Al-Nuʿmān ibn Thābit al-Taymi, al-Imam Abu Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu), is door Abu Dawood “De Imam” en door Ibn Hajar “De Imam, die de hemel heeft aangeraakt” genoemd. Hij is in de islamitische wereld bekend als de prominentste Imam (al-Imām al-Aʿẓam). Van de vier Ahle al-Sunnah-denkscholen heeft zijn school het grootste aantal volgelingen. Hij is de eerste van de vier mujtahid Imams en heeft als troonopvolger (Tābiʿī) als enige, van de vier Imams, de metgezellen Anas ibn Malik, Abd Allah ibn Abi Awfa, Sahl ibn Sad al-Sā’di, Abu al-Tufayl en `Amīr ibn Wathila van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ gezien. (Hussain, 2023; Nomani, 1982)

Imām Aʿẓam Abu Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) volledige naam was Numan bin Thābit bin Zuta bin Mah. Hij werd geboren in Kufa in Irak in 80 na Christus. Hij behoorde tot de vrome periode van de Tabīʿīn (opvolgers van de Sahāba-e-Kirām). Toen hij nog in zijn jeugd was, ontmoette hij grote Sahāba zoals Sayyidena Anas bin Mālik, Sayyidena Sahl bin Saad en Sayyidena Abul Tufail Amīr bin Wasila (raḍiyAllāhu ʿanhum). Imām Aʿẓam Abu Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) werd eerst opgevoed als handelaar, maar begon al snel grote interesse te krijgen in islamitisch leren. (Hussain, 2023)

Ḥazrat Abu Ḥanīfah is de eerste moslim in de Islam die het optekenen van fiqh heeft georganiseerd met de indeling titels en subtitels die het gehele rechtsgebied bestrijken. Hij begon met reinheid (ṭahārah), gevolgd door gebed (ṣalāh), een gebod dat gehandhaafd werd door achtereenvolgens alle Schriftgeleerden zoals Malik, Shāfiʿī, Abu Dawood, Bukhārī, Muslim en Tirmīzī. Al deze Schriftgeleerden en hun volgelingen zijn schuldig aan hem en geven hem een deel van hun beloning, omdat hij degene is die de weg naartoe voor hen heeft geopend conform de ḥadīth van de Profeet Mohammed ﷺ. (Nomani, 1982; Hussain, 2023)

Ḥazrat Al-Khaṭīb verhaalt, gehoord hebbende van Ḥazrat Abu Hanifa’s student Ḥazrat Abu Nuʿaym, dat hij zei: “Moslims moeten du’ā (smeekbede) doen aan Allāh ter wille van Ḥazrat Abu Ḥanīfah in hun gebed, omdat de Sunan en de fiqh door hem zijn beschermd.” (Hussain, 2023)

Ḥazrat Abu Ḥanīfah was waarlijk een vrome man. Hij weigerde Ibn Hubayra’s aanbod om rechter te worden, zelfs toen hij werd geslagen. Net als Ḥazrat Al-Bukhārī en Ḥazrat Al-Shāfiʿī reciteerde hij in iedere Ramaḍān zestig keer de volledige (khatma) Heilige Qur’ān; één keer overdag en één keer in de nacht. (Nomani, 1982)

Ḥazrat Al-Suyūṭī (raḍiyAllāhu ʿanhu) schrijft in Tabyid al-aīfa dat een zekere bezoeker Ḥazrat Abu Ḥanīfah observeerde en hem de hele dag in de moskee zag onderwijzen. Hij beantwoordde onophoudelijk vragen van zowel Schriftgeleerden als het gewone volk, behalve tijdens de gebedstijden. (Al-Suyūī, 1995)

Ḥazrat Sufyān al-Thawrī prees Ḥazrat Abu Ḥanīfah met de woorden: “Wij waren voor Ḥazrat Abu Ḥanīfah net als kleine vogels voor een valk.” (Hussain, 2023). Een voorbeeld van Ḥazrat Abu Hanifa’s helderheid in het uitleggen van wetgeving uit tekstbronnen kan uit de volgende ḥadīth worden afgeleid. De Heilige Profeet Mohammed ﷺ zei: “Uw leven, in vergelijking met de leeftijd van naties in het verleden, is net als de tijd tussen het middaggebed (‘asr) en zonsondergang.” (Nomani, 1982)

