Inleiding
Ḥazrat Umar Faroek (raḍiyAllāhu ʿanhu) behoorde tot “‘Adi” familie van de Quraysh stam (Ibn Ḥajar, 1995). In de 8ste generatie sluit zijn afkomst aan met de Heilige Profeet Mohammed ﷺ (al‑Ṭabarī, 1987). Abu Hafs was zijn patroniem naam en “al‑Faroek” zijn titel die gegeven werd door de Heilige Profeet Mohammed ﷺ (al‑Bukhārī, 2002; Muslim, 2000). Hij werd geboren in 583 na Chr., ongeveer veertig jaar voor de grote Hijrah (Nuʿmānī, 2001). Het vroege leven van Ḥazrat Umar is niet in detail bekend (Nuʿmānī, 2001). In zijn jeugd was hij een bekende worstelaar en redenaar, en een pittige persoon (al‑Ṭabarī, 1987). Hij was een van de weinige mensen in Mekka die kennis had van lezen en schrijven in de pre‑islamitische periode (Nuʿmānī, 2001). Zijn voornaamste bezigheid was business (al‑Ṭabarī, 1987). Toen de Heilige Profeet Mohammed ﷺ Openbaring kreeg en de mensen voor bekering tot de islam uitnodigde, werd Umar de gezworen vijand van de islam en de Heilige Profeet Mohammed ﷺ en aarzelde niet om de moslims en de islam schade toe te brengen bij elke gelegenheid (al‑Bukhārī, 2002; Muslim, 2000).
Aanvaarding van de islam
Het was het zesde jaar van de missie van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, toen de Quraysh leiders een vergadering belegden en een vrijwilliger uitnodigden voor de moord op de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. ʿUmar had zich aangeboden voor deze taak en iedereen in de vergadering riep dat hij de juiste persoon daarvoor was (Ibn Saʿd, 1990). Terwijl hij op weg was met een zwaard in zijn hand naar de Heilige Profeet, ontmoette hij Saʿd bin Abī Waqqāṣ die hem informeerde naar zijn bestemming. ʿUmar vertelde hem dat hij op weg was naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ om hem van zijn leven te beroven (al‑Ṭabarī, 1987).
Na enige discussie zei Saʿd: “Je kunt beter eerst zorgen voor je eigen familie. Uw zus en schoonbroer hebben de islam geaccepteerd.” Dit horende veranderde ʿUmar van bestemming en ging meteen naar het huis van zijn zus. Toen Ḥazrat ʿUmar op de deur klopte, waren zij de Heilige Qurʾān aan het bestuderen van Ḥazrat Khabbāb (raḍiyAllāhu ʿanhu). Zijn zus Fāṭimah schrok bij het horen van ʿUmar’s stem en probeerde het gedeelte van de Heilige Qurʾān dat zij aan het reciteren was te verbergen. Toen ʿUmar het huis binnen was gekomen vroeg hij over hun islam en wist dat zij de islam hadden geaccepteerd. Als eerste viel hij zijn schoonbroer aan en sloeg hem behoorlijk. Toen zijn zus tussen beide kwam sloeg hij haar zo heftig op haar gezicht dat het hevig begon te bloeden, waarna zijn zuster uitbarstte: “Doe wat u wilt, wij zijn vastbesloten om te sterven als moslims” (Ibn Hishām, 1955). Toen ʿUmar zijn zus zag bloeden koelde hij af en voelde zich beschaamd. Hij hield heel veel van Fāṭimah, maar kon haar bekering tot de islam niet tolereren (Nuʿmānī, 2001).
Diep ontroerd vroeg ʿUmar haar om de opgeschreven verzen van de Heilige Qurʾān te laten zien. Doch zij zei hem meteen: “Je kunt het niet aanraken, tenzij je een bad neemt en maak jezelf schoon.” Hij waste zijn lichaam en bestudeerde de verzen. Dat was het begin van de Surah Ṭāhā (hoofdstuk 20, vers 14 van de Heilige Qurʾān). Toen hij het vers “Voorwaar, Ik ben Allāh; er is geen god behalve Ik, aanbid Mij derhalve en verricht het gebed tot Mijn gedachtenis” reciteerde zei hij: “Waarlijk, dit is het Woord van Allāh. Breng me naar Mohammed ﷺ” (al‑Ṭabarī, 1987).
