De Miʿrāj – de hemelreis van de Profeet Mohammed ﷺ – behoort tot de meest indrukwekkende gebeurtenissen in de islamitische traditie. Volgens de soennitische canonieke bronnen vond deze gebeurtenis plaats na de Isrāʾ’, de nachtelijke reis van Mekka naar Jeruzalem. In Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim wordt beschreven hoe de Profeet ﷺ vanuit al‑Masjid al‑Aqṣā werd opgeheven naar de hemelen, begeleid door de engel Jibrīl (‘ʿalayhis salām). Tijdens deze reis ontmoette hij eerdere profeten, aanschouwde tekenen van de ongeziene wereld en ontving uiteindelijk de verplichting van het vijfmaal daags gebed (alāh).

Klassieke exegeten zoals al‑Ṭabarī en Ibn Kathīr verbinden deze gebeurtenis met verzen uit Surah al‑Isrāʾ’ (17:1) en Surah al‑Najm (53:13–18), waarbij zij benadrukken dat de Miʿrāj een Allāhs eerbewijs was aan de Profeet ﷺ in een periode van beproeving. Binnen de soennitische traditie wordt de Miʿrāj gezien als een bevestiging van zijn profetische rang, zijn unieke nabijheid tot Allah, en als een spirituele bron van troost en verheffing voor de gelovigen.

Met Miʿrāj Sharīf wordt bedoeld de hemelreis van de nobele Profeet Mohammed ﷺ op uitnodiging van Allāh Ta’ālā naar onder andere de zeven hemelen en hoger tot aan La Maqām (ruimteloos). Ongelovigen beweren dat het niet mogelijk is voor de nobele Profeet ﷺ om deze reis met open ogen meegemaakt te hebben (dus fysiek). Zij beweren dat de nobele Profeet ﷺ over de reis heeft gedroomd. Als je die mensen vraagt hoe vaak de Profeet ﷺ over de hemelreis heeft gedroomd, dan kunnen zij daar geen antwoord op geven, maar blijven bij hun ongelovige bewering steken. Allāh Ta’ālā openbaart:

“Heilig is Hij Die Zijn dienaar bij nacht voerde van de Heilige Moskee naar de Verre Moskee welke omgeving Wij hebben gezegend, opdat Wij hem enkele Onzer tekenen zouden tonen. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.” (Qur’ān 17:1)

Faqīh‑e‑Aʿẓam wal Mufti‑e‑Aʿẓam Europe Ḥazrat Allāmah Abdul Wajīd Qādrī (ʿAlayhi al-Raḥmah), één van de supervisors van mij (Tangali) vertelde in zijn toespraak over de Miʿrāj: “De Heilige Profeet Mohammed ﷺ heeft inderdaad over de hemelreis gedroomd, maar niet dat alleen. De nobele Profeet ﷺ vertelde dat hij op de volgende wijzen de Miʿrāj Sharīf (heilige reis) heeft meegemaakt, namelijk:

  1. 11 keer heeft hij Miʿrāj Sharīf gemaakt tijdens het lopen;
  2. 11 keer heeft hij Miʿrāj Sharīf gemaakt tijdens de namāz;
  3. 11 keer heeft hij de Miʿrāj Sharīf gemaakt in zijn droom; en
  4. 1 keer heeft hij op uitnodiging van Allāh Ta’ālā de reis per Burāq (hemels paard) gemaakt.” (APA‑bron)

Kortom, de nobele en meest verheven Profeet ﷺ heeft de Miʿrāj Sharīf in totaal 34 keer mogen meemaken. Allāh weet het beter.

Ālāḥazrat Imām Aḥmad Raza Khan (raḍiyAllāhu ʿanhu) behandelt de Miʿrāj Sharīf uitvoerig in fatāwā Razviyya. Hij bevestigt: De Miʿrāj was fysiek én bewust. De Profeet ﷺ reisde naar de hemelen. Hij zag Jannah en Jahannam. Hij zag rivieren van melk, honing, wijn en water zoals in Qur’ān 47:15. Hij zag de Sidrat al‑Muntahā. Hij ontving de ṣalāh direct van Allāh Ta’ālā.

Moge Allāh Ta’ālā de soenniet moslims verrijken met zegen en verhevenheid én de ongelovige en gedwaalde wijsheid en Īmān schenken. Amien!

Van alle wonderen van de nobele Profeet ﷺ is de Miʿrāj Sharīf het meest verheven en bijzondere wonder. Ongetwijfeld is de nobele Profeet ﷺ zelf al een wonder. Hij heeft de hemelreis fysiek meegemaakt toen hij wakker was én bij bewustzijn, naar de zeven hemelen om ginds zijn Khāliq (Schepper) te mogen aanschouwen en om weer met zich mee te kunnen nemen de namāz als beloning voor zijn volgelingen, de soenniet. Namāz is daarom ook de Miʿrāj Sharīf van de mu’mīn (iemand die oprecht, op tijd en consequent de namāz verricht én de Arkān-e-Islam naleeft). U zult zich afvragen ‘hoe is dat mogelijk’, maar twijfel absoluut nooit aan de macht van Allāh Ta’ālā. Het is onze Īmān dat alleen Allāh Ta’ālā bij machte is om datgene te doen en te laten doen wat Allāh behaagt. De nobele Profeet Mohammed ﷺ heeft de reis fysiek meegemaakt conform het in het begin geciteerde Qur’ān-vers, van moskee Haram (in Mekka) naar moskee Aqṣā (in Jeruzalem) en daarvandaan naar de hemel en terug op aarde.

Vier rivieren

Toen de Heilige Profeet Mohammed ﷺ op Miʿrāj (Hemelvaart) was, zag hij vier rivieren in Jannah (het Paradijs). In één rivier stroomde water, in de tweede melk, in de derde wijn (Jannah‑drank) en in de vierde honing. Hij vroeg aan de aartsengel Ḥazrat Jibrāʾīl (‘ʿalayhis salām) over die rivieren. De engel antwoordde: “Bid en vraag aan Allah, zodat Hij u zelf informeert.” Door de du’ā (smeekbede) van RasūlAllāh ﷺ verscheen een andere engel die salām overbracht aan de Profeet. De engel zei vervolgens: “O RasūlAllāh ﷺ, sluit uw ogen.” Toen de Profeet ﷺ daarna zijn ogen weer opende, zag hij een gebouw voor zich. De deur van dat gebouw was van goud gemaakt en er zat een slot op de deur. Uit het gebouw stroomden onder de deur door de vier rivieren waarover de Profeet ﷺ wilde weten.

