ondervonden?
  3. Hoeveel etappes moest deze strijd doorlopen?

Dit alles heeft een lange en fascinerende geschiedenis die in de huidige context niet kan worden overgenomen. De bedoeling hier is om kort te zijn over wat de bronnen van de Heilige Qur’ān‑tafsīr zijn en hoe deze bronnen zijn gebruikt om de edele Heilige Qur’ān uit te leggen door al die ontelbare boeken over ʿIlm at‑Tafsīr, beschikbaar in elke taal. Deze bronnen zijn zes in aantal: de Heilige Qur’ān, Sunnah die zijn vastgelegd in aḥādīth boeken, de verslagen van de Sahāba en de rapporten van de Tabīʿīn of opvolgende opvolgers.

De eerste bron van kennis van Tafsīr is de Heilige Qur’ān zelf. Daarom gebeurt het vaak dat een bepaald punt, dat kort is en uitleg vereist, steevast wordt verduidelijkt door een ander vers van de Heilige Qur’ān. Bijvoorbeeld een vers over het gebed in Surah al-Fātiḥah: “Leid ons op de rechte weg – het pad van degenen aan wie U Uw genade hebt geschonken…”. Nu is het niet duidelijk wie de mensen zijn die Allāh Ta’ālā heeft gezegend, maar in een ander vers worden zij heel duidelijk geïdentificeerd, waar gezegd wordt:

وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَـٰئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنْعَمَ ٱللَّهُ عَلَيْهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّينَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّالِحِينَ وَحَسُنَ أُولَـٰئِكَ رَفِيقاً

“En wie aldus Allāh en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn onder degenen wie Allāh Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk, de profeten, de waarachtigen, de getuigen [martelaars] en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen.” (Surah an-Nisāʾ (de vrouwen), H4, vers 69).

Daarom, wanneer gerespecteerde mufassir een vers uitleggen, controleren zij eerst of er elders in de edele Heilige Qur’ān al een tafsīr van dit vers aanwezig is. Als dat zo is, kiezen zij ervoor om daarmee door te gaan als hun eerste keuze.

De woorden en daden van de heilige Profeet ﷺ worden adīth genoemd. Zoals eerder gezegd heeft Allāh Ta’ālā hem de Heilige Qur’ān gezonden met het doel om de mensen, openlijk en expliciet, de juiste betekenissen van de edele Heilige Qur’ān uit te leggen. Daarom heeft hij deze plicht met genade en uitmuntendheid vervuld, zowel door zijn woorden als door zijn daden.

In feite is zijn hele gezegende leven een praktische tafsīr van de Heilige Qur’ān. Om deze reden hebben gerespecteerde mufassir, bij het begrijpen van de Heilige Qur’ān, de grootste nadruk gelegd op adīth als tweede bron. In het licht van de aādīth hebben zij de betekenissen van het Boek van Allāh Ta’ālā bepaald. Omdat er echter allerlei zwakke en gefabriceerde vertellingen zijn opgenomen in de adīth, accepteren op onderzoek georiënteerde mufassir geen commentaar als betrouwbaar totdat het bestand is tegen de principes die worden gebruikt bij de toetsing van adīth-vertellingen. Vandaar dat het enkel vinden van een adīth-verslag en dit vervolgens gebruiken om een bepaalde tafsīr te bepalen niet juist is, omdat dat verslag zwak kan zijn of zelfs in tegenspraak met andere sterkere overleveringen. Dit is een zeer delicate zaak en daarin ligt het exclusieve voorrecht bij degenen die hun jaren hebben doorgebracht met het beheersen van dit kennisgebied.

De nobele Sahāba-e-Kirām (raḍiyAllāhu ʿanhum) hadden hun opleiding rechtstreeks van de heilige Profeet ﷺ ontvangen. Daarnaast waren zij persoonlijk aanwezig toen wahy (openbaring) kwam en zij maakten zelf alle omstandigheden en achtergronden van de openbaring van de Heilige Qur’ān mee. Daarom zijn de opgenomen uitspraken van deze gezegende zielen veel authentieker en betrouwbaarder in het uitleggen van de edele Heilige Qur’ān; latere moslims kunnen die plaats niet innemen. Vandaar dat, in het geval van verzen waarvan de uitleg niet wordt gevonden in de Heilige Qur’ān of adīth, de uitspraken van de edele metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) de hoogste prioriteit krijgen.