Toen Ḥazrat Khabbāb (raḍiyAllāhu ʿanhu) dit hoorde, kwam hij tevoorschijn, want hij had zich verstopt in het huis, en zei: “O ʿUmar! Blijde boodschap voor je. Het lijkt erop dat de smeekbede van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ die hij gisteravond deed is verhoord in uw voordeel. Hij had duʿāʾ gedaan tot Allāh, de islam te versterken met ʿUmar ibn al‑Khaṭṭāb of ʿUmar ibn Hishām, wie Gij behaagt” (al‑Bukhārī, 2002; Muslim, 2000).
ʿUmar ging toen naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Bij het zien van hem vroeg de Profeet ﷺ: “ʿUmar! Wat brengt je hier?” Hij antwoordde: “Ik ben hier om de islam te aanvaarden.” Toen de moslims dit hoorden schreeuwden zij van vreugde uit: “Allāhu Akbar” (Allāh is Groot) en het geluid vulde de lucht van Mekka (Ibn Saʿd, 1990).
In feite was ʿUmar’s bekering tot de islam een verschrikkelijke klap voor het moreel van de ongelovigen. ʿAbdullāh bin Masʿūd, een vooraanstaande metgezel, zei: “ʿUmar’s bekering tot de islam was een grote triomf, zijn emigratie naar Medina was een enorme versterking en zijn toetreding als kalief een grote zegen voor de moslims” (Nuʿmānī, 2001).
Ḥazrat ʿUmar krijgt de titel al‑Faroek
De conversie van Ḥazrat ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) versterkte de islam. Tot dat moment leefden moslims in voortdurende angst voor de ongelovigen, en de meeste van hen verborgen hun geloof. De moslims waren nu in staat om hun Ṣalāt publiekelijk te verrichten (Ibn Saʿd, 1990). Toen Ḥazrat ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) een moslim werd, verklaarde hij zijn geloof openlijk aan de Quraysh‑leiders. Hoewel zij hem aanstaarden, konden zij hem geen kwaad doen (al‑Ṭabarī, 1987).
Vervolgens verzocht hij de Heilige Profeet Mohammed ﷺ om Ṣalāt in de Kaʿbah te verrichten. Op het verkrijgen van de toestemming van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ leidde Ḥazrat ʿUmar een groep moslims naar die plaats (Nuʿmānī, 2001).
Ḥazrat Ḥamzah, die de islam een paar dagen voor Ḥazrat ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhumā) had aanvaard, leidde een andere groep moslims om de Kaʿbah voor ṭawāf (rondgang). Toen alle moslims zich verzameld hadden bij de Kaʿbah, verrichtten zij hun gebed in congregatie. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ leidde dit eerste publieke Ṣalāt in de geschiedenis van de islam (Ibn Hishām, 1955).
Voor deze moedige en gedurfde actie van Ḥazrat ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) gaf de Heilige Profeet Mohammed ﷺ hem de titel “al‑Faroek”, dat wil zeggen degene die een onderscheid maakt tussen het goede (Ḥaqq) en de ondeugd (Bāṭil) (al‑Bukhārī, 2002; Muslim, 2000).
Verkiezing van ʿUmar ibn al‑Khaṭṭāb
Vóór het overlijden van Sayyidunā Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) raadpleegde hij de senior Ṣaḥābah‑e‑Kirām en droeg het leiderschap over aan Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) als de tweede khalīfah van de moslims (Ibn Saʿd, 1990; al‑Ṭabarī, 1987). Hij regeerde van 13–24 Hijri (634–645) (Nuʿmānī, 2001; Ibn Kathīr, 1997).
Persoonlijkheid van tweede khalīfah
Hij was de zoon van Khaṭṭāb en werd beroemd in de islamitische geschiedenis als “al‑Faroek” (degene die onderscheid maakt tussen goed en ondeugd). Zijn acceptatie van de islam is eveneens befaamd (Nuʿmānī, 2001).
Eenvoud en godvrezendheid waren de kernelementen van Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) leven. Gewoonlijk droeg hij kleding die voorzien was van vele reparaties (Ibn Saʿd, 1990). Daarnaast ontving hij gouverneurs, konvooien en diplomaten. Van de Staat nam hij slechts zoveel rantsoen als nodig was voor een eenvoudige maaltijd en simpele kledij. Op gezette tijden was hij zelfs erg arm (Ibn Kathīr, 1997).
