Kennis is Macht
indien goed toegepast!

Onze doelstellingen
Qaid-e-Ahle Sunnat Imam Shah Ahmad Noorani Siddiqui Qādri (AlayhirRahma) streefde naar: “een systeem van deugdzame standvastigheid, een  politiek systeem  van veiligheid en rechtvaardigheid, een  economisch systeem van recht en provisie, een spiritueel systeem van meditatief denken en innerlijke reflectie én gedenken van Allāh Ta’ala , en een sociaal systeem van broederschap onder de soennie.”

Standaard afbeelding

RSS

Hazrat Sayyidah Fatima Zahra (radi Allāhu anha)

Drie prachtige relaties

Dr. Iqbal, een dichter en mysticus zei, dat Hazrat Meriam (radi Allāhu anha) bij hem groot aanzien had, omdat zij de moeder van de Profeet Isa (Jezus alayhis salām) was. Over Hazrat Fatima (radi Allāhu anha) vertelt hij, dat zij om drie redenen bij hem hoog aanzien heeft: “Ten eerste is zij de dochter van de Heilige Profeet Mohammed ﷺ, ten tweede zijn Imam Hassan en Imam Hoessein (radi Allāhu anhuma) haar zonen en ten derde is zij de echtgenote van Hazrat Ali (radi Allāhu anhu) de vierde kalief. Zulke heilige familieleden heeft niemand eerder gehad dan het hierboven genoemden te weten Fatima zelf, de kleinkinderen en schoonzoon van de heilige Profeet Mohammed ﷺ.”

De liefde van de Heilige Profeet

De Heilige Profeet ﷺ hield zielsveel van Hazrat Fatima, niet om reden dat zij het jongste kind was, maar daar zij alle Sunnat handelingen (manier van lopen, schoonheid, snelheid, doen en laten, etc.) van de Profeet ﷺ · bezat. Hazrat Aisha Siddiqui (radi Allāhu anhu), echtgenote van de Profeet Mohammed ﷺ, zei: “Na de heilige Profeet ﷺ heb ik niemand gekend die eerlijker was dan Fatima.”

Vanaf de geboorte

Hazrat Fatima is geboren in Mekka en opgegroeid in de nabijheid en liefde van Hazrat Khadija (radi Allāhu anha) opgegroeid. De problemen waarmee de Islam werd geconfronteerd, zijn de Heilige Profeet ﷺ, de moslims en haar zelf onder ogen gekomen. Zij heeft nooit, zoals de andere jonge kinderen, gespeeld. Naar buiten gaan vond zij ook niet leuk. Over het algemeen ging zij naast haar moeder zitten.

Nikāh (huwelijk)

Hazrat Fatima trouwde met Hazrat Ali in Medina. Voordat zij getrouwd waren hadden veel mannen Hazrat Ali geadviseerd om haar hand aan de Heilige Profeet ﷺ te vragen. Hazrat Ali deed het niet. Ten eerste twijfelde hij, omdat hij niets had om als bruidsschat te geven en ten tweede durfde hij niet haar hand te vragen aan de Heilige Profeet ﷺ. Op een dag nadat de mensen hem flink hadden aangemoedigd ging hij toch naar de Heilige Profeet ﷺ. Toen hij bij de Heilige Profeet ﷺ aankwam kon hij de vraag niet stellen. De Profeet ﷺ stelde hem toen zelf de vraag: “Ben je gekomen om de hand van Fatima te vragen?” “Jawel”, antwoordde Hazrat Ali. De Profeet ﷺ vroeg: “Heb je iets in je bezit?” Hierop antwoordde Hazrat Ali: “Een paard en een ijzeren wapenuitrusting.” De Profeet ﷺ zei: “Het paard heb je hard nodig. Verkoop de wapenuitrusting.” Hazrat Ali verkocht de wapenuitrusting aan Hazrat Usman (de derde Kalief) voor 480 dirham. Met dit geldsom ging hij naar de Heilige Profeet ﷺ. Nadat hij volgens de regels de bruidsschat had voldaan heeft hij met het resterende bedrag het walīmah feest gevierd. Hazrat Asmā zei dat in die tijd geen betere walīmah feest was gevierd.

De bruidsschat van Hazrat Fatima

Weet je wat de bruidsschat van de geliefde dochter en ‘Vrouwe van het Paradijs’ was? Een tapijt, een lederen kussen gevuld met bladeren van dadels, een kruik van klei, twee paarden en twee handmolens. Hiermee bracht zij haar leven door. Het is vrijwel zeker dat zij betere huisraad had kunnen meekrijgen. In Medina wilde iedereen zijn of haar bezit ter beschikking stellen aan de geliefde dochter van de Heilige Profeet ﷺ. Echter, de Heilige Profeet ﷺ en Fatima hadden geen interesse voor de wereldse spullen. Alles wat zij kregen hebben zij aan de islamitische weeskinderen geschonken.

De woning

Bij het vertrek werd een huis noodzakelijk. Hazrat Harsa bin Na’maan Ansāri (radi Allāhu anhu) bezat veel woningen. Hazrat Fatima vroeg aan de Heilige Profeet ﷺ om aan Hazrat Harsa een woning te vragen. De Profeet ﷺ antwoordde: “Hoelang zal ik iets aan hem blijven vragen? Ik schaam me om het nu te doen.” Dit kwam Hazrat Harsa ten gehore, waarna hij spoedig naar de Heilige Profeet ﷺ ging en zei: “O Profeet ﷺ! Wat hoor ik u zeggen? Alles wat ik bezit is van U. Moge Allāh Ta’ālā mij beschermen, het huis dat U van mij aanvaardt geeft mij net zoveel blijdschap dan wanneer ik het in mijn bezit houd.” Hazrat Harsa maakte vrijwillig het huis leeg waarna Hazrat Fatima in het huis ging wonen.

De huishouding
Hazrat Fatima deed de huishouding zelf. De handen van Fatima kregen blaren door het malen. Zij bezemde het huis altijd zelf. Van het zittend koken en kleren wassen werd zij moe. De lieve dochter van de Heilige Profeet ﷺ heeft deze uitdaging met veel geduld en verdraagzaamheid weerstaan. Op een dag vroeg zij aan de Heilige Profeet ﷺ om een dienstmeid. De Profeet ﷺ antwoordde: “Dat is het recht van wezen.” Hazrat Fatima liep toen zwijgend weg.

