Ramadān al-Mubārak

Dit werk vindt zijn oorsprong in 2011, toen ik tijdens mijn Imam‑opleiding aan de Hogeschool Inholland en MPhil aan de Hijaz College een eerste versie van dit artikel schreef. In die periode lag de nadruk vooral op praktische toepasbaarheid en beknopte uitleg, waardoor de bronvermeldingen en academische onderbouwing bewust minimaal waren gehouden. Het document diende destijds vooral als een handreiking voor studenten en moskeegemeenschappen, niet als een wetenschappelijke verhandeling.
Tijdens mijn PhD‑traject in Islamic Studies werd ik echter geconfronteerd met de noodzaak om dit materiaal te herzien, te verdiepen en te verfijnen. De academische discipline vraagt om nauwkeurigheid, transparantie en een volledige verantwoording van gebruikte bronnen. Daarom heb ik dit artikel volledig getransformeerd naar een academisch niveau, met uitgebreide bronvermeldingen, verduidelijkende toelichtingen en een zorgvuldig geformuleerd besluit. Deze herziening weerspiegelt niet alleen de ontwikkeling van mijn eigen wetenschappelijke vorming, maar ook mijn streven om islamitische kennis op een verantwoorde, controleerbare en didactisch sterke wijze over te dragen.
Moge dit werk bijdragen aan een beter begrip van de fiqh‑regels, de spirituele dimensies van Ramaḍān en de rijkdom van de islamitische traditie. Het is mijn hoop dat zowel RSS-studenten, onderzoekers als praktijkbeoefenaars er profijt van zullen hebben.

Ramaḍān Sharīf is de negende maand van de islamitische kalender en vormt voor moslims wereldwijd een periode van spirituele verdieping, zelfdiscipline en toewijding aan Allāh Ta’ālā. Tijdens deze maand wordt van zonsopgang tot zonsondergang gevast, waarbij men zich onthoudt van eten, drinken en andere vormen van lichamelijk genot. Het vasten is één van de vijf zuilen van de islam en dient zowel als een daad van aanbidding als een middel tot morele zuivering. Ramaḍān herinnert de gelovige aan dankbaarheid, empathie voor minderbedeelden en het streven naar innerlijke rust en oprechtheid. Bovendien is het de maand waarin de Heilige Qur’ān werd neergezonden, wat Ramaḍān een bijzondere spirituele betekenis geeft binnen het islamitische geloof.

Elke moslim is verplicht zich te onderwerpen (aanbidding) aan de Wil van Allāh Ta’ālā. Hierover openbaart Hij

“En Ik heb de djinn en de mensen slechts tot Mijn aanbidding geschapen.” (Qur’ān, 51:56).

Vanaf de leeftijd van 12 jaar is het verplicht aan de vijf verplichtingen, ook wel zuilen genoemd, te houden. De profeet Mohammed ﷺ zei:

حَدَّثَنَا عُبَيْدُ اللَّهِ بْنُ مُوسَى، قَالَ أَخْبَرَنَا حَنْظَلَةُ بْنُ أَبِي سُفْيَانَ، عَنْ عِكْرِمَةَ بْنِ خَالِدٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ، قَالَ:
قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: «بُنِيَ الإِسْلَامُ عَلَى خَمْسٍ: شَهَادَةِ أَنْ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللَّهِ، وَإِقَامِ الصَّلاَةِ، وَإِيتَاءِ الزَّكَاةِ، وَالْحَجِّ، وَصَوْمِ رَمَضَانَ»

Ḥazrat Abī Sufyān (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei: “De islam is gebouwd op vijf (zuilen): de getuigenis dat er geen god is dan Allāh en dat Muhammad de Boodschapper van Allāh is; het verrichten van het gebed; het geven van de zakāt; de bedevaart naar het Huis; en het vasten van de maand Ramaḍān.” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 2, Kitāb al-Īmān, # 8)

Opmerking: De ḥadīth spreekt over de vijf zuilen van de islam, maar vermeldt geen leeftijd. De leeftijd van 12 jaar komt uit fiqh‑toepassingen (bāligh / taklīf), niet uit deze ḥadīth.

