Bismillāh-hier-Raḥmānīr-Raḥīm
Allāhs Naam is het Begin, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle
Inleiding: Spirituele en theologische glorie van de Bismillāh
De Bismillāh (بسم الله الرحمن الرحيم) is niet slechts een openingsformule, maar een diep spiritueel en juridisch-didactisch fundament in de islamitische traditie. Het reciteren ervan vóór elke handeling maakt die daad gezegend en toegestaan. De uitdrukking Bismillāh-hier-Raḥmānīr-Raḥīm vormt de sleutel tot de Heilige Qur’ān en tot alle toegestane handelingen. Elke goede daad die begint met het reciteren van de Bismillāh is gezegend en leidt tot succes. Indien een goede handeling niet met Bismillāh wordt begonnen, blijft deze onvolmaakt. Het is verboden om Bismillāh te reciteren voorafgaand aan een slechte daad. Wie eet of drinkt zonder Bismillāh te reciteren, nodigt Shayṭān (de duivel) uit aan zijn maaltijd. Bij het slachten van een klein dier (zoals een kip) dient men te reciteren: “Bismillāh Allāhu Akbar.”
De eerste āyah van elke surah in de Qur’ān, met uitzondering van Surah at-Taubah, is deze verzameling woorden die bekendstaat als de Bismillāh. Dit betekent dat het openingsvers is in 113 suwār (hoofdstukken) van de 114 suwār (meervoud van surah) van de Qur’ān. Het feit dat Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā) in Zijn oneindige Kennis en Wijsheid heeft besloten deze āyah zo vaak te herhalen, toont ons hoe belangrijk zij is. Volgens de geleerden kunnen alle eerdere openbaringen worden samengevat in de Qur’ān, de gehele Qur’ān in Surah al-Fātiḥah, en Surah al-Fātiḥah in de Bismillāh. Deze vijf woorden vatten dus in werkelijkheid alle openbaringen samen die ooit door Allāh Ta’ālā aan de mensheid zijn gezonden.
Allāh Ta’ālā openbaart
إِنَّهُ مِن سُلَيْمَانَ وَإِنَّهُ بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ
“Hij is van Salomo en luidt: ‘In de naam van Allāh, de Barmhartige, de Genadevolle.’” (Qur’ān 27:30)
Tijdens het Tarāwīḥ-gebed (het speciale avondgebed tijdens de maand Ramaḍān) is het verplicht dat de Ḥāfiẓ al-Qur’ān de Bismillāh ten minste één keer hardop reciteert.
Namen van Allāh
Volgens de ʿUlamāʾ zijn er drieduizend namen van Allāh Ta’ālā. Duizend zijn bekend bij de engelen, duizend bij de profeten, driehonderd staan in de Zabūr, driehonderd in de Torah, driehonderd in de Injīl, en negenennegentig in de Heilige Qur’ān. Dat maakt een totaal van 2.999 namen. Eén naam is enkel bekend bij Allāh Ta’ālā en werd geopenbaard aan de Heilige Profeet Muḥammad ﷺ. De namen Allāh, Raḥmān en Raḥīm in de Bismillāh vormen de kern van deze drieduizend namen. Wie Bismillāh reciteert, ontvangt de zegen van al deze namen.
Tafsīr-uitleg
Volgens Tafsīr al-Kabīr bestaat Bismillāh uit negentien letters. Er zijn ook negentien engelen die in Jahannam (de hel) mensen straffen. De hoop is dat door de glorie van Bismillāh deze engelen gepasseerd worden en de frequente reciteerder beschermd blijft tegen hels leed.
Vier rivieren in Jannah
Tijdens de Miʿrāj (hemelvaart) zag de Heilige Profeet ﷺ vier rivieren in Jannah (het paradijs): één met water, één met melk, één met wijn (paradijselijke drank), en één met honing. Op zijn vraag aan de aartsengel Jibrāʾīl (‘ʿalayhis salām), verscheen een engel die hem vroeg zijn ogen te sluiten. Toen hij ze opende, zag hij een gebouw met een gouden deur en een slot. Uit het gebouw stroomden de vier rivieren. Binnen zag hij vier pilaren met daarop de tekst Bismillāh-hier-Raḥmānīr-Raḥīm. Elke pilaar was de bron van een rivier:
- Water stroomde uit de letter Mīm van Bismillāh
- Melk uit de letter Hāʾ van Allāh
- Wijn uit de letter Mīm van Raḥmān
- Honing uit de letter Mīm van Raḥīm
Allāh Ta’ālā sprak: “O Geliefde! Elke gelovige uit uw Ummah (Ahl-Sunnah) die Bismillāh reciteert, is waardig voor deze vier rivieren.”
Spirituele remedies
Volgens Tafsīr Azīzī dient men bij problemen 12.000 keer Bismillāh te reciteren, in de volgende methode: reciteer 1.000 keer Bismillāh, verricht twee Rakʿāt Nafl Ṣalāh, en herhaal dit tot 12.000 keer recitatie en 24 Rakʿāt. Daarna smeekt men Allāh om oplossing van het probleem. InshāʾAllāh (als Allāh het wil), zullen de smeekbeden verhoord worden.
