Door Muballigh-e-Azam Maulana Abdul Aleem Siddiqui Qadri (radi Allāhu anhu)
Voorwoord
Dit uittreksel is afkomstig uit het werk Bahār‑e‑Shabāb (De Lente van de Jeugd), een boek dat met grote oprechtheid en met diepe bezorgdheid voor de jeugd binnen de moslimgemeenschap is geschreven. Het betreft een werk dat, gezien zijn thematische reikwijdte en morele urgentie, in feite door een breed publiek gelezen zou moeten worden. Hoewel het door de Sheikh reeds geruime tijd geleden is samengesteld, blijft het tot op heden opmerkelijk relevant.
In dit werk worden zowel islamitische als seculiere wetenschappen besproken, met als voornaamste doel moslims inzicht te verschaffen in het feit dat de Sharīʿah in haar morele, sociale en antropologische principes steeds vooruitloopt op seculiere kennis. SubḥānAllāh Ta’ālā.
Ter ondersteuning van de argumentatie van de Sheikh heb ik enkele Qur’ān‑verzen, een bronnenlijst en aanvullende theologische toelichting opgenomen, zodat de lezer de besproken thema’s in hun bredere religieuze en intellectuele context kan plaatsen.
Allāh Ta’ālā Bron van kennis en de eervolle rang van de mens
Sheikh Abdul Aleem Siddiqui (ʿAlayhi al‑Raḥmah), de vader van Sheikh Shah Aḥmad Noorani Siddiqui (Raḥmatullāhi ʿalayh), geldt als murīd en khalīfah van Mujaddid‑e‑Aʿẓam Imam Aḥmad Raza Khan (raḍiyAllāhu ʿanhu).
Allāh Ta’ālā heeft de mensheid begiftigd met een breed scala aan vermogens, en Zijn Wijsheid heeft de mens voorzien van kennis die toepasbaar is in het dagelijkse leven. Hoewel de Schepper bepaalde vormen van kennis eveneens aan dieren heeft verleend, bestaat er een fundamenteel onderscheid tussen mens en dier. Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat de mensheid de hoogste rang binnen de schepping inneemt. Om die reden heeft de Schepper de mens uitgerust met een bijzondere cognitieve capaciteit die hem verheft boven de overige creaturen. Allāh Ta’ālā heeft bepaald dat de mens deze kennis op creatieve wijze benut en verder ontwikkelt. Een dergelijke mogelijkheid tot voortdurende intellectuele expansie is niet aanwezig binnen het dierenrijk. Allāh Ta’ālā openbaart:
ٱلَّذِى عَلَّمَ بِٱلْقَلَمِ
عَلَّمَ ٱلإِنسَانَ مَا لَمْ يَعْلَمْ
“(Allāh Ta’ālā Almachtige) leert (mensen) de pen te gebruiken (het basisfundament voor kennis); Hij leert de mens hetgeen hij niet weet (een Goddelijke roeping voor onderzoek en uitbreiding van wetenschap, zodat het leven geleid wordt op orthodoxe [soennitische] wijze én in gehoorzaamheid aan Allāhs Behagen).” (Surah al‑ʿAlaq, verzen 4–5)
Tegenwoordig wordt vaak gesteld dat de mensheid in een uitzonderlijk hoog tempo vooruitgaat en spoedig een staat van bijna volmaakte ontwikkeling zal bereiken. De vooruitgang op het gebied van technologie, natuurwetenschappen, chemie en diverse andere domeinen heeft de wereld een geheel nieuwe dimensie gegeven. De snelheid waarmee de mens zich ontwikkelt, stelt hem in staat grenzen te benaderen die ooit als onaantastbaar en onbereikbaar golden.
De wetenschappelijke en technologische vooruitgang vormt een opmerkelijke notatie van menselijke ontwikkeling, die een eeuw geleden fysiek onmogelijk was. Waar men vroeger jarenlang moeizame inspanningen moest leveren om grote afstanden af te leggen, maakt moderne technologie het mogelijk deze trajecten binnen enkele uren te overbruggen. In het huidige wetenschappelijke tijdperk kunnen trein, auto en vliegtuig de gehele wereld in korte tijd doorkruisen, iets wat in het verleden ondenkbaar was.
