Door Mufti Ahmad Mian Barkati heeft dit boek in 1980 in de Urdu taal vertaald en de titel “Islam aur Asri Eijadaat” gegeven.
Voorwoord en inleiding van Tangali over wat kennis is
In deze verhandeling heb ik de APA-verwijzingen toegevoegd.
Er is gezegd: “Kennis is macht, een grote macht zelfs, met enorme mogelijkheden en onvoorstelbare capaciteiten.” De steeds groeiende kennis van de moderne tijd (in alle wetenschappelijke richtingen) heeft de mens onthuld en aangetoond hoe betekenisvol en invloedrijk kennis is over alles op aarde en daarbuiten.
De Heilige Qur’ān, het meest volmaakte en laatst geopenbaarde Allāhs Boek, legt grote nadruk op het zoeken naar kennis en haar zegeningen. Het nodigt mensen uit om steeds meer kennis te vergaren voor een leidend en succesvol leven in deze wereld en het Hiernamaals. De allereerste geopenbaarde verzen van de Heilige Qur’ān verklaren ondubbelzinnig dat de zoektocht naar kennis het meest fundamentele vereiste is om te kunnen overleven en een levenswijze (wujūd) te ontwikkelen in de breedste zin van het woord. In de Qur’ān is geopenbaard:
ٱلَّذِى عَلَّمَ بِٱلْقَلَمِ
عَلَّمَ ٱلْإِنسَانَ مَا لَمْ يَعْلَمْ
“Hij (Allāh, de Almachtige) leerde de mens het gebruik van de pen (basisvaardigheid op het gebied van kennis) en leerde de mens wat hij niet wist (een goddelijke uitnodiging tot onderzoek en kennisuitbreiding, zodat het leven geleid kan worden in gehoorzaamheid en goddelijk welbehagen).” (Surah al‑‘Alaq, 96:4‑5). Verder is geopenbaard:
فَتَعَٰلَى ٱللَّهُ ٱلْمَلِكُ ٱلْحَقُّ وَلاَ تَعْجَلْ بِٱلْقُرْءانِ مِن قَبْلِ أَن يُقْضَىٰ إِلَيْكَ وَحْيُهُ وَقُل رَّبِّ زِدْنِي عِلْماً
“O mijn Heer, vermeerder mijn kennis.” (Surah Ṭāhā, 20:114)
Deze goddelijke openbaringen plaatsen kennis in het brandpunt, om de mens te motiveren en te verlichten in de zoektocht naar steeds meer kennis op iedere mogelijke wijze.
Inleiding
De Heilige Qur’ān is een schatkist van kennis en wijsheid. Het bevat op meer dan 800 plaatsen verwijzingen naar kennis en haar vertakkingen (ontelbare kennisgebieden), die zich ontwikkelen naarmate het leven van stadium tot stadium verder groeit. Gelijksoortige verwijzingen naar boeken en documenten zijn op meer dan 600 plaatsen in de Heilige Qur’ān te vinden. Dit bewijst duidelijk dat goddelijke kennis en verlichting op alle niveaus van het leven aanwezig is.
In een overlevering (Hadith) zegt de Heilige Profeet Mohammed ﷺ: “Ik ben opgegroeid als een leraar en als een vervolmaking van goede manieren.” (Ibn ʿAbd al‑Barr, Jāmiʿ Bayān al‑ʿIlm wa Faḍlihī, p. 47).
De Heilige Profeet Mohammed ﷺ heeft in de Ummah een sterke nieuwsgierigheid teweeggebracht om steeds meer kennis te zoeken. Hij benadrukte de zegenrijke betekenis van kennis (Ibn ʿAbd al‑Barr, Jāmiʿ Bayān al‑ʿIlm wa Faḍlihī, pp. 46, 49).
Ḥazrat ʿAlī (KarramAllāhu Wajhah-ul-Karīm) heeft gezegd: “De echte waarde van de mens komt tot uitdrukking door leren (studeren).” De Heilige Qur’ān getuigt zelf van de betekenis van kennis toen werd gezegd dat het op basis van zijn kennis was dat Allāh Ḥazrat Ṭālūt (ʿalayhis salām) koos tot koning van de Banī Isrāʾīl:
وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ ٱللَّهَ قَدْ بَعَثَ لَكُمْ طَالُوتَ مَلِكاً … وَزَادَهُ بَسْطَةً فِي ٱلْعِلْمِ وَٱلْجِسْمِ
“Allāh heeft Ṭālūt boven u verkozen en hem verrijkt met kennis en lichamelijke kracht.” (Surah al‑Baqarah 2:247).