Het bezoeken van oude en zieke mensen vond hij deugddoend, zelfs het doen van hun huishouding. Ook vond hij het goed om de huizen van soldaten te bezoeken en naar het welzijn van hun familie te vragen (al‑Ṭabarī, 1987). Hij bleef in de nachten wakker en bracht de nachttijd door in ṣalāh. Eveneens vastte hij vaak (al‑Bukhārī, 2002; Muslim, 2000).
Altijd verdedigde hij de islam en hield het vaandel van de islam hoog in de lucht met wijsheid, energie, gedrevenheid, braafheid en een beetje rijkdom (Nuʿmānī, 2001).
ʿUmar ibn al‑Khaṭṭāb als khalīfah
Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) was de tweede kalief van de Profeet ﷺ en een moedige en zichtbare persoonlijkheid. Hij was onbuigzaam en ontoegeeflijk als het om islamitische principes ging. Daarnaast was hij ook een groot en talentvolle leider. Gedurende zijn imperium werden enorm grote gebieden van het Romeinse en Perzische keizerrijk én heel Egypte onder de islamitische heerschappij gebracht (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Kathīr, 1997). Hij was ook een begaafde redenaar. Deze khalīfah was zeer bezorgd over het welzijn van de moslims. Hij liet een eerzame erfenis achter voor de moslims (Nuʿmānī, 2001).
De collectie van de Heilige Qurʾān door Zayd ibn Thābit was door Sayyidunā Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhumā) aan hem overgedragen voor verzekerde bewaring (Ibn Saʿd, 1990).
Sayyidunā ʿUmar was zo geweldig dat RasūlAllāh ﷺ zei: “Ik ben de laatste profeet, geen profeet zal mij opvolgen, maar als er een profeet na mij zou komen, zou ʿUmar die profeet zijn” (al‑Tirmidhī, 1998). Hoewel hij zo groot was en zeer goed Arabisch wist, was hij zelfs niet in staat om de uitleg van de Heilige Qurʾān volledig te begrijpen. Alleen RasūlAllāh ﷺ kon het begrijpen en legde het altijd uit in overeenstemming met de mate van begrip van een persoon. De mate van begrip van Sayyidunā Abū Bakr was veel hoger dan die van Sayyidunā ʿUmar. Desondanks vroegen ook hij, en zelfs Sayyidunā Jibrīl (ʿalayhis al‑salām), altijd RasūlAllāh ﷺ over de betekenis en de mysteries in de Heilige Qurʾān (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Hishām, 1955).
Nieuw bevelhebber aanwijzen
Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) was sterk gedisciplineerd. Hij merkte de ontzagwekkende populariteit van Sayyidunā Khalīd ibn al‑Walīd (raḍiyAllāhu ʿanhu) op. De khalīfah voelde aan dat de mensen hun vertrouwen in Allāh Ta’ālā aan het verliezen waren en hun vertrouwen in handen van Sayyidunā Khālid ibn al‑Walīd (raḍiyAllāhu ʿanhu) legden. Hij vreesde dat de mensen een te hoge dunk van hem zouden krijgen en daardoor mogelijk de trots van Sayyidunā Khālid ibn al‑Walīd (raḍiyAllāhu ʿanhu) zou toenemen, wat kon omslaan in arrogantie. Daarom wees hij Sayyidunā Abū ʿUbaydah ibn al‑Jarrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) aan als de opperbevelhebber van het moslimleger (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Kathīr, 1997).
Sayyidunā Khālid ibn al‑Walīd accepteerde met tevredenheid de bevelen van Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhumā) en diende daarna als een eenvoudige soldaat. Dit is een voorbeeld van het islamitische onderricht betreffende gehoorzaamheid aan leiderschap (Nuʿmānī, 2001; Ibn Saʿd, 1990).
Nederlaag van de Perzische krijgsmacht
Sayyidunā Khālid ibn al‑Walīd liet Sayyidunā al‑Muthannā (raḍiyAllāhu ʿanhumā) als groepscommandant van de moslimkrijgsmacht in Irak achter toen hij spoedig naar Yarmūk moest gaan. Sayyidunā al‑Muthannā vond het moeizaam om de vijand te verslaan en ging daarom persoonlijk naar Madīnat al‑Munawwarah om Sayyidunā Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhumā) versterking te vragen. Sayyidunā Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) kwam juist op dat moment te overlijden (Ibn Saʿd, 1990).
