Op zoek naar de volmaakte murshid

Inleiding

Het is jammer genoeg nog niet tot alle murid van verschillende murshid (spirituele Gidsen) doorgedrongen wat ‘bayyat’ als murid inhoudt. Veel murid gedragen zich onbewust dan wel bewust als vijanden, beter gezegd als concurrenten, van elkaar in de soennietgemeenschap. Dat is erbarmelijk jammer. Wij moeten niet vergeten dat alle spirituele gidsen leiden naar de Verheven Leider Ghaus-ul-Azam Hazrat Sayyidena Sheikh Mohiyuddin Abdul Qādir Jilāni (radi Allāhu anhu) en via hem naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Een ander tegenwoordig, in het rijke Westen, veel voorkomend affaire is dat er zogenaamde spirituele en godsdienstige gidsen zijn, wiens beroep meer het inzamelen van rijkdom is dan het werk van Allāh te verrichten. Reden genoeg voor mij om op zoek te gaan naar een boek dat over dit onderwerp gaat. Na lang zoeken en piekeren heeft Allāh mij geleidt naar de bron waarvan deze uitgave een vertaling is. Er zijn zelfs mannen die zich murshid of soefi noemen maar ongelovigen tot hun volgelingen maken. Het lijkt dat deze bandieten niet bang zijn voor Allāh Ta’ālā.

Zelf ben ik (Juzoef Tangali) murid van Qaid-e-Ahle Sunnat Sheikh Shah Ahmad Noorani Siddiqui Qadri (Alayhis Rahma), Tālib van Sheikh Taajush Shari’ah Sheikh Mohammed Ismail Akhtar Raza Khan Qadri (AlayhirRahma)en Khalifah van Shere Raza Sheikh Mannan Raza Khan Qadri (Hafizullah).

Ik hoop dat mijn waarde soenniet broeders en zusters lering trekken uit dit hoofdstuk en elkaar dwars door alle spirituele Ordes heen zullen steunen en inspireren en juist niet bejegenen. Amien.

Murshid murid Gids

Door Maulana Abdun Nabi Hamidi, Imām van Sultan Bahu Juma Masjid, Mayfair, Johannesburg.

Inleiding door Maulana Abdun Nabi Hamidi

Alle lof aan Allāh Ta’ālā, vrede en Darood voor de Heilige Profeet Hazrat Mohammed ﷺ, zijn nobele Sahāba (metgezellen) en zijn verheven familie (radi Allāhu anhum). Het lichaam en de ziel samen maken een volmaakt lichaam. Terwijl het lichaam aan de wereld toebehoort, stamt de ziel van herkomst af van het koninkrijk der Goddelijke. Allāh Ta’ālā heeft met Zijn Goddelijke kracht het lichaam en de ziel verenigt en voor de groei voorzieningen geschapen. Zoals Allāh voor het lichaam diverse voedingsstoffen heeft geschapen, zo heeft Allāh ook voor de groei van de ziel voorzieningen getroffen. Deze vitale voorziening, die de ziel versterkt, is de memorie van Allāh.

In tijden dat het lichaam ziek is kan diverse medicijnen gebruikt worden voor herstel. Zo wordt de ziel ook wel eens ziek. Hiertegen zijn geen wereldse medicijnen bestand, maar Allāh Ta’ālā heeft wel daarvoor het beste middel beschikbaar. Artsen behandelen het lichaam tijdens ziekte en ‘Vrienden van Allāh’ genezen de ziel. Zoals wij artsen consulteren bij ziekte, zo moeten wij ook Awliya Allāh consulteren voor onze spirituele ziekten. Zowel het lichaam als de ziel heeft hun onzuiverheden. Onzuiverheden van het lichaam zijn bijvoorbeeld urine, ontlasting en pus. Op een vergelijkbare manier heeft de ziel onzuiverheden zoals liegen, uitbuiten, polytheïsme en andere handelingen die tegen de Shari’ah (islamitische wet) indruisen. Zoals wij ons lichaam tegen onzuiverheden beschermen en als het toch gebeurt het schoonmaken, zo is het voor iedere moslim voorbehouden om de ziel voor onzuiverheden te behoeden. Het lichaam wordt doorgaans met water gereinigd. De ziel met oprecht berouw. De tranen van een berouwvolle moslim reinigt zijn of haar ziel en hart.

Allāh Ta’ālā openbaart in de Heilige Qur’ān: “Ongetwijfeld, hij verwerft zijn eindbestemming welk is gezuiverd.” De reinheid en zuiverheid waarnaar dit vers verwijst, heeft een veelomvattend karakter. Om deze volmaakte reinheid op een gebalanceerde wijze te kunnen realiseren heeft de Islam diepgaande richtlijnen beschikbaar.

Andere godsdiensten vinden deze harmonie tekortschieten in de Islam. Sommige godsdiensten concentreren zich alleen op het denkvermogen en minachten het spirituele aspect. Doch, het hart, geheugen en lichaam zijn zo met elkaar verweven, dat zij elkaar beïnvloeden. Zodoende heeft reinigen van het lichaam effect op het denkvermogen en het hart. In het verlengde hiervan openbaart Allāh in de Heilige Qur’ān: “Roem Allāh en houdt Uw gewaad schoon.” De Profeet ﷺ informeert ons, dat reinheid een deel is van geloofsovertuiging. Mishkāt Sharīf, boek over reinheid, hoofdstuk 1

Om reinheid van de ziel te bevorderen, is kennis over deze materie onvoorwaardelijk. Dit deel van de kennis is de wetenschap van Tasawwuf, waarvan de geestvermogens berusten bij de murshid en de murid en de kennis en door toepassing van Awrād (speciale gebeden).

Wat is tasawwuf?

