Paper samenvatting van mijn imamopleiding aan de hogeschool Inholland.
Inleiding
In deze samenvatting voor onderwijseenheid Ethiek vanuit filosofische context van de Imamopleiding geef ik een korte impressie van de belangrijkste islamitische filosofen uit de Middeleeuwen. Deze samenvatting is een tentamenopdracht dat meetelt voor cijferbepaling. De (deel) tentamenopdracht is om iets te schrijven over al-Farābi, Ibn Rushd en al-Ghazālī. Daarnaast dient nog een paper over ‘rechtvaardigheid’ geschreven te worden.
Voordat ik aan de samenvatting begin is het goed om even stil te staan bij de begrippen ethiek en filosofie (wijsbegeerte). Ethiek (in Grieks ethica afgeleid van ethos (karakter) is het principe van menselijk gedrag ten opzichte van medemens, dieren en natuur, soms moraal genoemd en als studiewetenschap filosofie genoemd. Ethiek is een onderdeel van filosofie, het wordt beschouwd als een gezaghebbende wetenschap, omdat het banden legt met wetenschappen zoals menselijk gedrag, wiskunde, logica, scheikunde en psychologie leidend tot sociaal gedrag.
Islamitische filosofie (falsafa) gaat over het zoeken naar waarheid en kennis binnen het kader van de islamitische cultuur, waarbij rede, openbaring en soms mystiek met elkaar worden verbonden. Het is dus geen puur religieuze speculatie, maar een brede intellectuele traditie die zich bezighoudt met logica, metafysica, ethiek, en de verhouding tussen geloof en rede.
Wat islamitische filosofie inhoudt
- Religieuze wortels: Filosofische vragen ontstonden al vroeg in de islam, zoals over vrije wil, predestinatie en goddelijke rechtvaardigheid. Deze werden besproken in theologische kringen zoals die rond Hasan al-Baṣrī (8e eeuw).
- Invloed van Griekse filosofie: Door vertaalprojecten in Bagdad en andere centra kwamen moslims in contact met Aristoteles, Plato en neoplatonisme. Deze ideeën werden geïntegreerd en herinterpreteerd in een islamitische context.
- Kalām (islamitische theologie): Stromingen zoals de Muʿtazila en Ashʿarieten gebruikten rationele argumentatie om geloofsvragen te behandelen. Filosofie en theologie liepen vaak parallel, maar filosofen probeerden verder te gaan dan dogmatische discussies.
- Belangrijke denkers
- Al-Kindī: introduceerde Griekse filosofie in de islamitische wereld.
- Avicenna (Ibn Sina): ontwikkelde een metafysisch systeem waarin God als noodzakelijk wezen centraal stond.
- Al-Ghazālī: bekritiseerde filosofen en benadrukte mystieke kennis.
- Ibn Rushd (Averroes): verdedigde Aristoteles en stelde dat rede en openbaring elkaar aanvullen.
- Ibn Khaldūn: pionier van sociologie en geschiedfilosofie.
- Doel en betekenis: Islamitische filosofie probeert te begrijpen hoe de wereld en de mens functioneren, hoe kennis ontstaat, en hoe dit zich verhoudt tot de openbaring van de Heilige Qur’ān. Het is een zoektocht naar harmonie tussen rationele analyse en religieuze waarheid.
Samenvattend
Islamitische filosofie is een intellectuele traditie die rede, theologie en mystiek samenbrengt. Ze ontstond uit de dialoog tussen islamitische teksten en Griekse filosofie, en leverde een blijvende bijdrage aan zowel de islamitische wereld als de Europese scholastiek.
Begripsbepaling zoals ik het zelf definieer
Samenvattend, ethiek is het karakter van de mens. Deze kan goed schikkend zijn, maar ook slecht. Vanuit islamitische filosofie bezien kan ethiek worden beschreven als het trachten het hogere doel te bereiken door zich te schikken aan de Qur’ān en Hadith (wet- en regelgeving), dus het goede.
