De Baard

De Baard in de Islamitische Traditie: Theologische, Juridische en Historische Grondslagen

De baard neemt binnen de islamitische traditie een centrale plaats in als onderdeel van de fiṭrah, de natuurlijke constitutie van de man zoals door de Qur’ān wordt aangeduid.

“Daarom, richt uw aangezicht oprecht tot de (ware) godsdienst, overeenkomstig de natuur naar welke God de mensen heeft geschapen. – De schepping van God kent geen verandering. – Dat is het ware geloof. Maar de meeste mensen weten het niet.”(Qur’ān 30:30).

De profetische traditie bevat meerdere authentieke overleveringen waarin de Profeet Muḥammad ﷺ de gelovigen opdraagt de baard te laten groeien en de snor te korten (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 77, nr. 5893; Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 2, nr. 259). Deze normatieve aanwijzingen vormen de basis voor de juridische classificaties binnen de vier soennitische rechtsscholen. Over de baard wordt verschillend gedacht. Sommige moslims (mannen) doen het liefst alles voor de Heilige Profeet Mohammed ﷺ en willen dus zijn sunnat naleven. Deze mannen laten hun baard dan groeien. Anderen gaan verder en kleuren hun baard met mehndi (van oorsprong een Arabisch kleursel dat de laatste eeuwen ook in India en Pakistan wordt gebruikt).

Toen ik (Tangali) in 2004 voor de gezegende Ramaḍān in Istanbul, Turkije, was, viel het mij op dat veel imāms geen baard dragen. Tijdens een interview stelde ik een vraag aan een kenner van de islam over waarom sommige imāms wél een baard dragen. De man antwoordde dat de imāms die salaris ontvangen van de regering van overheidswege geen baard mogen dragen, terwijl de imāms die wél een baard dragen het salaris van de Turkse regering niet accepteren en zich volledig ten dienste van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ stellen, en dus naast farz (verplichting) ook de sunnat naleven. Hij zei verder dat zij op het gelukkige moment wachten waarop de godvrezende moslims weer aan de macht komen en de wet van de islam opnieuw zullen invoeren.

Qur’ān: Hoewel de Qur’ān geen expliciet voorschrift geeft over de baard, verwijst 30:30 naar de firah, die door de profetische traditie wordt geconcretiseerd in onder meer het laten groeien van de baard.

Aādīth, de belangrijkste overleveringen zijn:

  • “Laat de baarden groeien en kort de snorren.” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 77, nr. 5893)
  • “Handel anders dan de polytheïsten: laat de baarden groeien.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 2, nr. 259)

Klassieke juridische bronnen per Madhhab

MadhhabStatus baard laten groeienStatus scherenPrimaire bronnen
ḤanafīWājibḤarām / Makrūh taḥrīmīRadd al‑Mutār, Durr al‑Mutār, Fatāwā Razviyya
MālikīWājibMakrūh – ḤarāmMālikitische fiqh‑werken, Qurubī
ShāfiʿīSunnah muʾakkadahMakrūh (soms ḥarām)Shāfiʿitische commentaren, Jalālayn
ḤanbalīWājibḤarāmḤanbalitische fiqh‑werken

In Iyāʾ Uloom-ud-Dīn wordt de baard beschreven als een teken van waardigheid, ascese en navolging van de profetische ethiek. Bahāre Sharīʿat benadrukt de morele en identiteiten dimensie van de baard.

De baard is de Sunnah van de Anbiyāʾ, het teken van de islam, de erkenning van een moslim en de schoonheid op het gezicht van een man. Het houden van de baard houdt een afstand van verschillende zonden. De lengte van de baard dient minimaal een vuistlengte te zijn om van Sunnah te kunnen spreken, en het korter trimmen dan een vuistlengte of afscheren is ḥarām en een zonde (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 77, nr. 5893; Radd al‑Muḥtār; Durr al‑Muḥtār; Fatāwā Razviyya). Een man wiens baard korter getrimd is dan de voorgeschreven lengte of iemand die zijn baard scheert en dan als Imām wil voorgaan in namāz is niet toegestaan en een zonde (al‑Fatāwā al‑‘ʿĀlamgīrī; Bahāre Sharīʿat).