De vraag om een arbeider

Op een dag, tijdens een oorlog, waren enkele gevangenen meegebracht, die de Heilige Profeet ﷺ als arbeiders aan het aanstellen was. Hazrat Ali zei aan Hazrat Fatima om ook een arbeider te gaan vragen. Zij kwam bij de Heilige Profeet ﷺ en begroette hem. De Profeet ﷺ vroeg hoe zij het maakte en vroeg of hij iets voor haar kon betekenen. Zonder iets te zeggen ging zij terug naar huis, waarna Hazrat Ali en zij samen naar de Heilige Profeet ﷺ gingen en om een arbeider te vragen. De Profeet ﷺ antwoordde: “Waarom zou ik deze mensen vergeten, die zelf niets hebben en ik ook niets om aan hen te geven?” Vervolgens zei hij: “Ik zal je vertellen wat beter is dan alle arbeiders. Na iedere namāz moet je telkens tien keer opzeggen: ‘SubhānAllāh, Alhamdulillāh en Allāhu Akbar’. En wanneer je gaat slapen 33 keer SubhānAllāh, 33 keer Alhamdulillāh en 34 keer Allāhu Akbar.”

De gewoonte van de Heilige Profeet ﷺ
Als de Profeet ﷺ van een reis terugkwam, ging hij eerst naar de moskee om te bidden en nadien rechtstreeks naar Hazrat Fatima. Wanneer Fatima bij de Profeet ﷺ kwam, ging de Profeet ﷺ opstaan, kuste haar voorhoofd en ging met haar samen zitten. De Profeet · vond mooie en gedecoreerde dingen niet mooi. Ook Fatimavond dit soort dingen niet mooi. Op een dag bracht Hazrat Ali voor Fatima een gedecoreerde halsketting mee. De Heilige Profeet ﷺ kreeg dit te horen en vroeg aan Fatima: “Zeg Fatima! Wil je dat mensen zeggen, dat de dochter van de Profeet een halsketting van vuur draagt?” Hazrat Fatima verkocht meteen de halsketting. Op een dag toen de Heilige Profeet ﷺ terugkwam van een oorlog had Fatima de ingang tot het huis afgeschermd. Imam Hassan en Imam Hoessein hadden een zilveren harnas aan. Toen bleek dat de Profeet ﷺ dit gewaad niet mooi vond, werd meteen het scherm van de ingang weggehaald en de kinderen trokken het gewaad weer uit.

De laatste dagen van de Heilige Profeet ﷺ
In de dagen dat de Heilige Profeet ﷺ ziek was kon Hazrat Fatima zelfs voor enkele ogenblikken niet zonder hem. Op de momenten dat haar vader zich beter voelde ging zij naar huis om de noodzakelijke huishoudelijke taken te verrichten waarna zij spoedig terugkeerde. Zodra de koorts steeg, bleef zij voortdurend bij haar lieve vader en hielp hem zoals het een lief kind betaamt. Toen de dood van de Heilige Profeet ﷺ naderde, riep hij zijn dochter bij zich en fluisterde iets in haar oor, waarna zij begon te huilen. Op dat moment zei de Profeet ﷺ iets anders en begon zij te lachen. De bezoekers vroegen waarom zij lachte. Hazrat Fatima zei, dat de Profeet ﷺ eerst vertelde dat hij nu zijn laatste adem zou uitblazen. Toen ik dit hoorde kon ik mijn tranen niet meer bedwingen. Vervolgens zei de Profeet ﷺ dat van alle dierbaren en relaties ik het eerste zal zijn die hem zal ontmoeten. Deze mededeling maakte mij zo blij, dat ik uit blijdschap moest lachen. Toen de Heilige Profeet ﷺ overleed werd Fatima zo beroerd, dat zij de rest van haar leven bleef huilen. Hazrat Ali vertelde dat Fatima in de nacht niet meer sliep. Zij bleef dag en nacht bedroefd.

De laatste dagen van Fatima

Zes maanden na het overlijden van de Heilige Profeet ﷺ, blies ook zij op een leeftijd van 29 jaar haar laatste adem uit. Wat de Profeet ﷺ aan zijn dochter had verteld, dat van de familie en dierbaren zij de eerste zou zijn die hem na de dood zou ontmoeten, was uitgekomen.

De begrafenis

Toen Hazrat Fatima zag dat de vrouwen net als de mannen onvoldoende bedekt naar een begraafplaats werden gebracht werd zij onrustig. Zij zei het niet passend te vinden dat op die wijze het lijk van een vrouw naar de begraafplaats werd gebracht. Gezegd werd dat het lijk van een vrouw beschut van de mannen naar de begraafplaats moet worden gebracht. Bijvoorbeeld door met vier taken van een dadelboom en een laken te bedekken. Toen zij dit hoorde werd zij blij en deelde mee dat ook zij op deze manier naar de begraafplaats wil worden gebracht. Dit gebeurde ook zoals zij het verlangd had.

Een bijzonderheid van Hazrat Fatima

Hazrat Fatima had als bijzonderheid, dat zij van het nageslacht was van de Heilige Profeet ﷺ. Zij kreeg vijf kinderen namelijk Hassan, Hoessein, Mohassan, Oem, Koelsoem en Zaynab. Mohassan overleed op jonge leeftijd. Oem, Koelsoem en Zaynab werden door Fatima onder de hoede van haar lieve zusters gebracht.

Het karakter
Angst voor Allāh Ta’ālā, geduld, dankbaarheid, geloofsbelijdenis, durf en kennis waren eigenschappen van Hazrat Fatima. Deze bijzondere eigenschappen komen integraal weinig voor in één persoon. Deze eigenschappen weerspiegelen de bijzonderheid van het leven van Hazrat Fatima. Uit angst voor Allah bleef zij de hele nacht in gebed (namāz) verzonken. Hazrat Ali zegt: “Ik heb gezien dat Fatima ook tijdens het koken Allah aanbidt.” Zij ergerde zich niet aan de narigheden en problemen van het leven, maar verdroeg juist alle pijnen en problemen met veel geduld en dankbaarheid aan Allah. Ook tijdens het uitdelen van aalmoezen kwam bij haar nooit de gedachte op, dat zij zelf niets zou overhouden. Alles wat zij kreeg en overhield deelde zij in naam van Allah uit. Zijzelf onthield zich van voedsel en deelde dat ook uit onder de behoeftige. Met een deel van wat Hazrat Ali op een avond verdiend had, hij had de tuin van iemand besproeid, maakte Fatima meel en gebruikte het voor roti (pannenkoek).