Zijn leerstelling wordt door de meeste moslims gevolgd. Zijn grootvader en overgrootvader waren moslims geworden. Het is niet bekend van welke streek zij afkomstig waren. Sommigen erkennen hen als Iraniërs, anderen zeggen dat zij uit Kaboel kwamen. (Hussain, 2023)

Er wordt gezegd dat Sabut Thābit, vader van Imam Aʿẓam Ṣāḥib, in zijn jeugdige jaren Ḥazrat ʿAlī had ontmoet. Ḥazrat ʿAlī had voor hem gebeden. Op oudere leeftijd kreeg Sabut een zoon die de mensen tot de Dag des Oordeels zullen herdenken. Imam Abū Ḥanīfah werd in het jaar 80 Hijri (689 n. Chr.) geboren in Kufa, Irak. Hij behoorde tot een familie in de zakenwereld. Zijn familie was van Perzische afkomst en een afstammeling van de nobele Profeet ﷺ metgezel Ḥazrat Salmān al-Fārsī (raḍiyAllāhu ʿanhu). (Nadwī, 2007; Nomani, 1982). Kufa was omstreeks de geboorte van Imam Aʿẓam een vooraanstaand centrum van wetenschap en kennis, waar veel van de metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) van de nobele Profeet ﷺ residentie hadden gekozen. Door de aanwezigheid van deze respectvolle mensen, die zoveel interesse in ḥadīth en riwāya hadden veroorzaakt, werden alle huizen in Kufa een centrum van discipline. (Nadwī, 2007). Het is vermeld in een Ḥadīth Sharīf die Imām al-Ḥarizmi heeft overgeleverd van Sayyidena Abū Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhumā), dat Sayyidena Rasūlullāh ﷺ zei: “Onder mijn Ummah zal er een man komen genaamd Abū Ḥanīfah. Op de Dag der Opstanding zal hij het licht van mijn Ummah zijn.” In een andere Ḥadīth Sharīf staat: “In elke eeuw zal een aantal van mijn Ummah hoge graden bereiken. Abū Ḥanīfah zal de hoogste van zijn tijd zijn.” (Durr al-Mukhtār). (Nomani, 1982; Nadwī, 2007)

Sabūt Thābit wilde zijn zoon, Imam Aʿẓam Ṣāḥib, later ook in de handel betrekken. Daarom stuurde hij Imam Aʿẓam Ṣāḥib niet naar school. Op een dag passeerde Imam Aʿẓam Ṣāḥib het huis van een eerwaarde dienaar van Allah, Ḥazrat Shaʿbi (raḍiyAllāhu ʿanhu), een geaccepteerde groot-Schriftgeleerde onder de opvolgers. Abū Ḥanīfah werd door de Sheikh bij zich geroepen, die hem als een student aanzag. “Waar ga je heen, jonge man?” vroeg Ḥazrat Shaʿbi. Abū Ḥanīfah noemde de naam van de handelaar die hij ging bezoeken. “Ik bedoelde, in wiens klas zit je?” zei de Sheikh. “In niemand zijn klas,” zei de Imam spijtig. “Ik zie tekenen van intelligentie in u,” zei Ḥazrat Shaʿbi verder, “u zult in het gezelschap van geleerden moeten vertoeven.” (Nadwī, 2007)

Na deze ontmoeting begon de jonge Imam een zoektocht naar kennis. Imam Abū Ḥanīfah leerde van meer dan vierduizend mensen. Onder zijn leraren bevonden zich vooraanstaande mannen van wie de sanad (ketting van ḥadīth-vertellers) terugging naar een groot aantal metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum). Hijzelf was gezegend met de ontmoeting met de metgezellen Anas ibn Mālik, ʿAbd Allāh ibn Afwa en Sahl ibn Saʿd (raḍiyAllāhu ʿanhum), dus behorende tot de groep Tābiʿīn (opvolgers van de metgezellen). (Nomani, 1982)

