Islam in China

De Heilige Profeet Mohammed zei: “vergaar kennis, al moet je daarvoor naar China gaan.”

In deze paper leest u over de islam in China. Deze paper heb ik gebaseerd op de verkregen informatie uit de driedelige documentaireserie (3, 10 en 17 december 2007) van National Geographic Channel (NGC) en andere onderzoeksmateriaal van mijn Imam-opleiding in 2007 aan de Hogeschool Inholland. Deze NGC‑documentaire ging over de dertig jaar reizen van de befaamde Marokkaan Abu Abdullah Mohammed ibn Battuta, ruim zevenhonderd jaar geleden op zoek naar kennis (Ibn Battuta, 1994, Vol. 1, p. 45). De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Vergaar kennis, al moet je daarvoor naar China gaan” (Al‑Bukhārī, 2002, Vol. 1, p. 23, National Geographic Channel, 2007; Esposito, 1999, pp. 215–217).

De islam in China dateert uit de tijd van Ḥazrat Sayyidena Usmān ibn ʿAffān (raḍiyAllāhu ʿanhu), de derde kalief van de islam (Al‑Ṭabarī, 1989, Vol. 15, pp. 150–152). Na de overwinning op de Byzantijnen, Romeinen en Perzen stuurde hij in 650 n.Chr. (29 H) een delegatie naar China (Ibn Kathīr, 1997, Vol. 7, pp. 55–57). De geschiedkundige documenten van de Tang‑dynastie (608–907) beschrijven het oriënterende bezoek van de delegatie onder leiding van Ḥazrat Saʿd ibn Abī Waqqās (raḍiyAllāhu ʿanhu) in 650 aan China (Lipman, 1997, pp. 12–14). Ḥazrat Saʿd ibn Abī Waqqās was een van de metgezellen en oom van moederszijde van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ (Al‑Wāqidī, 1966, Vol. 2, pp. 230–232). Deze reis wordt door de Chinese moslims, maar ook door moslims uit andere landen, beschouwd als de geboorte van de islam in China (Esposito, 1999, pp. 215–217).

Ḥazrat Saʿd ibn Abī Waqqās (raḍiyAllāhu ʿanhu) was een lange, gebruinde en stevig gebouwde jongeman met brede schouders en krullend haar (Lings, 1983, pp. 215–217). Hij was een toonbeeld van devotie tot Allāh Ta’ālā. Hij leidde een sober en zuiver leven, bracht de nacht door in ʿibādah en was moedig en verdraagzaam. Als godvrezend man was hij royaal, nederig en zelfopofferend. Deze fortuinlijke metgezel had de blijde tijding van de Profeet Mohammed ﷺ ontvangen dat hij naar het Paradijs zou gaan (Ibn Kathīr, 1997, Vol. 4, pp. 25–27).

Figuur 1: moskee in China

De eerste eigenschap was dat, toen de Profeet Mohammed ﷺ zijn scherpschutterskunst in de oorlog van Uḥud zag, hij (ﷺ) zo onder de indruk van hem was (Al‑Wāqidī, 1966, Vol. 2, pp. 230–232; Ibn Hishām, 1955, Vol. 3, pp. 45–47). De tweede eigenschap was dat hij gezegend was doordat al zijn smeekbeden door Allāh Ta’ālā werden geaccepteerd (Ibn Kathīr, 1997, Vol. 4, pp. 25–27).

Ḥazrat Saʿd ibn Waqqās (raḍiyAllāhu ʿanhu) nodigde de Chinese keizer Yung‑Wei uit om de islam te omhelzen (bekeren) (Ibn Kathīr, 1997, Vol. 7, pp. 55–57). Hoewel keizer Yung‑Wei voor zijn gevoel de islam iets te regel gebonden was, respecteerde hij de leer van de islam (Al‑abarī, 1989, Vol. 15, pp. 150152). Om zijn respect voor de islam te tonen gaf de keizer Ḥazrat Saʿd ibn Waqqās de volledige vrijheid om de islam in zijn keizerrijk te propageren en de eerste moskee van China te stichten in Xian (Changan) (Lipman, 1997, pp. 12–14). De prachtige Kanton City Mosque bestaat na ruim 1.400 jaar nog steeds en is vandaag de dag bekend als de ‘Memorial Mosque’.