De Mu’tazilli waren waarschijnlijk de eerste moslims die de Griekse filosofische methoden overnamen om hun mening uit te leggen. Sommige van hun tegenstanders pasten dezelfde methoden toe en het debat initieerde de islamitisch filosofische beweging welke berustte op de Arabische vertaling en studie van Grieks filosofische en wetenschappelijke werken aangemoedigd door de kalief al-Mumun.
De eerste bekende islamitische filosoof in de 9e eeuw was Arab al-Kindi. Hij trachtte het Grieks filosofische concept op een lijn te brengen met de Openbaring van de Islam. Als opvolgend islamitische filosoof van die periode werd hij in beginsel geïnspireerd door werken van Aristoteles en door Neoplatoons, welke hij samenvoegde tot een geheel nieuwe filosofisch systeem.
In de 10e eeuw was al-Farābi de eerste islamitische filosoof die Openbaring en godsdienstige wet ondergeschikt maakte aan filosofie. Hij beargumenteerde, dat filosofische waarheid op de wereld hetzelfde is en dat veel verdwenen godsdiensten symbolische expressies zijn van een ideaal universeel godsdienst.
In de 11e eeuw voltooide de Perzisch islamitische filosoof en arts Ibn Sina de meest systematische integratie van Grieks rationalisme en islamitische denkwijze. Dat was op basis van verschillende orthodoxe artikelen van het geloof, zoiets als geloof in persoonlijke onsterfelijkheid en in de schepping van het heelal. Hij beweerde ook, dat godsdienst slechts filosofie is in een metaforische vorm dat het aanvaardbaar maakt voor de mensen die niet in staat zijn filosofische waarheden te bereiken in redelijke formuleringen. Deze opvattingen leidden tot aanvallen op Ibn Sina en op de filosofie door meer orthodox islamitische denkers. Voornamelijk op de theoloog al-Ghazālī, wiens boek Destruction of the Philosophers het meest te doen had met het eventuele verval van rationalistisch filosofische speculaties in de islamitische gemeenschap.
Ibn Rushd, in de 12e eeuw Spaans-Arabische filosoof en arts, verdedigde Aristoteles en Neoplatoons zienswijzen tegen al-Ghazālī en werd de meest betekenisvolle islamitische filosoof in de westerse intellectuele geschiedenis wegens zijn invloeden op de wetenschappers.
Al-Kindī
Al-Kindī (ca. 801–873), vaak “de filosoof van de Arabieren” genoemd, was de eerste grote islamitische denker die Griekse filosofie systematisch in de islamitische traditie introduceerde. Zijn filosofie draait om het gebruik van rede en logica om religieuze waarheden te verhelderen, zonder de openbaring te ondermijnen.
Kernpunten van Al-Kindi’s filosofie (met APA‑verwijzingen)
- Integratie van Griekse filosofie en islam: Al-Kindī zag geen tegenstelling tussen filosofie en religie. Hij stelde dat filosofie een middel is om de waarheid te begrijpen, en dat waarheid uiteindelijk van God komt (Al-Kindī, 1974).
- Epistemologie (leer van kennis): Hij benadrukte dat kennis voortkomt uit rationele analyse en zintuiglijke waarneming, maar dat openbaring de hoogste zekerheid biedt (Al-Kindī, 1974; Qur’ān, 2005, 2:2).
- Kosmologie en causaliteit: Al-Kindī verdedigde het idee dat de wereld geschapen is en niet eeuwig bestaat, in lijn met de Qur’ān (Qur’ān, 2005, 57:3). Hij bekritiseerde Aristoteles’ idee van een eeuwige kosmos (Al-Kindī, 1974).
- Ethiek en ziel: Hij zag filosofie als een weg naar morele zuivering en geluk. De ziel moet zich losmaken van materiële verlangens om dichter bij God te komen (Al-Kindī, 1974; Muslim ibn al‑Ḥajjāj, 1991, nr. 2586).