De negende maand van de islamitische kalender heet Ramaḍān. In vergelijking met de christelijke kalender is het islamitische jaar gemiddeld 11 dagen korter. Dit is de reden waarom ieder jaar de Ramaḍān in een andere periode van de christelijke kalender valt. Het vasten begint met de zonsopgang en eindigt met de zonsondergang. Gedurende deze tijd mag niet gegeten en gedronken worden. Daarnaast is het voor beide partners (gehuwden) verboden seksuele contacten te hebben (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 30, Hadith 128). Het vasten vergt dus een grote discipline van de moslim. Kortom, genotsmiddelen zijn niet toegestaan. De Ramaḍān duurt 29 of 30 dagen, afhankelijk van de nieuwe maan (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 13, Hadith 2378).

In de maand Ramaḍān is een belangrijke avond; het is de avond van vergiffenis en is bekend als Laylatul‑Qadr. In de heilige nacht Laylatul‑Qadr is het Heilige Geschrift, de Heilige Qur’ān, neergedaald naar de 1e hemel (Qur’ān, 97:1). Laylatul‑Qadr, een bijzonder verheven nacht, is de nacht waarop alle deuren der zegen opengaan en Allāh Ta’ālā de moslims oproept om vergiffenis te vragen (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 32, Hadith 231).

Allāh Ta’ālā openbaart:

“De maand Ramaḍān is die, waarin de Qur’ān als een richtsnoer voor de mensen werd neergezonden als duidelijke bewijs van leiding en onderscheid. Wie daarom deze maand beleeft, laat hem daarin vasten. Maar wie ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allāh wenst gemak voor jou en geen ongemak, en opdat je het aantal zult voltooien en opdat je Allāhs grootheid zult prijzen, omdat Hij je terecht heeft geleid en opdat je dankbaar zult zijn.” (Qur’ān, 2:185).

Wanneer een persoon wordt opgeroepen te getuigen in wat dan ook, is zijn geloofwaardigheid altijd een onderwerp. Daarom is de betrouwbaarheid van de moslim die de waarneming van de nieuwe maan bekendmaakt belangrijk, omdat het onacceptabel is van iemand die bekendstaat als leugenaar of praktisch misleid wordt. De eerste waarneming van de nieuwe maan door een betrouwbare moslim is acceptabel (Nasā’ī, Boek 18, Hadith 2084). Vervolgens zal de moslim met deze kennis (waarneming) de niyyāh (intentie) aan Allāh Ta’ālā doen om met vasten op de volgende hele dag te beginnen. Als een moslim geen bericht heeft ontvangen van enige betrouwbare bron en ook niet zelf de nieuwe maan heeft waargenomen (met het blote oog), zal hij dertig dagen tellen vanaf de laatste maand en beginnen met Ramaḍān (Qur’ān, 2:185). Wij zullen niet wachten op lokale waarneming van de nieuwe maan, maar zullen proberen in andere steden van hetzelfde land te zoeken naar betrouwbare getuigen die de nieuwe maan mogelijk hebben waargenomen.

Fax, e‑mail, telex, telegram, spraak- en datacommunicatie, sms, etc. zijn niet toegestaan, omdat de afkomst en beïnvloeding van de berichtgeving niet controleerbaar is.

Waarneming van de nieuwe maan

De verschijning van de nieuwe maan is bevestigd door het getuigenis van twee betrouwbare moslims, zoals de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Vast wanneer het (de maan) gezien is en verbreek het vasten wanneer het (de maan) gezien is, en verricht de rituelen van Hadj conform. En als het (de maan) achter de wolken verscholen is, rond dan de dagen van de maand af op dertig. En als twee (betrouwbare) getuigen verklaren, vast dan en verbreek het vasten.” (Nasā’ī, Boek 18, Hadith 2084; Aḥmad, Musnad, Hadith 2346; ad‑Dāraquṭnī, Sunan, Hadith 2187).