Verder is geopenbaard:
وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلأَسْمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمْ عَلَى ٱلْمَلَٰئِكَةِ فَقَالَ أَنْبِئُونِي بِأَسْمَآءِ هَـٰؤُلاۤءِ إِن كُنْتُمْ صَٰدِقِينَ
“En Hij leerde Adam alle namen, vervolgens toonde Hij ze aan de engelen en zei: ‘Vertel Mij de namen van dezen, indien jullie waarachtig zijn.’” (Qur’ān, Surah al‑Baqarah 2:31).
Deze voorbeelden illustreren de veelbetekenende en omvangrijke nadruk op kennisverwerving, in relatie tot menselijke verhevenheid, profetische opdracht, leiderschap en koningschap als leiding van de mens naar Allāh op aarde.
Twee Dimensies van Kennis: Werelds Onderwijs en Ilm al‑Ghayb
In abstracte zin zijn er twee soorten kennis of onderwijs. Eén soort wordt onderwezen op madrassa’s (scholen), hogescholen en universiteiten. Voor de gewone man en voor de meeste mensen is dit onderwijs van groot belang om in de materiële behoeften te kunnen voorzien.
Er bestaat echter een ander onderwijsgebied dat rechtstreeks wordt geleerd uit de goddelijke openbaring, eveneens met behulp van audiovisuele middelen zoals boeken en tijdschriften, zonder dat instituten of professionele docenten noodzakelijk zijn. Dit is de goddelijke sector van kennismanagement die in Qur’ān‑terminologie wordt aangeduid als ʿIlm al‑Ghayb (Kennis van het Ongeziene):
رَحْمَةً مِّنْ عِندِنَا وَعَلَّمْنَاهُ مِن لَّدُنَّا عِلْمًا
“Een barmhartigheid van Ons en Wij leerden hem van Onze zijde kennis.”
(Qur’ān, Surah al‑Kahf 18:65)
Dit behoort tot de fundamentele geloofsartikelen van de islam.
ٱلَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِٱلْغَيْبِ وَيُقِيمُونَ ٱلصَّلٰوةَ وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنفِقُونَ
“Zij die geloven in het Ongeziene, het gebed onderhouden en van wat Wij hun hebben geschonken uitgeven.” (Qur’ān, Surah al‑Baqarah 2:3)
In feite is geloof of ongeloof in het Ongeziene (al‑Ghayb) het onderscheidende kenmerk dat bepaalt of iemand een moslim of een ongelovige is. Dit kennisgebied is van bovenmenselijke aard en overstijgt de menselijke intelligentie evenals de vijf bekende zintuigen. Kennis van het Ongeziene (ʿIlm al‑Ghayb) is superieur en domineert alle andere wetenschappen. Het is in essentie een embleem van goddelijke bekoring, geschonken aan de uitverkoren dienaren van Allāh, zoals zegenrijke regen die neerdaalt op de harten en geesten van de gerespecteerde ontvangers op aarde.
Ilm al‑Ghayb: Exclusieve Kennis van het Ongeziene in de Qur’ān
Er zijn talrijke verzen in de Heilige Qur’ān waarin verwezen wordt naar ʿIlm al‑Ghayb (Kennis van het Ongeziene). Uit deze verzen blijkt overduidelijk dat ʿIlm al‑Ghayb uitsluitend behoort aan Allāh, de Almachtige. De volgende verzen bevestigen dit:
- وَعِندَهُ مَفَاتِحُ ٱلْغَيْبِ لَا يَعْلَمُهَآ إِلَّا هُوَ
“Bij Hem zijn de sleutels van het Ongeziene; niemand kent ze behalve Hij.” (Surah al‑Anʿām 6:59) - أَعْلَمُ غَيْبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ
“Ik ken de geheimen van hemel en aarde.” (Surah al‑Baqarah 2:33) - فَقُلْ إِنَّمَا ٱلْغَيْبُ لِلَّهِ فَٱنتَظِرُوا۟
“Zeg: Het Ongeziene behoort alleen aan Allāh.” (Surah Yūnus 10:20) - وَلَآ أَقُولُ لَكُمْ عِندِى خَزَآئِنُ ٱللَّهِ وَلَآ أَعْلَمُ ٱلْغَيْبَ
“Zeg: Ik zeg jullie niet dat de schatten van Allāh bij mij zijn, noch dat ik het Ongeziene ken.” (Surah Hūd 11:31)
Uit deze verzen kan geleerd worden dat ʿIlm al‑Ghayb behoort tot Allāh als Zijn meest exclusieve en absolute recht. Niemand kan uit zichzelf kennis van het Ongeziene verwerven, tenzij Allāh het schenkt als een gunst.
