Inleiding
Minachting is een houding waarbij iemand op anderen neerkijkt, hen veracht, kleineert of minderwaardig acht. Binnen de Sharīʿah wordt minachting niet slechts beschouwd als een sociaal ongewenste eigenschap, maar als een ernstige geestelijke en morele tekortkoming die schadelijke gevolgen heeft voor zowel het individu als de samenleving. De islamitische bronnen verbinden minachting nauw met hoogmoed (kibr), arrogantie en het schenden van de eer en waardigheid van medemensen. Dit artikel onderzoekt de positie van minachting binnen de Sharīʿah aan de hand van de Heilige Qur’ān, de Sunnah en klassieke soennitische geleerden.
Het verbod op minachting in de Heilige Qur’ān
De Heilige Qur’ān verbiedt uitdrukkelijk het bespotten, vernederen en kleineren van anderen:
يٰأَيُّهَا ٱلَّذِينَ آمَنُواْ لاَ يَسْخَرْ قَوْمٌ مِّن قَوْمٍ عَسَىٰ أَن يَكُونُواْ خَيْراً مِّنْهُمْ وَلاَ نِسَآءٌ مِّن نِّسَآءٍ عَسَىٰ أَن يَكُنَّ خَيْراً مِّنْهُنَّ وَلاَ تَلْمِزُوۤاْ أَنفُسَكُمْ وَلاَ تَنَابَزُواْ بِٱلأَلْقَابِ بِئْسَ ٱلاسْمُ ٱلْفُسُوقُ بَعْدَ ٱلإَيمَانِ وَمَن لَّمْ يَتُبْ فَأُوْلَـٰئِكَ هُمُ ٱلظَّالِمُونَ
“O, gij die gelooft! Laat een volk het andere volk dat waarschijnlijk beter is dan zij, niet bespotten, noch vrouwen andere vrouwen, die misschien beter zijn dan zij. En belastert elkander niet, noch noemt elkaar bij scheldnamen. Kwaad is (het geven van) een slechte naam na de aanvaarding van het geloof, en zij die geen berouw tonen zijn de onrechtvaardigen.” Surah al-Ḥujurāt (de binnenkamers), H49, vers 11
Volgens Imām al-Qurṭubī omvat deze āyah alle vormen van minachting, waaronder spot, vernedering, het wijzen op tekortkomingen en het kleineren van anderen vanwege hun uiterlijk, afkomst, status of omstandigheden (al-Qurṭubī, z.d.).
De Qur’ān benadrukt bovendien dat de ware waarde van een mens niet ligt in zijn wereldse positie, maar in zijn godsvrucht:
يٰأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُم مِّن ذَكَرٍ وَأُنْثَىٰ وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوباً وَقَبَآئِلَ لِتَعَارَفُوۤاْ إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عَندَ ٱللَّهِ أَتْقَاكُمْ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ
“Voorwaar, de meest geëerde onder jullie bij Allāh is degene die het meest Allāh vrezend is.” (Al-Qur’ān, 49:13).
Hieruit volgt dat minachting gebaseerd op rijkdom, afkomst, intellect, religieuze kennis of maatschappelijke positie strijdig is met de islamitische mensvisie.
Minachting als onderdeel van hoogmoed
De bekendste profetische definitie van hoogmoed luidt: “Hoogmoed is het verwerpen van de waarheid en het minachten van mensen.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Īmān, ḥadith nr. 91). Deze ḥadith laat zien dat het neerzien op anderen niet slechts een karakterfout is, maar een wezenlijk onderdeel vormt van kibr.
De Profeet ﷺ waarschuwde tevens: “Degene in wiens hart het gewicht van een mosterdzaad aan hoogmoed aanwezig is, zal het Paradijs niet binnengaan.” (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Īmān, ḥadith nr. 91).
Volgens Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī ontstaat minachting wanneer iemand zichzelf beter acht dan anderen en daardoor hun rechten, eer of waardigheid niet langer respecteert (Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, z.d.).
De spirituele oorzaken van minachting
Imām al-Ghazālī bespreekt in Iḥyāʾ ʿUloom ud Dīn dat minachting vaak voortkomt uit:
- Zelfingenomenheid (ʿujb).
- Hoogmoed (kibr).