Regels bij het vaststellen van het begin en einde van de maand Ramaḍān

Deze uitleg is een Ahle Sunnah‑interpretatie die gebaseerd is op de Heilige Qur’ān en Hadith volgens Imām‑e‑Aʿẓam Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu). Tegenwoordig is deze ḥadīth nader uitgelegd door Imām‑e‑Ahle Sunnah Ash‑Shāh Aḥmad Raza Khan (raḍiyAllāhu ʿanhu), de bepleiter van de 14e eeuw Hijrah. Van de twaalf maanden is vaak het begin en einde van de maand Ramaḍān een onderwerp van discussie. Ālāḥazrat zegt: “Voor iedere openbaring is er altijd slechts één interpretatie (uitleg, onderwerping) geldig. De islam past zich niet aan een tijdperk, omgeving of omstandigheid. Allāh Ta’ālā is Alwetend! Door te stellen dat de omstandigheden in het jaar 622 anders zouden zijn, is onzin. Daarom mogen geen eigen interpretaties gegeven worden omwille van persoonlijke belangen, behoeften en/of denkwijze. De moslim mag niet vervallen in de huidige technologie en wetenschap, het materialisme, de verdorvenheid, de intolerantie en/of in sterke mate de anti‑islamitische activiteiten door munāfiqūn (hypocrieten) en niet‑moslimse machten.”

Allāh Ta’ālā openbaart

“En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allāh en Zijn boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak. En wie Allāh en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt, is zeker klaarblijkelijk afgedwaald.” (Qur’ān, 33:36).

De maand Ramaḍān wordt verder verrijkt met de avondgebeden, ook wel tarawīh genoemd. Tarāwīḥ heeft grote voordelen, vooral voor die moslims die geen Qur’ān kunnen reciteren. In de moskee van een Ahle Sunnat wordt, indien voorzien, de Tarāwīḥ‑namāz voorgegaan door een Ḥāfiẓ‑e‑Qur’ān. Deze man heeft de hele Heilige Qur’ān uit het hoofd geleerd en is ook getraind in het snel en correct articuleren van de Qur’ān‑teksten. Gedurende de avonden van de maand Ramaḍān kunt u dan naar de complete Qur’ān‑recitatie luisteren.

U weet ongetwijfeld dat voor iedere letter van de Qur’ān één zegen wordt gecalculeerd door de engelen in uw boek, dat op de Dag des Oordeels zal worden gepresenteerd. Deze ene zegen staat gelijk aan tien andere zegeningen, aldus onze Heilige Profeet Mohammed ﷺ (Tirmidhī, Boek 45, Hadith 2910). Verder staat in het boek Hamārā Islam dat tijdens het maken van wudu (rituele wassing) dertig zegeningen worden toegerekend en in de namāz honderd zegeningen per Qur’ān‑letter. U kunt de totale calculatie van een hele maand Qur’ān‑recitatie haast niet maken.

De tarāwīḥ bestaat uit twintig rakʿāt (Muwattaʾ’ Mālik, Boek 6, #6). Deze wordt verricht meteen na de eerste twee nafl (vrijwillig) van de ʿIshāʾ‑namāz en vóór de wājib (verplichte) Witr‑namāz. Mannen verrichten de tarāwīḥ gezamenlijk in de moskee.

Vrouwen kunnen dat thuis doen. Zij kunnen ook gezamenlijk de Tarāwīḥ verrichten, maar zonder imām. Vrouwen mogen namelijk geen imām‑rol vervullen (Abū Dāwūd, Boek 2, Hadith 591). De gezamenlijke tarāwīḥ van de vrouwen gebeurt als volgt: de vrouw met de meeste islamitische wetenschap gaat midden in de eerste ṣaff (rij) staan en leidt zonder stemgeluid de Tarāwīḥ voor. Zodra zij in rukūʿ gaat en de andere namāz‑handelingen verricht, volgen de andere vrouwen haar eveneens zonder stemgeluid.

