Inleiding
Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) behoort tot de grote spirituele persoonlijkheden van de Ummah, bekend om zijn diepe kennis, zijn zuivere karakter en de vele tekenen van barakāt die Allāh Ta’ālā door hem liet verschijnen. Zijn leven vormt een samenkomst van wijsheid, dienstbaarheid, voorwetenschap en karāmāt die generaties na hem blijven inspireren. In de overleveringen over zijn leven zien we niet alleen zijn verheven staat, maar ook hoe zijn aanwezigheid harten versterkte, mensen leidde en de nabijheid van Allāh zichtbaar maakte in dagelijkse gebeurtenissen. Deze hoofdstukken geven een beknopt maar betekenisvol inzicht in enkele van deze momenten.
Persoonlijkheid en uiterlijk
Ḥazrat Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) is de zevende Imām en Sheikh van de silsilah ʿĀliyyah Qādiriyya Barkātiyya Razviyya Nūriyyah. Hij was een prominente ʿĀlim en behoort tot de grote Awliyāʾ van Ahl al‑Sunnah. Hij was murīd en khalīfah van zijn vader, Imām Jaʿfar Ṣādiq (raḍiyAllāhu ʿanhumā). (al‑Dhahabī, Siyar, 6:270). Zijn naam was Mūsā. Hij stond bekend onder de namen Shāmī, Abū al‑Ḥasan en Abū Ibrāhīm. Zijn titels waren Ṣābir, Ṣāliḥ, Amīn en Kāẓim. ( al‑Dhahabī, Siyar Aʿlām al‑Nubalāʾ, 6:270–273). Hij was lang van gestalte en vaardig. Hij was licht van kleur; sommige overleveringen melden dat hij donkerder van kleur was. ( al‑Khaṭīb al‑Baghdādī, Tārīkh Bagdad, 13:27)
Zijn ouders
Hij werd geboren in Abwāʾ (tussen Makkah en Madīnah) op zondag 7 of 10 Ṣafar 128 Hijri. (Ibn Kathīr, al‑Bidāyah wa’l‑Nihāyah, 10:100). Zijn vader was Ḥazrat Imām Jaʿfar Ṣādiq (raḍiyAllāhu ʿanhu) en zijn moeder was Umm Walad Bībī Ḥamīdah (raḍiyAllāhu anha). (Ibn Saʿd, Ṭabaqāt, 5:320)
Kwaliteiten en spirituele staat
Ḥazrat Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) stond bekend om zijn uitzonderlijke devotie, zuiverheid, vrijgevigheid en zijn diepe verbondenheid met Allāh. Zijn naam werd door velen gebruikt als wasīlah in duʿāʾ, en de mensen van Irak noemden hem Bāb al‑Ḥawāʾij (de deur van vervulde behoeften). (Ibn Kathīr, al‑Bidāyah, 10:101). Imām al‑Shāfiʿī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei dat de maqām van Imām Mūsā Kāẓim een plaats is waar Allāh duʿāʾ verhoort. (al‑Dhahabī, Siyar, 6:274). Imām Jaʿfar Ṣādiq (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei: “Van al mijn kinderen is Mūsā Kāẓim de meest verhevene.” (Ibn Saʿd, Ṭabaqāt, 5:322)
Hij was een ʿābid en zāhid. Hij vastte veel en bracht de nachten door in ʿibādah. Hij stond bekend als ʿAbd al‑Ṣāliḥ vanwege zijn lange nachtgebeden. Zijn titel Kāẓim (degene die zijn woede onderdrukt) paste bij zijn nederigheid en eenvoud. Hij was grootmoedig en vriendelijk.