- Liefde voor status en aanzien.
- Trots op afkomst, rijkdom of kennis.
- Jaloezie.
Volgens al-Ghazālī vergeet degene die anderen minacht zijn eigen tekortkomingen, terwijl hij uitsluitend de fouten van anderen ziet. Hierdoor ontwikkelt zich een geestelijke ziekte die leidt tot onrechtvaardigheid en zonden (al-Ghazālī, z.d.).
Juridische implicaties binnen de Sharīʿah
De klassieke Hanafi-bronnen beschouwen het beledigen en vernederen van moslims als verboden. In Radd al-Muḥtār en al-Durr al-Muḥtār wordt benadrukt dat de eer van de moslim beschermd is en dat het schenden daarvan behoort tot de verboden handelingen (Ibn ʿĀbidīn, z.d.).
Bahāre Sharīʿat vermeldt dat het vernederen van een moslim zonder rechtvaardige reden een zonde is en in strijd is met de islamitische omgangsvormen (Amjad ʿAlī Aʿẓamī, z.d.).
In Fatāwā Razviyya bespreekt Imām Aḥmad Raza Khan dat de eer van een gelovige beschermd moet worden en dat het kleineren of vernederen van anderen leidt tot zondigheid wanneer dit voortkomt uit arrogantie of minachting (Khan, z.d.).
Waarom zijn de er vandaag de dag ʿulamā die ongeletterd zijn?
Het feit dat iemand ongeletterd is, betekent niet dat hij analfabeet is. Ongeletterdheid kan betrekking hebben op het ontbreken van formele scholing, het niet naleven van de voorschriften terwijl analfabetisme specifiek verwijst naar het niet kunnen lezen en schrijven.
Hoogmoed, jaloezie, een slechte houding, het stelen van andermans werk en dit onder eigen naam publiceren, andere ʿulamā als minderwaardig beschouwen, ongepaste termen in de moskee gebruiken, zoals ‘houd je bek’, arrogant zijn, respectloos zijn tegenover ouderen en de boventoon willen voeren terwijl zij geen verstand hebben van bepaalde kennisgebieden. Dit zijn enkele destructieve karaktereigenschappen die veel ʿulamā, ook wereldwijd, volgens deze opvatting bezitten. Hierdoor maken zij zichzelf respectloos en daarmee ongeletterd. Want wie daadwerkelijk geletterd is, heeft een voorbeeldig gedrag. Hieronder valt eveneens het niet nemen van de tijd om voorschriften in authentieke boeken te onderzoeken en te verifiëren voordat men uitspraken doet of fatwā’s verstrekt.
Wanneer ulema zich niet houden aan de Sharīʿah die zij onderwijzen, ontstaat er een ernstige tegenstelling tussen kennis en praktijk. De Heilige Qur’ān berispt degenen die anderen het goede bevelen, maar zichzelf vergeten:
أَتَأْمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلْبِرِّ وَتَنْسَوْنَ أَنْفُسَكُمْ وَأَنْتُمْ تَتْلُونَ ٱلْكِتَٰبَ أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
“Beveel de mensen het goede te doen en vergeet daarbij je zelf (niet), hoewel je het Boek leest? Wil je dan niet begrijpen?” Surah al-Baqarāh (de koe), H2, vers 44
Tevens zegt Allāh Ta’ālā:
يٰأَيُّهَا ٱلَّذِينَ آمَنُواْ لِمَ تَقُولُونَ مَا لاَ تَفْعَلُونَ
كَبُرَ مَقْتاً عِندَ ٱللَّهِ أَن تَقُولُواْ مَا لاَ تَفْعَلُونَ
“O gij die gelooft, waarom zegt gij hetgeen gij niet doet? Het is afkeurenswaardig bij Allāh dat gij zegt hetgeen gij niet doet.” Surah as-Saff (de strijdplaats), H61, verzen 2-3
Wanneer een geleerde zijn kennis niet in praktijk brengt, kan dit ertoe leiden dat mensen het vertrouwen in de religie verliezen, de Sunnah verwaarlozen en afkeren van religieuze begeleiding. De verantwoordelijkheid van de ʿulamā is daarom groter dan die van gewone mensen, omdat hun voorbeeld door velen wordt gevolgd. De Profeet ﷺ waarschuwde dat een man op de Dag des Oordeels gestraft zal worden omdat hij het goede gebood maar het zelf niet deed en het slechte verbood maar het zelf beging (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb Badʾ al-Khalq, ḥadith nr. 3267; Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Zuhd, ḥadith nr. 2989). Imām al-Ghazālī schrijft in Iḥyāʾ ʿUloom ud Dīn dat de schade van een dwalende geleerde zich niet beperkt tot hemzelf, maar zich uitstrekt tot allen die hem volgen. Daarom dienen ulema niet alleen kennis te vergaren, maar deze ook met oprechtheid, vrees voor Allāh Ta’ālā en voorbeeldig gedrag in praktijk te brengen (Al-Qur’ān, 2:44; 61:2-3; al-Ghazālī, z.d.).