Een nadere beschouwing van deze verzen onthult dat zelfs het kleinste deel van al‑Ghayb in de Goddelijke Autoriteit verblijft. Tegelijkertijd wordt nergens gesteld dat Allāh niemand van Zijn dienaren verrijkt met deze kennis. Het is dus een goddelijke gift, niet een menselijke claim. Daarom moet de Ummah waakzaam zijn en vermijden te zeggen dat men op eigen houtje kennis van ʿIlm al‑Ghayb heeft verkregen.
Dit aandachtspunt wordt steeds opnieuw in de Qur’ān benadrukt, zoals blijkt uit de volgende verzen:
- عَٰلِمُ ٱلْغَيْبِ فَلَا يُظْهِرُ عَلَىٰ غَيْبِهِۦٓ أَحَدًا
“Hij (Allāh) is de Kenner van het Ongeziene; Hij openbaart het aan niemand, behalve aan de profeten die Hij verkiest.” (Surah al‑Jinn 72:26) - مَا كَانَ ٱللَّهُ لِيَذَرَ ٱلْمُؤْمِنِينَ عَلَىٰ مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ حَتَّىٰ يَمِيزَ ٱلْخَبِيثَ مِنَ ٱلطَّيِّبِ
“Allāh zal de gelovigen niet in hun huidige toestand laten, totdat Hij het slechte van het goede onderscheidt. En Hij kiest uit de profeten die Hij liefheeft.” (Surah Āl ʿImrān 3:179)
Gradatie van Ilm al‑Ghayb bij de Profeten (ʿAlaihimussalām)
Dit betekent niet dat Allāh, de Almachtige, de Kennis van het Ongeziene uitsluitend voor Zichzelf houdt en aan niemand anders onthult. Integendeel, Allāh heeft kennis geopenbaard en verrijkt aan Zijn profeten, zo vaak en zoveel als Hij wilde, zowel ter leiding als ter verlichting, om in voorkomende gevallen de vijanden van Allāh tegemoet te treden en om hun goddelijke missie te vervullen. Deze unieke gebeurtenis is op verschillende plaatsen in de Heilige Qur’ān geopenbaard. Enkele voorbeelden zijn:
- Over Ḥazrat Ādam (ʿalayhis salām) en de engelen: “Hij (Allāh) leerde Adam de namen van alle dingen en plaatste ze voor de engelen.” (Qur’ān, Surah al‑Baqarah 2:31)
- Over Ḥazrat Dāwūd (ʿalayhis salām): “Hij (Allāh) gaf Dāwūd macht en wijsheid en leerde hem wat Hij wilde.” (Qur’ān, Surah al‑Baqarah 2:251)
- Over Ḥazrat Sulaymān (ʿalayhis salām): “O mensen! Wij hebben geleerd de taal van de vogels, en ons is van alles een deel onthuld.” (Qur’ān, Surah al‑Naml 27:16)
- Over Ḥazrat Lūṭ (ʿalayhis salām): “En aan Lūṭ gaven Wij rechtspraak en kennis.” (Qur’ān, Surah al‑Anbiyāʾ 21:74)
- Over Ḥazrat Yaʿqūb (ʿalayhis salām): “Ik weet van Allāh wat jullie niet weten.” (Qur’ān, Surah Yūsuf 12:96)
- Over Ḥazrat Yūsuf (ʿalayhis salām): “Toen Yūsuf volwassen was geworden, gaven Wij hem wijsheid en kennis.” (Qur’ān, Surah Yūsuf 12:22)
- Over Ḥazrat Mūsā (ʿalayhis salām): “Toen hij volwassen was en zijn leven had geregeld, schonken Wij hem wijsheid en kennis.” (Qur’ān, Surah al‑Qiṣāṣ 28:14)
- Over Ḥazrat Khidr (ʿalayhis salām): “Wij schonken hem genade van Onszelf en leerden hem kennis uit Onze eigen kring.” (Qur’ān, Surah al‑Kahf 18:65)
Deze verzen maken duidelijk dat Allāh Ilm al‑Ghayb schonk aan Zijn uitverkoren dienaren. Toch weten veel mensen dit niet of weigeren het te geloven. De profeten onthulden deze goddelijke schenking in hun tijd om het ware geloof te bevestigen en twijfels weg te nemen.