Op het moment dat de Profeet ﷺ besloot weg te gaan, vroeg de engel hem om het gebouw binnen te gaan. De Profeet ﷺ antwoordde dat hij niet naar binnen kon gaan, omdat de deur op slot zat. De engel zei dat hij de sleutel van het slot bij zich had. Nadat de engel de deur had geopend, ging de Profeet ﷺ naar binnen. Binnen zag de Profeet ﷺ vier pilaren en op iedere pilaar stond Bismillāh‑hier‑Raḥmānīr‑Raḥīm geschreven. Van elke pilaar stroomde een rivier. Hij zag een rivier van water stromen van de letter “Mīm” van Bismillāh, de tweede rivier van melk stroomde van de letter “Hā’” van Allah, de derde rivier van wijn stroomde van de letter “Mīm” van Raḥmān en de vierde rivier van honing stroomde van de letter “Mīm” van Raḥīm. Op dat moment zei Allah Ta’ālā (de Almachtige): “O Geliefde! Iedere gelovige van uw Ummah (Ahle Sunnat) die Bismillāh reciteert, zal waardig zijn voor deze vier rivieren.”

Allāh Ta’ālā openbaart

“Het beeld van het paradijs dat aan de godvruchtigen is beloofd: er zijn daarin stromen water dat niet bederft; en stromen melk waarvan de smaak niet verandert en stromen wijn, smakelijk voor degenen die drinken en rivieren van zuivere honing. En zij zullen er allerlei vruchten in hebben en vergiffenis van hun Heer. Kunnen zij gelijk zijn aan degenen die in het Vuur vertoeven en die kokend water te drinken krijgen zodat het hun ingewanden verscheurt?” (Qur’ān 47:15).

Theologische toelichting

In Tafsīr al‑Jalālayn, 47:15 van Imām Suyūṭī lezen wij het volgende wat ik paragrafen heb ingedeeld.

Al‑Suyūṭī benadrukt dat Allāh Ta’ālā in dit vers een theologisch contrast schetst tussen: (1) de eeuwige genietingen van de Godvrezenden (al‑muttaqūn) en (2) de vernietigende straf van degenen die het Vuur binnengaan. Dit contrast is bedoeld om de gelovige te onderwijzen, motiveren en waarschuwen.

Volgens al‑Suyūṭī beschrijft Allāh Ta’ālā echte rivieren in Jannah:

  • Water dat nooit bederft of verandert
  • Melk waarvan de smaak nooit verandert
  • Wijn die ladhdha li’l‑shāribīn is — “aangenaam voor de drinkers”
  • Honing dat volledig gezuiverd is

Al‑Suyūṭī legt uit dat deze rivieren volmaakt zijn, omdat ze niet onderhevig zijn aan de tekortkomingen van wereldse vloeistoffen:

  • water wordt muf → niet in Jannah
  • melk wordt zuur → niet in Jannah
  • wijn veroorzaakt dronkenschap en zonde → niet in Jannah
  • honing bevat was en onzuiverheden → niet in Jannah

Deze perfectie is een manifestatie van Allāhs absolute Macht en Genade.

Al‑Suyūṭī benadrukt dat de bewoners van Jannah: (1) alle soorten vruchten krijgen én (2) vergeving van hun Heer. De vergeving is volgens hem groter dan alle materiële genietingen, omdat: (1) materiële genietingen schepsel‑gebonden zijn en (2) vergeving een directe manifestatie van Allāhs welbehagen is. Dit maakt de theologische boodschap duidelijk: de hoogste beloning is Allāhs tevredenheid, niet de fysieke overvloed.

Al‑Suyūṭī legt uit dat de zin: “Zijn zij gelijk aan degene die eeuwig in het Vuur verblijft…?” een retorische ontkenning is. Het antwoord is vanzelfsprekend: nee.

Deze stijl benadrukt:

  • de absolute scheiding tussen de twee groepen
  • de rechtvaardigheid van Allah
  • de ernst van ongeloof en zonde

Al‑Suyūṭī beschrijft dat de bewoners van het Vuur: (1) kokend water te drinken krijgen (2) dat hun ingewanden verscheurt. Dit is niet alleen fysieke pijn, maar ook een vernedering en ontkenning van hoop — het tegenovergestelde van de eer en rust van Jannah.

Volgens al‑Suyūṭī toont dit vers:

  • de volmaakte, fysieke realiteit van Jannah
  • de absolute macht van Allah om perfecte genietingen te scheppen
  • de spirituele superioriteit van Allāhs vergeving boven materiële overvloed
  • de onvergelijkbaarheid tussen de gelovige en de ongelovige
  • de rechtvaardige vergelding in het Hiernamaals

Het vers (HQ 47:15) is dus zowel beschrijvend, pedagogisch, retorisch, als theologisch diepgaand.

Met mujāzah (wonder) wordt bedoeld datgene wat boven het verstand uitgaat. Iets wat u wel kunt begrijpen is dus geen mujāzah. De wonderen van de profeten (ʿAlaihimussalām) kunnen wij nimmer begrijpen, hoe goed wij ons best ook zullen doen. Desondanks betuigen wij Īmān op de wonderen van de profeten. Zoals Allāh aan de Profeet Mūsā (ʿalayhis salām) op het hoogste punt van de berg Toer te woord heeft gestaan, zo heeft Allāh Ta’ālā ook de nobele Profeet ﷺ, de Leider der Profeten, de Imām der Profeten, in Ars (hemel) bij Zich geroepen en toegesproken en Zich laten aanschouwen.

Hij (Allāh), Die voor de Profeet Mūsā (ʿalayhis salām) op een onbegaanbare berg een begaanbare en veilige weg heeft geschapen, heeft ook voor de nobele Profeet ﷺ een Noorani (verlichte) weg van aarde naar de hemel geschapen, waardoor de Profeet naar de hemel kon gaan en weer terug kon komen op aarde. Hij (Allāh), Die voor de Profeet Khalīl (ʿalayhis salām) brandende en hete stenen gekoeld heeft, heeft ook tijdens het bezoek van de hel voor de nobele Profeet ﷺ het hellevuur gekoeld. Als iemand het bezoek van de aartsengel Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) op aarde accepteert, waarom zou die persoon dan niet het bezoek van de nobele Profeet ﷺ aan de hemel en hoger accepteren? In de heilige Qur’ān openbaart Allāh Ta’ālā over de nobele Profeet Mohammed ﷺ:

“En Wij hebben u (Mohamed) slechts als genade voor de werelden gezonden.” (Qur’ān 21:107). Als de nobele Profeet ﷺ voor alle werelden (inclusief wat zich daarin bevindt, zoals mens, djinn, engel, lucht, water) een zegen is, dan spreekt het voor zich dat hij van Allāh Ta’ālā alles kan doen en krijgen wat hij ook wil, conform Allāhs goedvinden.