Tasawwuf is het concept dat de reinheid van het hart in alle oprecht verwezenlijkt en onderwerpt aan de levenswijze van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ in alle hoedanigheden van het leven. Hazrat Sheikh Data Ganj Bakhsh Ali Hujwiri (400-465 H) citeert wat Hazrat Mutaish (radi Allāhu anhuma) heeft gezegd: “Tasawwuf is beschaafde karakter. Dit beschaafde karakter kan op drie wijze worden gezien. Ten eerste, onverkort nakomen wat Allāh en Zijn Rasool ﷺ hebben opgedragen. Ten tweede, eerbiedig alle oudere personen, kennis en vroomheid; heb de jongeren lief; zeg altijd de waarheid en verwacht niets terug voor uw goede daden. Ten derde, vermijd alle slechte verlangens en satanische evenementen. Door deze regels in acht te nemen bereikt men de staat van reinheid.” Kashful Mahjoob, pagina 106

Beweegredenen voor tasawwuf

Degenen die zichzelf volkomen hebben onderworpen aan Allāh Ta’ālā hebben geen behoefte aan wereldse zaken. Zulke mensen worden uit anonieme bronnen voorzien in hun levensbehoefte. Deze godvrezende mensen hebben geen hoop op wereldse verlangens van mensen. Zij hebben volkomen vertrouwen op Allāh. Wanneer zij iets uit het publiek krijgen, ontvangen zij het met de intentie dat Allāh de Schenker is en de donor het middel. Zulke godvrezende dienaren van Allāh ten gunste zijn is in feite onszelf goed doen. Ghaus-ul-Azam Sayyidena Sheikh Abdul Qādir Jilāni (radi Allāhu anhu) verklaart dat Nabi ﷺ heeft bevolen om zulke devote mensen en derwisjen voedsel en kleding te geven. Door de derwisjen in hun levensbehoefte te voorzien minimaliseren wij hun beproeving en stellen wij hen in staat zich beter te concentreren op Allāh. Op deze wijze zullen wij beloond worden door zijn goede daden te helpen bevorderen. Al-Fath-ur-Rabbani, pagina 192

De meeste mensen geven van tijd tot tijd giften aan Mashā’ikh en Ulema. Dit is een goede traditie die de vromen ontlast van wereldse onbenulligheden en hun in staat stelt voor de volle werktijd de openbaringen van Allāh te verkondigen.

Doch, er zijn bedrieglijke mensen onder de Ulema en Mashā’ikh die verwikkeld zijn in zondige daden. Zij praktiseren handelingen die weerlegd worden door de Shari’ah. Deze mensen moeten niet in hun levensbehoefte worden voorzien, zodra duidelijk is geworden dat zij bedriegers zijn en het inzamelen van rijkdom hun hoofddoel is. De nadruk ligt bij de mensen om terughoudendheid te trachten en rechtvaardig te beslissen of de persoon in kwestie daadwerkelijk het werk voor Allāh verricht.

Categorieën van Ahl-us-Safā

Vrome mensen, meer bekend als Ahl-us-Safā worden als volgt ingedeeld:

  1. Soefi: iemand die zijn eigen wil en menselijke zwaktes heeft overmeesterd, terwijl hij tegelijkertijd bewust is van alle levenswijzen. Waarheid is het keurmerk van zijn leven. De term soefi verwijst naar een vaststaande en volmaakte Walī Allāh (Vriend van Allāh). In Kashf-ul-Mahjoob, pag. 97, staat: “Iemand die zich heeft gevrijwaard van allesbehalve Allāh én zich in Allāh heeft vereenzelvigd is een soefi.” Ghaus-ul-Azam verklaart: “Zolang iemand niet de status heeft bereikt waarin hij het visioen van onze Heilige Profeet Mohammed ﷺ in zijn droom heeft gezien en hij opdrachten en verbodsbepalingen heeft ontvangen, kan hij niet worden erkend als soefi.” Als deze florissante gebeurtenis zich heeft voorgedaan, dan zal zijn hart spiritueel groeien, zijn innerlijke wordt schoon en hij zal de nabijheid van Allāh bereiken terwijl zijn handen in de heilige handen van de Profeet ﷺ zullen zijn. Al Fath-ur-Rabbani, pagina 389
  2. Mutasawwif: iemand die de status van een soefi tracht te bereiken door mujāhida (constant bestrijden van kwade verlangens). Hij volgt de voorbeelden van een soefi om zichzelf te verbeteren.
  3. Mutasawwif: iemand die een soefi imiteert voor monetaire groei, macht en wereldlijke eerbied. Hij heeft géén van de kwaliteiten van de soefi of mutasawwif. Kashf-ul-Mahjoob, pagina 98
De noodzaak van een murshid

Als iemand een bepaalde kunst en wetenschap wil leren of kennis wil vergaren zal hij een specialist op het desbetreffende vakgebied zoeken. Kennis van de eigenschappen van Allāh Ta’ālā is het meest gecompliceerde geheim ter wereld. Het kan alleen geworven worden door de hulp van de specialisten, namelijk de Awliya Allāh. Uitsluitend deze mensen kunnen als murshid (gids) geaccepteerd worden. De volgende rede definieert de noodzaak en leiding van een murshid.

Ghaus-ul-Azam, Hazrat Sheikh Abdul Qādir Jilāni (radi Allāhu anhu) verwoordt de noodzaak van een murshid in een prachtige metafoor. Hij zegt: “Het hart is de plantage voor de Aakhrih (Hiernamaals). Zaait de zaden van Imān in uw hart. Besproei, bemest en laat het volgroeien met geestelijke goede daden. Indien gunst en energie in het hart zitten, zal het volgroeien en een overvloedige oogst zal het resultaat zijn. Is het hart liefdeloos en minachtend, dan zal de ziel onvruchtbaar en droog worden en dus geen vrucht dragen. Leer deze bekwaamheid over akkerbouw van hun bouwers en specialisten, de Awliya Allāh. Denk niet dat uw opvatting toereikend is. U kunt het niet zonder hulp bereiken.” Onze Profeet ﷺ zei: “Zoek hulp op elk terrein bij een vakspecialist.” Al-Fath-ur-Rabbani, pagina 202

Ghaus-ul-Azam (radi Allāhu anhu) zei verder: “Arrogantie, hypocriete en egoïsme zijn allen pijlen van de Shaytān die gericht zijn op uw hart. Eenieder moet een methode uitzoeken om zich te beschermen tegen deze aanvallen. De juiste methoden zijn uitgelegd en gedemonstreerd door de Mashā’ikh (gidsen). U zult hun bevelen onverkort moeten opvolgen. Zij zullen u begeleiden op het Pad van Allāh, omdat zij het Pad al hebben afgelegd. Vraag hen advies over zaken zoals nafs (lichamelijke verlangens), begeerte en andere zwakheden, omdat zij zelf de gevolgen ondervonden hebben en dus waakzaam zijn over de gevaren en ondeugd van duivelse verlangens. Zij hebben deze zaken gedurende lange perioden overbrugd en kunnen deze confronteren, beheersen en overmeesteren.” Al Fath-ur-Rabbani, pagina 150