Sayyidunā al‑Muthannā’s (raḍiyAllāhu ʿanhu) afwezigheid in de Iraakse frontlinie maakte de situatie erger. Het Perzische leger hergroepeerde onder bevel van Rustam en heroverde de gebieden die door de moslims eerder waren veroverd. Rustam stuurde twee militaire colonnes, één naar Hīrah en de andere naar Kaskar (al‑Ṭabarī, 1987).
Sayyidunā ʿUmar stuurde vervolgens Sayyidunā Abū ʿUbaydah (raḍiyAllāhu ʿanhumā) als bevelhebber om over de situatie te beraadslagen. Beide Perzische colonnes werden verslagen. Rustam stuurde daarom een veel groter leger en versloeg de moslims. Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) vormde een ander leger en versloeg vervolgens het Perzische leger (Ibn Kathīr, 1997).
Echter, het Perzische gerechtshof stuurde een ander groot leger en dwong Sayyidunā al‑Muthannā (raḍiyAllāhu ʿanhu) zich over te geven. Het rapport van de nieuwe situatie werd gestuurd naar Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) en hij hergroepeerde het leger onder commando van Sayyidunā Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (raḍiyAllāhu ʿanhu), die naar het oorlogsgebied werd gestuurd (Nuʿmānī, 2001).
De Perzische en moslimlegers ontmoetten elkaar in al‑Qādisiyyah. Na een lang en hevig gevecht op verschillende fronten versloeg het veel grotere moslimleger de 120.000 Perzische militairen en heroverde wederom in het jaar 14 Hijri (636 n. Chr.) Hīrah en hun regio’s (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Kathīr, 1997).
Nederlaag van de Romeinen en verovering van Jeruzalem
Moslims belegerden Damascus onder het kalifaat van Sayyidunā Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu). Na zijn overlijden werd de bestorming voortgezet, waarvan de laatste zeventig dagen onder het kalifaat van Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu). Na een lange belegering verraste Sayyidunā Khālid ibn al‑Walīd (raḍiyAllāhu ʿanhu) de Romeinen en drong de stad binnen. De gouverneur gaf zich over en een vreedzaam verdrag werd gesloten (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Kathīr, 1997).
Intussen werd Jeruzalem belegerd door Sayyidunā ʿAmr ibn al‑ʿĀṣ (raḍiyAllāhu ʿanhu). Sayyidunā Khālid, Sayyidunā Abū ʿUbaydah en andere Ṣaḥābah (raḍiyAllāhu ʿanhum) sloten zich ook bij hem aan. De christenen hadden enige hoop en besloten zich over te geven. Zij stelden eveneens voor dat de sleutels van Jeruzalem persoonlijk werden overhandigd aan Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu). Daarom ging Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) naar Jeruzalem. Een overeenkomst werd gesloten die hun veiligheid en de veiligheid van de stad garandeerde (Ibn Saʿd, 1990; Nuʿmānī, 2001).
Veranderingen onder het kalifaat van ʿUmar ibn al‑Khaṭṭāb
In het zeventiende jaar van Hijri riep Sayyidunā ʿUmar de Ṣaḥābah‑i‑Kirām (raḍiyAllāhu ʿanhum) bij zich en rapporteerde aan hen de volgende ḥadīth: “Masjid moet vergroot worden.” De Ṣaḥābah‑e‑Kirām accepteerden dit unaniem en sloopten de Damascener en de westelijke muren van de moskee, en vergrootten deze met vijftien meter. Veel huizen werden opgekocht en hun percelen toegevoegd aan de moskee (Ibn Saʿd, 1990).
In het jaar 35 Hijri overlegde Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) met de Ṣaḥābah‑i‑Kirām (raḍiyAllāhu ʿanhum) en de unanimiteit werd verkregen. Zij sloopten de zuidelijke, noordelijke en westelijke muren en vergrootten de masjid tien meter breed en twintig meter lang. Ondertussen werden de kamers van Sayyidah Ḥafṣah, Ṭalḥah ibn ʿAbdullāh en al‑ʿAbbās (raḍiyAllāhu ʿanhum) aan de masjid toegevoegd (al‑Ṭabarī, 1987).
In een korte tijd van tien jaren werd Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) zeer bekend om zijn buitengewone prestaties en bracht hij veranderingen aan. Enkele van deze veranderingen zijn:
- Hij stichtte de Bayt al‑Māl (Ibn Kathīr, 1997).