Zijn vrijgevigheid en omgang met mensen
Hij zocht actief naar behoeftigen in Madīnah en stuurde vertrouwelingen om geld te verdelen in de nacht, zonder dat iemand wist van wie het kwam. Hij stuurde nooit iemand weg die om hulp vroeg. (al‑Dhahabī, Siyar, 6:272). Wanneer hij iemand ontmoette, groette hij altijd met salām. Zelfs wanneer iemand hem onrecht aandeed, bleef hij vriendelijk en stuurde hij die persoon soms zelfs hulp. (Ibn Kathīr, al‑Bidāyah, 10:102)
Spirituele ontmoeting
Shafīq Balkhī (raḍiyAllāhu ʿanhu), een bekende ascetische geleerde uit zijn tijd, vermeldde dat hij tijdens zijn reis naar de Ḥajj in 149 Hijri een jonge man zag die zich afzonderde van de mensen en zich volledig wijdde aan ʿibādah. Zijn houding, nederigheid en concentratie in het gebed maakten diepe indruk op hem. Later zag hij hem opnieuw op verschillende plaatsen tijdens de reis, telkens in een staat van intense devotie, tranen en nederigheid. Shafīq zei dat de jonge man een spirituele rust en waardigheid uitstraalde die hem herinnerde aan de staat van de vroege asceten. Toen hij hem uiteindelijk in Makkah zag, omringd door zijn familie en leerlingen, hoorde hij dat het ging om Mūsā bin Jaʿfar bin Muḥammad bin ʿAlī bin al‑Ḥusayn bin ʿAlī bin Abī Ṭālib (raḍiyAllāhu ʿanhum). (al‑Dhahabī, Siyar, 6:271–273)
Wonderen en Voorwetenschap van Imām Mūsā Kāẓim
Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) verrichtte veel wonderen. Enkele van zijn karāmāt worden hierna beschreven om zegen te verkrijgen. Op een dag zat hij in het hof van Haroun Rashīd en degenen die daar aanwezig waren debatteerden over de Mujāzah betreffende de Aasa (staf) van Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām). Hij zei toen: “Als ik wens, kan ik deze leeuw (prent op een stuk tapijtwerk) tot leven brengen.” Hij had nog niet zijn hele zin afgemaakt toen de prent veranderde in een levende leeuw. Vervolgens zei hij tegen de leeuw: “Stop! Ik heb je nog geen bevel gegeven.” De levende leeuw veranderde terug in een prent op het tapijtwerk. Masālik Sālikīn, deel 1, pag. 228
Isḥāq bin Ammaar zei dat, toen Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) gevangen genomen was, de Sāḥibayn (van Imām Abu Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu)), Imām Abu Yūsuf en Imām Muhammad bin Hassan (Ridwānullāhi Ta’ālā Alayhim ajmaʿīn), hem gingen ontmoeten om enkele belangrijke vragen te stellen. Terwijl zij daar zaten, kwam een cipier naar hem en zei: “Ik sta nu op het punt mijn werk af te ronden en naar huis te gaan. Als er iets is dat u wenst, laat het mij dan graag weten zodat ik het voor u morgen kan regelen als ik terug ben.” Ḥazrat Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) keek hem aan en zei: “Er is niets dat ik nodig heb. Alles is in orde.” Toen de cipier de cel verliet, zei Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu): “Ik ben verbaasd dat hij mij vroeg of ik iets wens dat hij morgen voor mij kan regelen, terwijl hij niet weet dat hij deze nacht zal overlijden.” Toen Imām Abu Yūsuf en Imām Muhammad (Ridwānullāhi Ta’ālā Alayhim ajmaʿīn) dit hoorden, zeiden zij: “Wij zijn hier gekomen om u iets over de wetten te vragen over farz en sunnat, en hij bespreekt Ilm‑e‑Ghayb (Kennis van het Ongezien).” Beide mannen stuurden later iemand om de cipier te volgen om te weten of dat wat Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) had gezegd zou uitkomen. De man ging buiten bij het huis van de cipier zitten zoals hij instructie had gekregen. Toen hij huilbuien en geschreeuw uit het huis van de cipier hoorde komen, ging hij informeren wat er aan de hand was. De mensen in dat huis vertelden dat de cipier was overleden. Toen dit bericht Imām Abu Yūsuf en Imām Muhammad (raḍiyAllāhu ʿanhumā) bereikte, werden zij verbaasd. Tashriful Bashr, pag. 84
De Voorspelling van het Ingestorte Huis
Īsā Medini zei dat hij gedurende een jaar werkte in Makkah Mukarramah en vervolgens besloot een jaar in Madīnatul Munawwarah te zijn, want dit zou betekenen ‘het verkrijgen van veel zegen’. Hij arriveerde in Madīnatul Munawwarah en bezocht vaak Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu). Op een dag zat hij in de aanwezigheid van Ḥazrat Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) toen de Imām hem aankeek en zei: “O Īsā! Ga kijken, je huis is ingestort op al je bezittingen.” Īsā Medini ging direct naar zijn huis en zag dat inderdaad zijn huis was ingestort op al zijn bezittingen. Hij huurde meteen iemand in die langs liep om al zijn bezittingen onder het puin vandaan te halen. Īsā realiseerde zich dat hij zijn kruik miste. De volgende dag ging hij naar Ḥazrat Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu), die zei: “O Īsā! Ben je iets kwijtgeraakt toen je huis instortte? Als het zo is, laat het mij dan weten, zodat ik du’ā kan doen en Allāh zal je zegenen met iets dat veel beter is.” Īsā Medini antwoordde dat hij alles had teruggevonden behalve zijn kruik.
Ḥazrat zakte toen zijn hoofd voor enige ogenblikken en hief toen zijn hoofd weer op, waarna hij zei: “Je hebt het verplaatst voordat jouw huis instortte en nu weet je niet meer waar je het gelaten hebt. Ga naar het dienstmeisje van jouw huis en vraag haar om de kruik aan je te geven.” Īsā deed wat hem gezegd werd en vond zijn kruik bij zijn huishoudster. Masālik Sālikīn, pag. 83
Parels van Wijsheid en Dagelijkse Du’ā
Zijn woorden van wijsheid en zijn vele wazifa zijn in veel boeken geschreven. Hij deed gewoonlijk de volgende du’ā: “Allāhumma innī as’aluka ar‑rāhata ‘indal‑mauti wal‑‘afwa ‘indal‑hisābi” (“O Allāh, ik verzoek U om comfort wanneer de dood intreedt en ik verzoek om vergiffenis op het moment van vereffening.”) Hij zei: “Een gelovige is noch ontrouw noch een leugenaar.”