Al-Ghazālī
Biografie
Abu Hāmid Muhammad ibn Muhammad al-Ghazālī (1058-1111) werd geboren in Tus en volgde een opleiding in Jurdaan en Nisjapoer. In theologie werd hij vooral geschoold door de asjariet Juwayni. In 1085 voegde hij zich bij het hof van sultan Malik Sjah I van de Seltsjoeken in Bagdad. Onder vizier Nizām al-Mulk kwamen de cultuur en wetenschappen aan dit hof tot grote bloei. In 1092 werd hij tot docent benoemd in Shafi’ī recht aan de Nizāmiyya in Bagdad. Nadat in 1092 de sultan stierf, verviel het Seltsjoeken rijk in chaos.
Educatie
Het leven van al-Ghazālī kan in drie perioden worden onderverdeeld, namelijk leerperiode, onderwijzend periode en mystieke periode. Hij wordt ook wel Hujjat-ul-islam (bewijs van de islam) genoemd. Al-Ghazālī leerde naast theologie ook kalām (argumentatie), soefisme, filosofie, fiqh (jurisprudentie) en logica.
Filosofie van al-Ghazālī
Al-Ghazālī ’s verhouding tot filosofie is scherpzinnig en gecompliceerd. De filosofie van al-Farābi en Ibn Sina zijn voor al-Ghazālī niet alleen een onderwerp van kritiek, maar ook een belangrijke component van zijn eigen studie. Terwijl hij in Bagdad filosofie studeerde schreef hij het boek Maqāsid al falsafa (de intenties van filosofen)en bekritiseerde daarna in zijn boek Tahafut al falsafa (de onlogica van de filosofen).
Al-Ghazālī’s filosofie draait om de verzoening van rede, geloof en mystiek. Hij bekritiseerde de Griekse filosofie waar die botste met islamitische openbaring, maar gebruikte filosofische methoden om religieuze waarheden te verhelderen. Zijn kernidee: ware kennis komt niet alleen uit rationele speculatie, maar uit openbaring en spirituele ervaring.
Kernpunten van Al-Ghazālī’s filosofie
Al-Ghazālī (raḍiyAllāhu ʿanhu) leunde zelf sterk op de Heilige Qur’ān en de Sunnah, en zijn werken verwijzen vaak naar Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ Muslim en andere erkende verzamelingen
- Kritiek op filosofen
In zijn beroemde werk Tahāfut al-Falāsifah (De tegenspraak der filosofen) bekritiseerde hij Aristotelische en Avicenniaanse filosofen. Hij stelde dat hun opvattingen over eeuwigheid van de wereld en causaliteit strijdig waren met de islam. (Qur’ān 57:3; Al-Ghazālī, 2000/1095) - Causaliteit en Goddelijke wil
Al-Ghazālī verwierp het idee dat natuurwetten noodzakelijk en autonoom zijn. Volgens hem is elke gebeurtenis direct afhankelijk van Gods wil. Bijvoorbeeld: vuur verbrandt katoen niet door een inherente eigenschap, maar omdat God dat op dat moment zo bepaalt. (Tahāfut, Al-Ghazālī, 2000/1095). Dit sluit aan bij de Qur’ān: “En gij werpt niet toen gij wierpt, maar Allah wierp” (Qur’ān 8:17; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2654). - Verzoening van rede en geloof
Hoewel hij filosofische speculatie bekritiseerde, gebruikte hij logica en rationele argumentatie om religieuze waarheden te verdedigen. Hij zag rede als nuttig, maar ondergeschikt aan openbaring. - Mystiek en soefisme
Na een persoonlijke crisis trok hij zich terug en verdiepte zich in soefisme. Hij concludeerde dat ware zekerheid niet uit rationele kennis komt, maar uit innerlijke ervaring en spirituele zuivering (tasawwuf). Zijn werk Iḥyāʾ’ ‘Uloom al-Dīn (Herleving van de religieuze wetenschappen) benadrukt de praktische en spirituele dimensie van islam. Dit sluit aan bij de ḥadīth: “Waarlijk, in het lichaam is een stukje vlees; als het goed is, is het hele lichaam goed” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, nr. 52; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 1599). - Epistemologie (leer van kennis)
Al-Ghazālī onderscheidde drie niveaus van kennis:- Zintuiglijke waarneming – beperkt en soms misleidend.