Imām Shah Amad Noorani Siddiqui (ʿAlayhi al-Raḥmah) zei: “Huffāz‑e‑Qur’ān dient geen fashion‑baarddrager te zijn maar van amal (praktijk) en niet vlak voor het begin van de Ramaḍān Sharīf de baard laten groeien om in de tarawīh voor te gaan. Namāz achter zo een Imām is in de Ḥanafī madhhab niet toegestaan” (Fatāwā Razviyya; Radd al‑Muḥtār).

Bespotten van de baard kan ook leiden tot kufr. Baard afscheren en de snor verlengen als een bezem is de weg van de kuffār, mushrikīn, majoosī en christenen. Het is door de Profeet Mohammed ﷺ aan de mannen bevolen om de baard te laten groeien en de snor te trimmen (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 2, nr. 259; Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 77, nr. 5893).

De snor geeft een zekere afscheiding die niet gezond is, en als het in aanraking komt met voedsel en water, dan is het ongezond en wordt het voedsel ḥarām. Daarom moeten mannen de snor op zijn minst trimmen en het liefst helemaal afscheren (Iḥyāʾ Uloom-ud-Dīn; Bahāre Sharīʿat). Het scheren van de baard verzwakt de mannelijkheid. Het verven van de baard en de hoofdharen met zwarte kleurstof is verboden conform authentieke Ahadīth (Sunan Abī Dāwūd, Boek 34, nr. 4212). Sommige dames krijgen ook baard of snor, maar zij mogen dit verwijderen (Iḥyāʾ Uloom-ud-Dīn).

OnderwerpVoorschriftJuridische statusBron
Baard laten groeienMinimaal vuistlengteWājib / Sunnah muʾakkadahRadd al‑Mutār, Durr al‑Mutār
Baard korter trimmenNiet toegestaanHarāmFatāwā Razviyya
Baard scherenNiet toegestaanHarāmDurr al‑Mutār
Snor trimmenVerplichtWājibṢaḥīḥ Muslim
Snor laten groeienNiet toegestaanMakrūh / HarāmIʾ Uloom-ud-Dīn
Zwart vervenVerbodenHarāmSunan Abī Dāwūd
Vrouwen gezichtsbeharingVerwijderen toegestaanMubāḥIʾ Uloom-ud-Dīn

Over de baard heeft de Heilige Profeet Mohammed ﷺ veel verteld aan zijn volgelingen. Onderstaand zult u enkele van deze uitspraken lezen die opgetekend zijn door de Sahāba (raḍiyAllāhu ʿanhum) die in de Ahadīth‑boeken staan (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī; Ṣaḥīḥ Muslim).

Op de Dag des Oordeels gaat de grijze baard [aangehouden conform Sunnah] een lichtbron worden (glimmen), en conform een andere ḥadīth gaat Allāh Ta’ālā elke grote zonde vereffenen met één grijze baardhaar (Fatāwā Razviyya, Deel 22, pp. 266–280).

Het laten groeien van de baard conform de Sunnah is een teken van liefde voor de Profeet Mohammed ﷺ (Iḥyāʾ Uloom-ud-Dīn; Bahāre Sharīʿat).

Ḥazrat Ibn ‘Umar (raḍiyAllāhu ʿanhu) vertelde dat de Profeet Mohammed ﷺ zei: “Knip de snor kort en laat de baard staan [zoals het is].” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī, Boek 77, nr. 5893).

Ḥazrat Abu Hurayrah (raḍiyAllāhu ʿanhu) vertelde dat de Profeet Mohammed ﷺ zei: “Trim de snor kort, laat de baard groeien én handel contra de vuuraanbidders.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Boek 2, nr. 259).

Ḥazrat Abu Sa‘īd al‑Khuḍrī (raḍiyAllāhu ʿanhu) vertelde dat de Profeet Mohammed ﷺ zei: “Er zullen enkele mannen uit het Oosten opduiken die de Heilige Qur’ān zullen reciteren en uitleggen, maar het zal niet door hun keel zakken [naar hun hart]… U gaat hen herkennen door de gewoonte om hun baard te scheren [gladscheren].” (Ṣaḥīḥ al‑Bukhārī; Fatḥ al‑Bārī, Deel 17, p. 322).