De tijdsduur voor het vasten is van het begin van fajr tot de maghrib (zonsondergang). Allāh Ta’ālā openbaart

“Het is je veroorloofd, om op de nacht van het vasten tot uw vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en jij bent haar een gewaad. Allāh weet, dat je onrechtvaardig hebt gehandeld tegenover jezelf en heeft Zich met barmhartigheid tot jou gewend en je verlichting geschonken. Daarom mag je nu tot haar ingaan en betrachten, hetgeen Allāh je heeft verordend; en eet en drinkt, totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond. En verbreng je tijd niet met uw vrouwen wanneer je in de Moskeeën houdt. Dit zijn de beperkingen van Allāh – dus nadert deze niet. Zo zet Allāh zijn geboden uiteen voor de mensen, opdat zij vroom zullen zijn.”  (Qur’ān, 2:187). Vasten wil dus zeggen: zich overdag onthouden van eten, drinken en seksuele gemeenschap (Bukhārī, Boek 30, Hadith 128).

Indien in de maand Ramaḍān een kind de volwassenheid bereikt, of een ongelovige de islam heeft geaccepteerd, zal hij/zij zich onthouden van de zaken die het vasten ongeldig maken voor de rest van die dag, en vasten op de dagen die volgen. Deze twee categorieën hebben geen verplichting om de gemiste vastendagen in te halen (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 1672 – ḥasan).

Als een reiziger arriveert in zijn woonplaats, of een menstruerende vrouw bereikt de status van reinheid gedurende een deel van de dag, dienen zij zich voor de rest van die dag te onthouden van eten, drinken en seksuele gemeenschap (Dāraquṭnī, Sunan, Hadith 2380 – ḥasan).

Vasten komt voor in twee vormen: farz (verplicht) en nafl (vrijwillig). De verplichte vorm bestaat uit twee soorten:

(a) Vasten in een specifieke periode, namelijk in de heilige maand Ramaḍān al‑Mubārak, of wanneer een bepaalde gelofte is afgelegd. Het vasten van deze categorie (farz) is geldig met de intentie vanaf de nacht. Maar als men de intentie tot de ochtend niet heeft uitgesproken, volstaat de intentie tussen het aanbreken van de ochtendgloren en het midden van de dag, mits niets is gedaan wat het vasten ongeldig maakt (Bukhārī, Boek 30, Hadith 189; Muslim, Boek 13, Hadith 2595).

(b) De tweede soort betreft datgene wat verplicht is te vervullen, zoals het inhalen van gemiste vastendagen van de heilige maand Ramaḍān, onbeperkte geloften en verzoeningen. Deze zijn zonder een intentie vanaf de nacht (dus vóór zonsopkomst) ongeldig (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 1700). Alle nafl‑vasten zijn geldig met de intentie vóórdat het midden van de dag aanbreekt, mits niets is gedaan waardoor het vasten ongeldig wordt (Tirmidhī, Boek 8, Hadith 730).