- Rationele kennis – nuttig, maar niet absoluut.
- Mystieke kennis – directe, innerlijke ervaring van God, de hoogste vorm van zekerheid.
Dit sluit aan bij de Qur’ān: “En vrees Allah, en Allah zal u onderwijzen” (Qur’ān 2:282).
- Invloed op het Westen
Zijn denken beïnvloedde niet alleen islamitische theologie, maar ook Europese scholastiek. Zijn rol wordt vaak vergeleken met die van Thomas van Aquino in het christendom.
Al-Ghazālī schreef drie boeken op de Aristotelische logica, namelijk Mi ‘ar al-‘ilm (de standaard norm van kennis), Mihakk al-nazar f’il-mantiq (de toetssteen van bewijs in logica) en al-Qistas al-mustaqim (de rechtvaardige balans). Al-Ghazālī claimt dat filosofen argumenten van filosofische kritiek niet kunnen overleven en Aristotelische logica als een krachtig wapen dient. Hoewel, als de conclusie van filosofie niet door redenering kan worden bewezen is dat niet hetzelfde als de theologische principes. Hierin ligt de kracht van al-Ghazālī’ s kritiek op redenering.
Na al-Ghazālī werd filosofie door de Soennieten afgewezen en zijn kritiek op filosofie versnelde dit proces waarschijnlijk. Een eeuw later maakte Ibn Rushd wanhopige pogingen om de afkeurende trend te stoppen door al-Ghazālī ’s Tahafut in zijn Tahafut al-tahafut (de onsamenhangendheid van onlogica) en Fasl al-maqal (de doorslaggevende verhandeling) te weerleggen, maar zonder succes.
Samenvattend
Al-Ghazālī’s filosofie is een synthese van theologie, filosofie en mystiek. Hij bekritiseerde de arrogantie van pure rede, maar gebruikte filosofische instrumenten om religie te verdedigen. Uiteindelijk stelde hij dat ware zekerheid alleen via spirituele ervaring en goddelijke openbaring mogelijk is. Daarmee werd hij een sleutelfiguur in de islamitische intellectuele traditie én een brug naar latere Europese denkers.
Ibn Rushd
Biografie
Ibn Rushd (1126-1198), in het Westen bekent als Averroes, een afstammeling van een familie van Mālikī rechtsgeleerden. Zijn grootvader Abdul-Walid Muhammad (overleden in 1126) was de belangrijkste rechter van Córdoba, een stad in het zuiden van Spanje, onder de Almoraviden. Een dorp al Moradi in provincie Alicante is naar deze groep genoemd en bestaat nog steeds. Zijn vader, Abdul-Qāsim Ahmad, nam dezelfde positie in tot de komst van de Almohaden-dynastie in 1146.
Educatie
Ibn Rushd was een rationele denker en gebruikte zijn aql (verstand) door gebruik te maken van de ruimte die er was naast de wet- en regelgeving (Qur’ān en Hadith) door binnen de kaders van Shari’ah te blijven dat leidend was tot een doel. Hij was een wetenschapper op het gebied van onder andere hadīth, taalkunde, jurisprudentie, theologie, medicijnen, wiskunde en poëzie.
Volgens Ibn Rushd kon de waarheid op twee manieren bereikt kon worden, namelijk door middel van religie en godsdienst, daarom was er volgens hem geen conflict tussen religie en filosofie zolang hiervoor aql al-qiyās (verstandig analogisch redeneren) gebruikt wordt. Zijn belangrijkste filosofische werk was Tahafut at-Tahafut (Verwarring van de Verwarring) waarin hij commentaar leverde op de werken van Imam Hāmid Al-Ghazālī die Tahafut al falsafa (Verwarring der filosofie) heeft geschreven, waarin Al-Ghazālī commentaar had geleverd op filosofie. Daarnaast schreef hij gedurende 30 jaar commentaren op de werken van de Griekse filosoof Aristoteles. Hij stelde ook een medische encyclopedie Kitāb al-Kulliyyat fi al-Tibb samen. Deze encyclopedie is later één van de belangrijkste bronnen geworden voor medici van islamitische, joodse en christelijke afkomst.