Tegenwoordig praten mensen die enige wereldlijke kennis hebben vergaard ondoordacht. Zij vragen zich af hoe het mogelijk is dat de nobele Profeet ﷺ naar de hemel heeft kunnen afreizen. En hoe kan hij dan zo snel weer zijn teruggekomen? De reis van aarde naar de eerste hemel duurt 500 kalenderjaren, en het Hemelrijk bestaat uit zeven hemelen en nog meer. Zij zeggen verder: er is toch geen weg in de lucht? Hoe kan hij dan door de lucht naar de hemel zijn afgereisd?

Wij soenniet‑moslims zeggen dat de nobele Profeet ﷺ in opdracht en op uitnodiging van Allāh naar de hemel is geweest en op aarde is teruggekomen. Allāh had voor de nobele Profeet een middel en een weg geschapen. U heeft al kunnen lezen dat wij de wonderen van profeten niet kunnen begrijpen; hoe is het dan mogelijk om de qudrat te kunnen begrijpen?

Vandaag de dag schamen sommige mensen zich absoluut niet om de Miʿrāj Sharīf van de nobele Profeet ﷺ te ontkennen, terwijl diezelfde mensen tegenwoordig praten over het ontwerpen van een raket die mensen voor vakantiereizen naar de planeten gaat vervoeren. Er is zelfs een reis gemaakt naar de maan. De diameter van de maan is 3.480 kilometer en zij bevindt zich op een afstand van 384.403 kilometer van de aarde. De intellectuelen van Amerika en Europa hebben plannen om op een andere planeet verblijfplaatsen en dergelijke te bouwen. Kunnen wij dan over deze gedachte van de intellectuelen zeggen dat zij dom zijn? Is dit streven van de mens zelf waarachtiger dan de uitnodiging van Allāh aan de nobele Profeet ﷺ om Hem te bezoeken in de hemel?

Allāh had voor de Profeet ﷺ een Burāq (hemels paard) geschapen die hem had vervoerd naar de hemel, tot ver buiten de kosmos. Indien de mens een raket kan ontwerpen voor een reis naar de maan, dan moet uw verstandelijk vermogen u toch kunnen doen denken dat Allāh Ta’ālā, de Hogere Macht, een vervoermiddel voor Zijn geliefde Profeet ﷺ kan sturen. Indien u daaraan twijfelt, dan bent u een ongelovige.

Sommige mensen vragen zich af hoe het mogelijk is dat de nobele Profeet ﷺ fysiek de reis naar de hemel heeft kunnen maken. Dit gaat hun verstand te boven. In feite zijn deze mensen eigenwijs; hun wil laat hen niet denken dat Allāh Almachtig is en dus alles kan. Uit de psychologiewetenschap leren wij dat parapsychologie het wetenschappelijk onderzoek is van zogezegd zintuiglijke waarnemingen en gebeurtenissen (er zijn ontelbare verschijnselen die niet te verklaren zijn door conventionele natuurlijke, biologische of psychologische theorieën). Parapsychologie bestudeert twee soorten verschijnselen:

  • (Binnen)zintuiglijke perceptie (ESP), het verkrijgen van informatie door ongewone middelen;
  • Psychokinese (PK), de mogelijkheid om objecten op afstand te beïnvloeden door andere middelen dan fysieke krachten.

Wetenschappelijke toelichting

Extra‑sensory perception (ESP) betekent letterlijk: waarneming buiten de gewone zintuigen om. Het verwijst naar situaties waarin iemand informatie lijkt te ontvangen zonder gebruik te maken van de vijf bekende zintuigen (zien, horen, ruiken, proeven, voelen).

In de parapsychologie vallen hieronder o.a.:

  • Telepathie – het ontvangen van gedachten of gevoelens van een ander zonder communicatie.
  • Helderziendheid – het waarnemen van gebeurtenissen of objecten die zich buiten het normale bereik bevinden.
  • Voorkennis (precognitie) – het ervaren van informatie over toekomstige gebeurtenissen.

In deze toelichting gebruikt ik ESP als voorbeeld om te laten zien dat zelfs binnen de moderne wetenschap verschijnselen worden onderzocht die niet binnen de normale natuurwetten passen. Als zulke verschijnselen al worden onderzocht bij gewone mensen, dan is het niet vreemd dat profeten wonderen meemaken die boven menselijke waarneming uitstijgen.

Psychokinese (PK) betekent: beweging of beïnvloeding door de geest. Het verwijst naar het idee dat iemand een object kan beïnvloeden zonder fysieke aanraking, dus:

  • zonder kracht,
  • zonder hulpmiddelen,
  • zonder mechanische middelen.

Voorbeelden die in de parapsychologie worden onderzocht:

  • het bewegen van een voorwerp op afstand,
  • het veranderen van de richting van een vallend object,
  • het beïnvloeden van elektronische apparaten.

In deze toelichting gebruikt ik PK om te laten zien dat zelfs wereldlijke wetenschappers openstaan voor het idee dat: (1) materie beïnvloed kan worden zonder fysieke kracht en (2) er verschijnselen bestaan die niet binnen de klassieke natuurkunde passen. Als zulke mogelijkheden al worden onderzocht bij gewone mensen, dan is het logisch dat de wonderen van profeten — die door Allāh Ta’ālā worden geschonken — nog veel verder gaan dan dit.

Door ESP en PK te noemen, laat je zien:

  • dat de moderne wetenschap zelf erkent dat niet alles via normale zintuigen of krachten verklaard kan worden;
  • dat het dus onlogisch is om de Miʿrāj Sharīf te ontkennen omdat het “boven het verstand” zou gaan;
  • dat wonderen (muʿjizah) per definitie buiten menselijke natuurwetten vallen, en daarom niet met wereldse logica gemeten kunnen worden.

Het versterkt dus mijn theologische punt: Als gewone mensen al verschijnselen kunnen ervaren die buiten de natuurwetten lijken te vallen, dan is het wonder van de Miʿrāj Sharīf — geschonken door Allāh — deste aannemelijker.

De nobele Profeet ﷺ vertelde dat zijn slaapplaats (bed) nog warm was toen hij terugkwam van de Miʿrāj Sharīf. De mensen hebben ook hierop commentaar; zij vragen zich af hoe het mogelijk is zo’n lange reis te maken en dat het bed van de Profeet ﷺ bij zijn terugkomst nog warm is gebleven.