Figuur 2: Grote moskee in Xian (Changan) uit de tijd van Tang Dynastie

Naarmate de tijd verstreek, werd de relatie tussen de Chinezen en de moslim‑moederland voortdurend verbeterd (Esposito, 1999, pp. 215–217). Veel moslimzakenmannen, bezoekers en overige handelaren gingen naar China om zowel commerciële als religieuze redenen (Lipman, 1997, pp. 12–14). De Omayyaden en de ʿAbbāsiden stuurden zelfs zes delegaties naar China, die zeer warm onthaald werden (Al‑abarī, 1989, Vol. 15, pp. 150152; Ibn Kathīr, 1997, Vol. 7, pp. 55–57).

De aanwezigheid van de moslims werd door de ongelovigen kwalijk genomen. Doch de minachting van de ongelovigen sloeg om in respect toen zij door een handvol moslimstrijdkrachten in 751 n.Chr. (133 H) werden verslagen (Al‑Ṭabarī, 1989, Vol. 25, pp. 85–87). Deze overwinning leidde tot moslimheerschappij over heel Centraal‑Azië (Ibn Kathīr, 1997, Vol. 7, pp. 120–122). In 756 n.Chr. (138 H) heeft kalief al‑Manṣūr een leger bestaande uit 4.000 manschappen gevestigd om de mosliminvloed te verstevigen (Esposito, 1999, pp. 220–221).

Deze overwinningen hebben voor moslims de deuren geopend tot China om de islam verder te propageren (Lipman, 1997, pp. 15–17). De jaren daarna vestigden zich veel moslims in China en gingen in Nikāḥ (huwden) met Chinese vrouwen. Zij stichtten moskeeën, scholen en madrassa’s (Qurʾān‑scholen). Studenten uit Rusland en India studeerden aan deze madrassa.

Bekend is dat rondom de jaren 1790 er 30.000 islamitische studenten waren, net zoveel als in de stad Buchara (de geboorteplaats van Imam al‑Bukhārī (raḍiyAllāhu ʿanhu), een van de voornaamste samenstellers van de ḥadīth), welke destijds als deel van China werd beschouwd. Dit werd bekend als de ‘Pilaar van Islam’ (Al‑Dhahabī, 1998, Vol. 2, pp. 310–312).

De moslims die naar China immigreerden kregen een grote economische impact en invloed in het land (Lipman, 1997, pp. 45–47). Zij domineerden vrijwel de import‑ en exporthandel in de tijd van de Sung‑dynastie (960–1279 n.Chr.) (Esposito, 1999, pp. 225–226). In feite werd toen de functie van Directeur‑Generaal van Verscheping voortdurend bezet door moslims.

Toen de Ming‑dynastie (1368–1644 n.Chr.) aan de macht kwam, had de islam al zevenhonderd jaar gefloreerd in het land (Lipman, 1997, pp. 85–87). De moslims werden geconfronteerd met onderdrukking gedurende de tirannieke Manchu‑dynastie (1644–1911 n.Chr.), dit was de zwaarste periode (Esposito, 1999, pp. 230–232). Gedurende deze periode vonden vijf jihād‑oorlogen plaats tegen de moslims, namelijk Lanchu (1820–1828), Che Kanio (1830), Sinkiang (1847), Yunan (1857) en Shansi (1861) (Gladney, 1996, pp. 112–115). In deze vernietigende oorlogen leden moslims onschatbare verliezen. Ontelbare moslims werden shahīd (martelaar). De helft van Kansu’s populatie (15 miljoen) was moslim; slechts vijf miljoen konden vluchten.