Filosofie en religie
Ibn Rushd begint met de bewering dat wetgeving de studie van filosofie aanmoedigt. Veel Qur’ān verzen bevelen de mens hun intellectuele reflectie te richten op Allah Ta’ālā zoals het in surah al-Imrān (3:191) staat en verder in surah al-Hashr (59:2). Volgens Ibn Rushd zal de filosoof die onderwijs volgt niet beschadigd worden door zijn studies, dus is het verbieden van filosofie studeren onjuist. Niet iedereen is in staat door filosofie de waarheid te achterhalen, daarom spreekt de hij over het op drie wijzen interpreteren van het Heilige Boek, namelijk demonstratief, communicatie en retorisch. Bijgevolg heeft Ibn Rushd de mens onderverdeeld in drie categorieën, namelijk filosofen, theologen en algemeen groep. Volgens Ibn Rush kan demonstratie van de waarheid niet conflicteren met de Heilige Qur’ān, omdat islam de ultieme waarheid is en de filosofie een manier is om naar de waarheid te zoeken.
Ibn Rushd (Averroes) verdedigde een rationele filosofie waarin rede en openbaring elkaar aanvullen, en hij zag Aristoteles als de sleutel tot het begrijpen van de werkelijkheid. Zijn kernidee: filosofie en religie zijn niet tegenstrijdig, maar twee wegen naar dezelfde waarheid.
Kernpunten van Ibn Rushd’s filosofie
- Aristotelische traditie: Ibn Rushd was de grootste commentator op Aristoteles in de islamitische wereld. Hij probeerde de oorspronkelijke betekenis van Aristoteles te herstellen en verzette zich tegen neoplatonistische interpretaties van eerdere denkers zoals Avicenna.
- Rede en openbaring: In zijn Fasl al-Maqāl (Decisive Treatise) stelde hij dat filosofie en islamitische openbaring niet in conflict zijn. Waarheden ontdekt door demonstratieve rede kunnen niet in tegenspraak zijn met de Qur’ān, omdat beide uit dezelfde goddelijke bron komen. Dit sluit aan bij de Qur’ān: “Zij overdenken de schepping van de hemelen en de aarde” (Qur’ān 3:191; Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, nr. 7295).
- Weerlegging van Al-Ghazālī: In Tahāfut al-Tahāfut (De incoherentie van de incoherentie) reageerde hij op Al-Ghazālī’s kritiek op filosofen. Hij verdedigde het idee dat causaliteit en rationele analyse legitiem zijn en dat de wereld begrijpelijk is via rede. Dit sluit aan bij de ḥadīth: “Allah heeft geen ziekte neergezonden zonder dat Hij er een genezing voor heeft neergezonden” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, nr. 5678; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2204) — een bevestiging dat oorzaken en gevolgen door God geschapen zijn en onderzocht mogen worden.
- Epistemologie: Ibn Rushd maakte onderscheid tussen drie groepen mensen:
- Het grote publiek, dat religieuze teksten letterlijk volgt.
- Theologen, die dialectische argumenten gebruiken.
- Filosofen, die demonstratieve (logische) argumenten hanteren.
Volgens hem is filosofie noodzakelijk voor de elite die in staat is om diepere waarheden te begrijpen. Dit sluit aan bij de Qur’ān: “Zijn degenen die weten gelijk aan degenen die niet weten?” (Qur’ān 39:9).
Invloed in Europa
Via Latijnse en Hebreeuwse vertalingen werd Ibn Rushd in Europa bekend als “De Commentator”. Zijn werk beïnvloedde Thomas van Aquino en de scholastiek, en leidde tot het Averroïsme, een stroming die rede en geloof probeerde te verzoenen.