Zoektocht naar een murshid

Ghaus-ul-Azam (radi Allāhu anhu) zei: “Als iemand niet in staat is het verschil tussen een volmaakte en valse murshid te onderscheiden, dan zal hij gedurende de Tahajjud tijd twee Rak’āt Nafl moeten verrichten om een signaal te krijgen. Vervolgens zal hij Allāh Ta’ālā verzoeken hem te informeren over de vroomheid van de persoon die hem op het Rechte Pad zal begeleiden. Hij zal Allāh smeken om hem de juiste persoon te laten zien die hem voor Allāh’s liefde in extase zal brengen, de ogen van zijn hart zal versieren met het Licht van Allāh’s nabijheid en hem zal informeren over ongeziene gebeurtenissen die hij persoonlijk aanschouwde.” Inshā’Allāh, door deze handelswijze zal de zoeker antwoord krijgen. Al Fath-ur-Rabbani, pagina 146

Als iemand niet in staat is deze signalen van Allāh te ontvangen, dan zal hij advies aan een zeer ervaren soenniet Alim vragen. Op gezette tijden nemen mensen adviezen aan van ondeskundige mensen en worden daardoor murid van Shaytān. Moge Allāh Ta’ālā ons allen beschermen. Aamīn.

De murshid en zijn verbintenis met de Shari’ah

De murshid is verplicht de geboden van de Shari’ah op te volgen met absoluut respect en genegenheid. De rol van de murshid is het pad verlichten voor degene die gedwaald zijn. Een murshid die de Shari’ah niet respecteert en volgt, verkeerd zelf in duisternis en is volkomen ongeschikt voor leiderschap. Zulke mensen zijn afgezanten van Shaytān en de vijanden van de Islam[1]. Sommige murshid zaaien twijfels in de gedachten van hun aanhangers. Zij onderwijzen dat salāh (namāz) en saum (vasten) fysieke vormen zijn van aanbidding en aan de ulema moet worden overgelaten. Zij claimen dat zij uitsluitend met hun hart praktiseren. Zulk een murshid is gedwaald en misleid zijn volgelingen. Zij vieren openlijk feest in de Ramadān en bespotten de Shari’ah en Tariqat. Nog altijd zijn murid onbewust overtuigd dat deze mensen hun zal leiden naar de Jannah (Paradijs). Het is vreemd dat aan lichamelijke behoeften zoals eten, drinken, slapen, medicijnen gebruik en andere fysieke activiteiten prompt wordt voldaan. Het zijn juist die fysieke inspanningen bevolen door Allāh Ta’ālā en Nabi ﷺ, die hun lichaam vormgeeft en zij kiezen ervoor om die plichten te volvoeren met hun hart. Waarom doen zij niet de andere behoeften zoals eten en drinken met hun hart?” (Echte) Heiligen krijgen slechts ééns in de veertig dagen honger.” Kashf-ul-Mahjoob, pagina 444

Het moet herinnerd worden dat Nabi ﷺ, zijn nobele metgezellen, de Tābi’īn, Tāba Tābi’īn, de volmaakte Heiligen en de Allāh vrezende mensen nooit met het hart alleen de salāh en saum hebben verricht. Deze zijn fysieke vormen van Ibādah, die zowel met het hart, gedachte en lichamelijke handelingen verricht moet worden en volkomen in onderwerping aan Allāh. Hazrat Umar Farooq (radi Allāhu anhu) uitte de belangrijkheid van salāh toen hij dodelijk werd verwond door Abu Lulu. Hij verrichtte fajr salāh ondanks overvloedige bloeding en zei: degene die de salāh niet verricht maakt geen deel uit van de Islam. Izālat-ul-Khifā, deel 4, pagina 281

Enkele murshid ontkent de absolute Eenheid van Allāh Ta’ālā (Tauhid). Zij geloven dat Nabi ﷺ de Heer is en respecteert dit als het geheim van tasawwuf. Om hun duivelse geloof te rechtvaardigen misbruiken zij termen als ‘Anal Haqq’ die wel eens door heiligen in staat van mystieke extase wordt uitgesproken. Wanneer de Ulema-e-Haqq zulke godslasterlijke en valse murshid uitdaagt, verschuilen zij zich achter valse beweringen dat de Ulema-e-Haqq volgelingen zijn van de Shari’ah en niets afweten van de innerlijke (mystieke) kennis. Om hun valse praktijken te beschermen instrueren zij hun murid hun leerstellingen niet te publiceren, zodat anderen de details en verwikkelingen van deze zogenaamde ‘innerlijke kennis’ niet zullen begrijpen. Dit doen zij om zelf niet kwetsbaar te worden. Zij verbieden hun murid contact te hebben met de Ulema-e-Haqq zodat zij zelf niet ontmaskert kunnen worden en hun inkomsten daardoor niet in het gedrang komt.

Sultān-ul-Aarifīn, Hazrat Sultan Bahu (radi Allāhu anhu) bevestigt dat wanneer iemand het territorium van tasawwuf betreedt hij onverkort aan de vereisten van de Shari’ah moet voldoen. Hij zal op iedere stap die hij zet de lering van de Heilige Qur’ān en Sunnah volgen én hij zal het gezelschap zoeken van de ulema en fuqarā. Hij zal uitsluitend datgene doen wat door de Shari’ah is bevolen en zich onthouden van die activiteiten die verboden zijn door de Shari’ah. Hij zal zich niet door lichamelijke verlangens of duivelse verleiding laten beïnvloeden. Mihak-ul-Fuqarā, pagina 93

Hazrat Data Ganj Bakhsh Ali Hujwiri (radi Allāhu anhu) schrijft: “Een groep dwaalgeesten sloten zich aan bij de soefi’s. Zij prediken, dat uitzonderlijke gehoorzaamheid aan de Shari’ah iemand tot het niveau van de Wilāyāh wordt gebracht. Zij zeggen dat ta’at (gehoorzaamheid aan de wetgeving van de Shari’ah) niet langer noodzakelijk is. Dit is een onjuiste en valse bewering. Op het Pad van de Waarheid is absoluut geen moment aanwezig waar ta’at overbodig wordt.” Kashf-ul-Mahjoob, pagina 312

Hazrat Data Sāhib (radi Allāhu anhu) benadrukt dat het onvermijdelijk is om de Sunnah van de Profeet Mohammed ﷺ achterwege te laten, wil men Wilāyāh bereiken. Kashf-ul-Mahjoob, pagina 455