Handelingen die het vasten niet ongeldig maken
  1. Als iemand die vast uit vergeetachtigheid heeft gegeten, gedronken of seks heeft gehad, blijft zijn/haar vasten geldig (Bukhārī, Boek 30, Hadith 193; Muslim, Boek 13, Hadith 2575).
  2. Als hij tijdens de slaap een erotische (natte) droom kreeg, of (zonder lust) naar een vrouw kijkt en vervolgens een zaadlozing krijgt, of zijn hoofd heeft geolied, of aderlating onderging, of antimoon in zijn ogen heeft gebruikt, of kust zonder erectie te krijgen, blijft zijn vasten geldig (Bukhārī, Boek 30, Hadith 150; Abū Dāwūd, Boek 13, Hadith 2370).
  3. Als men overrompeld wordt door braken, wordt het vasten niet ongeldig (Tirmidhī, Boek 8, Hadith 720).
  4. Als hij druppels in zijn urinebuis druppelt, wordt zijn vasten niet gebroken volgens Imām Abū Ḥanīfah, maar zijn leerling Abū Yūsuf zei dat het vasten wel is gebroken. Dit is fiqh.
Dingen die ongewenst zijn voor de vastende persoon
  1. Als iemand (zoals een kok) de smaak van iets proeft maar niet doorslikt, wordt zijn vasten niet ongeldig, maar het is ongewenst om het te doen (Bukhārī, Boek 30, Hadith 154 – impliciet).
  2. Het is ongewenst voor een vrouw om voedsel fijn te kauwen voor haar kind als zij alternatieven heeft (zoals het fijnmalen met een keukenmachine). Dit is fiqh.
Zaken die het vasten verbreken en qaḍāʾ (inhaal) vereisen
  1. Als hij ejaculeert vanwege een kus (van zijn vrouw) of een aanraking, dan is qaḍāʾ het gevolg voor hem. Er is geen kwaad in het kussen van zijn vrouw als hij zich veilig voelt, maar het is ongewenst als hij zich niet veilig voelt (Bukhārī, Boek 30, Hadith 150).
  2. Inhalen van vasten is verplicht, maar geen boetedoening, voor iemand die geslachtsgemeenschap had in andere delen dan de geslachtsdelen en ejaculatie kreeg. Dit is fiqh.
  3. Als men bewust een mondvol braakt, dan is inhalen van vasten verplicht (Tirmidhī, Boek 8, Hadith 720).
  4. Het vasten van iemand die steentjes of ijzer inslikt, is ongeldig geworden (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 1675).
  5. Wie een anaal klysma krijgt, of neus‑ of oordruppels gebruikt, of zodanig wordt behandeld aan een gescheurde buik of schedelfractuur dat het medicijn de lichaamsholte of hersenen bereikt, maakt zijn vasten ongeldig (Dāraquṭnī, Hadith 2380 – ḥasan).
  6. Als iemand sahūr (ontbijt) heeft gegeten terwijl hij dacht dat de zonsopgang nog niet was aangebroken, of zijn vasten onderbrak omdat hij dacht dat de zon was ondergegaan, en vervolgens blijkt dat dit niet zo was, dan haalt hij die vastendag in, maar er is geen boete verschuldigd (Bukhārī, Boek 30, Hadith 157).
  7. Iemand die het bewustzijn verliest in Ramaḍān hoeft die specifieke dag niet in te halen, maar wel de dagen die daarna volgen in bewusteloosheid. (fiqh‑regel; geen directe ḥadīth).
  8. Als een krankzinnige persoon geestelijke gezondheid terugkrijgt, dient hij de gemiste vastendagen van die Ramaḍān in te halen (fiqh‑regel; gebaseerd op Qur’ān 2:286).
  9. Als een vrouw menstrueert, stopt zij met vasten en haalt zij de gemiste dagen in (Bukhārī, Boek 6, Hadith 304).
  10. Iemand die een optionele vasten of een optioneel gebed verricht en het vervolgens ongeldig maakt, dient het in te halen (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 1701).
  1. Boetedoening is verplicht voor iemand die met opzet seksuele geslachtsgemeenschap heeft, eet, drinkt of inwendig medicijn gebruikt tijdens het vasten in de maand Ramaḍān (Bukhārī, Boek 30, Hadith 167; Muslim, Boek 13, Hadith 2581).
  2. De boetedoening is gelijk aan de boetedoening voor zihar:
    (a) een slaaf bevrijden;
    (b) als dat niet kan: twee opeenvolgende maanden vasten;
    (c) als dat niet kan: zestig armen voeden (Qur’ān, 58:3).

Er is geen boetedoening voor het ongeldig maken van het vasten buiten de maand Ramaḍān. (fiqh‑regel gebaseerd op consensus).