Samenvattend
Ibn Rushd’s filosofie is een rationalistische synthese: hij zag Aristoteles als gids, verdedigde de legitimiteit van filosofie binnen de islam, en stelde dat rede en openbaring nooit werkelijk botsen. Zijn werk vormde een brug tussen de islamitische intellectuele traditie en de Europese scholastiek, waardoor hij een blijvende invloed kreeg op zowel Oosterse als Westerse denkers.
Veelal ziet men dit in soefisme terugkomen.
Ibn Khaldūn
Ibn Khaldūn (1332–1406) wordt beschouwd als de vader van de sociologie en geschiedfilosofie. Zijn meesterwerk al-Muqaddimah introduceerde een cyclische theorie van opkomst en verval van beschavingen, waarin religie, economie, politiek en geografie samenkomen.
Kernpunten van Ibn Khaldūn filosofie
- Cyclische theorie van beschavingen: Hij stelde dat samenlevingen en dynastieën een natuurlijke levenscyclus doorlopen: geboorte, bloei, verval en ondergang.
- ‘ʿAsabiyya’ (groepssolidariteit): Centrale kracht achter politieke macht. Centrale kracht achter politieke macht. Sterke solidariteit bij nomadische groepen leidt tot verovering, maar verzwakt in stedelijke luxe, wat verval veroorzaakt (Ibn Khaldūn, 1967; Qur’ān, 2005, 13:11; Muslim ibn al‑Ḥajjāj, 1991, nr. 2586).
- Economische en sociale analyse: Hij zag economie, belastingen en arbeid als bepalende factoren voor de stabiliteit van staten. Overmatige belasting leidt tot armoede en ondergang (Ibn Khaldūn, 1967).
- Wetenschappelijke methode: Ibn Khaldūn benadrukte kritische analyse van bronnen en oorzakelijke verbanden in de geschiedenis, in plaats van louter anekdotische verhalen (Ibn Khaldūn, 1967).
- Invloed: Zijn werk beïnvloedde latere denkers zoals Arnold Toynbee, die al-Muqaddimah “het meest indrukwekkende werk in zijn genre ooit geschreven” noemde (Toynbee, 1935).
Ibn Khaldūn baseerde zijn analyse op Qur’ān en Sunnah.
- Qur’ān: “Allah verandert de toestand van een volk niet totdat zij veranderen wat in henzelf is” (Qur’ān 13:11).
- Hadith: “De sterkste gelovigen zijn degenen die het meest solidair zijn met hun gemeenschap” (Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2586).
Deze teksten ondersteunen zijn concept van ʿasabiyya en de dynamiek van maatschappelijke verandering.
Vergelijkende analyse
Een vergelijkende analyse van de vier sleutelfiguren: Al‑Kindī, Al‑Ghazālī, Ibn Rushd en Ibn Khaldūn.
Vergelijkende analyse van islamitische filosofen
| Filosoof | Kernideeën | Relatie rede ↔ openbaring | Unieke bijdrage | APA‑verwijzingen |
| Al‑Kindī (801–873) | Eerste systematische integratie van Griekse filosofie in islam; kosmologie, epistemologie, ethiek | Rede als middel om waarheid te begrijpen, maar openbaring blijft hoogste zekerheid | Legde fundament voor islamitische filosofie; “filosoof van de Arabieren” | Al-Kindī, 1974; Qur’ān, 2005 |
| Al‑Ghazālī (1058–1111) | Kritiek op filosofen (Tahāfut al-Falāsifah); causaliteit afhankelijk van God; nadruk op mystiek | Rede nuttig maar ondergeschikt aan openbaring en spirituele ervaring | Synthese van theologie en soefisme; Iḥyāʾ’ ‘Ulūm al-Dīn | Al-Ghazālī, 2000; Al-Ghazālī, 2011; Qur’ān, 2005; Muslim, 1991 |
| Ibn Rushd (1126–1198) | Aristotelische rationalist; verdedigde causaliteit en filosofie (Tahāfut al-Tahāfut) | Rede en openbaring vullen elkaar aan; waarheid kan niet in conflict zijn | Brug naar Europese scholastiek; “De Commentator” | Ibn Rushd, 1987; Ibn Rushd, 2001; Qur’ān, 2005; Bukhārī, 1979 |
| Ibn Khaldūn (1332–1406) | Cyclische theorie van beschavingen; ʿasabiyya (groepssolidariteit); economische analyse | Openbaring bevestigt sociale wetten; Qur’ān en ḥadīth als fundament voor maatschappelijke verandering | Vader van sociologie en geschiedfilosofie; al‑Muqaddimah | Ibn Khaldūn, 1967; Qur’ān, 2005; Muslim, 1991; Toynbee, 1935 |
Synthese
- Al‑Kindī: pionier, introduceerde filosofie in islamitische context.