Zijn Zonen en Dochters: Een Huis Vol Barakāh
Allāh Ta’ālā had Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) gezegend met veel kinderen. Van de kinderen zijn de zonen: Ḥazrat Ali Raza, Zaid, Aqīl, Haroun, Hassan, Hussain, Abdullah, Abdur Raḥmān, Ismaël, Isḥāq, Yaḥyā, Aḥmad, Abu Bakr, Muhammad, Akbar, Jāfar Akbar, Jāfar Asghar, Ḥamzah, Abbās, Qāsim. En zijn dochters zijn: Bibi Khadija, Asmaul Akbar, Asmaul Asghar, Fathimatul Kubrā, Fathimatus Sughrā, Zaynab Kubrā, Zaynab Sughrā, Umme Koelsoem Kubrā, Umme Fardah, Umme Abdullah, Ummul Qāsim, Āmina, Hakimah, Maḥmūdah, Imāmah, Maymuna (Ridwānullāhi Ta’ālā Alayhim ajmaʿīn).
Zijn Khulafāʾen Spirituele Opvolging
De namen van zijn Khulafāʾ kunnen niet teruggevonden worden, maar er zijn twee zeer bekende Khulafāʾ, namelijk Ḥazrat Sheikh Ali Raza (raḍiyAllāhu ʿanhu) en Ḥazrat Sheikh Matlibi (raḍiyAllāhu ʿanhu). Anwār‑e‑Ṣūfiyyah, pag. 93
Het Martelaarschap en de Zegenrijke Mazār van Kazmin
Hij gaf één van zijn dienaren opdracht om de ceremoniemeester te zijn van zijn begrafenis. Ḥazrat Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) was vergiftigd door zijn vijanden. Hij verleed op een vrijdag 5 of 25 Rajab 183 Hijri op een leeftijd van 55 jaar. Zijn Mazār Sharīf ligt in de wijk Kazmin, welke te vinden is in Bagdad Sharīf.
Besluit
Het leven van Imām Mūsā Kāẓim (raḍiyAllāhu ʿanhu) weerspiegelt de diepe spirituele rijkdom die Allāh Ta’ālā schenkt aan Zijn uitverkorenen. Zijn kennis, zijn zuivere karakter, zijn karāmāt en zijn voortdurende dienstbaarheid aan de schepping tonen een persoonlijkheid die zowel in zijn tijd als in latere generaties harten heeft geraakt en geleid. De verhalen over zijn voorwetenschap, zijn wijsheid, zijn vrijgevigheid en zijn onvermoeibare toewijding aan Ibādat vormen een blijvende herinnering aan wat het betekent om werkelijk dicht bij Allāh te leven. Zijn nageslacht, zijn leerlingen en zijn Mazār Sharīf in Kazmin blijven tot op vandaag bronnen van zegen en inspiratie. Moge Allāh Ta’ālā ons laten profiteren van zijn nalatenschap en ons verbinden met de weg van Zijn geliefde dienaren.
Bronnen
- Abū Dāwūd, S. ibn al‑Ashʿat. Sunan Abī Dāwūd.
- Aḥmad ibn Ḥanbal. Musnad Aḥmad.
- Al Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī.
- Al Dhahabī, Shams al‑Dīn. Siyar Aʿlām al‑Nubalāʾ. Dār al‑Risālah al‑ʿĀlamiyyah.
- Al Khaṭīb al‑Baghdādī, Aḥmad. Tārīkh Bagdad. Dār al‑Gharb al‑Islāmī.
- Al Nasā’ī, A. ibn Shuʿayb. Sunan al‑Nasā’ī.
- Al Tirmidhī, M. ibn ʿĪsā. Jāmiʿ al‑Tirmidhī.
- Anwār e Ṣūfiyyah. (z.j.).
- Ibn al‑Athīr, ʿAlī. al‑Kāmil fī al‑Tārīkh. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Ibn ʿAsākir, ʿAlī. Tārīkh Dimashq. Dār al‑Fikr.
- Ibn Kathīr, Ismāʿīl ibn ʿUmar. al‑Bidāyah wa’l‑Nihāyah. Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyyah.
- Ibn Mājah, M. ibn Yazīd. Sunan Ibn Mājah.
- Ibn Saʿd, Muḥammad. al‑Ṭabaqāt al‑Kubrā. Dār Ṣādir.
- Jāmiʿul Manāqib. (z.j.).
- Masālik Sālikīn. (z.j.). Deel 1.
- Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. Ṣaḥīḥ Muslim.