Als er consensus bestaat over de uitleg van een bepaald vers, dan volgen de mufassir die uitleg; het op een andere manier uitleggen is niet toegestaan. Wanneer de verklaringen van de metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) verschillen in de interpretatie (tafsīr) van een bepaald vers, onderzoeken de latere mufassir deze in het licht van argumenten en bepalen zij welke uitleg de voorkeur verdient. Om deze situatie aan te pakken, bestaat er een belangrijk corpus van regels en verordeningen dat reeds gecodificeerd is onder de wetenschap van Uool al-Hadith en Uool al-Tafsīr. Een gedetailleerde bespreking daarvan is hier niet passend. Na de metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) komen de opvolgers (Tabīʿīn). Zij zijn degenen die de tafsīr van de Heilige Qur’ān hebben geleerd van de metgezellen. Daarom hebben hun verklaringen ook groot belang in de wetenschap van tafsīr. Hoewel er onder geleerden verschil van mening bestaat over de vraag of de uitspraken van de Tabīʿīn beslissend zijn in tafsīr, kan hun belang niet worden ontkend. (al‑Itqān, deel 2, blz. 179).

Daar de edele Heilige Qur’ān in de Arabische taal werd onthuld, is het noodzakelijk om een volledige beheersing van die taal te hebben om de Heilige Qur’ān uit te leggen. Er zijn verschillende verzen van de edele Heilige Qur’ān waarbij er geen sprake is van openbaringsomstandigheden of van enige juridische of wetenschappelijke kwestie. Daarom worden in hun tafsīr of verklaring de uitspraken van de heilige Profeet ﷺ, of de uitspraken van de Sahāba en Tabīʿīn, niet gerapporteerd.

Om die reden is de enige manier waarop deze verzen kunnen worden verklaard die van de Arabische taal, en het is uitsluitend op basis van de taal dat zij worden opgehelderd. Bovendien, mocht er enig verschil bestaan in de tafsīr van een bepaald vers, dan wordt in de wetenschap van de taalkunde een toets uitgevoerd op de waarheidsgetrouwheid tussen verschillende meningen.

De laatste bron van tafsīr bestaat uit beraadslaging en inkorting. De subtiliteiten en mysteries van de edele Heilige Qur’ān zijn een oceaan zonder kust, zonder einde. Hoe meer een persoon, die door Allāh Ta’ālā gezegend is met inzicht in de islamitische wetenschappen en daarover debatteert, hoe meer hij steeds nieuwe mysteries en subtiliteiten ontdekt.

Als gevolg hiervan presenteren de mufassir ook de uitkomsten van hun respectieve beraadslagingen. De mysteries en subtiliteiten die zo worden beschreven zijn echter alleen aanvaardbaar wanneer zij niet ingaan tegen de vijf bovengenoemde bronnen. Dus, als een persoon tijdens het uitleggen van de Heilige Qur’ān komt met een gering punt of onafhankelijk oordeel dat in strijd is met de Heilige Qur’ān en Soenna, consensus (ijmāʿ), taal of de verklaringen van metgezellen en opvolgers, of in conflict staat met een ander beginsel van de Sharīʿah, dan zal dat geen geloofwaardigheid hebben.

Sommige mystici zijn begonnen met het beschrijven van dergelijke mysteries en subtiliteiten in tafsīr, maar onderzoekende geleerden van de Ummah beschouwen deze niet als betrouwbaar, omdat de persoonlijke mening van een individu die tegen de basisprincipes van de Heilige Qur’ān, Soenna en Sharīʿah ingaat, duidelijk geen gewicht heeft. (al‑Itqān, deel 2, p. 184).

Judaïca of Israʾīliyyāt zijn narratieve overleveringen die ons hebben bereikt via Joden en christenen. Opgemerkt dient te worden dat vroege mufassir gebruikmaakten van geïdentificeerde bronnen bij het noteren van allerlei vertellingen die hen bereikten. Veel van deze vertellingen waren rechtstreeks afkomstig uit Judaïca. Daarom is het noodzakelijk om te weten wie zij werkelijk zijn.