Op een dag toen zij de maaltijd wilden opeten kwam een bedelaar langs. Deze bedelaar had honger en vroeg aan haar wat eten. Fatima gaf al het voedsel aan de bedelaar. Met een ander deel van wat Hazrat Ali verdiend had maakte zij nogmaals meel en begon weer op het vuur roti te bakken. Het eten was nog amper gaar of een wees vroeg haar om in naam van Allah iets te eten te geven. Hazrat Fatima gaf ook nu alles aan de wees. Met de rest maakte zij weer meel en bakte weer roti. Dit keer vroeg een moesriek (polytheist) gevangene in naam van Allah iets te eten. Ook nu gaf zij alles aan de bedelaar en die avond sliep iedereen met honger. Allah vond deze weldaad van Fatima zo goed dat Allah als lof aan de bewoners van dat huis een āyat (vers) in de Heilige Qur’ān heeft opgenomen die als volgt luid: “En, zij geeft in liefde voor Allah eten aan armen, wezen en gevangenen.”

Hazrat Fatima was het hoogste in aanzien degenen met kennis over Islam (met andere woorden over kennis van de Qur’ān en Ahadīth). Zij heeft veel Ahadīth verteld die zij van de Heilige Profeet ﷺ had gehoord. Veel van de grote en bekende Sahāba (metgezellen van de Profeet) waren haar leerling. De grootmeesters, die de Ahadīth hebben doorverteld, zijn onder andere de Sahāba Hazrat Ali, Hazrat Imam Hassan, Hazrat Imam Hoessein, Hazrat Aisha Siddiqui, Hazrat Oemma Salma, Hazrat Salma Oemma Rafah, Hazrat Anas bin Malik radi Allāhu anhum.

Goede relatie van vrouwen

Vrouwen worden in het leven met drie relaties verbonden. Ten eerste zijn ze dochters, ten tweede echtgenoten en ten derde moeder. Hazrat Fatima is in deze drie relaties voor alle vrouwen van de wereld een voorbeeldige persoonlijkheid. Voor een dochter is het zo dat de ouders zich voor hen opofferen. De echtgenote is gelukkig met het feit dat de man zijn tevredenheid en blijdschap met haar deelt. De moeder is in aanzien hoog, omdat in haar schoot de mens opgroeit. In deze drie bindingen heeft Hazrat Fatima het hoogste aanzien.

Waar kunnen wij voor de dochter, echtgenote en moeder een beter voorbeeld dan Hazrat Fatima vinden?

Amien.

Darood Taaj

Darood Taaj Transliteratie

Allāhumma salli `ala Sayyidena wa Maulana Muhammadin sahibit taaji wal-mi`raaji wal burāqe wal-`alam. Dafi` al-balā’i wal-wabā’i wal-qahti wal-maradi wal-alam. ismuhu maktubum marfu`um mashfu`um manqushun fil lawhi wal-qalam. Sayyidil `Arabi wal-`ajam. Jismuhu muqaddasum mu`attarum mutahharum munawwarun fil-bayti wal-Haram. Shamsid duha badrid duja sadril `ula nuril huda kahfil wara misbahiz zulam. Jamilish shyami shafi` il-umam. Sahibil judi wal-karam. Wallāhu `asimuhu. Wa jibrielu khadimuhu. Wal-buraqu markabuhu. Wal-mi`raju safaruhu wa sidratu al-muntaha maqamuhu. Wa qaba qawsayni matlubuhu. Wal-matlubu maqsuduhu wal-maqsudu mawjuduh. Sayyidil Mursalīn. Khatimin Nabiyyinna shafi`il mudhnibin. Anisil gharibeena rahmatil lil `alamin. Rahatil `ashiqeen. Muradil mushtaqeen. Shamsil `Arifin. Sirajis Sālikīn Misbahil muqarrabīn. Muhibbil fuqara’ay wal-ghuraba’ay wal masakīn. Sayyidis Saqalaynay Nabiyyil Haramain. Imām-il Qiblatayn. Waseelatina fid darayn. Sahibi Kaaba qawsayni mahbubi Rabbil mashriqayni wal-maghribayn. Jadd al-Hasani wal-Husayn Maulana wa mawlas Shaqalayn Abil Qasimi Muhammad ibn `Abdillahi Noorien min Noorillahi Yā ayyuhal Mushtaquna bi Noori jamalihi sallu `alayhi wa alihi wa ashabihi wa sallimu taslima.

Darood Taaj volledige vertaling

O Allāh, zend zegeningen en vrede over onze Meester en Beschermheer Mohammed ﷺ, De Eigenaar van de Kroon en de beklimming en de Burāq en de Standaard, De Verwijderaar van ellende en ziekte, en droogte en ziekte en pijn. Zijn naam is geschreven op hoog, geserveerd en gegraveerd in de Tafel en de Pen,

de leider van allen, Arabieren en niet-Arabieren, wiens lichaam geheiligd, geurig en zuiver is, verlicht in het huis en de haram, de zon van helderheid, de volle maan in duisternis, de belangrijkste in de hoogste velden, het licht van leiding, de grot van toevlucht voor stervelingen, de lamp die de nacht verdrijft, de best aardige, de voorbidder van naties, de eigenaar van vrijgevigheid. Allāh is zijn beschermer, Gabriël is zijn dienaar, de Burāq is zijn berg, de beklimming is zijn reis,

de lootte-boom van de verste grens is zijn station, twee booglengtes of dichterbij is zijn verlangen, zijn verlangen is zijn doel, en hij heeft zijn doel gevonden, de Meester van de Boodschappers, het zegel van de profeten, de voorbede van zondaars, de vriend van de vreemdelingen, de barmhartigheid voor de werelden, de rest van hen die branden van liefde, het doel van degenen die verlangen, de zon van kenners, de lamp van reizigers, het licht van degenen die dichtbij zijn gebracht,

de vriend van de armen en berooiden, de meester van mensen en djinn, de profeet van de twee heiligdommen, de Imām van de twee Qiblah, onze middelen in de twee verblijfplaatsen, de eigenaar van Ka’aba Qawsayn, de geliefde van de heer van de twee Oosten en de twee Westens, de grootvader van al-Hasan en al-Hussain, onze beschermheer en de beschermheer van mensen en djinn: Abu al-Qāsim Muhammad zoon van ‘Abdallah, een licht uit het licht van Allāh.