Indien een vriend tot vijand wordt, kan men 786 keer Bismillāh-hier-Raḥmānīr-Raḥīm reciteren en op diens maaltijd blazen. InshāʾAllāh, hij zal weer tot vriend worden. De recitatie van Bismillāh kent talloze voordelen.
Analyse van de woorden
De eerste letter in deze āyah is de Arabische letter Bāʾ, die “met” of “in” betekent. Deze zin is een voorbeeld van een ellips (weglating), waarbij een deel van de zin bewust is weggelaten. Allāh Ta’ālā leert ons te zeggen “in Zijn Naam”, maar specificeert niet wat we in Zijn Naam doen. Dit is opzettelijk gedaan zodat elke handeling die we verrichten in Zijn Naam geplaatst kan worden.
Daarom zeggen we Bismillāh bij:
- het verrichten van wuḍūʾ (ablutie),
- het nuttigen van voedsel of drinken,
- het uitvoeren van werk of autorijden.
Elke handeling, van het ontwaken tot het slapengaan, kan zo een daad worden in de Naam van onze Heer en Meester. Elke daad wordt dan een uiting van onze dienaarschap aan Hem, en brengt ons dichter tot Hem.
Vijf spirituele voordelen van de Bismillāh
- Herinnering aan Allāh Ta’ālā: Het reciteren van de Bismillāh helpt ons Allāh te herinneren. Het herinnert ons aan de Majestueuze en Magnifieke Aanwezigheid die zo nabij is. Allāh zegt in de Qur’ān dat “in de herinnering aan Allāh vinden de harten rust” (Qur’ān 13:28). Door deze woorden te herhalen, vinden we vrede en tevredenheid. Het is een daad van het hart, geliefd bij Allāh, en brengt ons dichter tot Hem.
- Herinnering aan onze dienaarschap: De Bismillāh herinnert ons aan het doel van ons bestaan. Wanneer de wereld ons afleidt en onze begeerten overheersen, vergeten we dat we geschapen zijn om Allāh te dienen. Door deze woorden te herhalen, zelfs bij de kleinste handelingen, herinneren we ons dat we hier zijn met een hogere roeping.
- Transformatie van elke daad tot aanbidding: Elke handeling kan een daad van aanbidding worden als we haar verrichten met de intentie om dichter tot Allāh te komen en Zijn Wet te volgen. Zelfs alledaagse handelingen zoals koken of werken worden dan spirituele daden die betekenis en beloning dragen.
- Hulp en steun van Allāh Ta’ālā: De letter Bāʾ in de Bismillāh wordt door taalkundigen aangeduid als de Bāʾ van istiʿānah – het zoeken van hulp. Door de Bismillāh te zeggen, vragen we Allāh om Zijn hulp en vergemakkelijking. We erkennen onze zwakte en Zijn almacht. Als Hij ons helpt, is er geen obstakel dat we niet kunnen overwinnen.
- Het vijfde voordeel van de Bismillāh: Het vijfde voordeel van het uitspreken van deze woorden vóór al onze handelingen is dat het ons weerhoudt van verboden daden. Wanneer we gewend raken om de Bismillāh te zeggen vóór elke handeling – hoe alledaags die ook mag zijn – dan zal, telkens wanneer onze begeerten ons aanzetten tot een zondige daad, InshāʾAllāh het uitspreken van deze woorden ons eraan herinneren dat Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā) nabij is. InshāʾAllāh zal dit ons ervan weerhouden die daad te verrichten.
Deze vijf voordelen zijn slechts enkele van de vele zegeningen die voortkomen uit het gewoonte maken van het reciteren van de Bismillāh vóór elke handeling. Hoe prachtig is het om elke daad uitsluitend voor Allāh Ta’ālā te verrichten? Hij is Degene Die ons geschapen heeft en Die ons in leven houdt, elk moment van ons bestaan. Zijn we Hem dan niet verschuldigd om elke handeling aan Hem toe te wijden?
De Qur’ān en de Bismillāh
Hoewel we de Bismillāh bij elke handeling zouden moeten zeggen, is een van de belangrijkste momenten om dit te doen vóór het reciteren van de Heilige Qur’ān. Aangezien we de Qur’ān benaderen als bron van leiding, is er geen moment waarop we meer behoefte hebben aan Allāhs hulp en Zijn welbehagen dan wanneer we Zijn Boek lezen en bestuderen. Hij wil dat we Zijn Naam noemen en Hem aanroepen wanneer we Zijn Boek naderen. Daarom heeft Hij deze āyah als eerste vers geplaatst in bijna elke Surah. Dit is Zijn manier om ons eraan te herinneren dat we onze intentie moeten vernieuwen bij het benaderen van Zijn Boek: het moet altijd voor Hem zijn. We lezen, bestuderen, overdenken en verkondigen dit Boek uitsluitend voor Hem, en in al deze handelingen smeken we om Zijn hulp. Bismillāh is een onderdeel van een volledige āyah (vers) van de Heilige Qur’ān, maar maakt geen deel uit van elke Surah (hoofdstuk). Met uitzondering van Surah at-Taubah (de spijtbetuiging, hoofdstuk 9), begint elke Surah met Bismillāh. De glorie van Bismillāh die hier besproken wordt, betreft de formule die bovenaan elke Surah staat, behalve bij Surah at-Taubah.