De realiteit is dat sommige edele metgezellen en hun opvolgers eerst behoorden tot de religie van het volk van het Boek. Later, toen zij moslims werden en de Heilige Qur’ān leerden, kwamen zij verschillende gebeurtenissen tegen die verband hielden met vroegere gemeenschappen die in de Heilige Qur’ān genoemd worden, en die zij ook in de boeken van hun vorige religie hadden gelezen. Daarom beschreven zij, terwijl zij naar de gebeurtenissen in de Heilige Qur’ān verwezen, aanvullende details voor moslims die zij in de boeken van hun oude religie hadden gezien. Deze details zijn in de boeken van tafsīr opgenomen onder de naam Israʾīliyyāt. Ḥāfiẓ Ibn Kathīr, een authentieke onderzoekgeleerde, heeft geschreven dat er drie soorten Israʾīliyyāt zijn:

  1. Vertellingen waarvan de waarheid blijkt uit andere bewijzen van de Heilige Qur’ān en de Soenna, zoals de verdrinking van Farao en de beklimming van Sayyidunā Mūsā ʿalayhis al‑salām op de berg Ṭūr (Sinaï).
  2. Vertellingen waarvan de valsheid wordt bewezen door andere bewijzen van de Heilige Qur’ān en de Soenna, zoals in een Joodse vertelling waarin gesteld wordt dat Sayyidunā Sulaymān ʿalayhis al‑salām (Allāh Ta’ālā verhoede) een apostaat zou zijn geworden in zijn latere jaren. De weerlegging hiervan blijkt uit de Qur’ān.

وَٱتَّبَعُواْ مَا تَتْلُواْ ٱلشَّيَـٰطِينُ عَلَىٰ مُلْكِ سُلَيْمَـٰنَ وَمَا كَفَرَ سُلَيْمَـٰنُ وَلَـٰكِنَّ ٱلشَّيَـٰطِينَ كَفَرُواْ يُعَلِّمُونَ ٱلنَّاسَ ٱلسِّحْرَ وَمَآ أُنْزِلَ عَلَى ٱلْمَلَكَيْنِ بِبَابِلَ هَـٰرُوتَ وَمَـٰرُوتَ وَمَا يُعَلِّمَانِ مِنْ أَحَدٍ حَتَّىٰ يَقُولاَ إِنَّمَا نَحْنُ فِتْنَةٌ فَلاَ تَكْفُرْ فَيَتَعَلَّمُونَ مِنْهُمَا مَا يُفَرِّقُونَ بِهِ بَيْنَ ٱلْمَرْءِ وَزَوْجِهِ وَمَا هُم بِضَآرِّينَ بِهِ مِنْ أَحَدٍ إِلاَّ بِإِذْنِ ٱللَّهِ وَيَتَعَلَّمُونَ مَا يَضُرُّهُمْ وَلاَ يَنفَعُهُمْ وَلَقَدْ عَلِمُواْ لَمَنِ ٱشْتَرَاهُ مَا لَهُ فِي ٱلآخِرَةِ مِنْ خَلَٰـقٍ وَلَبِئْسَ مَا شَرَوْاْ بِهِ أَنْفُسَهُمْ لَوْ كَانُواْ يَعْلَمُونَ

“En zij volgen dezelfde weg, die de duivels volgden tegen de regering van Salomo – en Salomo was niet ongelovig, maar ongelovig waren de duivels en zij leerden de mensen leugen en bedrog. En [zij handelen naar] hetgeen aan de twee engelen, Harūt en Marūt in Babylon was geopenbaard. Maar deze beiden leerden niemand, voordat zij hadden gezegd: “Wij zijn slechts een beproeving; weest daarom niet ongelovig”. Zo leren zij [de mensen] van hen datgene waarmee zij een geschil maken tussen een man en zijn vrouw, maar zij schaden er niemand mee, tenzij door Allāhs bevel; maar dezen leren wat hen schaadt en geen goed doet, hoewel zij weten, dat hij, die in deze zaken handelt geen voordeel heeft in het hiernamaals; slecht is hetgeen waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; hadden zij het slechts ingezien!” (Surah al-Baqarah (de koe), H2, vers 102)