O gij die verlangt naar het licht van zijn schoonheid, zend zegeningen en uiterste groeten van vrede over hem ﷺ en over zijn gezin.

———————

Het volgende is overgenomen uit “De sleutel tot aankomst bij de deur van de Boodschapper ﷺ” door Sheikh Muhammad Sādiq Alawi (radi Allāhu anhu).

Zoals de naam zelf zegt, Durood e Taaj (Kroon), is deze Durood de kroon van alle Durood Shareef. Deze aanhef is beroemd over de hele wereld. Het is geschreven door Sheikh Abu Bakr bin Salem (radi Allāhu anhu) die begraven ligt in Aynat, Hadramaut. Hij was van de grote Awliya van Allāh Ta’ālā en staat bekend als “Fahr al Wujud” (de eer van de schepping). Het is genoeg van een getuigenis van de grootheid van zijn rang om te weten dat deze aanhef over de hele wereld een acceptatie heeft bereikt. Deze aanhef is een overvolle bron van zegeningen en is een van de favoriete begroetingen van alle liefhebbers van de Profeet Mohammed ﷺ.

Ontelbare Awliya en Sālihīn hebben deze bijzondere aanhef als hun dagelijkse gebed aangenomen en hebben het in overvloed gereciteerd. De voordelen hiervan zijn zo groot dat ze niet volledig kunnen worden omarmd. De constante recitatie brengt de lezer zuiverheid van hart en een visioen van de Profeet Mohammed ﷺ. Deze aanhef is er een in levensonderhoud, beschermt de lezer tegen schade van magie en Jinn en verwijdert calamiteiten. Het is een mooie aanhef kort in zijn lengte, maar enorm in zijn voordelen.

Voordelen van het reciteren van Durood-e-Taaj heeft de volgende voorwaarden voor succes

  1. Reciteer de vol liefde, geloof en concentratie. (Probeer eerst de vertaling te lezen)
  2. In tahara (wassing) en volledig schoon tijdens het reciteren.
  3. Houd je doel/probleem in gedachten om op te lossen tijdens het reciteren.
  4. Volg strikt de richtlijnen in elke wazifa.
  5. Gebruik het niet voor illegale en geen islamitische doeleinden.
  6. Vijf keer gebeden.
  7. Onthoud het ook en blijf reciteren op vrije tijden.

Onenigheid en onverenigbaarheid bij alle gezinsleden

Na fajr gebed zitten in de richting van Qiblah richting en houd een glas water voor je. Reciteer Darood-e-Ibrahimi 11 keer, dan Ta’wuz 1 keer dan Tasmya 1 keer dan Darood-e-Taaj 41 keer en dan Darood-e-Ibrahimi 11 keer en blaas op het water. Poep dit water vervolgens in een grote fles water, die door alle gezinsleden moet worden gedronken. Doe dan du’ā om succes te krijgen in je missie/wazifa. Probeer het water dagelijks af te maken en bereid dagelijks nieuw water voor. Anders elke 3e dag en doe het 21 dagen.

Man-vrouw ergernis

Ga voor de zonsondergang richting Qiblah zitten en houd wat suiker voor je. Reciteer 7 keer Darood-e-Ibrahimi dan 22 keer Darood-e-Taaj en 7 keer Darood-e-Ibrahimi en blaas op de suiker. Doe dan du’ā voor het probleem dat moet worden opgelost met de zegen van de Darood. Zowel man als vrouw zullen de suiker moeten gebruiken. Men moet deze suiker dagelijks bereiden en dagelijks afmaken. Ga door met deze wazifa gedurende zeven dagen.

Geconfronteerd met verschillende soorten moeilijkheden in het leven

Soms worden gezinnen geconfronteerd met verschillende moeilijkheden en pech in het leven in de vorm van ongelukken of incidenten en ondergangen. Wanneer dit soort problemen niet afnemen, probeer dan deze wazifa van Darood-e-Taaj en heb verlichting.

Sta na het Maghrib-gebed op een schone plek in je huis en reciteer Darood-e-Taaj 21 keer met luide stem. Blijf na het voltooien van 21 keer daar staan en blaas aan alle vier de kanten van je huis en doe du’ā voor de problemen en pech en verdriet om te worden voltooid en succes en veel geluk om in je huis te worden gevuld. Blijf dit 21 dagen doen. Hoewel de resultaten met beginnen te komen na 7 dagen.

Als kinderen geen interesse hebben in studies

Sommige kinderen hebben geen interesse in hun studie, zelfs niet na veel worstelingen van ouders. Voor dit probleem moeten ouders hulp van deze wazifa nemen. Na Fajr Gebed en Voor het slapen gaan in de nacht doe dit. Reciteer Darood-e-Taaj 21 keer en YA ALEEMU 100 keer en dan Darood-e-Taaj 11 keer en blaas op glas water. Doe dan du’ā voor het probleem. Geef dit water aan kinderen om onmiddellijk te drinken. Doe deze wazifa een week.

Als kinderen wegblijven van gebeden

Alle ware moslimouders willen dat hun kinderen echte islamitische kinderen en mensen worden. Ze willen dat hun kinderen streng zijn in alle islamitische verplichtingen, maar meestal lijkt deze wens niet te worden vervuld. De oplossing van dit probleem is aanwezig in Darood-e-Taaj. Reciteer dagelijks na Asr gebed Darood-e-Taaj 21 keer en blaas op elk zoet eetbaar en geef aan kinderen. Ga hiermee door totdat het probleem is opgelost. Inshā’Allāh ziet u de resultaten binnen 11 dagen gestart.