Hazrat Data Sāhib verklaart de relatie van Haqiqat en Shari’ah als volgt: “Shari’ah zonder Haqiqat is een schijnvertoning en gevoel zonder Shari’ah is huichelarij. Excuus en huichelarij zijn beide de vernieling van Imān. Allāh Ta’ālā zegt: ‘Wie dan ook blijk geeft van mujāhida (voortdurend streven) naar ons, Wij zullen hun onze Pad wijzen.’ Mujāhida is Shari’ah en leiding naar het Pad van Allāh, en dat is Haqiqat. Shari’ah is bedoeld om het lichamelijke te beschermen en Haqiqat om de innerlijke condities van de Gelovige te beschermen.” Kashf-ul-Mahjoob, pagina 526

U moet weten dat Shari’ah gebaseerd is op de standvastige fundering van de Heilige Qur’ān en Soenna, overeenstemming en vergelijkbaarheid van de islamitische juristen. Als iemand een uitzonderlijk vergelijkbare Maslah betwist en toegerust is met een substantieel bewijsstuk, dan is er niets aan de hand. Doch, zodra iemand openlijk de Heilige Qur’ān, Hadith en Itjma (consensus) trotseert bewijst hij daarmee niet alleen dat hij geen murshid is, maar dat hij ook geen moslim is.

Verwachtingen die een murid mag hebben van de murshid

Sommige mensen worden murid met de hoop financiële voordelen te behalen, bevrijdt te worden van de wereldse ontberingen en een comfortabel leven te kunnen leiden. Op gezette tijden zegent de Awliya Allāh zijn murid met wereldse gunsten. De murid moet wereldse verlangens vermijden en ‘bayyat’ (plechtige belofte) doen om uitsluitend Allāh Ta’ālā ’s Mārifat te bereiken, genees de ziel en toon absolute berouw. Hij zal de juiste intentie hebben om absolute gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā en de Heilige Profeet Mohammed ﷺ.

Het verschil tussen een deskundige en onbekwame murshid

Sultan ul Fuqarā, Hazrat Faqir Nur Mohammed Sarwari Qadri (radi Allāhu anhu) definieert een volmaakte Sheikh als iemand die de nafs (lichamelijke verlangens) terzijde legt, de ziel en geachte van de murid geneest (met enkel de intentie zijn discipel te begeleiden op het juiste Pad) en hem naar Allāh te brengen. Een volmaakte murshid heeft geen wereldse verlangens. Een valse Sheikh accepteert murid, zodat zijn wereldse status wordt versterkt. De murid geeft zijn zuur verdiende geld aan zijn murshid die daarvan een luxe levensstijl leidt. Dergelijke levensstijl kunnen zelfs rijke mensen zich niet veroorloven. Deze hemelse marketingmanagers hebben hun huizen ingericht met de sieraden van de Hel en zijn zelf brandstof geworden van de Hel.

Een murid moet voor zichzelf eerst de murshid beoordelen over wereldse handelingen. Als blijkt dat de murshid een egoïst is of wereldse verlangens heeft, dan zul u onmiddellijk afstand moeten nemen van hem. De murshid mag zijn status niet ontlenen aan zijn afkomst. Enigszins, hij zal zelf onder leiding en training zijn geweest van een volmaakte murshid, de spirituele bekwaamheden hebben eigen gemaakt en verschillende stadia van de geheime mystieke paden hebben afgelegd. Zelfkennisverrijking aan de hand boeken over tasawwuf, oppervlakkige kennis van de jurisprudentie, logica of geboren zijn in het huis van een vrome persoon of beweren khalifah (toestemming om andere in het soefisme in te leiden door bayyat) van een valse murshid te hebben verkregen kwalificeren dergelijke personen niet tot een volmaakte murshid. Niemand kan hopen op leiding (Hidāyah) of gunst (Faiz) van zulke valse murshid. Betreurenswaardig, deze arrogante murshid zwerven met z’n velen, chaos en rotzooi veroorzakend, de straten af. Moge Allāh Ta’ālā hidāyah verlenen aan deze Sheikhs en de murid zegenen met transparant oordeel. Irfān, pagina 326