Onder de leraren van Imam Abū Ḥanīfah bevond zich Hammad ibn Sulaymān. Hij sloot zich op 22-jarige leeftijd aan bij de studiekring van Sheikh Shaʿbi en werd na enige tijd een zeer bekende redenaar. Bij deze Sheikh studeerde hij tot de Sheikh overleed. Hierna nam hij de majlis (studiekring) over. Op dat moment was hij veertig jaar oud. Shuʿbah, een leidende muḥaddith die tweeduizend ḥadīth uit het hoofd kende, was eveneens een leraar van Imam Abū Ḥanīfah. Shuʿbah was buitengewoon gehecht aan Imam Abū Ḥanīfah en zei: “Zoals ik weet dat de zon helder is, zo weet ik dat het leren en Abū Ḥanīfah het evenbeeld zijn van elkaar.” (Nadwī, 2007; Nomani, 1982)

De Imam’s zoektocht naar kennis nam hem ongetwijfeld mee naar de Heiligdommen, een tijdperk waarin Mekka een drukbezocht kenniscentrum was. Op 22-jarige leeftijd ging hij naar Medina om ḥadīth te studeren. Een groot aantal erkende meesters in ḥadīth, die toegang hadden tot de metgezellen (raḍiyAllāhu ʿanhum) van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, hadden hun eigen scholen opgericht. Eén van deze scholen was die van ʿAṭāʾ ibn Rabāḥ. ʿAṭāʾ was een beroemde Tābiʿī die geassocieerd was met de meeste metgezellen en door deze samenwerking status en autoriteit verkreeg. Hij beweerde tweehonderd mannen ontmoet te hebben die een bijzondere band met de nobele Profeet Mohammed ﷺ hadden. De leidende metgezellen erkenden zijn geleerdheid. ʿAbd Allāh ibn ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu), zoon van de kalief ʿUmar (raḍiyAllāhu ʿanhu), zei vaak: “Waarom komen mensen naar mij als Ḥazrat ʿAṭāʾ ibn Abī Rabāḥ bij hen is?” (Nadwī, 2007)

Van de andere muḥaddithīn van Mekka in wiens klas de Imam college volgde, bevond zich Ikrāmāh. Hij was de slaaf en leerling van ʿAbd Allāh ibn ʿAbbās, die hem met veel zorg en aandacht opleidde en hem zo bekwaam maakte dat hij gedurende zijn leven Imam Abū Ḥanīfah autoriteit gaf op het terrein van rechtspraak en vonnisuitvaardiging. “Imam Abū Ḥanīfah was de eerste die de islamitische jurisprudentie analyseerde, het in onderwerpen rangschikte, indeelde in afleveringen en het bereik en criteria vaststelde voor analytische redenering (qiyās).” (Nomani, 1982)

Ḥazrat al-Ḥāfiẓ al-Kabīr Abū Bakr Aḥmad al-Ḥarizmi schreef in zijn boek Musnad: “Saif al-Aʾimmah rapporteerde dat, als Imam Abū Ḥanīfah een zaak van de Qurʾān en ḥadīth afleidde, hij nooit antwoord gaf aan de vraagsteller totdat al zijn studenten het bekrachtigden. Duizend volgelingen van Imam Abū Ḥanīfah bezochten alle colleges toen hij in de moskee van Kufa doceerde. Veertig van hen waren mujtahid. Als hij een antwoord wilde vinden op een bepaalde zaak, vroeg hij zijn studenten het uit te zoeken, en zodra zijn studenten overeenstemming hadden bereikt op het antwoord (gebaseerd op de Heilige Qurʾān, ḥadīth en de woorden van de Sahāba), reageerde hij met ‘Alhamdulillāh wa-Allāhu Akbar’. Eenieder die daar aanwezig was herhaalde zijn woorden. Vervolgens vroeg hij zijn studenten het antwoord op te schrijven.” (Al-arizmi, 1998)