- Juridische rechtbanken werden in het land opgezet. Rechters en rechterlijke ambtenaren handelden alle zaken af (Nuʿmānī, 2001).
- Oprichting van een legerhoofdkwartier voor verdediging van landsgrenzen (ministerie van defensie) (al‑Ṭabarī, 1987).
- Constructies van wegen en kanalen (Ibn Kathīr, 1997).
- Scholen werden gesticht (Nuʿmānī, 2001).
- Salarissen voor Aʾimmah, muʾadhdhin en ustāds werden geregeld (Ibn Saʿd, 1990).
- Masājid werden verbeterd en gebouwd in Makkah al‑Mukarramah en Madīnat al‑Munawwarah inclusief faciliteiten voor de Ḥajjāj (Ibn Kathīr, 1997).
- Politiebureaus en gevangenissen werden gebouwd (Nuʿmānī, 2001).
- Ontwerp van de eerste islamitische lunair kalender met begindatum de Hijrah (al‑Ṭabarī, 1987).
- Geijkte gewichten en maatbekers werden geïntroduceerd (Ibn Saʿd, 1990).
- Volkstelling werd ingevoerd (Nuʿmānī, 2001).
- Weeshuizen en welzijnsinstellingen werden opgericht (Ibn Kathīr, 1997).
- Een onpartijdig strafrechtsysteem werd ingevoerd en slavernij opgeheven (Nuʿmānī, 2001).
- Zijn heerschappij strekte zich uit tot ver buiten zijn woongebied, te weten Egypte, Irak, Palestina, Khuzestan, Armenië, Azerbeidzjan, Iran, Kirmān, Khurāsān en Makrān (al‑Ṭabarī, 1987).
Overlijden van de tweede khalīfah
Een Perzische niet‑moslim Fīrūz, bijgenaamd “Abū Lulu”, klaagde bij Sayyidunā ʿUmar over zijn baas Sayyidunā Mughīrah ibn Shuʿbah (raḍiyAllāhu ʿanhumā), die een belastingaanslag op hem legde. Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) vertelde Fīrūz dat de belasting redelijk was. Dit maakte Fīrūz boos (Ibn Saʿd, 1990).
De volgende dag, tijdens de fajr‑ṣalāh, stak Fīrūz zes keer Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) in de rug en verwondde de khalīfah ernstig. Sayyidunā ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu) overleed drie dagen later op 1 Muḥarram 24 Hijri. Hij werd 63 jaar oud. Hij heerste over de islamitische staat gedurende tien jaren, zes maanden en vier dagen (al‑Ṭabarī, 1987; Ibn Kathīr, 1997; Nuʿmānī, 2001).
Edelstenen van Wijsheid door Amīr al-Muʾminīn
bron: Imam Aḥmad Raza Academy
De originele uitgave was een heel opsomming van de wijsheden van Ḥazrat Umar Faroek (raḍiyAllāhu ʿanhu). Ik heb de totale opsomming ingedeeld categorieën.
Wijsheden en Levenslessen
- Minder eten is gezond, minder spreken is wijsheid, en minder slapen is aanbidding.
- Minder spreken is wijsheid, minder eten is gezond en minder omgaan met mensen is veilig en sereen.
- Degene die een stap terug doet, zal geen vooruitgang boeken.
- Niets is erger dan hebzucht die de geest vernietigt, zelfs alcohol niet.
- Het past niet bij iemand die met gevouwen handen zit en tot ALLAH Ta’ālā bidt om voedsel. ALLAH Ta’ālā laat geen goud en zilver uit de hemel neerdalen.
- Een verdacht bestaan verdienen is erger dan bedelen.
- Het grootste geschenk na Iman (geloof) zijn je vrouwen.
- Leer voordat de ouderdom inzet.
- Extravagantie is ook wanneer iemand eet wat hij wil.
- Wie zijn geheim verbergt, beschermt zijn veiligheid, beschermd door zichzelf.
- Degene die zichzelf geleerd noemt, inderdaad is hij onwetend, en degene die zichzelf noemt van de bewoners van het Paradijs, is zeker van de bewoners van de hel.
- Tawbatun-Nasooha (Aanvaarding van vergeving) is de naam van die vergeving die gevraagd wordt voor een slechte daad die wordt begaan, op zo’n manier dat hij nooit terugkeert naar of die slechte daad nog begaat.