Ook de menselijke zintuigen waren voorheen beperkt tot wat de fysieke oren konden horen en de ogen konden zien. Tegenwoordig echter maakt moderne technologie het mogelijk om geluiden en beelden waar te nemen die zich op miljoenen mijlen afstand bevinden. Televisies, telefoons, telescopen en draadloze communicatiemiddelen kunnen binnen fracties van seconden beelden en geluiden vanuit de verste uithoeken van het universum overbrengen. Wat enkele decennia geleden nog als onmogelijk werd beschouwd, is nu een alledaagse realiteit.
Om de theologische dimensie van dit onderwerp verder te verhelderen, wordt hieronder een uittreksel uit Bahār‑e‑Shabāb weergegeven, een werk dat met grote oprechtheid is geschreven ter begeleiding van de moslimjeugd.
De schijn van vooruitgang: fitrah, fasād en de werkelijke maatstaf van ontwikkeling
Vanuit islamitisch‑theologisch perspectief wordt de hedendaagse technologische vooruitgang vaak voorgesteld als een teken van menselijke verheffing. De openbaring leert echter dat uiterlijke vooruitgang niet noodzakelijkerwijs samenvalt met innerlijke of morele ontwikkeling. De Qur’ān benadrukt dat werkelijke verheffing slechts mogelijk is wanneer de mens in harmonie leeft met zijn fitrah en de goddelijke leiding volgt:
لَقَدْ خَلَقْنَا ٱلإِنسَانَ فِيۤ أَحْسَنِ تَقْوِيمٍ
ثُمَّ رَدَدْنَاهُ أَسْفَلَ سَافِلِينَ
إِلاَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ فَلَهُمْ أَجْرٌ غَيْرُ مَمْنُونٍ
“Voorzeker, Wij hebben de mens in de beste vorm geschapen, daarna laten Wij hem vervallen tot het allerlaagste, behalve degenen die geloven en goede werken doen; hunner is een oneindige beloning.” (Qur’ān 95:4–6)
Wanneer de mens reflecteert op de bijzondere vermogens en vormen van kennis waarop de moderne wereld haar voortbestaan baseert, wordt duidelijk dat deze vooruitgang vaak gepaard gaat met een verzwakking van de menselijke natuur. De islamitische traditie leert dat fasād — morele en fysieke degeneratie — optreedt wanneer de mens zich verwijdert van de sunnatullāh, de goddelijke orde die de schepping structureert. De Qur’ān waarschuwt hiervoor:
ظَهَرَ ٱلْفَسَادُ فِي ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ بِمَا كَسَبَتْ أَيْدِي ٱلنَّاسِ لِيُذِيقَهُمْ بَعْضَ ٱلَّذِي عَمِلُواْ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ
“Verderf is gekomen over land en zee door hetgeen de handen der mensen hebben gewrocht, zodat Hij hen een gedeelte van hun daden zou doen smaken, opdat zij zich bekeren.” (Qur’ān 30:41)
Hoewel men zou kunnen proberen deze analyse te weerleggen door te verwijzen naar wetenschappelijke en technologische prestaties, toont de openbaring dat niet elke menselijke innovatie een teken van vooruitgang is. Sommige vormen van kennis hebben juist geleid tot een verzwakking van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de mens. De productie van talloze geneesmiddelen ter bescherming van menselijke capaciteiten illustreert dit: zij getuigen niet slechts van vooruitgang, maar ook van een onderliggende degeneratie die deze middelen noodzakelijk maakt.
In de islamitische theologie wordt vooruitgang niet gemeten aan kwantiteit, maar aan kwaliteit: de gezondheid van lichaam en ziel, de stabiliteit van de fitrah, en de mate waarin de mens zijn leven zuivert (tazkiyah) en in overeenstemming brengt met de goddelijke leiding. Een vergelijking tussen vroegere en huidige generaties maakt dit duidelijk. Twee eeuwen geleden kon men in een gemeenschap van 100.000 mensen binnen tien jaar een groei van 10.000 gezonde en sterke individuen waarnemen. In de huidige tijd daarentegen treft men in een vergelijkbare gemeenschap hooguit 20.000 tot 25.000 gezonde personen aan, terwijl het merendeel zwak, ziek of gehandicapt is.