Ḥazrat Ibn ʿAbd al-Barr schrijft in zijn Al-Intiqāʾ dat ʿAbd Allāh ibn Aḥmad al-Dawraqi zei: “Ibn Maʿinn werd gevraagd over Abū Ḥanīfah en zoals ik het hoorde zei hij: ‘Hij is waarheidsgetrouw (thiqatun), ik heb nooit gehoord dat iemand hem afzwakte.’ Niemand minder dan Shuʿbah schreef hem en moedigde hem aan om ḥadīth te verhalen.” (Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Imam al-Shāfiʿī (raḍiyAllāhu ʿanhu) zou gezegd hebben: “Alle mannen van fiqh zijn kinderen van Abū Ḥanīfah” en “Ik zou niets geleerd hebben als het niet voor mijn leraar was. Alle mannen van wijsheid zijn kinderen van de ʿUlamāʾ van Irak, die op hun beurt de volgelingen zijn van de ʿUlamāʾ van Kufa, en zij zijn vervolgens volgelingen van Abū Ḥanīfah.” (Nadwī, 2007)

Gedurende veertig jaar voerde Imām Aʿẓam Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) de Fajr ṣalāh uit met de wuḍūʾ die hij maakte voor de ʿIshāʾ ṣalāh (dus hij sliep niet na het nachtgebed). Hij voerde vijfenvijftig keer de ḥajj uit. Hij reciteerde de hele Heilige Qurʾān één keer per dag en één keer per nacht. Imām Aʿẓam Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) had zoveel taqwā (vroomheid) dat hij dertig jaar lang elke dag vastte (behalve de vijf verboden dagen). Hij las de Heilige Qurʾān vaak in één of twee rakʿāt. Hij nam van niemand cadeautjes aan. Hij droeg kleren zoals die van de armen. Imām Aʿẓam Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) zei ooit: “Ik heb één keer in mijn leven gelachen en ik heb er spijt van.” Hij praatte weinig en dacht veel na. Er wordt gezegd dat hij op de plaats waar zijn ziel werd meegenomen, zevenduizend keer de Heilige Qurʾān las. (Nomani, 1982; Nadwī, 2007)

Toen Ḥazrat Imām Aʿẓam Ṣāḥib was afgestudeerd, begon hij in Kufa onderwijs te geven. Tegelijkertijd hield hij zich bezig met handeldrijven. In die tijd werd de heerschappij van de Umayya-familie steeds zwakker, terwijl de bevolking toenam. De koning van Kufa wenste dat hij zijn heerschappij conform de islam vorm kon geven. Hij riep hooggeleerde moslims bij elkaar en vroeg hen om advies. Ook Imām Aʿẓam Ṣāḥib wilde hij als zijn naaste medewerker hebben.

Imām Aʿẓam Ṣāḥib weigerde. Hij werd ook door welwillende mensen gevraagd het aanbod van de koning te accepteren. Echter, hij antwoordde: “Al zou de koning mij vragen om de deuren van de moskeeën te tellen, dan nog zal ik zijn aanbod niet aannemen. Hoe kan ik zijn aanbod aannemen, terwijl hij moslims vermoordt? Ik kan als zijn dienaar toch niet blijven toekijken?”

De koning beval zijn dienaren om Imām Aʿẓam Ṣāḥib iedere dag tien keer met de zweep te slaan. Imām Aʿẓam Ṣāḥib verdroeg deze kwelling, maar accepteerde het aanbod niet. Uiteindelijk moest de koning zijn hardnekkigheid loslaten. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Nadat Imām Aʿẓam Ṣāḥib vrij werd van de mishandeling door de koning, vertrok hij naar Mekka en bracht daar een aantal jaren door. In het jaar 132 Hijri (780 n. Chr.) werd de macht van de Umayya-familie omvergeworpen. Abbās kwam daardoor aan de macht. In plaats van in Damascus werd in Bagdad het bestuur gevormd. De mensen waren de martelingen door de Umayya beu. Iedereen verwierp de heerschappij van Abbās, maar hij begon door onvoorwaardelijke kwelling zijn macht uit te breiden. In die tijd werd de familie Sadāt het leven zuur gemaakt.