Tegenwoordig zijn er snelle auto’s zoals Ferrari en Porsche, en snelle vliegtuigen zoals de F‑16 en tot voor kort de Concorde, die lange afstanden kunnen overbruggen in zeer korte tijd. Er zijn vliegtuigen die zelfs meer dan 1.000 kilometer per uur kunnen vliegen.

De zon bijvoorbeeld, volgens de wereldlijke wetenschap, ligt het dichtst op 147.100.000 kilometer en het verst op 152.100.000 kilometer afstand van de aarde, met een oppervlaktetemperatuur van 5.800 graden C° en een kerntemperatuur van 16.000.000 graden C°. In Costa Blanca (Zuid‑Spanje) heb ik eens de buitentemperatuur gemeten. Overdag was het 44 graden C° en ’s nachts om één uur was het 29 graden C°. Dus nog steeds heel erg warm, terwijl de zon aldaar al omstreeks 10:30 uur ondergaat en omstreeks 04:00 uur opkomt. Hiermee kunnen wij volstaan te zeggen dat, ondanks de afstand van de zon ten opzichte van de aarde, de zonnestraal zo snel is dat de hitte nog voelbaar blijft nadat de zon is ondergegaan.

Zoals wij uit de ḥadīth (overleveringen van de nobele Profeet) hebben geleerd, heeft Allāh Ta’ālā het Noor (Licht) van de Profeet Mohammed ﷺ geschapen uit Zijn Licht, en uit het Licht van de nobele Profeet alles wat bestaat, dus ook de bliksemsnelheid van de zonnestraal.

Het vervoermiddel van de Profeet ﷺ

Burāq is afgeleid van barq (bliksem). De gemiddelde tussentijd van opeenvolgende bliksemflitsen duurt 0,02 seconden en de gemiddelde flits zelf duurt 0,25 seconden. Een andere snelheidsdoorbraak is het internet: stuur een e‑mail naar de andere kant van de wereld en binnen enkele seconden heeft de geadresseerde het digitale bericht ontvangen. Dit artikel van mij leest u ook via internet; in Suriname, op een luchtafstand van ruim 8.000 kilometer verwijderd van Nederland, kunnen de mensen dit artikel op hetzelfde moment lezen. De snelheid waarmee de mensen technologie ontwikkelen staat niet stil en neemt steeds toe. Deze snelheid is gebaseerd op de kracht van een door de mens ontwikkelde energiebron: elektriciteit.

Met onze ogen kunnen wij de grond zien, maar met dezelfde ogen kunnen wij ook de wolken en de hemel zien, die veel verder verwijderd zijn dan de grond. Het duurt geen enkele seconde voordat wij de beelden kunnen waarnemen met onze ogen; de snelheid van de ogen, die door Allāh zijn geschapen, is onovertroffen.

De snelheid die Allāh Ta’ālā heeft geschapen om Zijn geliefde Profeet ﷺ bij Zich uit te nodigen is onberekenbaar. De Burāq die de Profeet ﷺ vervoerde was met zo’n snelheid geschapen dat daar waar het oog van de Burāq viel, de Burāq zijn stap zette. Dus als het dier naar boven keek en de hemel zag, zette de Burāq zijn stap in de hemel. Die stap is de snelheid van de bliksem.

Theologische toelichting

Wanneer jij uitlegt dat bliksem, lichtsnelheid, internet en menselijke technologie snelle beweging mogelijk maken, dan sluit dat aan bij een fundament uit de Qur’ān:

“Allāh is de Schepper van alle dingen.” (Qur’ān 39:62). Alles wat snelheid heeft — licht, bliksem, energie, beweging — bestaat alleen omdat Allāh Ta’ālā het heeft geschapen. Als de mens al technologie kan ontwikkelen die sneller is dan ooit tevoren, dan is het theologisch vanzelfsprekend dat Allāh Ta’ālā een vervoermiddel kan scheppen dat ver boven menselijke snelheid uitstijgt.

De kern van mijn uitleg is: Als Allāh iets wil, dan gebeurt het — zonder beperking.

Dit is exact wat de Qur’ān leert:

“Wanneer Hij iets wil bepalen, zegt Hij er slechts tegen: ‘Wees!’ en het is.” (Qur’ān 2:117). De Miʿrāj Sharīf is dus geen kwestie van natuurwetten, maar van Allāhs Wil.

De Burāq is een schepping die sneller beweegt dan licht. De Qur’ān geeft een voorbeeld van bovennatuurlijke snelheid bij de engelen:

“De engelen en de Geest stijgen tot Hem op in een dag waarvan de maat vijftigduizend jaar is.” (Qur’ān 70:4)

Dit vers toont:

  • snelheid die ver boven menselijke natuurwetten staat
  • beweging door de hemelen
  • dat Allāh wezens heeft geschapen die onvoorstelbare afstanden in één dag afleggen

Als engelen dit kunnen, dan is het volledig logisch dat Allāh Ta’ālā een Burāq kan scheppen die de Profeet ﷺ naar de hemelen brengt.

De reis van de Profeet ﷺ is niet symbolisch, maar letterlijk:

“Heilig is Degene Die Zijn dienaar ’s nachts liet reizen…” (Qur’ān 17:1)

“Toen naderde hij en kwam dichterbij, tot op een afstand van twee booglengten of nog dichter.” (Qur’ān 53:8–9)

Deze verzen bevestigen:

  • de reis was fysiek
  • de Profeet ﷺ werd verheven
  • hij bereikte een plaats die geen ander schepsel heeft bereikt

De Qur’ān zegt dat de Miʿrāj bedoeld is om de Profeet ﷺ te laten zien wat anderen niet kunnen zien:

“Opdat Wij hem Onze tekenen zouden tonen.” (Qur’ān 17:1). Dit betekent: (1) de reis was een Allāhs demonstratie van Macht, (2) het doel was zien, niet dromen of symboliek en (3) de Profeet ﷺ werd door Allāh zelf uitgenodigd.

Jij legt uit dat licht en warmte razendsnel reizen. De Qur’ān bevestigt dat Allāh Ta’ālā:

  • tijd kan vertragen
  • tijd kan versnellen
  • tijd kan opheffen

En zij dringen bij u aan de straf te verhaasten, doch Allāh zal nimmer Zijn Belofte breken. Voorwaar bij uw Heer is één dag gelijk duizend jaren van uw berekening.  (Qur’ān 22:47). En soms als vijftigduizend jaar

“De engelen en de geest gaan tot Hem op, in een Dag waarvan de maat vijftigduizend jaren is.” (Qur’ān 70:4). Dit betekent: (1) tijd is relatief, (2) Allāh kan tijd stoppen, vertragen, versnellen en (3) de Miʿrāj kan plaatsvinden terwijl het bed nog warm is.