De wijdverbreide aanwezigheid van ziekte, lichamelijke zwakte en een abnormale daling van natuurlijke productiviteit wijst erop dat de menselijke voortplantingskracht en de bijzondere fysieke en spirituele omstandigheden van de mensheid niet alleen worden belemmerd, maar ook onvoldoende worden beschermd. Indien de mens werkelijk vooruitgang had geboekt in de zin die de openbaring voorstaat, zou een dergelijke degeneratie niet zo sterk overheersen. De Qur’ān bevestigt dat wanneer de mens zich afkeert van goddelijke leiding, zijn uiterlijke macht hem niet redt van innerlijke achteruitgang:
وَمَنْ أَعْرَضَ عَن ذِكْرِي فَإِنَّ لَهُ مَعِيشَةً ضَنكاً وَنَحْشُرُهُ يَوْمَ ٱلْقِيامَةِ أَعْمَىٰ
“Doch degene die zich van Mijn gedachtenis zal afwenden, zal in benarde omstandigheden leven en op de Dag der Opstanding zullen Wij hem blind doen opstaan.” (Qur’ān 20:124)
Theologische reflecties op de bescherming van de menselijke essentie
Binnen de islamitische antropologie wordt het menselijk zaad beschouwd als een door Allāh Ta’ālā toevertrouwde amānah, een essentiële substantie die de voortzetting van het menselijk geslacht draagt. De Qur’ān benadrukt dat de mens uit een “verachtelijke druppel” werd geschapen, die vervolgens door goddelijke beschikking wordt gevormd en geleid:
أَوَلَمْ يَرَ ٱلإِنسَانُ أَنَّا خَلَقْنَاهُ مِن نُّطْفَةٍ فَإِذَا هُوَ خَصِيمٌ مُّبِينٌ
“Heeft de mens niet begrepen dat Wij hem hebben geschapen uit een levenskiem? Doch ziet, hij is klaarblijkelijk een redetwister!” (Qur’ān 36:77)
Deze āyah benadrukt zowel de nederige oorsprong van de mens als de verheven verantwoordelijkheid die voortvloeit uit deze scheppingsdaad. Vanuit dit perspectief geldt hetzelfde principe voor het menselijk zaad wanneer het op willekeurige, ongeschikte of onreine plaatsen wordt verspild, of wanneer het op onrechtmatige wijze wordt gebruikt. De gevolgen van een dergelijke omgang met deze essentiële substantie zijn ongunstig en dragen niet bij aan de gezonde ontwikkeling van individuen of samenlevingen. De Qur’ān herinnert de mens eraan dat elke vorm van wanorde in de schepping een gevolg is van menselijke overtreding van de goddelijke orde (sunnatullāh). Hoewel er geen tekort is aan artsen en geneesmiddelen, bestaat er een omvangrijke populatie die voortdurend medische hulp nodig heeft. De huidige situatie van behandeling en medicatie kan worden vergeleken met het tijdelijk dichten van een gat met een versleten doek, of met het voortdurend bijvullen van olie in een motor waarvan de ringen en lagers defect zijn: het probleem wordt verhuld, maar niet opgelost. Deze metafoor weerspiegelt de Qurʾānische waarschuwing dat uiterlijke middelen geen werkelijke genezing brengen wanneer de innerlijke orde is verstoord:
وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ
“En Die mij geneest wanneer ik ziek ben;” (Qur’ān 26:80). Het is daarom van groot belang dat verstandige en verantwoordelijke individuen nadenken over manieren om de bijzondere vermogens die de mens na het Nikāḥ bezit op een juiste, waardige en beschermde wijze te benutten. De Qur’ān beschrijft het huwelijk als een middel tot rust, bescherming en voortplanting binnen een goddelijke structuur: “En onder Zijn tekenen is dat Hij voor jullie echtgenotes heeft geschapen uit jullie eigen soort, opdat jullie rust bij hen vinden.” (Qur’ān 30:21). Binnen deze context wordt het menselijk zaad niet slechts biologisch, maar ook spiritueel beschermd, zodat men — met de Wil van de Schepper — gezegend kan worden met gezond nageslacht.
De man dient zijn sperma zo zorgvuldig mogelijk te beschermen, want het vormt een essentieel levensbeginsel dat in de delicate omgeving van de baarmoeder wordt gedragen. De Qur’ān benadrukt de heiligheid van deze fase:
ثُمَّ جَعَلْنَاهُ نُطْفَةً فِي قَرَارٍ مَّكِينٍ
“Dan plaatsen Wij hem als een kleine levenskiem in een veilige plaats.” (Qur’ān 23:13). Deze āyah verwijst naar de baarmoeder als een door Allāh Ta’ālā beschermde ruimte, wat de verantwoordelijkheid van de mens benadrukt om deze goddelijke orde niet te verstoren.