- De kracht in actie is om nooit uit te stellen wat je vandaag kunt doen voor morgen.
- Het past een moslim niet om te gaan bidden voor voedsel zonder te proberen het te verdienen; hij weet heel goed dat er geen goud en zilver uit de lucht regent.
Als het niet was voor de bewering van kennis van het onbekende, dan zou ik zeggen dat vijf mensen uit de bewoners van het Paradijs komen:
- Die familieman die arm is maar geduldig is
- Die vrouw met wie haar man gelukkig en accepterend is.
- Die vrouw die de plicht van Mahr van haar echtgenoot vergeeft (bruidsschat goedgekeurd door de islamitische wet)
- Die persoon met wie zijn ouders gelukkig zijn.
- En die persoon die eerlijk berouw toont van zijn zonden
Toen een schaap werd geslacht en Sayyidunā ‘Umar al-Faroek (raḍiyAllāhu ʿanhu) zijn dienaar hardnekkig vroeg of hij eerst vlees naar zijn buurman, die een Jood was, had gestuurd. De slaaf vroeg waarom je steeds dezelfde vraag stelt. Hij antwoordde dat Allāh Ta’ālā en zijn Rasūlullāh ﷺ voortdurend het belang van buren hebben benadrukt, daarom blijf ik dat ook volhouden.
Liefde, Spijt en Menselijke Typen
Drie dingen bouwen liefde:
- Om Salām te maken (groet)
- Om ruimte te maken voor iemand in een bijeenkomst
- Iemand op een respectabele en vriendelijke manier aanspreken
Er zijn vier soorten spijt:
- Spijt die zich over een dag uitstrekt, bijvoorbeeld wanneer iemand zijn huis verlaat zonder te eten.
- Spijt die meer dan een jaar duurt, net als de nalatigheid die bij het cultiveren werd getoond.
- Spijt die een heel leven lang duurt, wanneer een man en zijn vrouw niet bij elkaar passen.
- Spijt die eeuwig is, en dat is wanneer je Schepper ongelukkig met je is.
Er zijn drie soorten mensen:
- Succesvol: hij die luistert naar het advies van mensen en erover nadenkt.
- Lui of lusteloos: hij die doet wat hij wil zonder overleg of advies van mensen.
- Lijk: die noch advies en troost geeft of ernaar luistert.
Duʿā, Nederigheid en Wijsheden
- Sayyidunā ‘Umar (raḍiyAllāhu ʿanhu) vroeg deze du’ā (smeekbede) bij vele gelegenheden aan Allāh zodat bepaalde situaties altijd bij hem zouden blijven en sommige dingen moesten worden verwijderd; de du’ā is: “O Allāh Ta’ālā! Maak mij zo dat ik met intellect kan spreken of tolerantie kan oogsten met stilte. O! Allāh Ta’ālā schenk mij niet te veel gunsten, zodat ik er niet door in de war raak, niet te weinig zodat ik U kan vergeten. Daarom weinig maar voldoende in vergelijking met overvloed, waardoor het verwennen wordt en zonde begaat.”
- Als je ooit een geleerde (‘Alīm) ziet neigend naar deze wereld, weet dan dat hij schuldig is aan zijn religie, want het universele kwaad is dat als iemand iets verlangt, hij voortdurend verdiept is in zijn zoektocht.
- Geloof (Iman) is om de Eenheid van Allāh Ta’ālā in je hart te beschouwen, dit met je tong te verkondigen en de fundamentele islamitische instructies te gehoorzamen.
- De relatie van ware nederigheid en oprechte angst voor Allāh Ta’ālā is met het hart en niet door uiterlijke daden.
- Waarom heb je slaven gemaakt van degenen van wie de moeders hen hadden gebaard vrij?
- Vonnissen of schikkingen moeten in welke zaak dan ook snel worden gedaan, zodat de beschuldigde, vanwege een langere periode, niet gedwongen wordt hun beschuldiging in te trekken.
- Het is absoluut noodzakelijk om niet met een beest om te gaan, want hoewel hij dat wil of goed bedoelt, zou hij toch beschuldigd worden van het plegen van een misdrijf.
- Allāh Ta’ālā, schenk je zegeningen van barmhartigheid aan degene die mij op de hoogte brengt van mijn fouten.
- Wanneer een geleerde man een verkeerde stap zet, raakt hij verstrikt in een wereld van wandaden.