Volgens de Qur’ān is de Miʿrāj Sharīf volledig logisch omdat:

  • Allāh alles schept (39:62)
  • Allāh slechts zegt “Wees!” en het is (2:117)
  • engelen reizen sneller dan licht (70:4)
  • de Profeet ﷺ letterlijk reisde (17:1, 53:8–9)
  • Allāh tijd beheerst (22:47, 70:4)
  • de reis bedoeld was om tekenen te tonen (17:1)

De Burāq is dus geen mythisch dier, maar een Allāhs creatie die functioneert binnen de Qudrat van Allāh Ta’ālā, niet binnen menselijke natuurwetten.

U zult ongetwijfeld op televisie de lancering van een raket hebben gezien, of gelezen hebben dat alles wat zich in de dampkring bevindt, verbrandt door de hitte die daar aanwezig is. Door deze wetenschap hebben wetenschappers, voor de veiligheid van de astronauten, een schild ontworpen voor de capsule die terugkeert naar de aarde. Degenen die bezwaar maken en de Miʿrāj Sharīf niet accepteren, ondanks de openbaring in de Heilige Qur’ān, beweren dus dat het onmogelijk is dat de nobele Profeet ﷺ de dampkring kon passeren zonder verbrand te worden.

Allāmah Sayyid Shah Turāb‑ul‑Haqq Qādrī (ʿAlayhi al-Raḥmah) citeert in zijn toespraak Imām Ghazālī (raḍiyAllāhu ʿanhu): “De creativiteit van de mens komt door het stel hersenen. Hiermee kunnen mensen denken, plannen maken en over bijzondere dingen diep nadenken, én daarmee eigen denkbeelden creëren.” Hiermee is komen vast te staan dat zelfs mensen die geen kennis hebben over bepaalde materie, door hun eigen stel hersenen denkbeelden kunnen vormen en daaraan vasthouden. Een (schrift)geleerde van zowel de seculaire als de islamitische wetenschap kan soms zulke mensen niet overtuigen. Dit ligt niet aan de geleerde, maar aan de eigenzinnigheid van degene die niet wil leren.

Met het bovenstaande is helder geworden dat de mens, met de hersenen die zij van Allāh de Alwetende hebben gekregen, een schild kan bedenken en maken dat bestand is tegen de hitte van de dampkring. De vraag is: kan Allāh Zijn Boodschapper ﷺ dan niet een schild (kleding) geven dat bestand is tegen die hitte? Zeer zeker. Allāh is Almachtig en heeft Zijn dierbare Profeet Mohammed ﷺ voor de hemelreis een speciale kleding gestuurd waarmee de Profeet ongehinderd de heilige reis heeft gemaakt.

Een ander bezwaar van de ongelovigen is: “Hoe kan de Profeet ﷺ door de hemelen zijn gereisd, want er zijn geen deuren in de hemel?” De gelovige volgelingen van de Profeet ﷺ zeggen dat Allāh de Almachtige in die nacht de onzichtbare deuren zichtbaar had gemaakt en wijd had geopend voor de Profeet der profeten.

Een tweede uitleg is: zoals een medicus met een röntgenfoto alles binnen een mens kan laten zien zonder dat de mens wordt opengesneden, zo heeft Allāh de Almachtige ook de Profeet ﷺ, zonder voor de gewone mens zichtbare deur in de hemel, door de hemelen laten passeren.

Een derde uitleg is: wanneer de mu’mīn (gelovige) namāz verricht, houdt hij/zij in gedachten dat Allāh de Almachtige vóór hem/haar staat. Toch kan niet iedereen door de verschillende dimensies heen kijken om Allāh de Almachtige te zien. Wel blijven wij geloven dat Allāh vóór ons aanwezig is; sterker nog, u moet zelfs geloven dat Allāh veel dichterbij u is, namelijk in uw hart en ziel. Dat ziet u toch ook niet? Zelfs de röntgenfoto kan dat niet waarnemen, omdat die “deuren” niet voor iedereen en alles zichtbaar zijn.

Toen de Heilige Profeet Mohammed ﷺ terugkwam van zijn hemelreis, bleek zijn bed nog warm te zijn. De ongelovige zegt dat het onmogelijk is dat een plaats waar iemand gelegen heeft langer dan enkele tellen warm kan blijven. Wij gelovigen weten uit de overleveringen (ahadīth) dat toen Allāh de Almachtige de nobele Profeet ﷺ bij Zich had uitgenodigd, op bevel van Allāh alles stil kwam te staan. Niets bewoog meer, behalve de Profeet ﷺ, de aartsengel en het hemelpaard. De zon bleef op één plaats met haar eigen warmte stilstaan, de zeeën kwamen tot stilstand, mensen en dieren bewogen niet meer — het was volkomen stil. Dus ook de warmte van de slaapplaats van de Profeet ﷺ en zelfs de ketting waarmee in vroegere tijden — en vandaag de dag nog in dorpen — de huisdeur op slot werd gezet, bleef bewegingsloos.

Deze hemelreis heeft in totaal 70.000 jaar geduurd; alles bleef dus gedurende deze periode in dezelfde positie stilstaan. (Mufti Abdul Wajīd). Na deze jaren, toen de Profeet ﷺ weer was teruggekeerd en voor zijn volgelingen als Miʿrāj Sharīf, namens Allāh, de namāz had meegenomen, begon alles weer te bewegen. Daarom wordt gezegd dat zelfs de ketting bewoog en de slaapplaats warm was toen de Profeet ﷺ naar de hemel ging en terugkwam.

In het Qur’ān vers waarin over de fysieke hemelreis wordt geopenbaard, begint Allāh allereerst in dit vers met de openbaring ‘Subḥānahu’ (Glorie aan Allāh). De vraag is, glorie voor wat?

Allāh Alwetende wist dat de hersenen van sommige mensen (ongelovigen) onder invloed van satan de hemelreis van de nobele Profeet ﷺ niet als fysiek meegemaakt zouden accepteren. De ongelovige zou zich afvragen hoe het kan dat een reis van miljoenen jaren en kilometers door de Profeet is afgelegd in enkele tellen. En hoe het kan dat Profeet in de dampkring niet is verbrand. En welke deuren er zijn waardoor de Profeet de hemelen passeerde.

Het antwoord op bovenstaande vragen is simpel, wat is onmogelijk voor Allāh? Niets, maar ook niets. Vandaar dat de openbaring wordt begonnen met ‘Glorie aan Allāh.’