Verdere voorbeelden
- Ḥazrat ʿĪsā (ʿalayhis salām) zei tegen zijn volgelingen: “Ik maak jullie bekend wat jullie eten en wat jullie in jullie huizen bewaren.” (Qur’ān, Surah Āl ʿImrān 3:49)
- Ḥazrat Yūsuf (ʿalayhis salām) zei tegen zijn medegevangenen: “Voordat jullie voedsel ontvangen, zal ik jullie de betekenis ervan openbaren. Dit is kennis die mijn Heer mij heeft geschonken.” (Qur’ān, Surah Yūsuf 12:37)
Deze verzen tonen dat Ilm al‑Ghayb niet een gewone kennis is. Allāh stelde bijzondere bescherming in werking voordat boodschappen van het Ongeziene werden onthuld. Engelen werden gezonden om nabij de profeten te verblijven aan wie deze kennis was geschonken (Qur’ān, Surah al‑Jinn 72:26).
Conclusie
De verrijking met Ilm al‑Ghayb werd met groot respect geschonken aan de profeten, die hierdoor bevoorrecht werden met een unieke goddelijke zegen. Toch waren hun boodschappen en verantwoordelijkheden niet identiek. De Qur’ān zegt: “Die profeten hebben Wij met gaven begunstigd zoals Allāh het behaagde.” (Qur’ān, Surah al‑Baqarah 2:253)
Het verhaal van Ḥazrat Mūsā en Ḥazrat Khidr (ʿAlaihimussalām), beschreven in Surah al‑Kahf (18:65‑82), maakt duidelijk dat zelfs onder de profeten Ilm al‑Ghayb niet gelijkwaardig was. Elk kreeg kennis in overeenstemming met zijn persoonlijkheid en goddelijke missie.
Ilm‑e‑Ghayb van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ door Barkātī
De ‘Kennis van het Ongeziene (Ilm‑e‑Ghayb)’ was evenzo aan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ door Allāh Ta’ālā geschonken. Deze Ilm‑e‑Ghayb was in essentie het meest verlichte en vergaande wonder dat aan de Heilige Profeet ﷺ was geschonken. Dit wonder in z’n geheel overtrof alle wonderen van de profeten tezamen. Min of meer 124.000 profeten zijn over de tijd gespreid op aarde geweest met specifieke kennis van de verborgen kennisschat (Ilm‑e‑Ghayb). Doch de kennis die de Heilige Profeet ﷺ meekreeg was oneindig in zowel begrip als uitgestrektheid. Hiermee is gezegd dat iedere afzonderlijke kennisverrijking van de verschillende profeten in zijn geheel ook gegeven is aan de Heilige Profeet ﷺ. De Heilige Profeet ﷺ was het verpersoonlijkte symbool van alle voorgaande profeten over hun kwalitatieve karakters, hoeveelheid kennis en spirituele verlichting. Samenhangend met deze verkregen kennis en observatie van de Heilige Profeet ﷺ wordt in de Heilige Qur’ān geopenbaard: “Wa ‘anzala‑LLâhu ‘alay‑kal‑Kitâba wal‑Hikmata wa ‘allamaka mâ lam takun ta’lam; wa kâna fadlu‑LLâhi ‘alayka ‘azeemâ.”
“Allāh stuurde aan u, O Profeet! het Boek der Wijsheid en lering die u niet weet. Groot is de Genade van Allāh op u.” (Qur’ān, Surah al‑Nisāʾ 4:113)
In deze meesterlijke essentie verklaart de Qur’ān vers, dat na het schenken van deze oneindige schat der kennis er geen wetenschapsgebied en verlichting meer is, die niet binnen het domein van de Heilige Profeet ﷺ valt. Dit is wat de Heilige Qur’ān beschrijft als de ‘Fazl‑i‑ʿIlm’ (het Grote Genade), welke aan de Heilige Profeet ﷺ was geleerd door Allāh Almachtige: “Sanuqri-‘uka falâ tansâ.” (Qur’ān, Surah al‑Aʿlā 87:6)
Als de leraar aan zijn leerling zegt: “Ik heb je lezen geleerd en hiervoor wist je niets, dan is hij gerechtigd deze aanspraak te maken en niets staat hem in de weg om dit te zeggen. Het kan niet bestempeld worden als een teken om de leerling te degraderen, maar als de leerling tegen zijn leraar zegt ‘je wist niets, het is jouw leraar die het aan u hebt geleerd’ dan kan deze logica niet worden genegeerd.” Niettemin, het weergeeft dat de student schuldig is aan misdraging jegens zijn leraar. Dergelijk voorbeeld kan nauwelijks worden getraceerd in de kronieken van burgerlijk gedrag.