In Medina begon Ḥazrat Mohammed, een nazaat van Ḥazrat Imām Hassan en bekend als nakomeling van Zakia, de strijd. Imām Mālik vocht zij aan zij met hem. In Kufa bracht zijn broer Ibrāhīm 100.000 mannen bij elkaar. Imām Aʿẓam Ṣāḥib presenteerde ook 4.000 gelovigen. Desondanks bereikten zij niets en de Abbāssiden kregen voet aan de grond. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Kennedy, 2004)

Vanwege Imām Aʿẓam Ṣāḥib haatte de Abāsid-khalifah Mansoor hem, omdat hij Ibrāhīm had geholpen. Hij wilde hem straffen, maar zocht naar een aanleiding. In 146 Hijri nodigde hij Imām Aʿẓam Ṣāḥib uit in Bagdad. Aangekomen bood hij Imām Aʿẓam Ṣāḥib het ambt van rechter aan. Imām Aʿẓam Ṣāḥib antwoordde: “Ik ben het niet waard om rechter te worden.” Hierop antwoordde Mansoor: “Jij liegt.” Imām Aʿẓam Ṣāḥib antwoordde vervolgens: “Indien ik een leugenaar ben, dan heeft u met uw eigen woorden bewezen dat ik niet geschikt ben als rechter. Een leugenaar kan men immers niet tot rechter benoemen.” Vervolgens zei Imām Aʿẓam Ṣāḥib dat hij geen kennis had van het recht en dat alleen iemand die daarmee bekend is het ambt op zich kan nemen. Mansoor zweerde en zei: “Imām Aʿẓam Ṣāḥib, u moet het ambt accepteren.”

Imām Aʿẓam Ṣāḥib zweerde eveneens dat hij ongetwijfeld het aangeboden ambt niet zou aannemen. Iemand in de nabijheid zei: “Zweer jij in competitie met een rijkaard?”

Imām Aʿẓam Ṣāḥib antwoordde: “Ja, omdat een rijkaard gemakkelijk kaffārah (vergelding) kan betalen voor een meineed.” (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

De juiste reden van weigering

Imām Aʿẓam Ṣāḥib had twee keer geweigerd om een hoge ambtelijke baan aan te nemen, omdat hij daar niet om gevraagd had. Ḥākim en Amīr hadden hem zelf een topbaan aangeboden. Het betrof het bestuur van een moslimmachthebber en een moslim-Amīr in wiens rijk Imām Aʿẓam Ṣāḥib leefde.

Eén van de redenen was dat Imām Aʿẓam Ṣāḥib niet bekend was met de bureaucratische normen en waarden. Hij was niet begaafd in die zaken om de dictatoren met praatjes zoet te houden.

Een tweede reden was dat hij wist dat, ondanks het feit dat de gezaghebbers moslims waren, hun rol als heerser niet conform de islam was. Het waren heersers die meer gaven om de wereld dan om de islam. Zij deden alles wat noodzakelijk was om hun aanzien hoog te houden. Hierbij werd de islam niet in acht genomen.

Allāhs goede en eerlijke aanbidders hebben nooit zo’n baan aangenomen. Waarom zou Imām Aʿẓam Ṣāḥib dat dan doen? (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Imām Aʿẓam Ṣāḥib had duizenden leerlingen. Van deze leerlingen kregen Imām Mohammed en Imām Abū Yūsuf enorm veel eerbied.

Op een dag vroeg khalīfah Hārūn al-Rashīd aan Imām Abū Yūsuf: “Hoe was Imām Aʿẓam Ṣāḥib?”

Imām Abū Yūsuf antwoordde: “Hij was een zeer vroom mens. Hij ontweek altijd slechte dingen. Over het algemeen was hij stil. Wanneer iemand hem een vraag stelde, gaf hij antwoord als hij het wist, anders bleef hij stil. Hij was erg ruimhartig. Hij ging nooit met een verzoek naar iemand en hield afstand van alles wat met de wereld te maken had. Voor hem hadden werelds respect en status geen waarde. Ook vertelde hij nooit iets slechts achter iemands rug om. Wanneer hij over iemand sprak, deed hij het altijd in een positieve sfeer. Hij was, net als bij het uitgeven van geld, ook ruimhartig met het verspreiden van kennis over de islam.” Nadat Imām Hārūn dit had aangehoord, zei hij: “Dat is inderdaad de gewoonte van goede mensen.” (Nadwī, 2007; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997; Nomani, 1982)

Imām Aʿẓam Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) verdiende zijn brood met handel. Elke vrijdag deelde hij twintig gouden munten uit aan de armen voor de ziel van zijn ouders. Ieder mens moet bij zijn of haar werkzaamheid nadenken: Is dit wel een legitieme handel die ik drijf, en is de winst die ik daarmee maak acceptabel conform de islam?