- Al‑Ghazālī: bekritiseerde filosofen, benadrukte mystiek en goddelijke wil.
- Ibn Rushd: verdedigde rede en causaliteit, zag harmonie tussen filosofie en religie.
- Ibn Khaldūn: verlegde focus naar maatschappij, economie en geschiedenis, en wordt gezien als grondlegger van sociale wetenschappen.
Samen tonen zij de ontwikkeling van islamitische filosofie: van integratie van Griekse ideeën (Al‑Kindī), via kritische heroriëntatie (Al‑Ghazālī), rationalistische verdediging (Ibn Rushd), tot sociale en historische analyse (Ibn Khaldūn).
Conclusie
Het werk van de islamitische filosofen heeft een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de moderne beschaving en wetenschap. Zo blijkt dat islamitische filosofie het verlangen naar steeds meer kennis en wijsheid behelst. Dit valt namelijk op uit de brede kennis van de drie filosofen al-Farābi, al-Ghazālī en Ibn Rushd. Zoals ook gezegd wordt, ‘kennis maakt macht en geeft gezag’.
Filosofie ging over op soefisme en is verder ontwikkeld in de vorm van mystieke filosofie, vooral bij de sjiieten. Bij de soennieten werd de Aristotelische logica geïncorporeerd in theologie en soefisme.
Imam al-Ghazālī’ s invloed op filosofie was veelbetekenend.
Lees ook islamitische rechtsfilosofie >>>
Bronnen
- Al-Bukhārī, M. I. (1979). Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (M. Muhsin Khan, Trans.). Dar al-Arabia. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 9e eeuw)
- Al-Ghazālī. (2000). The incoherence of the philosophers (Tahāfut al-Falāsifa) (M. E. Marmura, Trans.). Brigham Young University Press. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 1095)
- Al-Ghazālī. (2011). The revival of the religious sciences (Iḥyā’ ‘Ulūm al-Dīn) (F. Karim, Trans.). Islamic Book Trust. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 1100)
- Al-Kindī. (1974). Al-Kindi’s metaphysics (A. Ivry, Trans.). State University of New York Press. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 9e eeuw)
- Ashraf, E. (2010). The philosophy of Ibn Rushd. Adam Publishers & Distributors.
- Ibn Khaldūn. (1967). The Muqaddimah: An introduction to history (F. Rosenthal, Trans.). Princeton University Press. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 1377)
- Ibn Rushd. (1987). Tahāfut al-Tahāfut (The incoherence of the incoherence) (S. Van den Bergh, Trans.). E.J. Brill. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 1180)
- Ibn Rushd. (2001). Fasl al-Maqāl (The decisive treatise) (G. F. Hourani, Trans.). Islamic Book Trust. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 1179)
- Leezenberg, M. (2002). Islamitische filosofie: Een geschiedenis. Bulaaq.
- Muslim ibn al-Ḥajjāj. (1991). Ṣaḥīḥ Muslim (A. Siddiqi, Trans.). Kitab Bhavan. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd ca. 9e eeuw)
- Tangali, M. J. (2005). Geschiedenis van de islam. Noori Moskee.
- The Qur’ān. (2005). The Qur’ān: English translation of the meanings and commentary (A. Y. Ali, Trans.). King Fahd Complex. (Oorspronkelijk werk geopenbaard 610–632 CE)
- Toynbee, A. (1935). A study of history. Oxford University Press.