- Op een dag prees een man Ḥazrat ‘Umar (raḍiyAllāhu ʿanhu), hij antwoordde met de vraag: waarom vernietig je mij nog meer met mijn verlangens (Nafs).
- Ik ben geen dwaas, maar ik doe alsof ik een dwaas ben, om de dwaas te misleiden. En net als de dwaas denkt dat ik een dwaas ben, zal ik de dwaas ontmaskeren en hem laten zien dat hij de dwaas is.
Spirituele Richtlijnen en Morele Waarschuwingen
- Ik kijk nergens naar, behalve dat ik alles zie met Allāh Ta’ālā.
- Als ik sterf in deze toestand waarin ik heb gestreefd om eerlijk te leven, dan is dat meer geliefd voor mij dan zelfs sterven als martelaar.
- Goed gedrag tegenover mensen is gelijk aan wijsheid, beleefd vragen is de helft van kennis, en het vasthouden aan verstandig beleid is de helft van iemands levensonderhoud.
- Een materieel persoon onderwijzen is als een zwaard in de handen van een rover leggen.
- Heb geen vertrouwen in iemands mededogen en beleefdheid als hij zijn woede niet onder controle kan houden.
- Heb geen geloof in een religieus persoon die niet op de proef wordt gesteld tijdens de verleiding.
- Hij is een vriend die je op je tekortkomingen wijst en om iemand in zijn bijzijn te prijzen is vergelijkbaar met hem afslachten.
- Lachen verlaagt iemands leeftijd, terwijl beleefdheid, glamour, pracht en pracht en show die de levensstandaard verlichten wijzen op mensen die zich niet bewust zijn van de dood.
- Hebzucht en hebzucht tonen is verarmend, onbaatzuchtig zijn is verrijkend en een vergoeding verlangen in geduld.
- Goede daden zijn de vervulling van iemands rechten en goede daden verrichten is een vervanging voor slechte daden.
- Minder spreken is wijsheid, minder eten is gezond, minder slapen is een gebed en er is rust in eenzaamheid.
- Jeugd voor ouderdom en ouderdom voor de dood is een zegen van het leven.
- Een gul persoon is de geliefde van de Allāh Ta’ālā, ook al is hij een overtreder. Een gierige is de vijand van de Allāh Ta’ālā, hoewel hij misschien bidt en de Allāh Ta’ālā overdreven herinnert.
- Een onderdrukker vergeven is onderdrukking van de onderdrukte.
- Wanneer je juridische en onwettige winst combineert, dan vervuilt de onwettige winst de juridische voordelen, ook al is die gering.
- Een Mu’mīn houdt niet als vriend iemand die zich verzet tegen de Almachtige ALLAH Ta’ālā en zijn profeet Mohammed ﷺ, ook al is die persoon zijn moeder of vader.
- Het geluid van muziek en dat van een rouwende zijn twee van de slechtste geluiden.
- Er heerst rust en rust in anonimiteit en vertrouwelijkheid.
- We moeten de andere negen delen weglaten uit angst voor Haram (onwettig). (d.w.z. als er in tien delen één Haram is, zou een moslim de andere negen delen weglaten, wat betekent dat alles wat onwettig is volledig wordt weggelaten).
Levenslessen, Strategie en Vroomheid
- Verlangen wordt nooit bereikt zonder angst, noch manieren en etiquette zonder formaliteit, of geluk zonder vrede of rijkdom zonder geschenken of armoede zonder tevredenheid, of waardigheid zonder beleefdheid of Jihad (heilige oorlog) zonder duikende leiding en hulp.
- Rust voor bezetting en ouderdom vóór de dood is een zegen van het leven.
- Eer en waardigheid in deze wereld worden gemeten aan rijkdom, terwijl eer en waardigheid in het hiernamaals worden gemeten aan goede daden.
- Red jezelf van de Vuren van de Hel, zelfs als dat betekent dat je een gunst doet met een halve dadel (fruit). Als dit ook niet mogelijk is, dan met lieve woorden.
- Na Iman (Geloof) is er geen groter geschenk dan een vrome vrouw.
- Niet uitstellen is kracht in actie.
- Wie je je fouten laat zien, hij is je vriend. Degenen die je lof geven, zijn je beulen.
- Wie zijn geheimen bewaakt, is zeker veilig.