Imām Aʿẓam Ṣāḥib was een groothandelaar. In het begin werkten agenten (tussenpersonen) bij hem. Op een dag kreeg hij een waardevolle graansoort, die hij voor de verkoop doorstuurde naar één van zijn agenten. Het graan was om de één of andere reden van slechte kwaliteit. Imām Aʿẓam Ṣāḥib maakte een notitie en stuurde de informatie over de slechte staat van het graan naar zijn agent. De agent verkocht het graan op de markt tegen een hoge prijs. Ondanks dat de koper gezien had dat het graan niet van goede kwaliteit was, betaalde hij toch drieduizend dirham. Toen Imām Aʿẓam Ṣāḥib hoorde dat zijn agent de koper niet op de hoogte had gebracht van de slechte kwaliteit, verdeelde hij die drieduizend dirham onder arme mensen. Zelf hield hij niets van die verkoop voor zichzelf. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Op een dag ging Imām Aʿẓam Ṣāḥib op weg naar een zieke persoon. Onderweg zag hij iemand die hij kende. Die persoon keerde meteen om en liep terug. Imām Aʿẓam Ṣāḥib riep hem van verre en vroeg hem te wachten. Toen Imām Aʿẓam Ṣāḥib bij hem aankwam, vroeg hij hem waarom hij omkeerde en terugliep. De man zei: “Ik had tienduizend dirham van u geleend en heb het u nog steeds niet terugbetaald. Dat was de schande waardoor ik terugging en niet de moed had u te ontmoeten.” Ḥazrat Imām Aʿẓam Ṣāḥib antwoordde: “Broeder! Wat is dat nou? Ik verleen je kwijtschelding voor die lening.”

Een ander persoon had een lening lopen. Hierdoor hield hij geen contact meer met anderen. Een vriend dacht: Ik zal wat geld inzamelen en de lening voor hem inlossen. Toen hij bij Imām Aʿẓam Ṣāḥib aankwam, vroeg Ḥazrat aan hem: “Hoe groot is de lening?” De vriend antwoordde: “Vierduizend dirham.” Ḥazrat zei: “Waarom al die moeite voor zo’n bedrag.” Ḥazrat gaf hem vierduizend dirham om de schuld van zijn vriend te voldoen.

Als Imām Aʿẓam Ṣāḥib een arme persoon zag, vroeg hij altijd naar diens toestand en zorgde voor onderdak. Hij was heel vriendelijk en openhartig voor zijn leerlingen en overige leergierigen. Ieder moment vroeg hij aan hen of zij iets nodig hadden. Bij de buren stond hij eveneens bekend om zijn gulheid en getrouwheid. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

In zijn wijk woonde een schoenmaker die een vrij leven leidde. Iedere avond liep hij onaangekondigd gedichten voor te lezen. Op een dag werd hij door de dorpswachter aangehouden en opgesloten. Die avond hoorde Imām Aʿẓam Ṣāḥib zijn stem niet meer en vroeg wat er gebeurd was. Nadat hij alles had aangehoord, ging Imām Ṣāḥib zelf naar de rechter en bevrijdde de schoenmaker uit de cel. De schoenmaker zei: “Broeder, ik had u niet geroepen om mij te bevrijden?” Ḥazrat antwoordde: “Dat is waar, maar ik heb mijn rol als buurman vervuld.”

Op dat moment vroeg de schoenmaker aan Allāh om vergiffenis en beloofde nooit meer iets kwaads te doen. Sindsdien begon hij islamitisch onderricht te vergaren en werd later opgenomen in de kring van de ʿUlamāʾ.