Vervolgens heeft Allāh geopenbaard ‘Asrā (Verheven is Hij Die Zijn aanbidder in de nacht heeft meegenomen).

Als je iemand meeneemt, dan is dat altijd fysiek. Wanneer een kind van zes jaar tegen u zegt: “Ik heb een reis gemaakt naar Europa en Amerika,” dan zullen uw hersenen u melden dat het vrijwel onmogelijk is dat het kind alleen die reis naar verre werelddelen kan hebben gemaakt. Indien de rijke vader van dat kind tegen u zegt: “Ik heb mijn zoon meegenomen naar Europa en Amerika en met hem Londen, Parijs en New York bezocht, en hem daar alles laten zien,” dan zult u de vader wél willen geloven.

De Heilige Qur’ān is helder in de openbaring dat de nobele Profeet ﷺ niet zelf de reis heeft gemaakt, maar dat Allāh hem heeft meegenomen en hem alles heeft laten zien in de hemelen. En wie Allāh de Almachtige niet gelooft, is een ongelovige.

Vervolgens openbaart Allāh in hetzelfde vers: “Glorie aan Allāh Die Zijn aanbidder (‘abd = aanbidder, mens) heeft meegenomen.” Met aanbidder wordt dus bedoeld: met ziel én lichaam, want een lichaam zonder ziel wordt ‘lijk’ of ‘dode’ genoemd en niet ‘mens’. Kortom, Allāh Ta’ālā openbaart dat de nobele Profeet ﷺ met ziel en lichaam de Miʿrāj Sharīf heeft gemaakt.

Onze Profeet ﷺ werd geëerd met dit geluk in de Miʿrāj (de opstijging van de Profeet naar de hemel). Toch is het niet gebeurd in deze wereld. Hij ging het paradijs binnen en zag Allāh Ta’ālā daar. Dat wil zeggen: hij zag Allāh Ta’ālā zoals Hij in de volgende wereld gezien zal worden. Hij zag Allāh Ta’ālā niet in de wereld. Terwijl hij in de wereld was, verliet hij de wereld, ging naar de volgende wereld en zag Allāh Ta’ālā.

Toen hij 52 jaar oud was, in de 27e nacht van de maand Rajab, daalde Ḥazrat Jibrāʾīl (ʿalayhis salām) in Mekka neer en nam hem mee van Masjid al-Haram naar Masjid al-Aqṣā in Jeruzalem, en vandaar naar de hemel. In deze Miʿrāj zag hij Allāh Ta’ālā. Op deze avond werden de vijf tijden van namāz (rituele gebeden) gedurende de dag farz.

De ḥadīth over de 15e nacht van de maand Shaʿbān is ṣaḥīḥ. Zo is het ook met de deugd van de maand Rajab. Miʿrāj is een waarheid, maar het is niet met zekerheid bekend welke nacht het precies was.

Bij het begin van namāz betekent het zeggen van “Allāhu Akbar” dat wij belijden: “Allāh Ta’ālā heeft het gebed van geen van Zijn schepselen nodig; Hij heeft in geen enkel opzicht iets nodig; het verrichten van namāz door mensen geeft Allāh Ta’ālā geen voordeel.”

De takbīr (het zeggen van “Allāhu Akbar”) in namāz betekenen dat “wij niet in staat zijn om de aanbidding te verrichten die Allāh Ta’ālā werkelijk waardig is.”

Omdat de tasbīḥ in rukūʿ (het buigen in namāz) dezelfde betekenis heeft, worden wij niet bevolen om “Allāhu Akbar” te zeggen wanneer wij ons oprichten na rukūʿ.

Wij worden echter wél bevolen om het te zeggen na de tasbīḥ van sajdah (neerknielen), want sajdah is de laagste graad van nederigheid, minderwaardigheid en vernedering. Door dit te doen zou iemand kunnen denken dat hij op de juiste en volmaakte wijze heeft aanbeden.

Om iemand tegen deze veronderstelling te beschermen, is het niet alleen sunnat om de takbīr te zeggen wanneer wij neerknielen en weer rechtop gaan tijdens sajdah, maar worden wij ook bevolen om “alā” te zeggen in de tasbīḥ van sajdah. Omdat namāz de Miʿrāj van een gelovige is, worden wij bevolen om de woorden attahiyyāt te reciteren — de woorden die onze Profeet ﷺ vereerd was te zeggen in de nacht van Miʿrāj.

Daarom moet een persoon die namāz verricht, de namāz tot een Miʿrāj voor zichzelf maken. Hij moet in namāz op zoek gaan naar de ultieme nabijheid tot Allāh Ta’ālā.

Onze Profeet ﷺ verklaarde: “De tijd waarin de mens het dichtst bij zijn Allāh Ta’ālā is, is de tijd waarin hij namāz verricht.”

Een persoon die namāz verricht, spreekt tot zijn Allāh Ta’ālā, smeekt Hem en ziet dat allesbehalve Allāh Ta’ālā gelijk is aan niets. Daarom — omdat er ontzag, vrees en nederigheid in namāz aanwezig zijn — is het bevolen dat wij aan het einde van namāz twee keer salām geven, zodat wij getroost en opgelucht kunnen worden.

Profeet ﷺ beval in een ḥadīth om na elke farz namāz te reciteren: 33 tasbīḥ, 33 Tamḥīd, 33 takbīr en één tahlīl.

Theologische toelichting

“Heilig is Degene Die Zijn dienaar ’s nachts liet reizen…” (Qur’ān 17:1)

  • Ibn Kathīr: “asrā bi-ʿabdihī” betekent dat de Profeet ﷺ met lichaam én ziel reisde.
  • Qurubī: het woord ‘abd duidt altijd op een compleet mens, nooit alleen ziel of alleen lichaam.
  • Bayāwī: de reis vond plaats buiten de normale natuurwetten, want Allāh is niet gebonden aan Zijn schepping.

Toepassing op mijn tekst: Wanneer wij zeggen dat de Profeet ﷺ “de wereld verliet en de volgende wereld binnenging”, sluit dat exact aan bij de klassieke uitleg: De Miʿrāj is niet van deze wereld, maar een Allāhs verheffing naar een andere bestaansdimensie.

“Toen naderde hij en kwam dichterbij, tot op twee booglengten of nog dichter.” (Qur’ān 53:8–9)

  • Ibn Kathīr: dit verwijst naar de unieke nabijheid die de Profeet ﷺ kreeg tijdens de Miʿrāj.
  • Qurubī: de ontmoeting met Allāh is zonder hoe (bilā kayf), maar werkelijk.
  • Rāzī: de Profeet ﷺ zag Allāh “zoals Hij in het Hiernamaals gezien zal worden”.