Wat de Heilige Profeet ﷺ ook wist kwam door de geschonken kennis door Allāh Ta’ālā. Dit was in feite al het geval voordat de wetenschap van de Heilige Qur’ān werd geopenbaard. Allāh Ta’ālā openbaart de status van de Heilige Profeet ﷺ:
“U wist niets van het Boek (Qur’ān) noch van het geloof (Imān).” (Qur’ān, Surah al‑Nūr 24:63)
Het is in overeenstemming met Almachtige status van de Goddelijke Verhevenheid. Het behoeft geen wereldlijke grootheid, zoals dat bij ons wel eens voorkomt, in respect voor de Heilige Profeet ﷺ. Het zou de hoge status van de Heilige Profeet ﷺ degraderen en beledigen. Het onomstreden feit behelst, dat Allāh Ta’ālā Ilm‑e‑Ghayb aan de Heilige Profeet heeft verzekerd. Indien iemand deze hoogachting van Goddelijke Waarheid negeert of ontkent zal hij zeer zeker schuldig zijn aan valsheid en minachting van de grootheid der Goddelijke Gunst. Zo iemand die als een vervloekte wordt aangemerkt is verstoten buiten de kaders van de islam. De kwaliteit van een ware moslim is het accepteren en geloven in iedere openbaring van Allāh Ta’ālā en in volle overtuiging naar te handelen en anderen ook aan te moedigen.
De Darbār (zitplaats van hoogwaardigheidsbekleder) van de Heilige Profeet ﷺ is een voorname Darbār die de grootsheid van wereldlijke koningen en monarchen voorbijstreeft. Het is een misdraging en misdrijf om luidkeels te praten in zijn verheven aanwezigheid; zulke handelingen veroorzaken het verlies van andere goede daden van een gelovige en verbeuren de Goddelijke Genade. Er is een strenge waarschuwing voor degenen die uit zijn Darbār wegsluipen zonder toestemming; dit behoort ook tot misdraging. Voor die mensen is een strikt voorteken voor uiterste bestraffing op de Dag des Oordeels. Er is geopenbaard: “Wa kazâlika ‘awhaynâ ‘ilayka Rouham‑min ‘amrinâ; mâ kunta tadree mal‑kitâbu wa lal‑‘eemânu wa lâkin‑ja‑‘alnâhu Nouran‑nahee bihee man‑nashâ‑‘umin ‘Ibâdinâ; wa ‘innaka latahdee ‘ilâ Sirâtim‑Mustaqeem.”
(Qur’ān, Surah al‑Shūrā 42:52)
Wij kunnen gissen wat de status van ontzagwekkende grootsheid van de Heilige Gezelschap is, door de genade van de heilige aanwezigheid van de Heilige Profeet ﷺ, waar zelfs de minste misdrijf wordt opgevat als een wandaad die gestraft zal worden door de Almachtige.
De metgezellen van de Heilige Profeet ﷺ zaten het liefst in zijn aanwezigheid in volkomen gerespecteerde houding, hun adem inhoudend om de statigheid van de vergadering niet te verstoren. Zij bezigden uitsluitend respectvolle woorden zoals: “O Profeet van Allāh! Moge mijn ouders opgeofferd worden ter uwe statigheid.” Voor iedere vraag die aan hen werd voorgelegd zeiden zij: “Allāh en Zijn Profeet ﷺ weten het beter.”
De drie dimensies van de Ghayb van de Heilige Profeet ﷺ
In het licht van de voorafgaande bewijslast moet toegevoegd worden dat de Heilige Profeet ﷺ was gezegend met de Kennis van het Ongeziene (Ilm‑e‑Ghayb) als een Gunst van Allāh. Wij kunnen het onderwerp van de drie engelen onderzoeken.
- Aan de Heilige Profeet ﷺ was deze Schat der Kennis rechtstreeks verleend door Allāh, dat wil zeggen zonder tussenkomst van een middel om de kennis over te dragen.
- Door de openbaring van de Heilige Qur’ān, welke de Schatkamer der Wetenschap is in het universum.
- De Heilige Profeet ﷺ was gestuurd als een “Shahīd” (Getuige), dat wil zeggen degene die voortdurend op de hoogte is van alles wat in de wereld gebeurt, degene die onderzoek en ondervraging doet én waarnemer is met een inzicht om vast te stellen en hun invloeden van dag tot dag kan analyseren. Hij was dus voortdurend op de hoogte van de door Allāh gezonden waakzaamheid met volmaakte kennis als een ooggetuige, met de autoriteiten van Ḥaqq‑ul‑Yaqīn en ‘Ain‑ul‑Yaqīn – de faculteit van getuigenis der dingen met standvastige Imān (geloof) en overtuiging.