Als kinderen betrokken zijn bij slechte praktijken

Door slechte vrienden en bijeenkomsten raken kinderen betrokken bij slechte praktijken. Hun ouders hebben te maken met moeilijkheden en schaamte voor de samenleving. Om uit dit probleem te komen moeten ouders dit wazifa doen. Dagelijks na elke salāh 3 keer Darood-e-Taaj reciteren en DUA doen voor het vergroten van spiritualiteit en nobelheid bij kinderen.

Moeilijkheden en obstakels bij huwelijken van kinderen

Het is de diephartige wens van elke ouder, dat hun kinderen, vooral dochters, zo snel mogelijk het beste huwelijksaanzoek krijgen en snel trouwen. Ze blijven zich er de hele tijd zorgen over maken. Maar tegenwoordig is dit een heel groot probleem geworden voor ouders om een goed nobel huwelijksaanzoek te krijgen. Na Fajr en Maghrib salāh zitten in de richting van Qiblah richting en reciteren Darood-e-Taaj 41 keer en Yā Latifo 129 keer en doe du’ā voor het krijgen van de beste huwelijken van je kinderen snel. Doe deze wazifa gedurende 11 dagen per maand, totdat de wens is vervuld en ga niet naar andere wazifa voor dit doel.

De geschiedenis van Karbala

Het boek Manāqib-e-Chihār Yaar-e-Ghuzīn, blz. 440 e.v. gaat dieper in op de grootsheid van de Ahle Bayt (‘radi Allāhu Ta’ālā ‘anhum ajma’in’). De eerste aflevering luidt als volgt: Allāh Ta’ālā zegt tegen de Ahle-e-Bayt, dus Imām Ali, Sayyidah Fatima tuzzahrā, Imām Hasan en Imām Hussain, in de Heilige Qur’ān: “Allāh Ta’ālā wil allerlei tekorten en vuil van je verwijderen, en Hij wil je reinigen met perfecte zuivering.”

De Ashāb-i-Kirām (radi Allāhu anhum) vroegen: “O de Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā! Wie zijn de Ahle Bayt?” Op dat moment voegde Imām Ali (radi Allāhu anhu) zich bij hen. De gezegende Profeet Mohammed ﷺ nam hem onder zijn gezegende overjas. Toen stuurde hij hem om Hazrat Fatima (radi Allāhu anha) te komen. Toen ze kwam, gekleed zoals ze was en op een manier die verenigbaar was met het voorschrift van de islam, nam hij haar ook onder zijn gezegende overjas. De volgende nieuwkomer was Imām Hasan (radi Allāhu anhu). Hij nam hem aan zijn ene zijde; en terwijl hij de laatste nieuwkomer, Imām Hussain (radi Allāhu anhu) naar zijn andere kant bracht, zei de Profeet Mohammed ﷺ: “Hier, dit zijn mijn Ahle Bayt.” Deze gezegende mensen worden ook wel Āle Aba of Āle-Rasool (ridwānullāhi ‘alayhim ajma’in) genoemd.

Veelsoortige wanklinkende verhalen zwerven door de literatuur die is toegewezen aan de geschiedenis van de gebeurtenis van Karbala. Door deze troebelheid uit te buiten, fabriceren en presenteren sommige boeken tragische verhalen, waarbij ze hun lezers misleiden, hun geest verwarren en hun overtuigingen ondermijnen. Met die leugenachtige en verzonnen verhalen proberen ze hun lezers tot hun eigen afwijkende geloofsbelijdenis te verleiden. Deze modderige tactiek heeft geleid tot een stand van zaken waarin verschillende mensen verschillende meningen hebben over de gebeurtenis van Karbala en iedereen gelooft dat hun mening de enige ware kennis is.

Muhammad Abdush Shekoor Mirzapuri (rahimahullāhu Ta’ālā’), een grote Indiase geleerde van de geschiedenis, wijdde lange jaren van zijn leven aan onderzoek naar het onderwerp, leerde de feiten en schreef een boek dat volledig aan het onderwerp was toegewezen en het Shahāda-e-Hussain (Martelaarschap van Hoessein) noemde.

Ghulām Haydar Faruqi (rahimahullāhu Ta’ālā), een van Mirzāpurî’s discipelen in de Madrassa-e-Islamiyya in Karachi, Pakistan, vertaalde het boek uit het Urdu in het Perzisch en de nieuwe Perzische versie, getiteld Rafāqat-e-Hussain, werd gedrukt in Karachi. Een passage uit de inleiding van het boek luidt als volgt: De islam leed de eerste ontwrichtende klap van een fitna, die onherstelbare schade toebracht aan de religie en miljoenen moslims deed afwijken van de ware koers van de islam, en die geboorte gaf aan bijgeloof en grillige speculaties die geheel in strijd zijn met de islam en verzonnen zijn voor speciale doeleinden. De fitna stond op de rand van uitsterven, toen het opnieuw werd aangewakkerd door de zoon van Yaqub Kulaynî, een van de ongelukkige jongens die het slachtoffer was geworden van de misleiding uitgevonden door de Jood genaamd Abdullah bin Saba’. Om de islamitische religie van binnenuit te slopen en moslims te misleiden, sloeg de ellendige misdadiger nogal wat leugens en bundelde zijn leugens in een boek dat hij Kāfî noemde.

Woeste ketters zoals Toosī en Mejlisī, die later verschenen, wakkerden het vuur van opruiing en onenigheid onder moslims aan door te proberen de principes in het boek Kāfî te verspreiden. Ze baseerden hun religie op een beleid met twee gezichten dat ze Taqiyya noemden, en gebruikten het als een dekmantel waaronder ze al hun subversieve en vijandige activiteiten konden voortzetten. Gesimuleerde liefde voor de Ahle-i-Bayt is hun meest bekende taqiyya. Met deze simulatie hebben ze miljoenen moslims van de juiste koers doen afwijken en hen tot het verderf gebracht. Het eerste wat je moet doen om moslims te beschermen tegen het vallen in hun val, is daarom het onthullen van de innerlijke aard van de Muhabbat-e-Ahle Bayt (liefde voor Ahle Bayt).