De relatie tussen de murid en murshid
  1. De murid mag geen enkele misvatting hebben over de murshid. Deze zal de murid tegenwerken als hij twijfels heeft over de murshid. Hij zal het voorbeeld van Hazrat Khizr (alayhis salām) in gedachte moeten houden, omdat hij dingen heeft gedaan die blijkbaar bezwaarlijk waren. Bijvoorbeeld, een gat maken in de boot van arme mensen en het leven ontnemen van een onschuldig kind. Later werden deze handelingen schijnbaar gerechtvaardigd. Evenzo zal de murid een daad van de murshid niet verafschuwen, al blijkt op het eerste gezicht dergelijke daad niet gerechtvaardigd. De murshid weet beter en hij heeft rechtvaardige redenen voor zijn acties.
  2. De murid zal geen vooruitgang boeken bij zijn murshid zolang hij zijn murshid niet als de meest geschikte van zijn tijd erkent.
  3. U zult alleen dan een murid worden om reden uw hart en ziel te genezen (reinigen). Om faiz (gratie, gunst) te verkrijgen van de murshid zal uw hart eerst rein moeten zijn.
  4. Als een murid meer spirituele zegens van de murshid krijgt dan zult u hem niet benijden of wrok vertonen. Dit zal u naar Jahannam (Hel) leiden. Allāh Ta’ālā schonk Nabi Adam (alayhis salām) zulk hoog aanzien, door aan alle engelen te vragen voor Adam (alayhis salām) te knielen. Iblīs (Shaytān) werd jaloers en als gevolg daarvan werd hij verbannen naar de Hel. Als iemand meer wereldse bezittingen heeft dan een ander, zullen wij dankbaar moeten zijn dat wij minder verplichtingen hebben. Als iemand meer spirituele kracht heeft dan u, dan zult u zijn verhevenheid met ontzag erkennen.
  5. Alle twijfels en aarzelingen moeten aan de murshid worden openbaar gemaakt, omdat de murshid een spirituele genezer is. Door het verzwijgen van enige ziekte voor de arts zal dat leiden tot zelfvernietiging.
  6. Het is de plicht van de murid om zijn murshid met alle respect te benaderen. Als de murid een majlis (bijeenkomst) van zijn murshid bijwoont en hem niet respecteert zal hij gestraft worden. Allāh Ta’ālā zal het hart onthullen van waarheid van zulke murid vergelden en hij zal zich niet bewust zijn van Allāh. Volgens sommige soefi zal het Noor (Licht) van de Imān van de murid verdwijnen als hij respectloos is naar zijn murshid.
  7. Het is aanbevolen dat de murid de handen, voeten, haar, kleding, etc. van zijn murshid kust. Deze handelingen zijn terug te vinden in de ahadīth en het gedrag van de nobele metgezellen (radi Allāhu anhum) van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Hazrat Zar’ah die deelgenoot was van de Abdul Qais delegatie verhaald: “Toen wij in Medina aankwamen renden wij uit onze voertuigen naar de Profeet ﷺ om zijn handen en voeten te kussen.” Mishkāt Masābih, Bab-ul-Musafaha wal Muaanaqa, 2e paragraaf
  8. Een murid moet geen verwachtingen hebben wonderen van zijn murshid te zien. Vlijtige gehoorzaamheid aan de voorschriften van de Shari’ah en zijn voortschrijdende oorspronkelijke Silsilah (keten van Sheikhs) is een voldoende vereiste voor de murshid. Karāmāt is niet een eerste vereiste van de Wilāyāh.
  9. De murid zal als een levenloze voor de murshid moeten zijn. Als een levenloze persoon die volledig afhankelijk is van degenen die voor zij ghusl (bad) zorgt, zo zal de murid zichzelf voor zijn murshid presenteren. De murshid zal zijn murid moeten leiden door het doornig pad van tariqah. Als de murid in leven is, is hij feitelijk bezig om de opdrachten van zijn murshid uit te voeren.
  10. De murid moet niet kijken naar de armoede van zijn murshid of vernederend denken over zijn afkomst. Hij mag niet twijfelen aan de Ibādah (gebed) van zijn murshid, omdat hij niet in het hart van de murshid kan kijken, of een begrenzing opgezet door de murshid kan passeren. Al Fath-ur-Rabbani, pagina 411
  11. In tariqah is het noodzakelijk dat de murid zijn gedrag tegenover de murshid op waardige manier aanpast. Alleen dan zal hij verrijkt worden met de Faiz van zijn murshid. Als de murid is verrijkt met kennis of spiritualiteit moet hij dat niet zien als een verdienste van zichzelf, maar als een gift van de murshid.
  12. De murid moet streven naar de status van ‘Fana-Fish Sheikh’ of zich doen opgaan in de Sheikh. A’la Hazrat Imām Ahmed Raza Khan (radi Allāhu anhu) heeft uitgelegd hoe deze status bereikt kan worden. Hij zei: “De murid moet de murshid voor zich verbeelden en zijn hart onder het hart van de murshid plaatsen. Hij moet zich voorstellen, dat Faiz (gratie) en Baraka (zegen) vloeit van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ in het hart van de murshid en van daaruit in het hart van de murid. Nadien zal hij zijn murshid overal zien waar hij ook gaat. Hij zal niet verdwijnen; zelfs tijdens het gebed zal de murid zijn murshid in zijn nabijheid vinden.” Malfoozāt A’la Hazrat, pagina 169
  13. De dagelijkse wazā’if (speciale gebeden) voorgeschreven door de murshid moet ijverig gelezen worden. De murid mag geen bezwaar hebben tegen geen enkel advies dat door de murshid gegeven is. Wat de Shari’ah betreft, deze mag de murid leren van welke Ahl-ul Sunnah Alim hij wil. In feite kunnen deze opdrachten geleerd worden van een andere murshid. De murshid kan ook leren van een Aliem, andere murshid of zijn eigen murid.
  14. Nadat de bayyat voltrokken is kan de murid alleen van murshid veranderen wanneer een Shar’i fout bij zijn eigen murshid is aangetroffen. Doch, vernieuwing van de bayyat met zijn murshid of bayyat-e-Tālib (leerling worden van een andere Sheikh terwijl u al leerling bent van een andere murshid) is toegestaan. Sheikh Ibn-ul-Arabī (radi Allāhu anhu) zei: “Zoals de wereld niet van twee goden is, zo is de mukallaf (verbonden zijn met Shari’ah wetgeving) ook niet van twee Shari’ah ’s of twee Profeten. Een vrouw is niet van twee mannen. Evenzo kan een murid ook niet van twee murshid zijn.”
  15. Als de murshid een murid beveelt zich niet te houden aan de Shari’ah, de salāh niet te verrichten, niet te vasten of hem probeert wijs te maken over de onbelangrijkheid van de Shari’ah en het praktiseren ervan, dan zal de murid onmiddellijk ieder contact met de murshid verbreken. Het is voor de murid niet nodig om advies te vragen aan een vrome om de relatie met dergelijke valse murshid te verbreken.
  16. Na het heengaan van de murshid zal de murid de graftombe van zijn murshid bezoeken. De methode om het bezoek af te leggen is als volgt. De murid zal op een afstand van vier handlengte staan van de graftombe met de rug richting Qiblah en Fatiha reciteren. Hij zal even respectvol zijn als toen de murshid in leven was. Hij zal de mazār betreden vanaf de voorkant. Veder zal hij zich verbeelden dat de murshid voor hem zit. Wees alert dat Faiz nog steeds wordt verkregen van de murshid, omdat een Walī in zijn graf voort leeft. Deze waarheid is uitgelegd door Ghaus-ul-Azam (radi Allāhu anhu) hij zei: “Degenen die Allāh gedenken blijven eeuwig leven. Zij zijn vertrokken van deze wereld naar de andere. Slechts voor enkele ogenblikken waren zij dood gegaan. Hun dood is een formaliteit die door Allāh wordt voltrokken.” Al-Fath-ur-Rabbani, pagina 93
  17. De murid zal zich altijd geestkrachtig en zedelijk doen voorkomen. Een murid is een spiegel van zijn murshid. Als een murid een zondaar is, zullen mensen aan zijn murshid twijfelen en hem onrechtvaardig noemen.
  18. De murid moet altijd zijn Sheikh respecteren, ook de familie en vrienden van zijn murshid. Zulke handelingen verblijden de murshid. Een echte liefhebber respecteert alles wat verbonden is met zijn murshid.
  19. In de bijeenkomst van zijn murshid moet de murid met respect zitten. Hij zal niet op een plaats zitten die hoger is dan de zitplaats van zijn murshid. Ook zal hij zijn stem niet verheffen boven de stem van zijn murshid. De murid zal onnodige gepraat en vragen vermijden. Hij zal zeer aandachtig moeten luisteren wanneer de murshid praat en de boodschap verspreiden. Hij zal ook advies vragen aan zijn murshid.
  20. Als de murshid een gast is van de murid zal de murid zijn Sheikh niet meenemen naar wereldse mensen of de murshid dwingen andere mensen te bezoeken. Als een Aliem, murshid of islamitische organisatie in de buurt is zal de murid hem meenemen voor een bezoek, tenzij de murshid het niet wil.
  21. Een murid moet geen kwaad spreken over andere murshid zodat de murid van de andere murshid niet hetzelfde gaan doen over uw eigen murshid. Dit is geen Islam praktiseren.
Twee soorten murshid