Erfgenamen van de kennis van de Profeet ﷺ
Hoewel de Profeet ﷺ heeft verklaard dat de geleerden de erfgenamen van de profeten zijn, dient deze overlevering te worden begrepen in het licht van haar voorwaarden en verantwoordelijkheden. Het erfgenaamschap van de profeten beperkt zich niet tot het bezitten van religieuze kennis, maar omvat tevens het nauwgezet naleven, onderwijzen en praktiseren van die kennis. Een geleerde die de Sharīʿah bewust verwaarloost, zijn kennis niet in praktijk brengt of volhardt in handelingen die strijdig zijn met de Allāh’s voorschriften en van de profeet Mohammed ﷺ, handelt in tegenspraak met het doel van de profetische erfenis. De Heilige Qur’ān berispt degenen die anderen het goede bevelen, terwijl zij zichzelf vergeten (Al-Qur’ān, 2:44), en veroordeelt degenen die zeggen wat zij niet doen (Al-Qur’ān, 61:2-3). Daarom kan worden betoogd dat het werkelijke erfgenaamschap van de profeten niet wordt vastgesteld door titel, positie of academische kwalificaties, maar door de mate waarin een geleerde de Sharīʿah volgt, de Sunnah belichaamt en zijn kennis omzet in rechtschapen handelen. Naarmate deze eigenschappen ontbreken, verzwakt ook zijn aanspraak op het profetische erfgenaamschap.
De Profeet ﷺ zei: “Voorwaar, de geleerden zijn de erfgenamen van de profeten. De profeten laten geen dinar of dirham na, maar zij laten kennis na. Wie deze kennis verwerft, heeft een overvloedig aandeel verkregen” (Sunan Abī Dāwūd, Kitāb al-ʿIlm, ḥadith nr. 3641; Jāmiʿ al-Tirmidhī, Kitāb al-ʿIlm, ḥadith nr. 2682).
Imām al-Ghazālī schrijft in Iḥyāʾ ʿUloom ud Dīn dat een geleerde die niet handelt overeenkomstig zijn kennis, meer bewijs tegen zichzelf verzamelt dan een onwetende. Tevens waarschuwt de Profeet ﷺ voor degene die anderen het goede beveelt maar het zelf nalaat, en anderen het slechte verbiedt terwijl hij het zelf verricht (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb Badʾ al-Khalq, ḥadith nr. 3267; Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Zuhd wa al-Raqāʾiq, ḥadith nr. 2989).