Degenen die het vasten kunnen uitstellen

  1. Iemand die ziek is in de Ramaḍān en vreest dat zijn ziekte zal toenemen door te vasten, mag zijn vasten verbreken en haalt het later in (Qur’ān, 2:185).
  2. Als men een reiziger is die niet wordt geschaad door te vasten, dan heeft vasten de voorkeur; maar als hij niet vast, haalt hij het later in (Qur’ān, 2:184).
  3. De zwangere of zogende vrouw die vreest voor nadeel voor haar kind, vast niet en haalt het later in. Voor deze vrouwen is een boete (fidya) van toepassing volgens de Ḥanafī‑fiqh (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 1667 – ḥasan).
  1. Het inhalen van gemiste vastendagen van de maand Ramaḍān kan afzonderlijk op verschillende dagen na de Ramaḍān worden uitgevoerd, of achtereenvolgens, afhankelijk van wat men wenst (Muslim, Boek 13, Hadith 2590 – impliciet).
  2. Als iemand het inhalen zo lang uitstelt dat de volgende Ramaḍān is begonnen, dan vast hij de nieuwe Ramaḍān en haalt vervolgens de eerder gemiste dagen in. Er is geen boetedoening op hem. (fiqh‑regel; geen directe ḥadīth).
  3. Indien de zieke tijdens zijn ziekteperiode of de reiziger tijdens zijn reis sterft, dan is het inhalen niet meer van toepassing. Maar als de zieke herstelt of de reiziger thuis aankomt en daarna sterft, dan rust op hen de verplichting om de dagen in te halen die zij in gezonde toestand of na aankomst hadden kunnen vasten (Qur’ān, 2:286 – principe van verantwoordelijkheid naar vermogen).
  1. De oude man die niet kan vasten, vast niet, maar voedt voor elke gemiste vastendag één arme persoon, net zoals men een maaltijd voorziet bij boetedoeningen (Qur’ān, 2:184).
  2. Degene die stierf met een inhaalplicht van vasten uit de Ramaḍān, diens voogd dient namens hem voor elke gemiste vastendag een arme persoon te voeden met: een halve sāʿa tarwe, één sāʿa dadels of één sāʿa gerst (Bukhārī, Boek 30, Hadith 195; Muslim, Boek 13, Hadith 1147).
  1. Liegen, roddelen, verklikken, zweren en schaamteloos spreken om iemand schade te berokkenen zijn allemaal ḥarām. Deze handelingen tijdens het vasten zijn zelfs nog ernstiger ḥarām en maken het vasten makrūh (Tirmidhī, Boek 8, Hadith 707).
  2. Voor een vastende persoon is het proeven of kauwen op iets makrūh, tenzij er noodzaak is. (Bronnen: Durr‑e‑Mukhtār; Bahār‑e‑Sharīʿat — fiqh‑werken, geen ḥadīth.)
  1. Iʿtikāf is het verblijven omwille van Allāh in de moskee. Er zijn drie soorten Iʿtikāf: wājib, Sunnat‑e‑Muʾakkadah en mustahab (Bukhārī, Boek 33, Hadith 2041).
  2. Afzondering is prijzenswaardig. Het betekent: met de intentie van afzondering verblijven in de moskee tijdens het vasten (Muslim, Boek 13, Hadith 1172).
  3. Het is verboden om geslachtsgemeenschap te hebben en iemand aan te raken met lust tijdens Iʿtikāf (Qur’ān, 2:187).
  4. Als degene in Iʿtikāf geslachtsgemeenschap heeft (in de nacht of overdag), is zijn afzondering ongeldig (Bukhārī, Boek 33, Hadith 2044).
  5. Hij mag de moskee niet verlaten, behalve voor douchen, een toiletbezoek of het Jumuʿah‑gebed (Abū Dāwūd, Boek 14, Hadith 2473).
  6. Er is geen kwaad als hij in de moskee koopt of verkoopt, zolang hij de goederen niet zelf in de moskee brengt. (fiqh‑regel; gebaseerd op adāb‑voorschriften).
  7. Hij moet alleen fatsoenlijk spreken; opzettelijke stilte is makrūh voor hem (Ibn Mājah, Boek 7, Hadith 2100 – ḥasan).
  8. Degene die de intentie heeft genomen voor afzondering, verplicht zich om zich voor een bepaald aantal dagen af te zonderen, inclusief de nachten en de dagen die opeenvolgend zijn, zelfs als hij de volgtijdelijkheid niet exact kan bepalen. (fiqh‑regel gebaseerd op continuïteit van ʿibādah).
Laylatul‑Qadr