Door het analyseren van Kennis van het Ongeziene van de Heilige Profeet ﷺ zoals in bovenstaand eerste gezichtspunt, namelijk het verlenen van Ilm‑e‑Ghayb direct van Allāh Almachtige, kunnen wij refereren naar de volgende verzen van de Heilige Qur’ān:
- “Tilka min ‘ambâ‑‘il‑gaybi nouhee‑hâ ‘ilayk; …” (Qur’ān, Surah Hūd 11:49)
- “Zâlika min ‘ambâ‑‘il gaybi nouheehi ‘ilayk; …” (Qur’ān, Surah Yūsuf 12:102)
- “Wa mâ huwa ‘alal‑gaybi bi‑daneen.” (Qur’ān, Surah al‑Takwīr 81:24)
Onderzoek naar de Kennis van het Ongeziene van de Heilige Profeet ﷺ vanuit het tweede gezichtspunt wordt geopend door de volgende verzen van de Heilige Qur’ān:
- “… wa nazzalnâ ‘alaykal‑Kitâba tibyânal‑li‑kulli shay‑inw‑wa Hudanw‑wa Rahmatanw‑wa Bushrâ lil‑Muslimeem.” (Qur’ān, Surah al‑Naḥl 16:89)
- “…; mâ kâna hadeethan‑yuftarâ wa lâkin‑tasdee‑qallazee bayna yadayhi wa tafseela kulli shay’inw‑wa…” (Qur’ān, Surah Yūsuf 12:111)
- “…; many‑yasha‑‘i‑LLâhu yudlilh; …” (Qur’ān, Surah al‑Anʿām 6:38)
- “…; qad jâ‑‘akum‑mina‑LLâhi Nourunw‑wa Kitâbum‑Mubeen.” (Qur’ān, Surah al‑Māʾidah 5:15)
- “Wa mâ min gaybatin‑fis‑samâ‑‘i wal‑‘ardi ‘illâ fee kitâbim‑Mubeen.” (Qur’ān, Surah al‑Naml 27:75)
- “…; wa lâ habbatin fee zulumatil‑‘ardi wa lâ rat‑binw‑wa lâ yâ‑bisin ‘illâ fee Kitâbim‑Mubeen.” (Qur’ān, Surah al‑Anʿām 6:59)
Door de ‘Kennis van het Ongeziene’ van de Heilige Profeet ﷺ als een getuige van alle zaken te onderzoeken, worden wij geleid naar de volgende verzen:
- “… wa ji’‑nâ bika ‘alâ hâ‑‘u‑lâ‑‘i Shaheedâ.” (Qur’ān, Surah al‑Nisāʾ 4:41)
- “Innâ ‘arsalnâ ‘ilaykum Rasoulan‑shâhidan…” (Qur’ān, Surah al‑Muzzammil 73:15)
- “Wa yawma nab‑‘athu fee kulli ‘ummatin shaheedan ‘alay‑him‑min ‘anfusihim wa ji’‑nâ bika shaheedan ‘alâ hâ‑‘u‑lâ.” (Qur’ān, Surah al‑Naḥl 16:89)
Ahadīth
- “Zoals ik alles voor mij zie, zo zie ik ook alles helder achter mij.” (Muslim Sharīf, deel 2, p. 116)
- “Ik zag Profeet Mūsā (ʿalayhis salām) in de vallei van Azraq …” (Ibn‑i‑Mājah, p. 20, 208)
- “De Heilige Profeet ﷺ heeft het Paradijs en de Hel gezien.” (Muslim Sharīf, deel 2, p. 180)
- “De Profeet ﷺ weet de naam van iedere bewoner die naar het Paradijs of de Hel gaat.” (Mishkāt Sharīf, p. 19)
- “Een man vroeg of hij naar het Paradijs of de Hel gaat …” (Bukhārī Sharīf, deel 3, p. 855)
- “Mijn totale Ummah was voor mij gepresenteerd …” (Muslim Sharīf, deel 1, p. 207; Musnad‑i‑Aḥmad; Ibn‑i‑Mājah)
- “Op een nacht was mijn Ummah voor mij gepresenteerd …” (Anbāʾ al‑Muṣṭafā, p. 19; Ṭabrānī)
Slot
“A‑‘indahou ‘ilmul‑gaybi fahuwa yarâ.” (Qur’ān, Surah al‑Najm 53:35)
Andere bevestigingen: Qur’ān, Surah al‑Mujādilah 58:7; Surah Ibrāhīm 14:19; Surah al‑Baqarah 2:243, 258; Surah al‑Nūr 24:41 (APA).
De Heilige Profeet ﷺ zei: “Ik zag Allāh Almachtige. Hij zette Zijn hand op mijn rug. Ik voelde de koelte in mijn borst. Binnen enkele tellen werd alles helder zichtbaar voor mij en ik herkende iedereen.” (Tirmidhī Sharīf; Mishkāt Sharīf, Karachi, p. 72)
De Profeet ﷺverdeelde ook delen van zijn Ilm‑e‑Ghayb onder zijn volgelingen
Tot zover hebben wij geschreven over de onmetelijke en diepgaande kennis van de Heilige Profeet ﷺ en beschouwende de overeenkomst van de kosmische machten werkende in het universum met de supermenselijke machten in het universum voorzien van menselijke visuele inzichten van het Ongeziene als een speciale gift van de Goddelijke Gunst, overtreffend en ongeëvenaarde menselijke intellect én onovertroffen sinds het bestaan der mensheid.