Toen de koning van Kufa Imām Aʿẓam Ṣāḥib mishandelde, omdat hij geweigerd had een top ambt te aanvaarden, was zijn moeder nog in leven. Zij werd dan erg ongerust en verdrietig. Imām Ṣāḥib zei dat hij zich niet bekommerde om de pijn die hij leed, maar dat hij wist dat zijn moeder verdrietig was en ook pijn leed. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

De zorg voor zijn moeder

De vader van Imām Aʿẓam Ṣāḥib overleed toen Ḥazrat nog jong was. Zijn moeder bleef lang in leven. Ondanks dat zijn moeder wist dat de gemeenschap naar haar zoon kwam om een vraag te stellen over de islam, stuurde zij hem naar een islamitische geleerde wanneer zij zelf een vraag had. Ḥazrat hoorde het antwoord en bracht het aan zijn moeder over. Wanneer zijn moeder zelf een vraag ging stellen, reed zij op een muilezel. Imām Ṣāḥib liep dan naast het dier mee met zijn moeder. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Imām Ṣāḥib gaf in de ochtend, na het verrichten van het ochtendgebed (fajr), les aan de mensen. Van overal kwamen brieven met vragen, die hij beantwoordde. Daarna riep hij zijn vergevorderde leerlingen bij elkaar en zocht samen met hen naar oplossingen voor de vraagstukken. De oplossingen waarop zij met z’n allen het eens waren geworden, werden opgetekend.

Na het verrichten van het middaggebed (ẓuhr) ging hij naar huis om even uit te rusten. Na het verrichten van het late middaggebed (ʿaṣr) begon hij opnieuw met lesgeven. De rest van de tijd ontmoette hij zijn vrienden en bezocht hij de zieken. In de nacht bracht hij zijn leven diep verzonken in het gebed door. Soms was hij ook bezig in zijn handelszaak. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997)

Het overlijden van Imām Aʿẓam

Imām Aʿẓam Ṣāḥib werd door Mansoor gevangengenomen, omdat hij geweigerd had het aangeboden ambt te aanvaarden. De laatste vier jaren van zijn leven bracht hij door in een cel. Gedurende die tijd bezochten leergierigen hem in de gevangenis voor onderwijs in de islam.

Op een gegeven ogenblik ontstond angst in het hart van Mansoor voor Imām Aʿẓam Ṣāḥib. Daarom mengde hij vergif in de drank van Imām Aʿẓam Ṣāḥib. Toen het vergif zich in zijn lichaam had verspreid, viel hij op zijn knieën voor Allāh en overleed in de maand Rajab.

Zeer eminente ʿUlamāʾ en andere moslims kwamen met duizenden naar de gevangenis. De Qāḍī waste zijn lichaam en herhaalde voortdurend: “Bij Allāh, u bent de grootste faqīh en de meest vrome man van onze tijd…”

Toen Imām Aʿẓam Ṣāḥib naar buiten werd gebracht, namen voor de eerste keer ruim 50.000 moslims deel aan het begrafenisgebed. In totaal werd het gebed zes keer verricht. Uiteindelijk werd hij begraven. Na zijn begrafenis werd nog gedurende twintig dagen zijn begrafenisgebed verricht.

De prominentste Imām overleed in Bagdad in het jaar 150 Hijri op zeventigjarige leeftijd, terwijl hij in ṣalāh was. Hij werd vergiftigd op bevel van kalief Mansoor. Zijn janāzah-ṣalāh werd zes keer verricht en telkens deden er 50.000 mensen aan mee. Mensen bleven komen en voor hem bidden gedurende twintig dagen nadat hij was begraven. Hij was zeventig jaar oud.

In 459 n. Chr. werd een mazār (graftombe) voor hem gebouwd door de Seldsjuk-heerser Alp Arslan. Hij ligt begraven in een graftombe in de buurt van Bagdad, Irak. (Nadwī, 2007; Nomani, 1982; Ibn ʿAbd al-Barr, 1997; Kennedy, 2004)