In één van deze tien nachten valt de nacht van Laylatul‑Qadr. Meestal valt deze in de 27ste nacht. Indien u spirituele vooruitgang wilt maken, dan is het aanbevolen om deze tien nachten geïsoleerd (dus met zo min mogelijk contact met de buitenwereld) door te brengen in gebeden. In de meeste moskeeën worden door het verantwoordelijke bestuur voorbereidingen getroffen. Vrouwen kunnen thuis (na toestemming van hun man) de tien nachten geïsoleerd doorbrengen. Deze periode van tien nachten eindigt met het zien van de nieuwe maan van Shawwāl. Deze nachtenperiode wordt ook wel Iʿtikāf genoemd (Bukhārī, Boek 33, Hadith 2041).

Ḥazrat Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Profeet Mohammed ﷺ zei: “Ramaḍān, een gezegende maand, is naar u toegekomen gedurende welke Allāh het voor u verplicht heeft gesteld te vasten. In deze maand staan de poorten van de hemelen open, de poorten van al‑Jahīm (naam van één van de zeven hellevuur) zijn gesloten en de opstandige duivels zijn geketend. In deze maand heeft Allāh een nacht die beter is dan duizend maanden. Hij die verstoken blijft van haar voorspoed, is werkelijk beroofd.” (Tirmidhī, Boek 6, Hadith 682; vgl. Qur’ān, 97:3)

Ḥazrat Abū Bakr (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Zoek Laylatul‑Qadr op de 21ste, 23ste, 25ste, 27ste of laatste nacht.” (Tirmidhī, Boek 6, Hadith 686)

Ḥazrat Anas ibn Mālik (raḍiyAllāhu ʿanhu) verhaalde dat de Profeet Mohammed ﷺ zei: “Wanneer Laylatul‑Qadr komt, verschijnt Jibrāʾīl met een groep engelen die zegeningen afsmeekt voor iedereen die staand of zittend Allāh aanbidt, Die Groot en Glorieus is. Wanneer het de dag van het festival [Eid al‑Fiṭr] wordt, spreekt Allāh trots over hen die gevast hebben tegen de engelen en zegt: ‘Mijn engelen, wat is de beloning van een werknemer die zijn werk volledig heeft voltooid?’ Zij antwoorden: ‘Onze Allāh, zijn beloning is dat hij volledig wordt uitbetaald.’ Allāh zegt: ‘Mijn engelen, Mijn dienaren — mannen en vrouwen — hebben volbracht wat Ik hun verplicht heb gesteld en vervolgens hun stemmen verheven in smeekbede. Bij Mijn Macht, Mijn Glorie, Mijn Eer, Mijn Hoge Waardigheid en Mijn Verheven Status: Ik zal hun smeekbeden zeker verhoren.’ Vervolgens zegt Allāh: ‘Ga terug, want Ik heb jullie vergeven en jullie slechte daden veranderd in goede daden.’” (Tirmidhī, Boek 6, Hadith 689 – ḥasan)

Laatste tien nachten van de Ramaḍān

Ḥazrat Anas ibn Mālik en Ubayy ibn Kaʿb (raḍiyAllāhu ʿanhumā) verhaalden dat de Profeet Mohammed ﷺ gewend was zich in privé‑toewijding in de moskee terug te trekken gedurende de laatste tien nachten van de Ramaḍān. In een bepaald jaar heeft hij dit echter overgeslagen, en in het daaropvolgende jaar heeft hij het ingehaald met twintig nachten (Bukhārī, Boek 33, Hadith 2044).