Wij zijn geneigd te denken en ons af te vragen of de Heilige Profeet ﷺ de hele schatkamer aan, door Allāh gegeven, kennis en in het bijzonder gerelateerd aan het Ongeziene beperkt heeft tot zichzelf of hij ook als gift enkele wetenschappen aan zijn liefhebbers die verlangend en capabel genoeg zijn heeft prijsgegeven.
Uit verschillende ahadīth kunnen wij leren dat de Heilige Profeet ﷺ niet alleen zijn liefhebbers en bewonderaars met de Goddelijke Gift begunstigde, maar het ook deed in alle openheid. Hij leerde hun hoe verbondenheid met Goddelijkheid in stand kan worden gehouden en voortgezet als het intellect zich uitbreidt en verder ontwikkeld in het wetenschapsgebied of geschiedenis. Dit is een expressie van Goddelijke dispensatie van gunst onder de volgelingen. Enkele ahadīth die hierover gaan zijn:
- Ḥazrat Abū Zarr Gaffārī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zegt: “De Heilige Profeet ﷺ heeft deze materiële wereld niet verlaten zonder ons iets te vertellen, er is in feite niet één vogel in de lucht waarover hij niets heeft verteld.” (Anbāʾ al‑Muṣṭafā, p. 8; Musnad Aḥmad; Ṭabaqāt Ibn Saʿd)
- Ḥazrat Ḥuzaifa (raḍiyAllāhu ʿanhu) rapporteerde: “Alleen de Heilige Profeet ﷺ stond tussen ons (om een preek te geven) en onthulde voor ons ieder detail van gebeurtenissen die plaats zullen vinden vanaf dit moment tot de Dag des Oordeels; hij hield niets achter en sloeg geen detail over.” (Anbāʾ al‑Muṣṭafā, p. 7; Bukhārī; Muslim; Musnad Aḥmad)
- “De Heilige Profeet ﷺ verliet de wereld niet zonder de beschrijving van elke ontwrichte (veroorzaker van onrust op aarde) te vertellen tot de Dag des Oordeels; alles, dat wil zeggen zijn naam, zijn vadersnaam en de naam van de volksstam of clan waartoe hij behoort.” (Mishkāt Sharīf, Bāb al‑Fitān)
- Tijdens de slag bij Badr onthulde de Heilige Profeet ﷺ de identiteit van de vijanden van de islam en wees hun plaatsen aan. Na afloop bleek dat alles exact was uitgekomen zoals hij had voorspeld. (Muslim Sharīf, Kitāb al‑Jihād, deel 2)
- Ḥazrat Anas bin Mālik (raḍiyAllāhu ʿanhu) rapporteerde dat de Profeet ﷺ na het Zohr‑gebed een toespraak hield over de Dag des Oordeels en zei: “Vraag mij, vraag mij (niemand zal na mij u iets kunnen vertellen).” (Bukhārī Sharīf, Kitāb al‑Iʿtiṣām, deel 3, p. 855)
Het volgende vers van de Heilige Qur’ān bevestigt zijn waarheidsgetrouwheid:
“De Heilige Profeet ﷺ heeft niets met tegenzin achtergehouden van de Kennis van het Ongeziene.” (Qur’ān, Surah al‑Takwīr 81:24)
Dit vers verklaart dat wat gevraagd wordt zal beantwoord worden en wat verzocht wordt gegarandeerd zal worden.
De vasthoudendheid van de Heilige Profeet ﷺ op verklaring in naam van Allāh en het nadrukkelijk aanmoedigen van zijn toehoorders om vragen te stellen, indiceert dat hij bij de Gratie van Allāh Almachtige was begiftigd met de Kennis van het Ongeziene en royaal was om iedere verzoeker tevreden te stellen.