De Bismillāh als goddelijke eed
Een andere belangrijke reden waarom Allāh Ta’ālā de suwār van de Qur’ān begint met de Bismillāh is dat Hij daarmee een belofte aflegt in Zijn Naam dat alles in die Surah de waarheid is. Allāh spreekt altijd de waarheid, maar in de Qur’ān zweert Hij bij Zijn eigen Naam om te getuigen van de waarheid van wat Hij zegt. Door de Bismillāh vóór een Surah te plaatsen, zweert Hij dat alles in die Surah waar is. Alles wat de Surah bevat aan informatie moet zonder twijfel geloofd worden, en alles wat het bevat aan wetten moet zonder voorbehoud gevolgd worden. Als er iets in de Qur’ān is dat moeilijk te accepteren is, herinner jezelf dan eraan dat de Heer en Meester van het universum een eed heeft afgelegd in Zijn eigen Naam over wat in dit Boek staat.
De kern: herinnering en zuivere intentie
Zoals eerder genoemd, is wellicht het grootste voordeel van deze āyah dat zij ons helpt onze Heer te herinneren. Er is niets belangrijker dan Hem te gedenken. Wanneer we een handeling verrichten in Zijn Naam, is het essentieel dat we Hem bewust in onze gedachten brengen. Hij is de Volmaakte, de Bron van al het goede in ons leven. Hoe kunnen we Hem dan niet verheerlijken? Hoe kunnen we onszelf dan niet volledig aan Hem toewijden? Alleen door al onze handelingen uitsluitend voor Hem te verrichten, krijgt ons leven ware betekenis en doel. Wij zijn zwak en beperkt – niet waardig om onszelf toe te wijden. Alleen Hij is dat. De taal van de Bismillāh impliceert dat de handeling niet alleen voor Allāh is, maar ook uitsluitend voor Hem. Dit betekent dat wanneer we deze woorden vóór een handeling uitspreken, we die handeling verrichten in de Naam van Allāh en alleen in Zijn Naam. We doen die handeling voor Allāh en voor niemand anders. We kunnen deze woorden niet zeggen en dan een andere intentie hebben dan Zijn welbehagen. Dit is een cruciaal concept voor elke moslim, omdat het ons beschermt tegen trots en arrogantie in onze daden.
In onze huidige Ummah, waarin vroomheid niet overal zichtbaar is, worden de vromen vaak bewonderd. Wanneer een moslim een vrome daad verricht in een omgeving die minder vroom is, kan er een vleugje arrogantie in de intentie sluipen. Men kan die daad verrichten om zich beter te voelen dan de rest. Maar wanneer men de Bismillāh uitspreekt en zich herinnert dat deze woorden betekenen dat de daad uitsluitend voor Allāh is, InshāʾAllāh zal dat elke andere motivatie dan Zijn welbehagen verdrijven. InshāʾAllāh zal dit de oprechtheid in al onze handelingen waarborgen. We weten allemaal welke zware bestraffing in het Hiernamaals wacht op hen die vrome daden verrichten met de intentie om indruk te maken op mensen. Door altijd de Bismillāh te zeggen vóór elke handeling, en onszelf eraan te herinneren dat we die handeling alleen voor Hem verrichten, InshāʾAllāh kunnen we onszelf beschermen tegen deze verschrikkelijke afloop. We kunnen onszelf beschermen tegen de demonen van arrogantie.
De betekenis en glorie van de Naam “Allāh” in de Bismillāh
Het eerste deel van deze āyah (vers) impliceert dat we al onze handelingen verrichten “in de Naam van Allāh”. Uit authentieke ḥadīth weten we dat Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā) meer dan 99 Namen heeft, waarbij elke Naam een unieke eigenschap van onze Heer en Meester beschrijft. Elke Naam is een andere manier om onze Schepper te leren kennen. Maar de Naam Allāh wordt beschouwd als de grootste van Zijn Namen. Deze Naam is geen generieke vertaling van “god” in het Arabisch, maar Ism-e-Zaat (een eigennaam). In tegenstelling tot het Nederlandse woord “god”, kent de Naam Allāh geen meervoudsvorm of vrouwelijke variant. Waar men “goden” of “godinnen” kan zeggen en kufr (ongeloof) is, bestaat er geen equivalent voor Allāh. Hij is Eén en Uniek, verheven boven elke vorm van geslachtelijke differentiatie. En is dat niet precies zoals een Schepper zou moeten zijn? Dit verklaart Allāh Ta’ālā in surah Ikhlāṣ.
Kun je je voorstellen dat de Schepper en Onderhouder van het universum beperkt zou zijn, of partners zou hebben? De Naam Allāh betekent: Degene Die in alle opzichten Volmaakt is. Zo beschrijft de Qur’ān Hem ook. Er wordt gezegd dat de Qur’ān een spiegel is van het universum, en het universum een spiegel van de Qur’ān – omdat beide voortkomen uit dezelfde Bron. Door contemplatie van de schepping kunnen we concluderen dat deze wereld een Schepper en Onderhouder moet hebben, Die Volmaakt is, zonder beperkingen, zelfs boven geslachtelijke eigenschappen. En precies zo beschrijft de Qur’ān Hem. Dit vormt op zichzelf al een krachtig bewijs voor de waarheid van dit Boek. Andere religies leggen beperkingen op aan hun goddelijke concepten, maar alleen de islam beschrijft Hem zoals Hij werkelijk is: absoluut rein, volmaakt, zonder zwakte of gebrek – Degene Die de volledige toewijding van de schepping verdient.