Allāh Ta’ālā openbaart
وَمِنَ ٱلنَّاسِ وَٱلدَّوَآبِّ وَٱلأَنْعَامِ مُخْتَلِفٌ أَلْوَانُهُ كَذَلِكَ إِنَّمَا يَخْشَى ٱللَّهَ مِنْ عِبَادِهِ ٱلْعُلَمَاءُ إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ غَفُورٌ
“Ook mensen, beesten, vee zijn van verschillende kleur. Alleen Zijn dienaren die kennis bezitten, vrezen Allāh. Voorwaar, Allāh is Almachtig, Vergevensgezind.” Surah Fātir (de Schepper), H35, vers 28
Als de meeste ulema, zoals andere mensen, niet vrij zijn van zonden, rijst de vraag wie dan worden bedoeld met de dienaren van Allāh Ta’ālā aan wie kennis en nabijheid worden geschonken. Vanuit een spiritueel perspectief kan worden betoogd dat hiermee in het bijzonder de Awliyāʾ Allāh worden bedoeld, omdat zij door voortdurende zuivering van het hart, oprechte berouw en standvastige naleving van de Sharīʿah een uitzonderlijk niveau van rechtschapenheid hebben bereikt. Hoewel ook de Awliyāʾ volgens de soennitische geloofsleer niet maʿṣūm zijn zoals de Profeten, worden zij gekenmerkt door hun bescherming tegen volharding in zonden en hun voortdurende streven naar gehoorzaamheid aan Allāh Ta’ālā. Hun kennis blijft daarom niet beperkt tot theoretisch begrip, maar manifesteert zich tevens in vroomheid, godsvrees en voorbeeldig handelen. Vanuit deze optiek wordt de ware erfenis van de profetische kennis niet uitsluitend gedragen door degenen die kennis bezitten, maar vooral door degenen die deze kennis oprecht naleven en belichamen in hun dagelijkse leven.
Maatschappelijke gevolgen van minachting
Minachting veroorzaakt verdeeldheid binnen families, gemeenschappen en organisaties. Wanneer individuen elkaar beoordelen op afkomst, opleiding, financiële positie of maatschappelijke status ontstaat een cultuur van superioriteit en uitsluiting. De Sharīʿah daarentegen bevordert:
- nederigheid (tawāḍuʿ);
- respect voor de menselijke waardigheid;
- broederschap;
- rechtvaardigheid;
- vergevingsgezindheid.
De Profeet ﷺ zei: “Een moslim is de broer van een moslim; hij onderdrukt hem niet en laat hem niet in de steek.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb al-Maẓālim; Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Birr). Deze broederschap is onverenigbaar met minachting.
Besluit
De Sharīʿah beschouwt minachting als een ernstige morele tekortkoming die nauw verbonden is met hoogmoed. De Heilige Qur’ān verbiedt het bespotten, vernederen en kleineren van anderen, terwijl de Sunnah minachting expliciet noemt als een kernonderdeel van kibr. Klassieke geleerden zoals Imām al-Ghazālī, Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī en de Hanafi-fuqahāʾ benadrukken dat ware vroomheid zich uit in nederigheid, respect en zelfreflectie. Vanuit islamitisch perspectief dient de gelovige daarom iedere vorm van minachting te vermijden en anderen te behandelen met waardigheid en eerbied, ongeacht hun afkomst, status of persoonlijke omstandigheden.
Bronnen
- Abū Dāwūd, S. ibn al-Ashʿath. (z.d.). Sunan Abī Dāwūd.
- Al-Bukhārī, M. ibn Ismāʿīl. (z.d.). Ṣaḥīḥ al-Bukhārī.
- Al-Ghazālī, A. Ḥ. M. (z.d.). Iḥyāʾ ʿUloom ud Dīn.
- Al-Ḥaṣkafī, M. ʿA. al-D. (z.d.). Al-Durr al-Mukhtār.
- Al-Qur’ān. (z.d.). De Heilige Qur’ān. Surah al-Baqarāh 2:44; Surah al-Ḥujurāt 49:11, 49:13; Surah al-Ṣaff 61:2-3; Surah Fātir 35:28.
- Al-Qurṭubī, M. ibn A. (z.d.). Al-Jāmiʿ li Aḥkām al-Qur’ān (Tafsīr al-Qurṭubī).
- Al-Qushayrī, A. al-K. (z.d.). Al-Risālah al-Qushayriyyah.
- Al-Tirmidhī, M. ibn ʿĪsā. (z.d.). Jāmiʿ al-Tirmidhī.
- Aʿẓamī, A. ʿA. (z.d.). Bahāre Sharīʿat. Maktaba-tul-Madina.
- Ibn ʿĀbidīn, M. A. (z.d.). Radd al-Muḥtār ʿalā al-Durr al-Mukhtār.
- Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, A. ibn ʿAlī. (z.d.). Fatḥ al-Bārī fī Sharḥ Ṣaḥīḥ al-Bukhārī.
- Muslim ibn al-Ḥajjāj. (z.d.). Ṣaḥīḥ Muslim.
- Raza Khan, A. (z.d.). Fatāwā Razviyya. Maktaba-tul-Madina.