Ḥazrat Yaḥyā vertelde gehoord te hebben van Ḥazrat Malik, die gehoord had van Ḥazrat Zayd ibn Aslam, dat Ḥazrat ‘Atā ibn Yasār (raḍiyAllāhu ʿanhum) verhaalde dat de Heilige Profeet Mohammed ﷺ in de moskee was toen een man binnenkwam met onverzorgd (hoofd)haar en baard. De Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā wenkte met zijn hand dat hij weg moest gaan om zijn haar en baard te kammen. De man deed wat hem werd opgedragen en keerde daarna terug. Toen zei de Boodschapper ﷺ: “Is het zo niet beter dan dat iemand van jullie met onverzorgd haar komt alsof hij de Shayṭān (duivel) is?” (Muwattaʾ).

Uit de overgeleverde Ahadīth en de verklaringen van de Sahāba (raḍiyAllāhu ʿanhum) blijkt ondubbelzinnig dat de baard een duidelijk en zichtbaar onderdeel vormt van de profetische levenswijze. De uitspraken van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ tonen aan dat het laten groeien van de baard niet slechts een uiterlijke gewoonte is, maar een religieuze handeling die verbonden is met gehoorzaamheid, waardigheid en liefde voor de Boodschapper ﷺ. De waarschuwingen tegen het scheren van de baard, de nadruk op het trimmen van de snor en de beschrijving van de uiterlijke tekenen van bepaalde dwalende groepen onderstrepen het belang dat de islamitische traditie hecht aan dit onderwerp.

Daarnaast laten de overleveringen zien dat verzorging, netheid en respect voor het uiterlijk eveneens onderdeel zijn van de Sunnah. De Profeet ﷺ wees niet alleen op de lengte van de baard, maar ook op het belang van verzorging, zoals blijkt uit het incident van de man met onverzorgd haar in de moskee. Dit toont dat de baard zowel een religieuze verplichting als een morele verantwoordelijkheid draagt.

Gezamenlijk bevestigen deze Ahadīth dat de baard een teken is van navolging, identiteit en spirituele discipline. Voor de moslimman vormt zij een zichtbaar symbool van verbondenheid met de profetische traditie en een bescherming tegen het vervagen van religieuze grenzen. Het naleven van deze Sunnah is daarom niet slechts een uiterlijke daad, maar een uitdrukking van innerlijke toewijding en respect voor de weg van de Profeet Mohammed ﷺ.

  • Al‑‘ʿĀlamgīrī, N. (z.j.). AlFatāwā al‘Ālamgīriyya.
  • Al‑Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.j.). aī alBukhārī. Boek 77, nr. 5893.
  • Al‑Ghazālī, A. H. M. (z.j.). Iyāʾ Uloom-ud-Dīn.
  • Al‑Ḥaṣkafī, I. (z.j.). Durr alMutār.
  • Al‑Maḥallī, J., & Al‑Suyūṭī, J. (z.j.). Tafsīr alJalālayn.
  • Al‑Qur’ān al‑Karīm. (z.j.).
  • Al‑Qurṭubī, M. A. (z.j.). AlJāmiʿ liAkām alQur’ān.
  • Al‑Suyūṭī, J. (z.j.). AlItqān fī ʿUloom alQur’ān.
  • A‘ẓamī, A. A. (z.j.). Bahāre Sharīʿat.
  • Abū Dāwūd, S. ibn al‑Ash‘ath. (z.j.). Sunan Abī Dāwūd. Boek 34, nr. 4212.
  • Ibn ‘ʿĀbidīn, M. A. (z.j.). Radd alMutār alā alDurr alMutār.
  • Ibn Ḥajar al‑‘ʿAsqalānī. (z.j.). Fat alBārī, Deel 17, p. 322.
  • Mālik ibn Anas. (z.j.). AlMuwattaʾ.
  • Muslim, M. ibn al‑Ḥajjāj. (z.j.). aī Muslim. Boek 2, nr. 259.
  • Raza Khān, A. (z.j.). Fatāwā Razviyya. (incl. Deel 22, pp. 266–280).

Translate »
error: Content is protected !!