De Naam “Allāh” als samenvatting van alle eigenschappen van Hem
De betekenis van de Naam Allāh is: Degene Die alle eigenschappen van volmaaktheid bezit. Omdat Hij Volmaakt is in elk opzicht, verdient Hij de onderwerping van de gehele schepping. Zijn andere Namen – zoals al-ʿAlīm (de Alwetende), al-Qadīr (de Almachtige), as-Samīʿ (de Alhorende), al-Baṣīr (de Alziende) – zijn allemaal vervat in de Naam Allāh. Wanneer we Hem aanroepen met deze Naam, roepen we Hem in feite aan met al Zijn Namen. Dit maakt de Naam Allāh de meest omvattende en complete van al Zijn Namen. Bijvoorbeeld:
- Hij zegt slechts “Wees!” en het is (Qur’ān H2:117).
- Hij kent het verleden, heden, toekomst én wat had kunnen zijn.
- Hij kent wat zich in de diepste oceanen bevindt, in de verste sterrenstelsels, en in de verborgen hoeken van ons hart.
- Hij hoort zelfs de zachtste fluistering en ziet door lagen van duisternis.
Etymologie van “Allāh”: al + ilāh
De Naam Allāh wordt vaak herleid tot de combinatie van al (de) en ilāh (object van aanbidding). Ilāh betekent niet slechts “god”, maar datgene waaraan het hart gehecht is – het centrum van iemands gedachten en handelingen. Door de eeuwen heen hebben mensen hun ilāh gemaakt van afgoden, hemellichamen, vuur, mensen, rijkdom, familie, status of begeerten. Alles wat iemands hart bezighoudt, kan een ilāh worden. Maar wanneer al en ilāh worden gecombineerd tot Allāh, betekent dit: het enige ware object van aanbidding. Hij is Degene Die dit verdient – omdat Hij onze Schepper en Onderhouder is, en omdat Hij Volmaakt is in Zijn Majesteit. Elke zegen en vreugde in ons leven komt van Hem. Hoe kun je dan zo’n Pure en Majestueuze Wezen kennen en je niet volledig aan Hem toewijden?
Moeilijkheden en de oproep tot inspanning
Sommigen geleerden beweren dat het moeilijk is om Hem tot het middelpunt van al onze handelingen en gedachten te maken. Ze wijzen op de vele afleidingen van het wereldse leven. En inderdaad, niemand beweert dat dit gemakkelijk is. De wereld is zichtbaar en tastbaar, terwijl Allāh Ta’ālā verborgen is. Zijn tekenen zijn overal, maar we moeten bewust moeite doen om ze te zien en te overdenken.
Toch moeten we proberen. Zelfs als we nooit het niveau bereiken waarop al onze handelingen puur voor Hem zijn, moeten we blijven streven. We moeten Hem herinneren, Zijn zegeningen erkennen, en beseffen dat elke seconde van ons leven een test is. Elke ademhaling is van Hem. Zijn Majesteit, Zijn Volmaaktheid, Zijn Schoonheid – hoe kun je zo’n Wezen kennen en Hem vergeten? Daarom moeten we de kracht vinden om Hem voortdurend te gedenken en alles wat we doen uitsluitend voor Hem te doen.
De Naam “Allāh” en Zijn volmaakte eigenschappen
Zoals eerder genoemd omvat de Naam Allāh al Zijn andere volmaakte Namen. Wanneer we Hem aanroepen met deze Naam, roepen we tegelijkertijd de Almachtige (al-Qadīr), de Alwetende (al-ʿAlīm), de Meest Barmhartige (ar-Raḥmān), de Meest Liefhebbende (al-Wadūd) aan. We beseffen dan dat alleen Hij deze volmaakte eigenschappen bezit. Dit besef versterkt onze toewijding aan Hem. Zijn volmaaktheid wordt ons des te duidelijker wanneer we Zijn Namen leren kennen. Zijn recht op aanbidding wordt dan onmiskenbaar. Hoe kunnen we niet vervuld zijn van ontzag voor de Almachtige? Hoe kunnen we niet overlopen van liefde voor de Meest Liefhebbende en Meest Zachtaardige? Hoe kunnen we niet diep onder de indruk zijn van de Alwetende?
Uniekheid van de Naam “Allāh”
Niemand anders dan Hij kan de Naam Allāh dragen, omdat deze Naam absolute volmaaktheid en afwezigheid van zwakte impliceert. Alles buiten Hem is op een of andere manier beperkt of gebrekkig. Sommigen beweren dat Allāh de naam was van een afgod die door de heidense Arabieren werd aanbeden, maar daar is geen enkel bewijs voor. Historisch onderzoek toont aan dat zelfs de heidenen deze Naam uitsluitend gebruikten voor de Schepper van hemel en aarde.