Toepassing op mijn tekst: J “Hij zag Allāh zoals Hij in de volgende wereld gezien zal worden” is precies de formulering die de klassieke geleerden gebruiken.

Hoewel de verplichting van namāz niet in één vers staat, verwijzen de geleerden naar:

“En onderhoud het gebed ter gedachtenis aan Mij.” (Qur’ān 20:14)

“Voorwaar, het gebed is de gelovigen op vaste tijden verplicht.” (Qur’ān 4:103)

  • Ibn Kathīr: de verplichting van de vijf gebeden vond plaats tijdens de Miʿrāj, niet op aarde.
  • Qurubī: dit is het enige voorschrift dat direct aan de Profeet ﷺ werd gegeven zonder tussenkomst van Jibrāʾīl.

Toepassing op mijn tekst: Mijn uitleg dat namāz een “cadeau van de Miʿrāj” is, is exact de formulering van de klassieke geleerden.

“Doe sajdah en nader (Allāh).” (Qur’ān 96:19)

  • Ibn Kathīr: de grootste nabijheid tot Allāh is in sajdah.
  • Qurubī: dit vers is het bewijs dat namāz de “Miʿrāj van de gelovige” is.
  • Bayāwī: sajdah is de hoogste vorm van nederigheid en de diepste vorm van nabijheid.

Toepassing op mijn tekst: Mijn zin “Hij moet op zoek gaan naar de ultieme nabijheid tot Allāh Ta’ālā in namāz” is volledig in lijn met deze tafsīr.

“En verklaar de grootheid van jouw Heer.” (Qur’ān 74:3)

  • Ibn Kathīr: takbīr betekent erkennen dat Allāh boven alles staat.
  • Qurubī: Allāhu Akbar is een ontkenning van elke vorm van zelfverheffing in aanbidding.
  • Rāzī: de mens kan Allāh nooit aanbidden zoals Hij werkelijk verdient — daarom is takbīr een erkenning van menselijke onvolmaaktheid.

Toepassing op mijn tekst: Mijn uitleg dat takbīr betekent “wij zijn niet in staat om de aanbidding te verrichten die Allāh waardig is” is exact de klassieke betekenis.

De Qur’ān citeert dit gesprek niet letterlijk, maar de geleerden verwijzen naar:

“Opdat Wij hem Onze tekenen zouden tonen.” (Qur’ān 17:1)

  • Ibn Kathīr: tijdens de Miʿrāj vond een unieke dialoog plaats tussen Allāh en Zijn Boodschapper ﷺ.
  • Qurubī: de woorden attahiyyāt zijn een weerslag van die ontmoeting.
  • Bayāwī: daarom worden deze woorden in namāz gereciteerd — als herinnering aan de Miʿrāj.

Toepassing op mijn tekst: Mijn uitleg dat attahiyyāt een eerbetoon is aan wat de Profeet ﷺ zei tijdens de Miʿrāj, is precies de klassieke leer.

“En Wij zijn hem dichterbij dan zijn halsslagader.” (Qur’ān 50:16)

  • Ibn Kathīr: dit vers toont dat Allāh dichterbij is dan de mens kan bevatten.
  • Qurubī: de gelovige ervaart deze nabijheid het sterkst in namāz.
  • Rāzī: namāz is het moment waarop de mens zich volledig losmaakt van allesbehalve Allāh.

Toepassing op mijn tekst: Mijn zin “De tijd waarin de mens het dichtst bij Allāh is, is wanneer hij namāz verricht” wordt door dit vers ondersteund.

De Profeet ﷺ zei: “Wat ik als eerste heb gezegd, en wat ook mijn voorgangers onder de profeten hebben gezegd, is: ‘Er is geen godheid dan Allāh Ta’ālā. Hij is Eén, er is geen partner voor Hem.’”

De Profeet ﷺ zei: “Hij die deze du’ā honderd keer reciteert: ‘Er is geen godheid dan Allāh, de Enige, er is geen partner voor Hem; het koninkrijk behoort Hem toe en alle lof is voor Hem, en Hij is machtig over alle dingen,’ krijgt de beloning van het bevrijden van tien slaven. Honderd beloningen worden in zijn verslag van daden geschreven en honderd zonden worden van hem weggevaagd. Bovendien blijft hij die dag tot in de nacht veilig voor de listen van de duivel. Wie dit vaker doet, ontvangt nog meer beloning, en niemand handelt beter dan hij.” Over welke Surah gaat dit? Surah Ikhlā.

De Profeet ﷺ zei: “Degene die de wudu (wassing) verricht en vervolgens, nadat hij naar de hemel heeft gekeken, zegt: ‘Ik getuig dat er geen godheid is dan Allāh; Hij is Eén, er is geen partner voor Hem, en ik getuig dat Mohammed ﷺ Zijn dienaar en boodschapper is,’ voor hem worden de deuren van het Paradijs geopend en hij mag binnengaan door elke deur die hij wil.” Welke kalma is dit? Kalma Shahādah.

De Profeet ﷺ zei: “Degenen die zeggen: ‘Er is geen godheid dan Allāh,’ voor hen zal er geen eenzaamheid zijn in hun graf of na hun opstanding uit het graf. Ik zie hen als het ware wanneer zij het luid uitspreken: hun hoofden komen uit de aarde en zij zeggen: ‘Alle lof komt toe aan Allāh Ta’ālā, Die het verdriet van ons heeft weggenomen. Onze Heer is Vergevensgezind, Aanvaarder van dankbaarheid.’”
Welke kalma is dit? Kalma ayyib.

De Profeet ﷺ zei: “Abū Hurayrah, de deugden die jullie verrichten zullen gewogen worden op de Dag der Opstanding, maar de getuigenis ‘Er is geen godheid dan Allāh’ zal niet gewogen worden. Want als het op een weegschaal geplaatst wordt, en de zeven hemelen en de zeven aarden en alles wat daarin is op de andere schaal, dan zal de schaal van ‘Er is geen godheid dan Allāh’ zwaarder zijn.”

De Profeet ﷺ zei: “Als iemand zondigt op de oppervlakte van de aarde nadat hij heeft uitgesproken: ‘Er is geen godheid dan Allāh,’ dan zal Allāh hem vergeven.”