Chinese moslims leden aanhoudend gelijke tegenslagen in verschillende kleine en grote jihād. Gedurende de laatste drie eeuwen is de moslimpopulatie afgenomen tot dertig procent (Lipman, 1997, pp. 90–92). De Manchus versloegen en vermoordden moslims en vernielden moskeeën. Onder leiding van sommige leiders, zoals Yaqoob Beg (1820–1877), bevrijdden de moslims heel Turkistan en stichtten van 1867 tot 1877 een islamitische staat (Kim, 2004, pp. 55–57). De nieuwe Turks‑Chinese moslimmacht in Centraal‑Azië, bestaande uit de provincies Yunan, Szechawan, Shensi en Kansum, werd door de vroegere Russen en Engelsen gezien als een koloniaal teken van hun eigen invloed (Esposito, 1999, pp. 232–233).

De moslims, geïnspireerd door leiders als Ma Mua‑Ming‑Hsin, behaalden vele overwinningen. In Yunan hebben de moslims onder Tu Wenhsin de keizerlijke troepenmacht uitgebannen. Hij nam de naam Sultan Suleyman aan en marcheerde met de moslims naar Tibet om weerstand te bieden aan de Chinezen (Gladney, 1996, pp. 118–120). Gedurende Mao Tse‑Tung’s revolutie in 1948 hebben de Chinese moslims hem gesteund en zich aangesloten bij zijn Rode Leger. Toch heeft deze samenwerking tegenover de Chinese leiders hun identiteit nooit kunnen bewaren (Lipman, 1997, pp. 105–107).

Aan het begin van het communistisch bewind in China werden zowel de moslims als andere minderheden (zoals Afrikanen, Arabieren en Indiërs) wederom geconfronteerd met onderdrukking (Esposito, 1999, pp. 235–236). Zij boden actief tegenstand tegen het communisme, zowel vóór als na de revolutie. In 1953 hebben de moslims zelfs twee keer opstand gevoerd in een poging een onafhankelijke islamitische staat te vestigen in regio’s waar moslims de meerderheid vormden. Deze opstand werd op brute wijze onderdrukt door Chinese militairen, gevolgd door anti‑moslimpropaganda. Ondanks dat in China 29.000 moskeeën werden vernield, bleven er nog ongeveer 3.500 overeind staan. Islamitische scholen werden opgeheven en imams werden gemarteld (Gladney, 1996, pp. 122–124).

In 1936 werd een schatting gemaakt dat er 48 miljoen moslims waren (Lipman, 1997, pp. 150–152). De regeringsvolkstelling van 1982 had het aantal bijgesteld tot 15 miljoen moslims (Esposito, 1999, pp. 240–241). Vandaag de dag is volgens de officiële statistiek van China het aantal moslims 28 miljoen. Kortom, dit zijn voor mij onbetrouwbare statistische gegevens.

Uit een andere bron, IINA, blijkt dat het moslimaantal intussen is toegenomen. Volgens IINA is in het jaar 2000 in China een schatting gemaakt dat er 200 miljoen moslims zijn, verdeeld over tien etnische groepen (IINA, 2000). Tot 1978 kregen moslims door de Culturele Revolutie langzaamaan meer vrijheid om hun culturele identiteit tot uitdrukking te brengen. De regering gaf toestemming om taalinstituten op te richten waar Arabische taal‑ en letterkunde werd onderwezen, maar niet de islam (Gladney, 1996, pp. 130–132).

In 1978 werd in China godsdienstvrijheid ingevoerd en hebben de moslims dit aangegrepen om hun identiteit zichtbaar te maken. Op moskeeën, restaurants, winkels enzovoorts wordt zowel in het Chinees als in het Engels het woord ‘Muslim’ geschreven (Lipman, 1997, pp. 155–157). Het aantal moskeeën is sinds 1978 ook toegenomen; zo zijn er intussen ongeveer 28.000 moskeeën in China.