Universeel besef van een Schepper
Elke religie kent het concept van een Opperwezen – Degene Die alles heeft geschapen en het begin van alles is. Zelfs het eenvoudigste verstand begrijpt dat een beperkt universum niet uit zichzelf kan zijn ontstaan. Dit universele besef is mede te danken aan het feit dat Allāh Ta’ālā profeten en boodschappers heeft gezonden naar elke volk. Er bestaat geen natie of gemeenschap die geen profeet heeft ontvangen (Qur’ān 35:24). Al deze profeten verkondigden dezelfde boodschap: geloof in de Eenheid van Allāh en wijd je leven aan Zijn aanbidding. Hoewel deze boodschap in de loop der tijd vaak werd verdraaid, bleef het besef van een Opperwezen bestaan. Maar de zuivere kennis van Allāh raakte in veel religies verloren.
- Heidenen stelden afgoden als partners naast Allāh.
- Christenen schreven Hem een zoon toe en deelden Zijn goddelijkheid.
- Sommige joodse stromingen beperkten Zijn macht en beweerden dat Hij fouten kon maken.
Daarom is het een zegen dat wij als moslims geloven in Allāh als Eén, zonder partner, zonder gelijke. Hij is de Schepper, alles buiten Hem is geschapen. Hij is Volmaakt, alles buiten Hem is gebrekkig. Hij is Almachtig, Alwetend, en alles wat Hij doet is moeiteloos en vol Wijsheid. Geen andere religie biedt zo’n zuiver begrip van de Schepper. We moeten Allāh dankbaar zijn voor deze zuivere kennis.
De tweede helft van de Bismillāh: ar-Raḥmān en ar-Raḥīm
In het tweede deel van de Bismillāh beschrijft Allāh Zichzelf met twee Namen: ar-Raḥmān en ar-Raḥīm. Beide zijn afgeleid van Raḥmah, wat “barmhartigheid”, “compassie” en “tederheid” betekent. Maar deze Raḥmah is niet slechts een emotie – het is een allesomvattende, beschermende genade. Het woord is verwant aan Raḥīm (moederschoot), wat duidt op de zorg en bescherming die een foetus in de baarmoeder ontvangt: warmte, voeding, veiligheid, liefde.
Waarom koos Allāh ervoor om juist deze twee Namen te noemen in een vers dat 113 keer in de Qur’ān voorkomt? Waarom begint Zijn Boek met deze twee Namen?
Waarom niet al-ʿAlīm (de Alwetende), al-Baṣīr (de Alziende), al-Qadīr (de Almachtige)?
Het antwoord ligt in de essentie van Zijn relatie met de schepping: Zijn genade is de basis van alles. Zijn barmhartigheid is de eerste eigenschap waarmee Hij Zich tot ons richt. Het is Zijn genade die ons leven mogelijk maakt, die ons leidt, vergeeft en omhult. Daarom begint elke Surah met deze twee Namen – om ons eraan te herinneren dat Zijn genade altijd voorop staat.
De Genade van Allāh: Universeel, Onvergelijkbaar en Onuitputtelijk
Meer dan bij welke andere Naam ook, wil Allāh Ta’ālā dat wij Hem kennen als Degene van Genade. Hij wil dat wij Hem herkennen als de bron van Raḥmah. Zijn Genade is veelzijdig en ongeëvenaard. Het eerste bijzondere aspect is dat Zijn Genade zich uitstrekt tot de gehele schepping. Elk moment van het bestaan ervaart de schepping Zijn Genade door:
Schepping als manifestatie van Genade: Wij danken ons bestaan aan Hem. Hij is Degene Die ons in het leven heeft geroepen – mensen, dieren, planten, objecten, atomen. Alles. Hij heeft niets nodig van de schepping, maar heeft haar geschapen om Zijn Genade zichtbaar te maken. Elke ervaring, elke vreugde, elk moment van leven is een manifestatie van Zijn Genade.
Onderhoud en voorziening: Allāh is niet een passieve Schepper die het universum heeft geschapen en vervolgens heeft losgelaten. Hij is op elk moment actief betrokken bij het functioneren van de schepping. Hij houdt de atomen bijeen, voorziet energie voor beweging, en laat geen blad vallen zonder Zijn Wil (Qur’ān 6:59). Hij voorziet in alles wat de schepping nodig heeft – van lucht in onze longen tot voedsel in onze magen, van licht voor onze ogen tot onderdak, familie, vrienden en middelen van bestaan. Zelfs als we Zijn gunsten zouden willen tellen, zouden we daartoe niet in staat zijn (Qur’ān 16:18).
Genade voor elk schepsel: Zijn Genade strekt zich uit tot alles wat bestaat. De Qur’ān nodigt ons uit om naar de vogels te kijken die hun vleugels spreiden – niets houdt hen in de lucht behalve Hij (Qur’ān 67:19). Hij voorziet zelfs de kleinste mier en de diepste vis in de oceaan. Er is niets dat niet afhankelijk is van Hem, en niets dat Hij niet verzorgt.
De mens als ontvanger van bijzondere Genade: Hoewel Zijn Genade universeel is, zijn wij mensen de grootste ontvangers ervan. Allāh heeft alles op aarde voor ons geschapen én aan ons onderworpen (Qur’ān 45:13). Zelfs de zon en de maan zijn in dienst van de mens. Dit is een eer die geen ander schepsel heeft gekregen – een pure uiting van Zijn Liefde en Genade.