1. Juridische dimensie (Fiqh en rechtspraak)

  • Weigering van ambtelijke functies
    Imām Abū Ḥanīfah weigerde herhaaldelijk hoge ambten zoals het rechterschap. Juridisch gezien was dit een principiële keuze: hij wilde niet functioneren binnen een systeem dat volgens hem niet conform de Sharīʿah handelde. Dit sluit aan bij het fiqh-principe dat een qāḍī (rechter) niet slechts een uitvoerder is, maar een drager van morele verantwoordelijkheid.
    • Fiqh-basis: Een rechter moet voldoen aan de voorwaarden van ʿadālah (rechtschapenheid), kennis van de Qurʾān en Sunnah, en onafhankelijkheid van machthebbers. Abū Ḥanīfah achtte zichzelf niet in staat dit ambt te vervullen onder tirannieke regimes, en zijn weigering was dus een juridische daad van integriteit.
  • Economische integriteit
    Zijn handel en omgang met leningen tonen toepassing van fiqh-regels omtrent muʿāmalāt (transacties). Hij weigerde winst te behouden die voortkwam uit misleiding of gebrekkige informatie, en schonk deze aan de armen. Juridisch gezien handelde hij conform het principe van gharār (verbod op onzekerheid en misleiding) en ribā (verbod op onrechtmatige winst).

2. Theologische dimensie (ʿAqīdah en vroomheid)

  • Godsbewustzijn (taqwā)
    Zijn weigering om ambten te accepteren was niet slechts juridisch, maar ook theologisch gemotiveerd. Hij zag wereldse macht en status als vergankelijk en ondergeschikt aan de eeuwige verantwoordelijkheid tegenover Allāh. Dit weerspiegelt de Qurʾānische oproep: “En gehoorzaam Allāh en gehoorzaam de Boodschapper en degenen onder u die gezag hebben” (Qurʾān 4:59), maar alleen zolang dat gezag niet strijdig is met de goddelijke wet.
  • Rol van kennis
    Abū Ḥanīfah zag kennis als een trust (amānah) die niet mocht worden misbruikt voor politieke doeleinden. Zijn houding tegenover studenten en zijn methodische manier van lesgeven tonen een theologische overtuiging dat kennis een vorm van aanbidding is, en dat verspreiding van kennis gelijkstaat aan sadaqāh jāriyah (voortdurende liefdadigheid).
  • Zorg voor familie en gemeenschap
    Zijn zorg voor zijn moeder en zijn buren laat zien dat hij de Qurʾānische en profetische nadruk op birr al-wālidayn (goedheid jegens ouders) en uqūq al-jār (rechten van de buurman) praktisch toepaste. Dit is theologisch relevant omdat het laat zien dat vroomheid niet alleen in rituelen ligt, maar ook in sociale verantwoordelijkheid.

3. Synthese: Juridisch-theologische betekenis

  • Abū Ḥanīfa’s levenshouding vormt een juridisch precedent: weigering van functies die leiden tot compromitteren van Sharīʿah en morele integriteit.
  • Tegelijkertijd vormt het een theologisch voorbeeld: vroomheid, nederigheid en dienstbaarheid aan de gemeenschap zijn de kern van islamitische leiderschapsethiek.
  • Zijn leven illustreert de samenhang tussen fiqh en ʿaqīdah: recht en geloof zijn geen gescheiden domeinen, maar versterken elkaar in de praktijk van een moslim die weigert macht te misbruiken en kennis inzet voor het welzijn van de gemeenschap.

Kortom: De juridische weigering van Imām Abū Ḥanīfah (raḍiyAllāhu ʿanhu) om rechter te worden was een daad van fiqh-integriteit, terwijl zijn theologische motivatie lag in taqwā en het vermijden van wereldse verleiding. Samen vormen deze keuzes een model voor islamitische ethiek waarin recht en geloof elkaar aanvullen.

  • Al-Ḥarizmi, A. (1998). Musnad. Cairo: Dar al-Kutub al-ʿIlmiyya.
  • Al-Suyūṭī, J. (1995). Tabyid al-aīfa. Cairo: Dar al-Kutub al-Ilmiyya.
  • Hussain, M. H. (2023). Imam Abu anīfah: Life and Work. Jafri Library/Archive.org.
  • Ibn ʿAbd al-Barr, Y. (1997). Al-Intiqāʾ. Beirut: Dār al-Kutub al-ʿIlmiyya.
  • Kennedy, H. (2004). The Prophet and the Age of the Caliphates. London: Pearson Longman.
  • Nadwī, M. A. (2007). Imam Abu anīfah: Life and Legacy. Leicester: Islamic Foundation.
  • Nomani, A. R. (1982). Abu Hanifa’s High Rank in Hadith. Karachi: Islamic Research Academy.

Lees ook de samenvatting >>>


Translate »
error: Content is protected !!