Echte moslims die zich houden aan het pad geleid door Mohammed ‘alayhis-salām’ en die in de voetsporen treden van de Sahāba worden Ahle as-Sunnat (Sunni Moslims) genoemd. Niet alleen hebben de geleerden van Ahle as-Sunnat de betekenis van Muhabbat-i-Ahle-i-Bayt als iets goeds uitgelegd, maar ze hebben ook verklaard dat liefde voor Ahle Bayt een onderdeel is van Imān. De ketters daarentegen herhalen dat liefde voor Ahle-i-Bayt de basis is van hun religie, hoewel al hun acties en houdingen hun vijandigheid tegen de Ahle-i-Bayt verraden. Een grondig onderzoek naar de historische feiten om de zaak op te helderen of Hazrat Hoessein de marteldood stierf door de Sunni-moslims of door de ketters, zal overigens verduidelijken wat we bedoelen in het laatste deel van onze verklaring. Het is vrij onwaarschijnlijk dat een redelijk persoon die zijn boeken leest, gelooft dat het martelaarschap werd gepleegd door de Sunni-moslims. Ze plaatsen de namen van Hazrat Mu’āwiyah en Yazid op een behendige manier op een manier die de onwetenden verkeerd informeert. Geen van de boeken met betrekking tot de tragische gebeurtenis bevat echter een enkele uitdrukking die duidelijk stelt dat die twee Khalifa werden besmeurd met het gezegende bloed van Hazrat Hussain. Zelfs de vaagste implicatie dat Hazrat Mu’āwiyah te maken zou kunnen hebben gehad met het martelaarschap van Hazrat Hussain is niet gezien in de literatuur die aan de gebeurtenis is toegewezen, laat staan een duidelijke verklaring dat het op zijn bevel werd gedaan. Wat unaniem wordt gesteld (door alle boeken en geleerden) is dat het martelaarschap van Hazrat Hoessein niet plaatsvond tijdens het kalifaat van Hazrat Mu’āwiyah.

Mollah Bāqir Mejlīsī, wiens naam hierboven wordt genoemd, vertelt Hazrat Mu’āwiyah laatste advies aan zijn zoon Yazid toen hij stervende was, als volgt: “Je weet welke relatie Imām Hussain (radi Allāh ‘anhu) is met de Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā. Hij maakt deel uit van het gezegende lichaam van de geliefde profeet. Hij is een nakomeling van vlees en bloed van die zeer eerbiedwaardige persoon. Ik begrijp dat de inwoners van Irak hem uitnodigen om daarheen te gaan en bij hen te zijn. Maar ze zullen hem niet helpen; ze zullen hem met rust laten. Als hij in jouw handen zou vallen, gedraag je dan in waardering voor zijn waarde! Denk aan de nabijheid en genegenheid van de Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā voor hem! Kom niet op hem terug voor zijn gedrag! Let wel, je verbreekt de wezenlijke banden die ik tussen hem en ons heb opgebouwd niet! Wees extra voorzichtig, anders zou je hem pijn doen of beledigen!”

Dit advies van Hazrat Mu’āwiyah aan (zijn zoon) Yazid staat op blz. 321 van het boek Jilā-ul ‘Uyûn dat werd geschreven door Muhammad Bāqir bin Murtaza Fayzī Khurasani, een sjiitische leider, die beter bekend is onder zijn bijnaam Mollah Muhsin. Hij stierf in 1091 [1679 na Christus]. Volgens een boek getiteld Nāsikh-ut-tawārīh, geschreven door een sjiitische theoloog genaamd Muhammad Taqī Khan, schreef Mu’āwiyah ook het volgende testament voor zijn zoon Yazid: “Mijn zoon, bezwijk niet voor uw sensuele aflaten of verleidingen! Bescherm jezelf tegen het geringste onrechtmatige gedrag jegens Hoessein! Pas extra op dat je het bloed van Hoessein bin Ali niet om je nek hebt als je (voor het laatste oordeel) voor Haqq Ta’ālā staat aan de volgende dag! Anders zul je op die dag nooit troost en vrede bereiken; je zult eindeloze kwellingen ondergaan!” Bovendien citeert de auteur een hadīth, die hij toeschrijft aan Abdullah ibn Abbās, op blz. 111, deel zes, van het boek: “Yā Rabbi! Geef barakāh niet aan iemand die slap is in het naleven van de eerbied en eer die Hoessein toekomt!”

Hazrat Mu’āwiyah (‘radi Allāh ‘anhu’) gedroeg zich altijd beleefd en respectvol tegenover Hazrat Hussain, zowel in spraak als schriftelijk en toonde nooit gebrek aan respect jegens hem. Imām Hoessein daarentegen was nogal hard tegen hem, vooral in de brieven die hij hem schreef. In feite, toen Hazrat Mu’āwiyah zonen Yazid en Abdullah hun vader vertelden om in natura te antwoorden toen ze de verwijtende taal zagen die Hazrat Hussain in zijn brieven gebruikte, stelde hij hen gerust en zei: “Jullie twee hebben ongelijk, zeggen dat. Hoe kan ik Hussain bin Ali ooit de schuld geven? Iemand zoals ik geeft een ander de schuld en probeert anderen ervan te overtuigen het met hem eens te zijn, en nog steeds gelooft niemand hem. Nee, een discreet persoon zou dat niet doen. Hoe kan ik Hoessein ooit de schuld geven? Ik zweer in de naam van Allah dat er niets verwijtbaars aan hem is. Ik zal hem schrijven. Toch zal ik niets schrijven dat een wenkbrauw zal impliceren of dat hem in het minst pijn zal doen.” De sjiitische auteur van het boek Nāsikh-ut-tawārīh concludeert in de achtenzeventigste (78) pagina van het zesde deel van het boek als volgt: “Kortom, hij heeft niets gedaan om Hoessein pijn te doen.”

Hazrat Mu’āwiyah gedroeg zich niet alleen altijd vriendelijk en respectvol tegenover Hazrat Hussain, maar diende hem ook. Dit feit wordt in een vlotte taal erkend in het boek Nāsikh-uttawārīh: “Hij maakte er een gewoonte van om Hazrat Hussain jaarlijks duizenden dirhams zilver te sturen. Dat kwam alleen maar bovenop andere waardevolle goederen en diverse geschenken.” En de beledigingen en ergernissen die Hazrat Hoessein uitsprak in ruil voor al die vriendelijkheden en diensten werden ontvangen met tolerante onthechting van de kant van de medelevende weldoener.