Het verstand als goddelijke gunst: Een van de grootste gunsten is het verstand. Hiermee kunnen we communiceren, leren, technologie ontwikkelen en ons leven vergemakkelijken. Van warme maaltijden tot digitale informatie – alles is voortgekomen uit het verstand dat Allāh ons heeft gegeven. Maar de grootste zegen van dit verstand is dat het ons in staat stelt Hem te kennen. Door reflectie op de schepping kunnen we Zijn bestaan herkennen. Andere schepsels zijn al in volledige onderwerping, maar de mens heeft het vermogen gekregen om bewust te reflecteren en te kiezen voor aanbidding.
Genade zelfs voor de ondankbaren: Ondanks dat velen hun verstand niet gebruiken om Allāh te kennen, blijft Zijn Genade hen omhullen. Sommigen danken Hem niet, anderen ontkennen zelfs Zijn bestaan. Toch voorziet Hij hen van lucht, voedsel, water, gezondheid. Hij laat hun hart kloppen en hun bloed stromen. Als Hij hen zelfs één moment zou verwaarlozen, zouden zij vergaan. En toch negeren zij Hem, terwijl zij Hem het meest nodig hebben.
Genade in uitstel en uitnodiging: Zelfs de tijd die zij krijgen om terug te keren is een vorm van Genade. Elk moment dat hen gegeven wordt, is een kans om zich te verbeteren, om terug te keren naar Hem. Zelfs voor hen die Hem niet erkennen, blijft Hij de Verzorger, de Onderhouder, de Genadige.
De hoogste manifestatie van Allāhs Genade: Hem mogen kennen
De grootste uiting van Zijn Genade is dat Hij ons de mogelijkheid heeft gegeven om Hem te kennen. Niet alleen heeft Hij ons geschapen, niet alleen onderhoudt Hij ons, niet alleen voorziet Hij ons van alles wat we nodig hebben – Hij heeft ons ook de kans gegeven om Hem te leren kennen. Hoe? Door de openbaring die Hij heeft neergezonden: de Heilige Qur’ān. In dit gezegende Boek beschrijft Hij Zichzelf. Hij vertelt ons Wie Hij is, zodat wij Hem kunnen kennen en liefhebben. Wanneer we beseffen hoe Volmaakt, Rein, Majestueus en Machtig Hij is – is dat dan niet de grootste vorm van Genade? Alleen al het besef van Zijn bestaan is een zegen.
Hij heeft ons ook in dit Boek laten weten wat Hem behaagt en wat Hem mishaagt, zodat wij kunnen streven naar Zijn tevredenheid en Zijn nabijheid. En wat is zoeter dan dat? Wat is subliemer dan het gevoel dat zo’n Wezen dicht bij je is? Dat Hij je ziet, je hoort, je kent – zelfs je kleinste verdriet. En dat Hij je beloont als je geduldig bent omwille van Hem. Dat Hij je dichter tot Zich brengt door jouw beproevingen. Daarom zegt Hij in de Qur’ān over degenen die dicht bij Hem staan: “Over hen is geen vrees, noch zullen zij treuren” (Qur’ān 2:38).
De Dīn al-Islām als genade
Een andere manifestatie van Zijn Genade is de religie van de Islām – deze prachtige levenswijze. Allāh heeft ons hierin leidinggegeven voor elk aspect van ons leven: als individu, als gezinslid, als lid van de samenleving. Van het betreden van het toilet tot het eten en drinken, van het omgaan met echtgenoten tot het opvoeden van kinderen, van de omgang met ouders tot het verrichten van aanbidding, van sociale interactie tot economische en politieke organisatie – alles is behandeld in deze Dīn. Door deze leiding te volgen, komen we dichter tot Hem en verbeteren we ons leven. We proeven Zijn Genade zowel in spirituele nabijheid als in wereldlijke rust.
Waarom is Hij zo genadig?
Waarom zou een Wezen als Hij zo genadig zijn? Wat heeft Hij erbij te winnen? Niets. Hij kiest ervoor om zo te zijn. Hij heeft geen behoefte aan lof, liefde of aanbidding. Hij heeft ons niet nodig. En toch kiest Hij ervoor om liefhebbend en zachtaardig te zijn. Hoeveel meer zouden wij Hem dan moeten liefhebben? Hoeveel meer zouden wij ons tot Hem moeten wenden?
Als het enige wat we van Hem wisten Zijn Genade en Goedheid was, dan zou dat al voldoende reden zijn om ons volledig aan Hem toe te wijden.
De oproep tot het tonen van genade
Wanneer we beseffen hoe genadig Hij is, hoe zouden wij dan moeten zijn? De Profeet ﷺ zei:
“Allāh zal geen Genade tonen aan degene die geen genade toont aan de mensen.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 6013). Allāh beschrijft de Profeet ﷺ als “een genade voor de werelden” (Qur’ān 21:107). Deze teksten tonen duidelijk dat Allāh wil dat wij Zijn eigenschap van Genade weerspiegelen. Sommige van Zijn eigenschappen zijn onbereikbaar – zoals Majesteit, Almacht, Alwetendheid – maar Genade is een eigenschap die Hij wíl dat wij navolgen. Natuurlijk kunnen wij nooit de Algenadige zijn zoals Hij, maar Hij wil dat wij zo genadig zijn als we kunnen. Als Hij ervoor kiest om zo volmaakt genadig te zijn, hoe kunnen wij dan denken dat Hij niet hetzelfde van ons verwacht? Iedereen – zelfs degenen die ons irriteren – bestaan uit Zijn schepping. Voor Zijn zaak: waarom zouden we ons niet kunnen beheersen? Waarom zouden we hen kwetsen met onze woorden of daden? En als we dat wel doen, hoe kunnen we dan verwachten dat Hij genade met ons heeft? En als Hij geen genade met ons heeft – wat blijft er dan nog over?