Voorbeeld van Israʾīliyyāt

Om nog een voorbeeld te noemen: in een Joodse vertelling wordt gezegd dat (Allāh Ta’ālā verhoede) Sayyidunā Dāwūd ʿalayhis al‑salām overspel zou hebben gepleegd met de vrouw van zijn generaal (Uriah), of dat hij, nadat deze door allerlei vormen van hulp was gedood, zijn vrouw zou hebben getrouwd. Ook dit is een grote leugen, en het is absoluut noodzakelijk dat zulke vertellingen als vals worden beschouwd.

Vertellingen over zaken waarover de Heilige Qur’ān, de Soenna en de Sharīʿah zwijgen — zoals de bevelen van de Thora — zijn onderwerpen waarover stilte in acht moet worden genomen, zoals onderwezen door de heilige Profeet ﷺ: noch bevestigen, noch vervalsen. Er bestaat echter een meningsverschil tussen geleerden of het melden van dergelijke teksten wel of niet toelaatbaar is. Ḥāfiẓ Ibn Kathīr heeft hierover een beslissend oordeel gegeven: het rapporteren van deze vertellingen is toegestaan, maar nutteloos, omdat zij niet als authentiek kunnen worden beschouwd. (Muqaddimah Tafsīr Ibn Kathīr).

Hopelijk hebben de hierboven gegeven details duidelijk gemaakt dat de tafsīr (exegese of interpretatie) van de edele Heilige Qur’ān een uiterst delicate en moeilijke taak is waarvoor alleen het leren van de Arabische taal onvoldoende is. In feite is het noodzakelijk om expertise te hebben in alle verwante takken van kennis. Daarom zeggen geleerden dat een mufassir van de Heilige Qur’ān grote en diepe kennis moet hebben van de syntaxis, taalkunde, retoriek en literatuur van de Arabische taal, evenals van profetische tradities, beginselen van jurisprudentie en exegese, leerstellige artikelen van geloof en scholastiek. De reden is dat men niet tot de juiste conclusies kan komen bij het uitleggen van de Heilige Qur’ān, tenzij er op deze gebieden van kennis voldoende bekwaamheid is.

Het is betreurenswaardig dat de laatste tijd een gevaarlijke epidemie de moslims heeft ingehaald, waarbij veel mensen zijn begonnen (met enkel leesvaardigheid van het Arabisch) de tafsīr van de Heilige Qur’ān te geven. Als gevolg hiervan begint iedereen die gewoon Arabisch leest, meningen te geven in het domein van Qur’ān‑exegese. Integendeel, het is opgemerkt dat zelfs beginners, die Arabisch nog niet volledig beheersen, deelnemen aan het uitleggen van de Heilige Qur’ān, zelfs tot het punt van het vinden van fouten bij klassieke mufassir. Van kwaad tot erger zijn er subtiele tirannen die, door simpelweg een vertaling te lezen, voorstellen dat zij geleerden van de Heilige Qur’ān zijn geworden, zonder enige verlegenheid bij het bekritiseren van mufassir van grote statuur.

Dit is een zeer gevaarlijk gedragspatroon dat in religieuze zaken leidt tot fataal handelen. Met betrekking tot wereldlijke kunst en wetenschappen begrijpt iedereen dat als een persoon de Nederlandse taal leert om boeken van de medische wetenschap te bestuderen, hij niet erkend zou worden als arts door een redelijk persoon waar ook ter wereld, en zeker niet betrouwbaar genoeg om voor iemands leven te zorgen, tenzij hij is opgeleid in een medisch college. Evenzo zou niemand die enkel Nederlands kent en juridische boeken leest, als jurist worden erkend.

Wanneer zulke strenge eisen onvermijdelijk zijn om arts of jurist te worden, hoe kan het leren van de Arabische taal alleen voldoende zijn in zaken die verband houden met de Heilige Qur’ān en adīth? Elke kunst of wetenschap heeft zijn eigen specifieke leermethode en voorwaarden. Tenzij daaraan wordt voldaan, wordt de mening van een leerling niet als betrouwbaar beschouwd. Hoe kunnen de Heilige Qur’ān en de Soenna dan een vrij gebied van onderzoek zijn, waarin iedereen zonder kennis meningen mag uiten?