Goederen van kharāj werden vanuit Jemen naar Mu’āwiyah (‘radi-Allāh Ta’ālā ‘anhu’) gestuurd. De karavaan (die de goederen vervoerde) was op weg naar Medina op weg naar Damascus, toen het werd aangehouden door Hazrat Hussain (radi Allāhu anhu), die alle goederen meenam en ze afleverde aan de Ahle-i-Bayt en aan andere mensen die hij leuk vond, en schreef de volgende boodschap voor Hazrat Mu’āwiyah: “Kamelen beladen met goederen en parfums werden op weg van Jemen naar Damascus gedreven. Ik wist dat de goederen die naar jullie werden gebracht in de Baytul-māl moesten worden gestopt. Ik nam ze omdat ik ze nodig had. Wa-s-salām!” Hazrat Mu’āwiyah erkenning van Hazrat Husayn’s (radi Allāhu anhuma) boodschap werd toegevoegd met de volgende opmerking: “Ik zou uw deel niet hebben onthouden van de goederen die naar mij zouden zijn gebracht als u de karavaan van kamelen had toegestaan om door te komen. Maar o mijn broer, ik weet dat je niet het soort persoon bent om je te verwaardigen voor simulatie of vleierij. In mijn tijd zal niemand je kwaad doen. Want ik ken uw waarde en uw hoge cijfer. Ik zal al uw gedrag met voldoening ontvangen.” Deze reacties staan op blz. 57 van het boek Nāsikh-ut-tawārīh.

Evenmin zouden alle scheldwoorden gericht aan de Amir Mu’āwiyah (radi Allāhu anhu) door bezoekers van Damascus zijn vrijzinnigheid aantasten. Hij zou hun vloeken met goederen en geldelijke geschenken opgeven. Hier is een voorbeeld uit het bovengenoemde sjiitische boek: “Bezoekers van Damascus uit de omgeving van Hazrat Ali zouden zweren bij Mu’āwiyah en hem pijn doen. Hij zou ze cadeautjes geven van de Bayt-ul-māl. Zo zouden ze naar huis terugkeren zonder enige schade of ergernis te hebben geleden.” (blz:38) Zoals uit deze geschriften wordt begrepen, is het een afschuwelijke laster en een flagrante leugen om Hazrat Mu’āwiyah de schuld te geven van het martelaarschap van Hazrat Hussain en hem te belasteren vanwege een onterechte beschuldiging.

Overigens is het uitgesloten om te proberen Hazrat Mu’āwiyah (radi Allāhu anhu) te belasteren vanwege de beschuldiging dat hij Hazrat Hasan (radi Allāhu anhu) heeft vergiftigd. Zoals geschreven staat op blz. 323 van het sjiitische boek Jilā-ul-‘Uyûn, zei Hazrat Hasan: “Ik zweer in de naam van Allāh Ta’ālā dat Mu’āwiyah beter is dan deze mensen. Deze mensen beweren sjiieten te zijn. Toch hebben ze geprobeerd me te vermoorden en hebben ze mijn eigendom gestolen.”

In sjiitische boeken staat in verschillende vormen geschreven dat Yazid ook geen hand had in de moorden en dat hij, in tegenstelling tot wat gangbaar wordt gedacht, geen slecht mens was. Hij vergat nooit het advies van zijn vader over Hazrat Hussain. Hij schreef niets om Hazrat Hoessein uit te nodigen in de stad Kufa. Hij deed geen poging om hem te doden. Hij gaf ook geen bevel om hem te doden. Hij verheugde zich niet over zijn dood. Integendeel, hij voelde zich buitengewoon verdrietig en huilde bitter. Hij verklaarde een periode van rouw voor hem. Hij hekelde degenen die hem de marteldood hadden gemarteld zeer hardhandig. Hij toonde diep respect voor de Ahle-i-Bayt (huishouden, familie) van Hazrat Hussain, en vervulde hun wens om Damascus te verlaten en naar Medina te gaan, hen met grote eer en vriendelijkheid te behandelen en hen te zien vertrekken onder de bescherming van een detachement lijfwachten. Sjiitische boeken gaan dieper in op deze feiten.

De beroemde sjiitische theoloog Mollah Bāqir Mejlīsī vertelt in zijn boek Jilā-ul ‘uyûn op blz. 424 als volgt: “Yazid benoemde Walid bin ‘Uqba bin Abu Sufyān, die bekend stond om zijn vriendelijkheid jegens de Ahle-i-Bayt, gouverneur van Medina. Hij ontsloeg Merwan bin Hakem, een vijand van Imām Hoessein en zijn nageslacht (radi-Allāh Ta’ālā ‘anhum ajma’in), van zijn plicht. Hij vervolgt op blz. 432: “Als Yazid de vijand van Imām Hoessein was geweest, zou hij een tegenover hem vijandige gouverneur niet hebben vervangen door één vriendschappelijke met hem.” Hij zegt in hetzelfde boek op blz. 424: “Op een nacht stuurde Walid Imām Hoessein en liet hem een brief zien die hij van Yazid had ontvangen. In de brief stond dat Hazrat Mu’āwiyah dood was en Yazid de nieuwe Khalifa. Hierop reciteerde Imām Hoessein de āyat: ‘Innā-lillah…’.” Deze schriftelijke verklaring laat zien dat Hazrat Hussain niet vijandig stond tegenover Hazrat Mu’āwiyah en dat hij hem kende als een echte moslim. Anders zou hij de āyat, “Innā-lillāh…”, niet hebben gereciteerd toen hij over zijn dood hoorde.

Toen Zajīr bin Qays het martelaarschap van Hazrat Hussain aan Yazid rapporteerde, boog hij zijn hoofd en zei niets. Toen hief hij zijn hoofd op en zei: “Ik wilde dat je hem gehoorzaamde, niet om hem te doden. Ik zou Hoessein vergeven hebben als ik daar was geweest.” Dit feit staat op blz. 269 van het boek Nāsikh-ut-tawārīh.

Het staat als volgt ook geschreven op blz. 321 van het sjiitische boek Nahjul-Ahzān, dat in Iran werd gedrukt: “Iemand kwam langs met wat hij beschouwde als blijde boodschap en zei tegen Yazid: ‘Gefeliciteerd! Hoesseins hoofd is gearriveerd.’ Dit ergerde Yazid. Hij schold de man boos uit en zei: “Moge je nooit blijde boodschap krijgen!”