Genade als spiegel van toewijding
Wanneer we de Genade van Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā) erkennen, moeten we beseffen dat wie tot Zijn toegewijde dienaren wil behoren, ook zelf de eigenschap van genade moet cultiveren. Niet alleen mogen we anderen geen kwaad doen, we moeten actief streven naar hun welzijn. We moeten hen troosten, helpen bij hun moeilijkheden, raad geven en hun tevredenheid bevorderen – niet voor henzelf, niet voor onszelf, maar uitsluitend omwille van Zijn welbehagen.
De Dīn al-Islām als genade voor de schepping
Wanneer we erkennen dat Allāh de Bron van Genade is, wat kunnen we dan zeggen over de religie die Hij heeft geopenbaard? Kan deze iets anders zijn dan een genade voor de gehele schepping? Zoals Hij Zelf zegt: “En Wij hebben jou slechts als genade voor de werelden gezonden” (Qur’ān 21:107). Deze Dīn vormt de persoonlijkheid van haar volgers tot de meest genadige mensen. Haar wetten brengen genade voor de mensheid. Hoe kunnen sommigen dan beweren dat deze religie staat voor terreur en onderdrukking? Kennen zij dezelfde Qur’ān? Kennen zij dezelfde Allāh? De naam van onze religie betekent vrede (Islām), en het eerste kenmerk waarmee onze Schepper Zichzelf beschrijft is Raḥmah (genade). Dergelijke beschuldigingen komen voort uit onwetendheid, jaloezie of haat. Maar wie het Boek bestudeert, ziet de waarheid helder.
Het theologische vraagstuk van kwaad en lijden
Onderwerping aan de Meester: Een veelgehoorde vraag is: “Als Allāh zo genadig is, waarom laat Hij dan kwaad en lijden toe?” Het eerste antwoord is: het is niet aan ons om onze Meester te ondervragen. Allāh is niet alleen onze Schepper en Onderhouder, maar ook onze Heer en Meester. Hij heeft ons geschapen om Hem te aanbidden én te dienen. Onze enige zorg zou moeten zijn: “Wat kan ik doen om Hem nu te behagen?” Als dat ons levensdoel is, dan vervalt de behoefte om zulke vragen te stellen.
Het leven als beproeving: Het tweede antwoord is dat dit leven slechts een test is. Zou Allāh zielen zoals de onze – gevoelig, bewust, reflectief – geschapen hebben om slechts enkele jaren te leven en dan te verdwijnen? Nee. Er is een hiernamaals, en dat is het ware leven: vol vrede, vreugde en voldoening. Deze wereld is niet geschapen voor geluk, maar voor beproeving. Allāh zegt: “Denken jullie dat jullie het Paradijs zullen binnengaan zonder dat Allāh degenen onder jullie heeft beproefd die hebben gestreden en degenen die geduldig zijn?” (Qur’ān 3:142). Beproevingen zijn voorwaarden voor toegang tot het Paradijs. Ze zijn ook een middel om zonden te wissen. Geen mens is zonder zonde, behalve de profeten. Daarom is het een genade dat Allāh ons beproevingen geeft om ons te zuiveren.
Beproevingen brengen ons dichter tot Hem: Wie leeft in gemak en overvloed, kan gemakkelijk arrogant worden en zijn Schepper vergeten. Maar wie geconfronteerd wordt met lijden, herinnert zich zijn zwakte en wendt zich tot Allāh. Hij smeekt om hulp, en in die smeekbede ligt een verborgen zegen: nabijheid tot Allāh.
Vrije wil en menselijke verantwoordelijkheid: Een derde antwoord is dat veel kwaad voortkomt uit onze eigen keuzes. Allāh heeft ons vrije wil gegeven – een eer die de rest van de schepping niet heeft. De rest is altijd in onderwerping, maar wij mogen kiezen. En onze keuzes hebben gevolgen. Uiteindelijk komt het neer op: Kiezen we voor Hem, of voor onszelf? Hij verdient onze toewijding, maar vaak kiezen we voor ons ego.
Kwaad als gevolg van menselijke keuze
Wanneer wij ervoor kiezen om voor onszelf te leven en ons af te keren van Allāh (Subḥānahu wa Ta’ālā), wat anders kunnen we dan verwachten dan kwaad als gevolg? Allāh zegt in de Qur’ān:
“Corruptie is verschenen op land en zee door wat de handen van de mensen hebben verricht.” (Qur’ān 30:41). Hoe kunnen we dan verbaasd zijn over het kwaad en lijden in de wereld, als we kijken naar de toestand van onze harten? Hoe velen van ons herinneren Allāh? Hoe velen wijden hun leven aan Hem zoals we weten dat we zouden moeten? De meesten van ons hebben zich afgekeerd van het doel van onze schepping. En toch verwachten we Zijn Genade, en stellen we vragen over het kwaad dat we zien. Ja, Hij is Genadig. Maar Hij is ook Majestueus en Glorieus. Hij verdient het niet om genegeerd te worden. Hij verdient onderwerping en dienstbaarheid. In plaats van te vragen, moeten we onszelf hervormen. We moeten terugkeren naar Hem. Als ieder van ons dit doet, en anderen daartoe oproept, dan InshāʾAllāh zal de wereld verbeteren.