Sommige mensen zeggen dat de Heilige Qur’ān zelf heeft verklaard: “… en toch hebben Wij de Heilige Qur’ān gemakkelijk gemaakt omwille van een goede raad.” Omdat de Qur’ān een eenvoudig Boek is om te lezen, zou de uitleg nauwelijks veel steun van kunst of wetenschap nodig hebben. Maar dit argument is bedrieglijk en gebaseerd op gebrek aan intellect en oppervlakkigheid.

De verzen van de Heilige Qur’ān zijn van twee soorten:

  1. Verzen die algemene goede raad bieden, gebeurtenissen relateren en onderwerpen introduceren die te maken hebben met waarschuwingen en handelen op basis van advies. Deze zijn eenvoudig en iedereen die Arabisch kent, kan profiteren van hun raad. Het is in dit kader dat het vers zegt: “Wij hebben ze gemakkelijk gemaakt.” (al‑Itqān, deel 2, p. 176).
  2. Verzen die verbodsbepalingen, wetten, geloofsartikelen en intellectuele onderwerpen bevatten. Begrip van deze verzen vereist diepgaande kennis van islamitische wetenschappen.

Daarom besteedden de metgezellen, wiens moedertaal Arabisch was, lange periodes aan het leren van de Heilige Qur’ān van de Profeet ﷺ. Al‑Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) rapporteerde van Imām Abū ʿAbd al‑Raḥmān Sulamī dat de metgezellen, zoals Sayyidunā ʿUthmān ibn ʿAffān (raḍiyAllāhu ʿanhu) en ʿAbdullāh ibn Masʿūd (raḍiyAllāhu ʿanhu), ons hebben verteld dat zij na tien verzen niet doorgingen naar de volgende totdat zij alles hadden bedekt wat intellectueel en praktisch betrokken was. Zij zeiden: “Wij hebben de Heilige Qur’ān geleerd, kennis en actie in één.” (al‑Itqān, deel 2, p. 176).

Zoals gerapporteerd in de Muwattaʾ van Imām Mālik, besteedde Sayyidunā ʿAbdullāh ibn ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhumā) acht jaar aan Surah al‑Baqarah. In de Musnad van Aḥmad zegt Sayyidunā Anas (raḍiyAllāhu ʿanhumā) dat wie Surah al‑Baqarah en Surah Āl‑ʿImrān leerde, een hoge status onder hen kreeg (al‑Itqān, deel 2, p. 176).

Ondanks hun expertise in Arabisch en poëzie, hadden de metgezellen formeel onderwijs nodig aan de voeten van de Profeet ﷺ om ʿUlamāʾ van de Qur’ān te worden. Hoe kan men dan, honderden jaren later, enkel door elementaire kennis van Arabisch of door vertalingen, beweren een mufassir te zijn?

De Profeet ﷺ heeft gezegd: “Wie iets zegt over de Heilige Qur’ān zonder kennis, moet zijn woning in de hel maken.” (Abū Dāwūd, geciteerd in al‑Itqān, deel 2, p. 179). Hij heeft ook gezegd: “Wie over de Heilige Qur’ān spreekt op basis van zijn mening, en zelfs als hij iets waars zegt, toch heeft hij een fout gemaakt.” (Abū Dāwūd; al‑Nasāī).

Sinds de gezegende periode van de Profeet ﷺ zijn talloze tafāsīr (commentaren) van de Glorieuze Heilige Qur’ān geschreven. In feite is er geen ander boek in de wereld dat zo gediend is als de edele Qur’ān. Het introduceren van al deze tafāsīr is niet mogelijk, zelfs niet in een gedetailleerd boek, laat staan in een korte inleiding zoals deze. Wat hier wordt gedaan is kort de grote tafāsīr noemen die als bijzondere bronnen van de Heilige Qur’ān hebben gediend en die telkens weer zijn aangehaald.