1. murshid Aam (algemene gids) en

2. murshid Khāss (specifieke gids)

De murshid Khāss is gevormd uit de Sheikh-ul-Ittisaal en de Sheikh-ul-Isāl. De murshid Aam is opgeleid in de Heilige Qur’ān, Hadith, jurisprudentie, autoriteiten op het terrein van tasawwuf, geschriften van geletterden en boekwerk van de mensen die bewind voeren en rechtvaardig zijn. De leidraad van het algemene publiek is de Kalām (toespraken en schriftuur) van de geleerden. De gids van de Ulema of Schriftgeleerde is het schrijfwerk van de A’imma van fiqh. De leidraad van A’imma van Fiqh is de Sunnat en Hadith van Nabi ﷺ. De gids van de Heilige Profeet ﷺ is de Heilige Qur’ān, toespraken en openbaringen van Allāh. Hieruit kan worden afgeleid, dat de murshid Aam een absolute noodzaak is. Iemand zonder leiding van beide murshid (Khāss en Aam) is onder de heerschappij van Shaytān. Het is deze context waarover A’la Hazrat Imām-e-Ahle Sunnat Maulana Ash Shah Ahmad Khan Bareilvi (radi Allāhu anhu) schrijft, dat Sayyidena Bāyazid Bustāmi verklaring in ‘Awārif-ul-Ma’arif’ het volgende omvat: “Iemand zonder een murshid (Khāss en Aam) heeft Shaytān als zijn leider.” Fatāwa Afrika, pagina 124

Twaalf sekten die vermeden moet worden
  1. A’la Hazrat Imām Ahmad Raza Khan Bareilvi (radi Allāhu anhu) heeft 12 sekten geïdentificeerd die Shaytān als hun murshid hebben. Moslims moeten deze groepen vermijden. Het accepteren van leiding van deze groep(en) zal de woede van Allāh aanwakkeren. De sekten die door A’la Hazrat zijn geïdentificeerd zijn: De duivelse naren (jokers) die de ulema bespotten en uitschelden als zij de Shari’ah onderwijzen. Zij claimen valselijk dat de ulema en de fuqarā altijd met elkaar oneens zijn geweest. Deze onwetende idioten benadrukken twijfels over de meest eminente Ulema en betwisten hun integriteit. Zij beledigen de ulema door ze pandits (hindoe priesters) te noemen en zeggen dat de ulema wonderen moeten verrichten net als de Profeten van Bani Israël.
  2. Ketters die zichzelf hebben uitgeroepen tot fakirs en Wali’s (heiligen). Zij beweren dat de Shari’ah een weg is die niet meer noodzakelijk is, sinds het doel is bereikt.

Sheikh-e-Akbar Mohiyuddin Mohammed Ibn-ul-Arabī (radi Allāhu anhu) verklaart de bijzonderheden van wonderen. Een soort wonder is de ‘hissi’ (ogenschijnlijk) wonder. Deze is zichtbaar voor de gewone mensen. Bijvoorbeeld, vliegen in de lucht, lopen op water, de toekomst kunnen voorspellen, afleggen van honderden kilometers in een stap. Een ander soort wonder is de ma’nawi (spiritueel) wonder die uitsluitend door speciale mensen kan worden gezien en beseft. Bijvoorbeeld, beheersen van lichamelijke begeerten, krachten aanvaarden door goddelijke leiding, zich onthouden van slechte verlangens, praktiseren van alle wājib (dwingende godsdienstige activiteiten), zorgvuldig en ijverig. Deze mirakels bevatten geen enkele samenspanning terwijl het aannemelijk is dat dergelijke mirakels samenspanningen bevatten. Futuhāt-e-Makkiyya, deel 2, pagina 488

De standvastige aanhankelijkheid aan de Shari’ah is het beste wonder. Een volmaakte heilige is rechtvaardig en volgt het pad dat door de Profeet Mohammed ﷺ is aangelegd. Hazrat Bāyazid Bustāmi (radi Allāhu anhu) waarschuwt ons: “Als u iemand met gekruiste benen in de lucht ziet zitten, wees dan niet dwaas over die handeling! Observeer zijn gedrag naar farz en wājib (verplichte activiteiten), Harām en makruh tahrīmi (verboden handelingen), makruh (afkeuringswaardige handelingen), andere beperkingen en gedragscode van de Shari’ah.” Risālah Qushayriya, pagina 81

Soorten Sheikhs

Mashā’ikh zijn in twee categorieën, namelijk Sheikh-ul-Ittisaal en Sheikh-ul-Isāl.

Definitie van een Sheikh-ul-Ittisaal

Wanneer iemand zich aan hem verbindt (bayyat) is hij in staat de murid te verbinden met de spirituele orde die de murid leidt naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. De murshid is een sleutelfiguur in die spirituele ketting.