Op basis van mijn (Abdul Aleem) persoonlijke ervaringen met jongeren kan worden vastgesteld dat, wanneer honderd zieke jongens en meisjes om hulp zouden vragen, bij het overgrote deel een verzwakking van dezelfde fundamentele essentie zichtbaar zou zijn. Bepaalde geneesmiddelen kunnen tijdelijk kracht of stabiliteit bieden, vergelijkbaar met een steunverband dat een gebroken heup ondersteunt. Toch blijft dit slechts een kortdurende verlichting van een dieperliggende verstoring of aantasting van de menselijke essentie en haar karakteristieke eigenschappen. De Qur’ān herinnert eraan dat werkelijke verbetering slechts mogelijk is wanneer de mens terugkeert naar de goddelijke leiding:
لَهُ مُعَقِّبَاتٌ مِّن بَيْنِ يَدَيْهِ وَمِنْ خَلْفِهِ يَحْفَظُونَهُ مِنْ أَمْرِ ٱللَّهِ إِنَّ ٱللَّهَ لاَ يُغَيِّرُ مَا بِقَوْمٍ حَتَّىٰ يُغَيِّرُواْ مَا بِأَنْفُسِهِمْ وَإِذَا أَرَادَ ٱللَّهُ بِقَوْمٍ سُوۤءًا فَلاَ مَرَدَّ لَهُ وَمَا لَهُمْ مِّن دُونِهِ مِن وَالٍ
“Er zijn voor hem (de Boodschapper) bewakers (engelen) vóór en achter hem; zij bewaken hem door het gebod van Allāh Ta’ālā. Voorzeker, Allāh Ta’ālā verandert de toestand van een volk niet voordat zij hetgeen in hun hart is veranderen. En wanneer Allāh Ta’ālā een volk wenst te straffen, is er geen afwenden mogelijk, noch hebben zij een helper naast Hem.” (Qur’ān 13:11)
Deze Qurʾānische principes tonen aan dat de bescherming van de menselijke essentie — lichamelijk, moreel en spiritueel — niet slechts een medische of sociale aangelegenheid is, maar een theologische verplichting die diep verankerd is in de scheppingsorde. Werkelijke vooruitgang wordt daarom niet gemeten aan uiterlijke technologische prestaties, maar aan de mate waarin de mens zijn fitrah bewaart, zijn vermogens verantwoord gebruikt en zijn leven in overeenstemming brengt met de goddelijke leiding.
Voor zover het concept van de bescherming en het dienen van de zuiverheid van het menselijk geslacht betreft, kan dit niet worden bereikt door middel van medicatie of technische instrumenten. In de huidige, moreel verstoorde tijd raakt het leven van mensen steeds meer ontwricht wanneer zij hun bijzondere vermogens — op juiste of onjuiste wijze — gebruiken. In dit verband dringt de gedachte zich op aan de theorie dat de adolescentie een periode van verwarring en ontregeling vormt, waarin de mens bijzonder kwetsbaar is voor impulsiviteit en begeerte.
De verdienste van een werkelijk bekwame arts ligt daarom niet alleen in het wijs en professioneel behandelen van zijn patiënten, maar tevens in het bijbrengen van morele ethiek aan jongeren die verstrikt zijn geraakt in de stormachtige oceanen van lust en verleiding die de adolescentie kenmerken. Het is vergelijkbaar met het bouwen van een beschermende muur rondom een fontein om het water te bewaren, zodat het ten goede kan komen aan allen die ervan willen profiteren. Zonder bescherming gaat het water — in deze metafoor het menselijk zaad — verloren.
Hoe hevig de storm op zee ook mag zijn, een goed getrainde stuurman weet zijn schip veilig door de golven te leiden. Evenzo geldt dat wanneer een rivier op de juiste wijze wordt gecontroleerd en gekanaliseerd, zij het land irrigeert en nieuw leven schenkt. Een onbeschermde rivier daarentegen, die tijdens een storm buiten haar oevers treedt, vernietigt alles wat zich op haar pad bevindt, zoals een wild dier dat op rooftocht is. Deze beelden illustreren dat menselijke vermogens, wanneer zij niet worden geleid door discipline, ethiek en goddelijke richtlijnen, kunnen leiden tot schade in plaats van tot groei en welzijn.
De bescherming van de menselijke essentie in de moderne tijd
In de moderne tijd investeren talloze ministeries, waaronder ministeries van volksgezondheid, aanzienlijke middelen in onderzoek en de ontwikkeling van methoden en chemische formuleringen om ziekten te bestrijden. Gemeenten beschikken over uitgebreide databanken met probleemgevallen, en duizenden professionals worden ingezet om deze kwesties te behandelen. Toch rijst de vraag of er ergens ter wereld een ministerie of overheidsinstantie bestaat die zich daadwerkelijk bekommert om de bescherming van het menselijk wezen zelf — niet slechts in medische zin, maar in de zin van het juiste, waardige en moreel verantwoorde gebruik van de menselijke natuur.