De Profeet ﷺ zei: “Abū Hurayrah, zeg tegen de stervende man dat hij moet getuigen: ‘Er is geen godheid dan Allāh,’ want dit vernietigt zonden.”
Abū Hurayrah vroeg: “O Profeet ﷺ van Allāh, dit geldt voor de stervende. Wat is de beloning voor iemand die leeft?”
De Profeet ﷺ antwoordde: “Hij die met een oprecht hart zegt: ‘Er is geen godheid dan Allāh,’ zal het Paradijs binnengaan.”

De Profeet ﷺ zei: “Iedereen onder jullie zal het Paradijs binnengaan, behalve degene die het verloochent en zijn gezicht van Allāh afwendt, zoals een kameel zijn gezicht afwendt.”
Hem ﷺ werd gevraagd: “O Profeet ﷺ van Allāh, wie loochent en wendt zijn aangezicht van Allāh af?”
Hij ﷺ antwoordde: “Degene die niet zegt: ‘Er is geen godheid dan Allāh.’”

Theologische toelichtingsamengestelde lijst van Qur’ān‑verzen die direct of indirect de tahlīl ondersteunen

“Weet dat er geen godheid is dan Allāh.” Dit is het meest directe Qur’ān‑bewijs voor Lā ilāha illā Allāh.

“O Mijn dienaren die tegen zichzelf hebben gezondigd, wanhoop niet aan de barmhartigheid van Allāh. Voorwaar, Allāh vergeeft alle zonden.”  (Qur’ān 39:53). De klassieke geleerden (Ibn Kathīr, Qurṭubī) leggen uit dat de grootste sleutel tot deze vergeving de tahlīl is.

“Wij zullen de weegschalen van gerechtigheid opzetten op de Dag der Opstanding.”  (Qur’ān 21:47). Volgens de tafsīr van Ibn Kathīr is Lā ilāha illā Allāh de zwaarste uitspraak op deze weegschaal, precies zoals in jouw aangehaalde ḥadīth.

“Allāh getuigt dat er geen godheid is dan Hij…”(Qur’ān 3:18). De geleerden zeggen: Als Allāh Zelf getuigt van Zijn Eenheid, dan is de mens die dit getuigt onder de getuigen van het Paradijs.

“Voorwaar, Allāh vergeeft niet dat er deelgenoten aan Hem worden toegekend…” (Qur’ān 4:48).  De tahlīl is het tegenovergestelde van shirk. Wie Lā ilāha illā Allāh oprecht zegt, valt onder de bescherming van dit vers.

“En Wij hebben vóór jou geen enkele boodschapper gestuurd of hij zei: ‘Er is geen godheid dan Ik, aanbidt Mij.’” (Qur’ān 21:25). Dit ondersteunt jouw zin: “Wat ik eerst zei en ook mijn voorgangers profeten zeiden…”

“Er is geen godheid dan Allāh,” voordat er een hindernis tussen u en Allāh Ta’ālā komt, want het is een woord van tawḥīd, een woord van oprechtheid, een woord van Allāhs vrees, een woord van zuiverheid, een oproep tot waarheid en het fundament van het Paradijs.

Ḥazrat Refā‘a Zarkī zei: “Eens waren wij achter de Profeet ﷺ aan het bidden. Toen hij zijn hoofd uit de sajdah hief, zei hij: ‘Allāh hoort degene die Hem prijst.’ Iemand achter de Profeet ﷺ sprak daarop uit: ‘O onze Heer, aan U behoort alle lofprijzing, ontelbaar en zuiver, vol van zegeningen.’ Toen de Profeet ﷺ zijn gebed beëindigde, vroeg hij: ‘Wie heeft deze du’ā zojuist uitgesproken?’ Hij zei: ‘O Profeet ﷺ van Allāh, ik.’ De Profeet ﷺ zei: ‘Ik zag meer dan dertig engelen wedijveren om te bepalen wie van hen de beloningen zou opschrijven.’”

Ook moeten de Āyat al‑Kursī en de tasbīḥ niet worden weggelaten, zelfs niet wanneer er een begrafenis is.

De Miʿrāj Sharīf is het grootste eerbewijs dat Allāh Ta’ālā aan Zijn geliefde Profeet Mohammed ﷺ heeft geschonken. In één nacht liet Allāh hem de hemelen doorkruisen, Zijn tekenen aanschouwen en de nabijheid ervaren die geen ander schepsel ooit heeft bereikt. Uit deze verheven reis schonk Allāh de mensheid het grootste geschenk: de namāz, de dagelijkse verbinding tussen dienaar en Heer, de Miʿrāj van iedere gelovige.

De woorden van tahlīl — Lā ilāha illā Allāh — vormen het hart van deze verbinding. Het is het woord van zuivere eenheid, het fundament van alle profeten, het zwaarste op de weegschaal, de sleutel tot vergeving, bescherming en het Paradijs. Wie dit woord met oprechtheid uitspreekt, opent voor zichzelf de deuren van barmhartigheid, zowel in dit leven als in het Hiernamaals.

De overleveringen tonen dat elke vorm van dhikr, tasbīḥ, tamhīd en takbīr wordt verveelvoudigd door de engelen, en dat Allāh Ta’ālā de dienaar verheft die Zijn Naam veelvuldig noemt. Daarom is het onze plicht — en onze eer — om deze woorden te bewaren, te herhalen, te onderwijzen aan onze kinderen en te laten leven in onze huizen, onze harten en onze daden.

Moge Allāh Ta’ālā ons het vermogen schenken om de Miʿrāj van de Profeet ﷺ te erkennen, de waarde van namāz te begrijpen, en de kracht van tahlīl te proeven. Moge Hij onze tongen zuiver houden met Zijn herinnering, onze harten vullen met Zijn liefde, en onze daden verlichten met Zijn leiding.

Moge Allāh Ta’ālā ons doen behoren tot degenen die leven en sterven met het woord:

Lā ilāha illālAllāh Mohammedur‑Rasūlullāh (ﷺ).

Lees ook: Allāhs Waarneming tijdens de Mirāj (Alahazrat) >>>

  • Aḥmad Raza Khan, I. (z.j.). Fatāwā Razviyya.
  • Al‑Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.j.). aī alBukhārī.
  • Al‑Maḥallī, J., & Al‑Suyūṭī, J. (z.j.). Tafsīr alJalālayn.
  • Al‑Ṭabarī, M. ibn Jarīr. (z.j.). Jāmiʿ albayān ʿan taʾwīl āy alQur’ān.
  • Ibn Kathīr, I. (z.j.). Tafsīr alQur’ān al‑ʿAīm.
  • Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). aī Muslim.
  • Qādrī, A. W. (z.j.). Toespraak over de Miʿrāj Sharīf [Mondelinge lezing].
  • Qur’ān. (z.j.).

Translate »
error: Content is protected !!