Een Arabische Schriftgeleerde, Sheikh Aḥmad bin Muḥammad al‑Ṣiddīq al‑Ghamārī al‑Ḥasanī, heeft een boek geschreven getiteld Motābiqa al‑Ikhtiyārāt al‑ʿAṣriya, waarin hij voorspellingen van het Ongeziene verzamelde die de Heilige Profeet ﷺ gedurende vele momenten had onthuld. (APA)
Overtuigende feitelijkheid betreffende Ilm‑e‑Ghayb
Over alles wat in dit artikel is geschreven, met duidelijke rechtvaardiging en verantwoorde verklaring, zal de volgende breedvoerige realiteit over de Kennis van het Ongeziene in gedachten gehouden moeten worden en u zult zich niet door valstrikken laten afdwalen. U hebt zelf kunnen lezen dat het bewijsmateriaal in de Heilige Qur’ān gevonden is. Het eerste wat opgemerkt moet worden is, dat het “Ongeziene” een realiteit is, concreet en onbetwistbaar. Dat Ilm‑e‑Ghayb (Kennis van het Ongeziene) exclusief behoort aan Allāh Almachtige als Zijn Exclusieve Goddelijke Voorrecht, niemand heeft in welke vorm dan ook kennis hiervan of enige macht om Zijn Exclusieve Domein te weerleggen. Zijn kennis is compleet en volmaakt.
Allāh Almachtige begiftigt Zijn Kennis van het Ongeziene aan Zijn gekozen dienaren. Allāh Almachtige heeft de Kennis van het Ongeziene aan Zijn Profeten bedeeld. Allāh Almachtige heeft de Kennis van het Ongeziene aan de Heilige Profeet Mohammed ﷺ geschonken. De Heilige Profeet ﷺ heeft vervolgens zijn Kennis van het Ongeziene aan zijn metgezellen doorgegeven die het weer op hun beurt aan gekwalificeerde personen hebben doorgegeven. Deze overdracht is nog steeds actueel met de missie om de religie van Allāh te verspreiden.
Er is geen twijfel, de beroemde dichter en filosoof van de Islam, Allāmah Iqbal, heeft de notabele persoonlijkheid van de Heilige Profeet ﷺ in zijn mooie coupletten beschreven: “Lauh bhi tu, Qalam bhi tu, tera wujūd Al‑Kitāb Ghumbad‑e‑Abgina rang tere muheet mein habab.” (Iqbal, Kulliyyāt‑e‑Iqbal)
“U bent, O Heilige Profeet ﷺ, het Geschrift (van menselijke fortuin), U bent de pen van Godgeleerdheid (met macht) om de zaken van het universum te beschrijven en te tekenen, U bent de personificatie van het Boek van Allāh. Dit onmetelijke glazige baldakijn (de hemel) is niet meer dan een druppel in de enorme zee van Uw Verheven Kennis.”
Āmīn. Summa Āmīn!
Bronnen
- Iqbal, M. (n.d.). Kulliyyāt‑e‑Iqbal. Lahore: Sheikh Ghulām Ali & Sons.
- Qur’ān. (n.d.). Surah al ʿAlaq [96:4–5].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Ṭāhā [20:114].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Baqarah [2:3, 31, 243, 247, 258].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Kahf [18:65].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Anʿām [6:38, 59].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Yūnus [10:20].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Hūd [11:31, 49].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Jinn [72:26].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Āl ʿImrān [3:179].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Nisāʾ [4:41, 113].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Aʿlā [87:6].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Nūr [24:41, 63].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Shūrā [42:52].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Yūsuf [12:102, 111].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Takwīr [81:24].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Naḥl [16:89].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Māʾidah [5:15].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Naml [27:75].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Muzzammil [73:15].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Najm [53:35].
- Qur’ān. (n.d.). Surah al Mujādilah [58:7].
- Qur’ān. (n.d.). Surah Ibrāhīm [14:19].
- Ibn Mājah. (n.d.). Sunan Ibn Mājah. Kitāb al Sunan, Hadith nr. 224.
- Ibn ʿAbd al Barr. (1994). Jāmiʿ Bayān al ʿIlm wa Faḍlihī (Vols. 1–2). Cairo: Dār al Kutub al ʿIlmiyyah.
- Muslim Sharīf. (n.d.). Ṣaḥīḥ Muslim (Deel 1–2).
- Muslim Sharīf. (n.d.). Kitāb al Jihād (Deel 2).
- Bukhārī Sharīf. (n.d.). Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī (Deel 3).
- Bukhārī Sharīf. (n.d.). Kitāb al Iʿtiṣām (Deel 3, p. 855).
- Ibn Saʿd. (n.d.). Ṭabaqāt.
- Mishkāt Sharīf. (n.d.). Mishkāt al‑Maṣābīḥ, Bāb al‑Fitān.
- Anbāʾ al Muṣṭafā. (n.d.). pp. 7–8.
- Musnad Aḥmad. (n.d.). Musnad Aḥmad ibn Ḥanbal.
- Al Ghamārī, A. b. M. al Ṣ. al Ḥ. (n.d.). Motābiqa al Ikhtiyārāt al ʿAṣriya.