Zijn er regeringen die zich zorgen maken over de morele en fysieke schade die ontstaat door het misbruik van wat in de islamitische traditie wordt beschouwd als een goddelijke essentie — het zaad waarmee Allāh Ta’ālā de mens heeft verrijkt? Welk land heeft zich werkelijk ingespannen om de corruptie en het misbruik van deze kern van de mensheid te corrigeren of te voorkomen? De aantasting van deze essentie vormt immers een bedreiging voor toekomstige generaties en draagt bij aan de verzwakking van naties.
Helaas blijkt dat veel overheidsinstellingen en denktanks zich niet bewust zijn van deze fundamentele realiteit, of deze eenvoudigweg veronachtzamen. Een oprecht en waarachtig persoon voelt diepe betrokkenheid en ervaart innerlijke pijn wanneer hij getuige is van de morele en fysieke achteruitgang van een natie en haar jeugd. De lezer zal in de pagina’s van dit boek de sporen aantreffen van deze pijn — als druppels van symbolisch bloed — die voortkomen uit bezorgdheid om de huidige en toekomstige generaties. De inhoud van dit werk bestaat niet uit illusies, fantasieën, theoretische constructies of medische voorschriften, noch uit speculaties van wetgevers of hypothesen van wetenschappers. Het zijn woorden die ontspringen aan een oprecht hart, doordrenkt met zorg en mededogen voor de jeugd van de wereld.
Moge de Heer van het heelal deze woorden zegenen en hun invloed laten doordringen tot de harten van de mensheid. O Genadevolle Allāh Ta’ālā, maak deze woorden tot een bron van leiding voor allen die zijn afgedwaald van Uw rechte pad. Āmīn.
Besluit
De analyse in dit artikel maakt duidelijk dat de moderne wereld, ondanks haar indrukwekkende technologische en medische vooruitgang, tekortschiet in het beschermen van de meest fundamentele essentie van de mens. Terwijl regeringen en instellingen miljarden investeren in het bestrijden van ziekten en het beheren van maatschappelijke problemen, blijft de kern van menselijke zuiverheid en morele verantwoordelijkheid grotendeels onbeschermd. De menselijke fitrah — de natuurlijke, door Allāh Ta’ālā geschapen staat — wordt bedreigd door misbruik, onwetendheid en een gebrek aan morele richting, waardoor toekomstige generaties gevaar lopen.
De islamitische traditie leert dat werkelijke vooruitgang niet wordt gemeten aan uiterlijke prestaties, maar aan de mate waarin de mens zijn innerlijke orde bewaart en zijn leven in overeenstemming brengt met de goddelijke leiding. Wanneer de essentie van de mens wordt verwaarloosd, ontstaat fasād: morele, sociale en fysieke degeneratie die zich uitstrekt over individuen, families en samenlevingen. De huidige toestand van de mensheid bevestigt deze Qurʾānische waarschuwing.
Tegen deze achtergrond vormt dit werk een oproep tot herbezinning. Het vraagt om een terugkeer naar verantwoordelijkheid, discipline en eerbied voor de goddelijke amānah die in de mens is gelegd. De woorden in dit hoofdstuk zijn geen theoretische constructies, maar een getuigenis van oprechte zorg voor de jeugd en de toekomstige generaties. Zij nodigen de lezer uit om de menselijke vermogens niet te verspillen, maar te beschermen, te kanaliseren en te verheffen — zoals een rivier die, wanneer zij juist wordt geleid, leven brengt in plaats van vernietiging.
Moge Allāh Ta’ālā, de Heer van het heelal, deze inspanning zegenen en de harten openen voor leiding, inzicht en morele helderheid. Moge Hij de mensheid terugbrengen naar de waardigheid van haar oorspronkelijke fitrah en haar behoeden voor de gevaren van misbruik en morele ontwrichting. Āmīn.
Bronnen
- Qur’ān. (z.j.). De Heilige Qur’ān (20:124; 23:13; 26:80; 30:21; 30:41; 36:77; 95:4–6; 96:4–5).
- Siddiqui, A. A. (z.j.). Bahār‑e‑Shabāb [De Lente van de Jeugd].