Tafsīr Ibn Jarīr
De echte naam van deze tafsīr is Jāmiʿ al‑Bayān, samengesteld door ʿAllāmah Abū Jaʿfar Muḥammad ibn Jarīr al‑Ṭabarī (gest. 310 H). Al‑Ṭabarī was een zeer gewaardeerde commentator, muaddith (ḥadīth‑expert) en historicus. Er wordt gezegd dat hij veertig jaar onafgebroken schreef en dagelijks veertig pagina’s produceerde (al‑Bidāyah wa al‑Nihāyah, deel 11, p. 145). Er zijn beschuldigingen geweest dat hij Shīʿa was, maar onderzoekers hebben dit weerlegd; hij wordt erkend als een hoog aangeschreven geleerde van de volgelingen van de Soenna.

Tafsīr Ibn Kathīr
Ḥāfiẓ ʿImād al‑Dīn Abū al‑Fidāʾ Ismāʿīl ibn Kathīr al‑Dimashqī al‑Shāfiʿī (gest. 774 H) was een vooraanstaande onderzoeker van de achtste eeuw en auteur van dit tafsīr. Het werk is gepubliceerd in vier delen en legt nadruk op verklarende verhalen. Een speciaal kenmerk is zijn kritische beoordeling van verschillende verhalen als ḥadīth‑expert, waardoor dit boek een aparte plaats inneemt.

Tafsīr al‑Qurubī
De volledige naam is al‑Jāmiʿ li‑Akām al‑Qur’ān, geschreven door Abū ʿAbdullāh Muḥammad ibn Aḥmad ibn Abī Bakr ibn Farah al‑Qurṭubī (gest. 671 H), een Andalusische geleerde en volgeling van de Mālikī‑school. Het hoofddoel van dit werk was het afleiden van juridische bevelen en uitspraken uit de Qur’ān. Het boek bestaat uit twaalf delen en is herhaaldelijk gepubliceerd.

Al‑Tafsīr al‑Kabīr (Mafātī al‑Ghayb)
Dit werk van Imām Fakhr al‑Dīn al‑Rāzī (gest. 606 H) legt nadruk op rationele en scholastieke debatten en de weerlegging van valse sekten. Hoewel sommigen het bekritiseerden met de uitspraak “Er is alles in dit boek behalve tafsīr”, wordt het erkend als een hoogstaand werk in de resolutie van Qur’ān‑betekenissen. Het werk telt acht delen. (Kashf al‑unūn, deel 2, p. 477).

Tafsīr al‑Bar al‑Muī
Geschreven door ʿAllāmah Abū Ḥayyān al‑Gharnāṭī al‑Andalusī (gest. 754 H), een meester in syntaxis en retoriek. Zijn tafsīr legt nadruk op de analyse van woorden, structuren en welsprekendheid.

Akām al‑Qur’ān
Geschreven door Imām Abū Bakr al‑Jassās al‑Rāzī (gest. 370 H), een Ḥanafī‑jurist. Het werk richt zich op het afleiden van juridische bevelen uit de Qur’ān en neemt een prominente plaats in onder vergelijkbare werken.

Tafsīr al‑Durr al‑Manthūr
Geschreven door ʿAllāmah Jalāl al‑Dīn al‑Suyūṭī (gest. 910 H). De volledige naam is al‑Durr al‑Manthūr fī al‑Tafsīr bi al‑Maʾthūr. Al‑Suyūṭī verzamelde hierin zoveel mogelijk vertellingen over tafsīr, afkomstig van eerdere ḥadīth‑geleerden. Omdat hij vaak enkel de auteur vermeldt en niet de volledige keten, bevat het werk zowel sterke als zwakke overleveringen.