Beperkte kennis en het oordeel over kwaad
Een ander antwoord op het probleem van kwaad is het besef van onze beperkte kennis. Wij denken veel te weten, maar in werkelijkheid weten we weinig. Wat wij als kwaad beschouwen, kan in werkelijkheid veel goeds bevatten. En wat wij als goed beschouwen, kan veel kwaad in zich dragen. Wij kunnen het niet beoordelen. Alleen Hij, Wiens Kennis Volmaakt is, kan dat.
Daarom is het deel van onze aanbidding dat wij Zijn oordeel accepteren. Omdat we erkennen dat onze kennis beperkt is, en Zijn kennis absoluut is.
Ar-Raḥmān en Ar-Raḥīm: Essentiële en actieve Genade
In de Bismillāh gebruikt Allāh twee Namen die beide “Genade” betekenen, maar op verschillende manieren:
- Ar-Raḥmān: Degene Die Genadig is door Zijn Essentie. Eeuwige, allesomvattende Genade. Zelfs de heidense Arabieren erkenden dat alleen Allāh deze Naam kon dragen.
- Ar-Raḥīm: Degene Die Genadig is door Zijn daden. Hij verricht voortdurend en herhaaldelijk daden van Genade.
Deze twee Namen tonen aan dat er geen moment is waarin wij buiten Zijn Genade vallen. Op elk moment worden wij omhuld door Zijn Essentiële Genade én Zijn actieve Genade. Zelfs in moeilijkheden is Zijn Genade aanwezig — ook al zien we het pas later.
De Bismillāh als opdracht tot toewijding
De Bismillāh is niet slechts een formule — het is een bevel. Allāh zegt: begin elke handeling in Zijn Naam. Begin elk moment van je leven in Zijn Naam. Waarom?
- Omdat Hij Allāh is: Volmaakt, Majestueus, Glorieus.
- Omdat Hij Ar-Raḥmān en Ar-Raḥīm is: de bron van extreme Genade.
Hij heeft in deze eerste āyah al vastgesteld wie Hij is en wie wij zijn:
| Hij | Wij |
| De Meester | De dienaren |
| De Volmaakte | De afhankelijken |
| De Schepper | De geschapenen |
| De Voorziener | De ontvangers |
| De Genadige | De behoeftigen |
Wat is dan de logische consequentie van dit besef? Volledige toewijding. Dat is wat Hij van ons verwacht. En Hij toont ons in deze āyah hoe we die relatie kunnen aangaan: door Zijn Naam te noemen vóór elke handeling. Zo wijden we elke daad aan Hem.
De Qur’ān als reis naar Hem
Nog vóór we aan onze reis door de Qur’ān beginnen, is onze bestemming al duidelijk: Hij. Elke āyah die we leren, moeten we benaderen met de vraag:
- Hoe brengt deze āyah mij dichter tot Hem?
- Toont deze āyah mij een pad om te volgen of te vermijden?
- Roept deze āyah op tot een handeling of tot het nalaten ervan?
Dit zijn de vragen die we moeten stellen, InshāʾAllāh, bij elke stap in onze studie van dit Boek.
Bronnen
Heilige Qur’ān
Qur’ān. (n.d.). Surah al-Fātiḥah (1:1); Surah al-Baqarah (2:38, 2:117); Surah Āl ʿImrān (3:142); Surah al-Anʿām (6:59); Surah al-A’rāf (7:56); Surah al-Rūm (30:41); Surah al-Naml (27:30); Surah al-Raʿd (13:28); Surah al-Nahl (16:18, 16:36); Surah al-Anbiyāʾ (21:107); Surah al-Fuṣṣilat (41:6); Surah al-Mulk (67:19); Surah al-Jāthiyah (45:13).
Tafsīr en klassieke werken
Al-Rāzī, F. (n.d.). Tafsīr al-Kabīr.
Al-Qurṭubī, M. (n.d.). Al-Jāmiʿ li-Aḥkām al-Qur’ān (Deel 1, p. 92; Deel 3, p. 45; Deel 5, p. 112).
Azīzī, M. (n.d.). Tafsīr ʿAzīzī.
Ibn Kathīr, I. (n.d.). Tafsīr al-Qur’ān al-ʿAẓīm (Deel 1, p. 18, 22; Deel 2, p. 112).
Ibn Kathīr, I. (n.d.). Al-Bidāyah wa-n-Nihāyah.
Al-Ghazālī, A. (n.d.). Al-Maqṣad al-Asnā fī Sharḥ Asmāʾ Allāh al-Ḥusnā.
Ḥadīth
Al-Bukhārī, M. I. (n.d.). Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Ḥadīth 6013.