De maand Ramaḍān is een unieke periode waarin de moslim niet alleen lichamelijke onthouding beoefent, maar vooral geestelijke verfijning nastreeft. De voorschriften die in deze handleiding zijn uiteengezet — van de intentie (niyyah) tot de geldigheid van het vasten, van de uitzonderingen en inhaalplichten tot de regels van Iʿtikāf en de zegeningen van Laylatul‑Qadr — vormen samen een samenhangend kader dat de gelovige helpt om deze maand op correcte, bewuste en verdienstelijke wijze te beleven.

Het vasten is niet slechts een ritueel, maar een daad van gehoorzaamheid, discipline en innerlijke zuivering. De fiqh‑regels beschermen de integriteit van deze aanbidding, terwijl de spirituele dimensies — zoals nachtgebeden, Qur’ān‑recitatie, afzondering en smeekbeden — het hart verheffen en de band met Allāh Ta’ālā versterken. Wie Ramaḍān met kennis, toewijding en oprechtheid doorloopt, proeft iets van de werkelijke betekenis van taqwā, het doel dat Allāh Zelf voor deze maand heeft gesteld.

Moge Allāh Ta’ālā ons in staat stellen om de voorschriften van het vasten correct na te leven, de zegeningen van de nachten te benutten, de Qur’ān met aandacht te beluisteren en te reciteren, en de maand Ramaḍān te verlaten met een hart dat gezuiverd is, een ziel die versterkt is en daden die worden aanvaard. Moge Hij ons rekenen tot degenen die de waarde van Laylatul‑Qadr niet missen en die vergeving, barmhartigheid en nabijheid tot Hem verkrijgen.

Āmīn.

  • Abū Dāwūd, S. ibn al‑Ashʿat. (z.j.). Sunan Abī Dāwūd. Boek 2, Hadith 591; Boek 13, Hadith 2370; Boek 14, Hadith 2473.
  • Aḥmad ibn Ḥanbal. (z.j.). Musnad Aḥmad. Hadith 2346.
  • Al‑Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.j.). Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī. Boek 2, Hadith 8; Boek 6, Hadith 304; Boek 30, Hadith 128, 150, 154, 157, 167, 189, 193, 195; Boek 32, Hadith 231; Boek 33, Hadith 2041, 2044.
  • Al‑Dāraquṭnī, ʿAlī ibn ʿUmar. (z.j.). Sunan ad‑Dāraqu. Hadith 2187, 2380.
  • Al‑Tirmidhī, M. ibn ʿĪsā. (z.j.). Jāmiʿ al‑Tirmidhī. Boek 6, Hadith 682, 686, 689; Boek 8, Hadith 707, 720, 730; Boek 45, Hadith 2910.
  • Amjad ʿAlī Aʿẓamī. (z.j.). Bahār‑e‑Sharīʿat.
  • An‑Nasā’ī, Aḥmad ibn Shuʿayb. (z.j.). Sunan an‑Nasā’ī. Boek 18, Hadith 2084.
  • Ḥaṣkafī, ʿAlāʾ al‑Dīn. (z.j.). Durr‑e‑Mukhtār.
  • Ibn Mājah, M. ibn Yazīd. (z.j.). Sunan Ibn Mājah. Boek 7, Hadith 1667, 1672, 1675, 1700, 1701, 2100.
  • Mālik ibn Anas. (z.j.). Al‑Muwaṭṭaʾ. Boek 6, Hadith 6.
  • Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). Ṣaḥīḥ Muslim. Boek 13, Hadith 1147, 1172, 2378, 2575, 2581, 2590, 2595.
  • Qur’ān. (z.j.). Surah 2:184; 2:185; 2:186; 2:187; 2:286; 33:36; 51:56; 58:3; 97:1; 97:3.

Translate »
error: Content is protected !!