- De persoon die constant mijn fouten aan mij vertelt, is mij het dierbaarst.
- Wees bang voor die persoon die je niet mag.
- Toen Sayyidunā ‘Umar (raḍiyAllāhu ʿanhu) kampte aan de rand van Jeruzalem om Bait al-Maqdas te veroveren, waren de christelijke kruisvaarders doodsbang voor zijn aanwezigheid en vroegen om een ontmoeting met hem voordat ze de sleutels van de stad overhandigden. De kruisvaarders ontmoetten hem terwijl hij een opgelapte kleding droeg. Ze vroegen hem waarom zijn naam zo’n immense ontzag en angst opriep die de harten van zijn vijanden veroverde. Hij antwoordde; “Jullie koningen hebben jullie geleerd de wereld (Dunya) en haar rijkdom lief te hebben en onze profeet Mohammed ﷺ heeft ons geleerd Allāh Ta’ālā te vrezen en de dood lief te hebben.
- Hij is een intelligent persoon die zijn daden in iets goeds kan omzetten.
- Stel nooit uit tot morgen wat je vandaag kunt doen.
- Er is nooit kans op pijn in de nek als je je hoofd niet te hoog in de lucht steekt.
- Vergeet jezelf niet terwijl je je zorgen maakt om anderen.
- Stoppen met zondigen is makkelijker dan de last dragen van het zoeken naar berouw te zoeken.
- Haal je blik weg van de pracht van de wereld. Laat de liefde van deze wereld niet je hart binnendringen. Oppassen! De liefde van deze wereld vernietigt je misschien niet, net zoals het eerdere naties heeft vernietigd.
- Overwinning wordt behaald door strategie en vertrouwen in Allāh Ta’ālā, niet door wensdenken.
- De intelligentste onder jullie is degene die het meest bang is voor Allāh Ta’ālā.
- Wees meelevend tegenover de armen zodat zij kunnen spreken en moed kunnen opbouwen.
- Steek een vriendschappelijke hand uit naar een buitenlander, want als zijn verblijf wordt verlengd, zou hij zijn waardevolle bezittingen verlaten om terug te keren naar zijn eigen land en die persoon verantwoordelijk te laten voor zijn waardevolle bezittingen die zijn aandacht het meest waard was
Wijsheid, Moed en Waarschuwingen
- Daag niemand uit en vervloek niemand, want dit leidt tot collectieve kwaden in een persoon.
- Men moet een persoon niet beoordelen op het aantal Ṣalāt (gebed) of Roza (vasten), maar op zijn wijsheid en eerlijkheid.
- Sterven voor het goede is beter dan leven voor leugen. Moed wordt aanbevolen, lafheid is verwerpelijk, en leugen zijn kwetsbaar om te verdwijnen!
- Gebed is niet met het hart verbonden door louter schijnbare daden.
- Een materialistische zoeker opvoeden is een zwaard in de handen leggen van een rover.
- Vertrouw niet op het karakter van iemand die zijn temperament niet kan beheersen.
- Overmatig lachen is een teken van geen spijt over de dood.
- De kant kiezen van de onderdrukker is onderdrukking van de onderdrukten.
- De dood is de beste leraar.
Bronnen
- al‑Bukhārī, M. I. (2002). Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī (Vol. 5). Dār Ibn Kathīr.
- Muslim, I. (2000). Ṣaḥīḥ Muslim (Vol. 4). Dār al‑Maʿrifah.
- al‑Ṭabarī, M. J. (1987). Tārīkh al‑Ṭabarī: Tārīkh al‑Rusul wa‑l‑Mulūk (Vol. 3). Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Ibn Ḥajar al‑ʿAsqalānī. (1995). al‑Iṣābah fī Tamyīz al‑Ṣaḥābah (Vol. 2). Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Nuʿmānī, S. (2001). al‑Farūq (Eng. trans.). Islamic Book Service.
- Ibn Hishām, A. (1955). al‑Sīrah al‑Nabawiyyah (Vol. 2). Dār al‑Maʿrifah.
- Ibn Saʿd, M. (1990). al‑Ṭabaqāt al‑Kubrā (Vol. 3). Dār Ṣādir.
- Ibn Kathīr, I. (1997). al‑Bidāyah wa‑l‑Nihāyah (Vol. 7). Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- al‑Tirmidhī, M. I. (1998). Jāmiʿ al‑Tirmidhī (Vol. 5). Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