Al‑Tafsīr al‑Mazhari
Geschreven door Qāḍī Thanāʾullāh Panipati (gest. 1225 H), genoemd naar zijn spirituele leraar Mirza Mazhar Jan‑i Janān Dehlvī. Het werk is eenvoudig en duidelijk, nuttig voor korte uitleg van Qur’ān‑verzen, en legt nadruk op zorgvuldige acceptatie van verhalen.

al‑Maʿānī
De volledige naam is al‑Maʿānī fī Tafsīr al‑Qur’ān al‑ʿAīm wa al‑Sabʿ al‑Mathānī, geschreven door ʿAllāmah Maḥmūd al‑Ālūsī (gest. 1270 H). Het werk bestaat uit dertig delen en behandelt uitvoerig taal, syntaxis, jurisprudentie, geloofsartikelen, scholastiek, filosofie, astronomie, mystiek en tradities. Het geldt als een van de meest uitgebreide tafāsīr

  • Abū Dāwūd, S. ibn al‑Ashʿat. (z.j.). Sunan Abī Dāwūd. [Hadith‑collectie].
  • Abū Ḥayyān al‑Gharnāṭī. (z.j.). al‑Bar al‑Muī. [Tafsīr‑bron].
  • Aḥmad ibn Ḥanbal. (z.j.). Musnad Amad. [Hadith‑collectie].
  • al‑Ālūsī, M. (z.j.). al‑Maʿānī fī Tafsīr al‑Qur’ān al‑ʿAīm wa al‑Sabʿ al‑Mathānī. [Tafsīr‑bron].
  • al‑Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.j.). aī al‑Bukhārī. [Hadith‑collectie].
  • al‑Jassās, A. B. (z.j.). Akām al‑Qur’ān. [Tafsīr‑bron].
  • al‑Nasā’ī, A. ibn Shuʿayb. (z.j.). Sunan al‑Nasāī. [Hadith‑collectie].
  • al‑Qurṭubī, M. ibn A. (z.j.). al‑Jāmiʿ li Akām al‑Qur’ān. [Tafsīr‑bron].
  • al‑Rāzī, F. al‑Dīn. (z.j.). Mafātī al‑Ghayb (al‑Tafsīr al‑Kabīr). [Tafsīr‑bron].
  • al‑Suyūṭī, J. (z.j.). Al‑Itqān fī ʿUloom al‑Qur’ān. Deel 2. [Klassiek werk over Qur’ān‑wetenschappen].
  • al‑Suyūṭī, J. (z.j.). al‑Durr al‑Manthūr fī al‑Tafsīr bi al‑Maʾthūr. [Tafsīr‑bron].
  • al‑Ṭabarī, M. ibn Jarīr. (z.j.). Jāmiʿ al‑Bayān ʿan taʾwīl āy al‑Qur’ān. [Tafsīr‑bron].
  • al‑Zarkashī, B. ibn ʿAbd Allāh. (z.j.). Al‑Burhān fī ʿUloom al‑Qur’ān. [Klassiek werk over Qur’ān‑wetenschappen].
  • American Psychological Association. (2020). Publication manual of the American Psychological Association (7e ed.). Washington, DC: Author.
  • Ḥājjī Khalīfa. (z.j.). Kashf al‑unūn. Deel 2. [Naslagwerk].
  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). Tafsīr al‑Qur’ān al‑ʿAīm. [Tafsīr‑bron].
  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). Muqaddimah Tafsīr Ibn Kathīr. [Inleiding op tafsīr, bespreking van Israʾīliyyāt].
  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). al‑Bidāyah wa al‑Nihāyah. Deel 11. [Historisch werk].
  • Mālik ibn Anas. (z.j.). Al‑Muwattaʾ. [Hadith‑ en fiqh‑bron].
  • Muslim ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). aī Muslim. [Hadith‑collectie].
  • Panipati, T. (z.j.). al‑Tafsīr al‑Mazhari. [Tafsīr‑bron].
  • Sahāba‑e‑Kirām. (z.j.). Verslagen en overleveringen van de metgezellen. [Primair bronmateriaal].
  • Al‑Qur’ān. (z.j.). Surah al‑Fātiah [1:6–7]. In: De Heilige Qur’ān.
  • Al‑Qur’ān. (z.j.). Surah an‑Nisāʾ [4:69]. In: De Heilige Qur’ān.
  • Al‑Qur’ān. (z.j.). Surah Āl‑ʿImrān [3:164]. In: De Heilige Qur’ān.
  • Al‑Qur’ān. (z.j.). Surah an‑Nal [16:44]. In: De Heilige Qur’ān.

Lees ook Usool van Tafsir >>>


Translate »
error: Content is protected !!