Een Sheikh-ul-Ittisaal voldoet aan de volgende vier voorwaarden:
  1. De Sheikh is werkelijk spiritueel verbonden met de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Er zal geen moment zijn geweest waarbij de verbinding verbroken was tussen zijn murshid en de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Sommige mensen accepteren een murid zonder daarvoor bevoegd te zijn en daarvoor de capaciteit te hebben. Zij hebben zichzelf plechtig verbonden met een Sheikh of volgeling, maar schieten te kort in bevoegdheid en spirituele capaciteit om murid te maken. Zulke ‘bayyat’ kan onder geen enkele omstandigheid Ittisaal bereiken (iemand spiritueel verbinden met de Heilige Profeet Mohammed ﷺ).
  2. De Sheikh moet een soenniet zijn, correcte geloofsbelijdenis. Het volgen van een gedwaalde Sheikh zal onmiddellijk leiden naar Shaytān in plaats van naar de Heilige Profeet Mohammed ﷺ. Veel ongelovigen, agonisten en vijanden van de Awliya Allāh, zoals de Wah bies, zijn openlijk de Tariqah aan het praktiseren en verrichten ‘bayyat’ door verwarring te creëren en brengen daardoor minachting teweeg voor het soefisme. Sultan-ul-Aarifīn Hazrat Sultan Bahu (radi Allāhu anhu) bevestigt dat het pad van de Ahle Sunnat wal Jamā’ah het Pad van Allāh Ta’ālā is en degenen die zich niet op dit pad bevinden zijn gedwaald. De Heilige Profeet ’s ﷺ pad is het Pad van Allāh en degenen die hiervan afwijken of tegen zijn, is misleid. Mihak-ul-fuqarā, pagina 233
  3. De Sheikh moet een Aliem zijn en ook zeer bekent met de Shari’ah. Hij moet goed geletterd zijn met de belijdenis van de Ahle Sunnat wal Jamā’ah. Bovendien moet hij in staat zijn onderscheid te maken tussen het Rechte Pad van de Islam en de misleiding en Kufr. Zonder deze kwalificaties bestaat voor hem altijd de mogelijkheid om te wankelen. Er zijn verschillende woorden en daden die iemand kan leiden tot Kufr. Een onkundige persoon die dergelijke woorden zegt of daden verricht is niet wetend dat hij een handeling van Kufr verricht. Vandaar dat berouw niet zal voortkomen uit deze mensen.
  4. De Sheikh mag geen zondaar zijn (Fāsiq Mu’lin). Terwijl het verplicht is de murshid te respecteren is het vereist zich te verzetten tegen een zondaar. Het zal onmogelijk zijn twee tegenstrijdigheden in een persoon te vinden.

Definitie van Sheikh-ul-Isāl

Sheikh-ul-Isāl moet de vier kwalificaties bezitten van een Sheikh-ul-Ittisaal. In het verlengde hiervan moet de Sheikh-ul-Isāl ook behoedzaam zijn voor het kwaad en de nafs. Het vele kattenkwaad van Shaytān en de verleidingspoging van verlangens. Hij moet in staat zijn de murid te leiden met vaderlijke affectie, hen adviseren over hun zwakheden en hen genezen. De Sheikh-ul-Isāl zal alle problemen die het pad van de murid (op zoek naar Allāh) kruisen moeten oplossen. Het ligt in de handen van zulk murshid als de Bait-ul-Irāda wordt afgelegd. Fatāwa Afrika van A’la Hazrat, pagina 123

De betekenis van bayyat (plechtige belofte)

Bayyat betekent ‘verkocht zijn’. Wanneer iemand murid wordt van een murshid verkoopt hij zijn hart, leven en rijkdom aan zijn murshid. Na deze verkoop heeft hij geen zeggenschap meer over deze zaken noch kan hij doen wat hij wil. A’la Hazrat Imām Shah Ahmed Raza Khan (radi Allāhu anhu) schrijft dat het is opgetekend in ‘Suba Sanabil’, dat iemand tot de dood was veroordeeld door een Keizer. Toen de beul zijn zwaard ophief om de veroordeelde te onthoofden keek de murid in de richting van het graf van zijn murshid. De beul zei: “Op deze tijden moet U Uw gezicht richten naar de Qiblah.” De veroordeelde antwoordde: “Doe Uw werk, ik kijk al naar de Qiblah. Het is waar, dat de Ka’aba de Qiblah is van het lichaam en de Qiblah van het hart en ziel is de murshid.” Dit is de echte Irāda om een discipel te worden. Als iemand voortdurend met zijn Sheikh op deze wijze in oprechte devotie in verbinding staat zal hulp definitief bereikt worden. Als de Sheikh onvolwaardig is, zal de Sheikh ’s Sheikh niet minderwaardig zijn. Anders, Ghaus-ul- Azam (radi Allāhu anhu) die de bron is van spirituele gunst en de fontein van het licht zal u goedgunstig zijn zolang de Silsilah (spirituele ketting) onvervalst is. Malfoozāt A’la Hazrat, pagina 189

A’la Hazrat zegt: “Mensen zien de ‘bayyat’ als een normale zaak en realiseren zich niet wat het betekent. Een goed voorbeeld van ‘bayyat’ is van een zekere murid van Sheikh Yahya Munayri (radi Allāhu anhu). Deze murid was op het punt te verdrinken toen Hazrat Khizr (alayhis salām) bij hem verscheen en zei: “Geef mij uw hand zodat ik u kunt redden.” De murid antwoordde: “Ik heb mijn hand al gegeven aan Sheikh Yahya Munayri. Nu zal ik het niet meer geven aan een ander.” Hazrat Khizr (alayhis salām) verdween en Sheikh Yahya Munayri verscheen en redde hem van verdrinking. Malfoozāt A’la Hazrat, pagina 164

Enkele mensen zijn vrijgesteld van de Shari’ah wetgeving, namelijk de kinderen, de slapende en geestelijke gehandicapten.” De majzoub struikelen in deze hadīth. In de staat van bewusteloosheid uiten de woorden ‘Anal Haqq’ (Ik ben de Waarheid) ‘AnAllāh’ (Ik ben Allāh). In dit stadium heeft de mens zijn ego vernietigd en is hij zich niet bewust van zichzelf. Net als de drie die zeiden: “O Musā, Ik ben Allāh”, iemand die deze woorden zegt in de staat van Jazb is geen zondaar. Het juiste teken van een majzoub is dat hij nooit en te nimmer de Shari’ah ontkent. Als in het stadium van Jazb (extase), een onwettig woord of actie wordt gemanifesteerd, wordt niemand daarover aangesproken. Wanneer iemand hem berispt voor zijn woorden accepteert hij het zonder enige commentaar. Ghaus-ul-Azam (radi Allāhu anhu) verhaalt: “Iemand zegt aan Hazrat Junaid Baghdādi dat iemand in staat van ‘wajd’ (religieuze trance) lijkt op een draaiende molensteen. Hij eet en drinkt niets. Hazrat Junaid Baghdādi vroeg over de situatie van die persoon gedurende de Salāh tijden. De onderzoeker antwoordde: “Wanneer de muazzin de oproep tot het gebed (Azān) verricht die persoon kalm wordt en de Salāh met respect verricht. Hazrat Junaid verklaarde dat er dan geen bezwaar is, deze soorten van wajd is een gift van Allāh.”