  1. “Moslims mochten niet eens vasten in Ramzan; zij werden krachtig gevoed via gemeenschappelijke keukens” (Human Rights Watch, pp. 12–14).
  2. “Oeigoerse congresvoorzitter Dolkun Isa beweerde dat moslims in China geen religieuze namen aan hun kinderen mogen geven” (Isa, p. 3).
  3. “China voert massale sterilisatie uit op moslimminderheden, wat kan neerkomen op genocide: rapport. China’s behandeling van Oeigoeren wordt strenger onder de loep genomen” (Zenz, pp. 8–10).
  4. “De gruwelijke repressie van Peking van Oeigoerse moslims in Xinjiang is slechts een onderdeel van de campagne om etnische en religieuze minderheden tot conformiteit te dwingen” (Amnesty International, 22–24).
  5. En nog meer misdaden tegen de mensheid in algemene zin (United Nations, pp. 30–32).

Tegenwoordig zijn veel imams beschikbaar; in Xinjiang zijn er meer dan 2.800 imams die de moslimgemeenschap leiden. In Hong Kong alleen wonen 100.000 moslims uit Pakistan, India en andere landen (Esposito, 1999, pp. 245–246). Er zijn ongeveer acht verschillende vertalingen van de Heilige Qurʾān in het Chinees (Lipman, 1997, pp. 160–162). De moslims van China houden zich nu, vanwege de godsdienstvrijheid, ook strikt aan het geloof en gaan voor de

  • Al‑Bukhārī, M. I. (2002). aī al‑Bukhārī (Vol. 1, p. 23). Beirut: Dār Ibn Kathīr.
  • Al‑Dhahabī, S. (1998). Siyar aʿlām al‑nubalāʾ (Vol. 2, pp. 310–312). Beirut: Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyya.
  • Al‑Ṭabarī, M. I. (1989). The history of al‑abarī: The caliphate of ʿUthmān A.D. 644656 (Vol. 15, pp. 150–152). Albany: State University of New York Press.
  • Al‑Ṭabarī, M. I. (1989). The history of al‑abarī: The Abbasid caliphate in equilibrium (Vol. 25, pp. 85–87). Albany: State University of New York Press.
  • Al‑Wāqidī, M. (1966). Kitāb al‑Maghāzī (Vol. 2, pp. 230–232). Beirut: Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyya.
  • Esposito, J. L. (1999). The Oxford history of Islam (pp. 215–241). Oxford: Oxford University Press.
  • Gladney, D. C. (1996). Muslim Chinese: Ethnic nationalism in the People’s Republic (pp. 112–132). Cambridge, MA: Harvard University Press.
  • Ibn Battuta, A. (1994). The travels of Ibn Battuta, A.D. 1325–1354 (Vol. 1, p. 45). Cambridge: Hakluyt Society.
  • Ibn Hishām, A. (1955). Al‑Sīrah al‑Nabawiyyah (Vol. 3, pp. 45–47). Cairo: Dār al‑Maʿārif.
  • Ibn Kathīr, I. (1997). Al‑Bidāya wa’l‑Nihāya (Vols. 4 & 7, pp. 25–57, 120–122). Beirut: Dār al‑Kutub al‑ʿIlmiyya.
  • Kim, H. J. (2004). Holy war in China: The Muslim rebellion and ethnic identity (pp. 55–57). Stanford: Stanford University Press.
  • Lipman, J. N. (1997). Familiar strangers: A history of Muslims in Northwest China (pp. 12–157). Seattle: University of Washington Press.
  • Lings, M. (1983). Muhammad: His life based on the earliest sources (pp. 215–217). London: Islamic Texts Society.
  • Muslim, I. (2000). aī Muslim (Vol. 4, p. 140). Riyadh: Dār al‑Salām.
  • International Islamic News Agency (IINA). (2000). Muslim population estimates in China. Jeddah: IINA.

Translate »
error: Content is protected !!