Ziekten van de ziel

Verschillende ziekten infecteren de ziel. Alleen een volmaakte murshid kan ze behandelen. Wij moeten bij onszelf nagaan en ondervinden of wij geïnfecteerd zijn door de volgende ziekten, zoek de verlossing bij een volmaakte murshid.

De ziekten van de ziel zijn:(1) Hoogmoedig (2) jaloezie (3) haat (4) trots (5) verlangen naar trotsheid, status en roem (6) ontzag voor de rijken (7) oneerbiedig naar de armen zijn (8) begeerten volgen (9) vleiende woorden (10) ondankbaar zijn (11) hebzucht (12) te veel willen hebben (13) ziekelijk denken (14) waarheid ontkennen (15) voortdurend liegen (16) comfort (17) luiheid beredeneren (18) schending van getrouwheid (19) de Schepper vergeten (20) met opzet zonde begaan en niet bang zijn voor Allāh (21) huichelarij (22) Shaytān gehoorzamen (23) zelf aanbidding (24) buiging voor zinloze dingen (25) luiheid (26) ontbreken van angst voor Allāh (27) ongeduldig (28) ontbreken van nederigheid (29) nalatig zijn in het opvolgen van Allāh’s Geboden, etc. Fatāwa Afrika van A’la Hazrat, pagina 129

Afsluitende woorden en adviezen

Broeders die zich begeven op het pad van tariqah moeten taqdīr met plezier aanvaarden. Wanneer tegenspoed iemand overkomt als deel van het decreet van Allāh en diegene maakt onmiddellijk bezwaar jegens Allāh Ta’ālā dan zal zijn Imān onmiddellijk vergaan. Deze weerstand is ook een vernietiging van het vertrouwen in Allāh (tawakkul) en Ikhlās (eerlijkheid). Iemand met Imān vraagt nooit ‘waarom’ en ‘hoe’ in relatie tot de Wil van Allāh. Hij accepteert altijd de Wil van Allāh.

Het is het natuurlijke verschijnsel van nafs (begeerte) om zwaarden te kruisen met taqdīr. Degenen die wensen de nafs te bedwingen en uit de weg te ruimen of te zuiveren zal voortdurend in gevecht zijn met zijn zichzelf voordat hij immuun wordt voor de nafs. Degenen die zwichten voor de Wil van Allāh met doorzetting, zijn bedekt met Allāh’s overvloedige zegen in deze wereld en in het Hiernamaals. Voor het believen van Allāh, zal eenieder de beproevingen van Allāh aanvaarden. Geduld is een grote zedelijkheid en een daad van grote dapperheid. Allāh is inderdaad met hen die geduldig zijn. Beste vrienden, ontwaakt voor de zegen van Allāh. Wees niet onwetend over Zijn Macht! Laten wij niet aarzelen tot de dood naderbij is, omdat het dan van geen nut zal zijn. Wij zullen ons hart moeten heronderzoeken en doen herleven, want het hart is het centrum van ons bestaan. Als het hart gezuiverd is zal ons bestaan in waarde doen toenemen. Echter, als het hart besmet is zal ons lichaam bederven. Het hart kan gezuiverd worden door onthouding en volledige geloofsovertuiging in Allāh Ta’ālā. Wij moeten onze nafs bedwingen voordat wij andere veroordelen. Een serieuze kandidaat toont geen eerbetoon aan zijn nafs of de Shaytān, noch gehoorzaamt hij hun. Hij is niet geobsedeerd met de wereld en beschouwt het als nederig. Hij kent Allāh als de Heerser over alles. Als wij iets nodig hebben, laten wij dat praten met Allāh Ta’ālā. Is er iets dat niet verkrijgbaar is in de schatkamer van Allāh Ta’ālā?

O vrienden! Laten wij vroomheid praktiseren. Wij moeten de regels van de Shari’ah naleven, voortdurend de nafs en Shaytān bedwingen en slecht gezelschap ontwijken. Allāh Ta’ālā heeft ons gezegend met vele giften, doch wij zijn vergeten Allāh te bedanken. Waar is onze waardering gebleven? Op gezette tijden, bedelen anderen deze zegens toe of achten onszelf waardig voor deze zegens. Wij maken zelfs gebruik van ‘Allāh’s Beloningen’ om vervolgens ‘Allāh’s Bevelen’ te negeren. Wij zijn voortdurend in gedachten over wat wij zullen eten, drinken, wie moet trouwen, waar te rusten, wat te vergaren. Al deze dingen zijn geraaskal van de nafs. Waar is onze bezorgdheid over de toestand van het hart en onze innerlijke en het genoegen geschreven door Allāh Ta’ālā in een absolute en onveranderlijke wijze? Waarom zullen wij iets willen dat niet in ons taqdīr staat geschreven? Is het niet zelfvernietiging? Alleen wanneer wij aanvaarden en realiseren dat wij aan Allāh Ta’ālā toebehoren zal de schatten van Allāh Ta’ālā aan ons toekomen. Rijkdom en wereldse bezittingen hebben mensen hebberig gemaakt. Laten wij ons verlossen van onze trots voordat wij worden gestraft en vernedert. Wij zullen dankbaar moeten zijn voor onze bezittingen. Kortom, alles wat wij hebben gehad zijn toevertrouwd aan ons. Wij zijn niet geboren om ze op te stapelen en ervan te genieten in de wereld. Wij moeten gehoorzaam zijn aan Allāh Ta’ālā. Wij zullen ons niet voor de gek proberen te houden met blanco declaraties.

Laten wij mensen ontlopen die opgezadeld zitten met de wereld en zoek het gezelschap van de Fakirs. Vriendschap met de wereldse bezetenheid is schadelijk in alle opzichten. Wij moeten streven het uiterlijk (zāhiri) I’lm te verwerven om de innerlijke (bātini) I’lm te verlichten en te bevorderen. Wij moeten de Shari’ah praktiseren, want dit is het pad dat ons zal leiden tot Zāhiri en Bātini I’lm. Hoe meer wij praktiseren op onze I’lm, hoe dichter wij bij Allāh Ta’ālā komen.

Moge Allāh Ta’ālā ons zegenen in deze wereld en in het Hiernamaals, en moge Allāh ons beschermen voor de straf van Jahannam (Hel). Amien. Al-Fath-ur-Rabbani


[1] Shari’at aur Sufi, pag. 5, maulana Nizamuddin Ahmad Noori

Blijf scherp, deel dit.
Translate »
error: Content is protected !!