Het staat als volgt op blz. 229 van het boek Nāsikh-ut-tawārīh: “Shimirzil-jawshan zette Imām Husayn’s gezegende hoofd met trots voor Yazid en pochte: ‘Vul de zadeltassen van mijn kameel met goud en zilver, want ik heb de beste mensen gedood met betrekking tot ouders.’ ‘Verwacht nooit een prijs van mij’, was het antwoord van Yazid. Doodsbang en teleurgesteld ging de man terug. Zijn aandeel was niets, zowel in deze wereld als in de volgende.” Op de tweehonderdzeventig seconden (272) pagina van het (zelfde) boek staat geschreven dat hij (Yazid) de kwaadsprekendheid uitsprak: “Moge zijn moordenaar gedoemd zijn tot de toorn van Allah!”

Zoals duidelijk wordt vermeld in sjiitische boeken, waren niet alleen Hazrat Mu’āwiyah en Yazid absoluut vrij van het gezegende bloed van Hazrat Hussain (radi Allāhu anhu), maar ook ibn Ziyād en ibn Sa’d en zelfs Shimir behoorden niet tot degenen die de gezegende persoon martelden. Het staat als volgt in de sjiitische boeken geschreven in het boek Rafāqat-i-Hussain:

1) Mensen die tegen Imām Hoessein vochten waren geen inwoners of Hijāzīs (volk van Hidjaz). Ze kwamen allemaal uit Kufa. Khulāsa-t-ul-masāib, p. 201

2) Imām-i-Hussain werd gemarteld door Irāqīs (volk van Irak). Geen enkele inwoner was er bij. Degenen die de beruchte wreedheid tegen de Ahle-i-Bayt pleegden, waren mensen van Kufa. Mas’ûdī

3) Het is een vaststaand feit dat er geen inwoner waren onder de mensen die Imām Hoessein martelden. Mas’ûdī p. 21

4) Abu Mahnaf informeert dat het leger van Ibn Ziyād een tachtigduizend man sterke cavalerie bevatte en dat het hele aantal bestond uit mensen uit Kufa. (Nāsikh-ut-tawārīh, v. 6; p. 173)

5) Geen van de sjiieten die op andere plaatsen dan Kufa woonden, kwam de Imām helpen. Echter, gelijktijdig met een antwoord op de brief die hij van het volk van Kufa had ontvangen, had hij een brief gestuurd naar de mensen van Basra, waarin hij om hun steun vroeg; en de sjiieten die in Basra woonden, hadden teruggeschreven dat ze zouden helpen. (Jilā-ul ‘uyûn) Mensen die Imām Hoessein martelden in Karbala waren dezelfde mensen die verraadt en wreedheid hadden beraamd tegen Imām Ali en Imām Hasan. Twaalfduizend mensen kwamen samen en schreven een brief aan Imām Hoessein, waarin ze hem uitnodigden in Kufa en hun steun beloofden. Het waren echter dezelfde mensen die Hazrat Husayn’s neef van vaderskant, moslim Uqayl, martelden, een vertegenwoordiger die door de gezegende Imām werd gestuurd als dank voor hun uitnodiging. Dezelfde mensen vermomden zich opnieuw als soldaten van Yazid, anticipeerden op de komst van Imām Hussain en martelden hem in Karbala. In het sjiitische boek Majālis ul- Mu’minin staat geschreven dat een sjiiet genaamd Musayyib bin Nuhba en ‘Umar bin Sa’d ibn Abī Waqqās naar Karbala gingen.

6) Shīs bin Rabi’ī, een commandant onder ‘Umar bin Sa’d, en vierduizend sjiieten onder zijn bevel vielen de gezegende Imām aan. Jilā-ul ‘uyûn

 7) Shīs bin Rabi’ī was de eerste weerzinwekkende persoon die uit zijn paard stapte om het gezegende hoofd van de Imām af te snijden. Khulāsa-tul-Masāib, p. 37

8) Toen Imām Hoessein Mujār bin Hajar en Yazid bin Hāris onder zijn belagers zag, zei hij: “Bent u de uitnodigingsbrieven vergeten die u mij schreef?” Khulāsa-tul-Masāib, p. 138

9) Toen de Imām het martelaarschap bereikte, lachte Habīb bin Muzāhir, commandant van de rechtervleugel van het leger van de Imām, en zei: “De Ashura-dag is de dag van vreugde en feest.”

10) Een andere persoon die erkent dat Imām Hoessein door sjiieten werd gemarteld, is Qādi Nûrullah Shusterī, een eminente sjiitische geleerde.

Tot slot

Geleerden van Ahle as-sunnat schreven talloze boeken die het feit bewijzen dat mensen die de authentieke Mazahib van de islam weigeren, ketterij prediken en proberen de islam van binnenuit te slopen. Tweeëndertig van zulke waardevolle boeken, hun titels en auteurs, werden toegevoegd aan de tachtigste (80) Risālah (schriftuur), geschreven door Hazrat Imām Rabbāni, wiens biografie zal volgen, – die een heel hoofdstuk van dit boek beslaat, (onmiddellijk na een biografie van Hazrat Mu’āwiyah (‘radi-Allāh ‘anhu’).

Het advies van de Profeet Mohammed ﷺ over het behandelen van wonden en snijwonden

In de Ṣaḥīḥayn is verteld dat Sahīl bin Sa’d (radi Allāhu anhu) werd gevraagd hoe de verwondingen van de Boodschapper ﷺ van Allāh Ta’ālā werden behandeld in de oorlog van Uhood. Sahīl (radi Allāhu anhu) zei: “Het gezicht van de Profeet Mohammed ﷺ was verwond, zijn tand was gebroken en de helm die hij droeg was op zijn hoofd verbrijzeld.  Sayyidah Fatima (radi Allāhu anha), de dochter van de Boodschapper ﷺ van Allāh, waste het bloed af, terwijl Hazrat Ali (radi Allāhu anhu) met zijn schild water op haar handen deed. Toen Sayyidah Fatima (radi Allāhu anha) zich realiseerde dat het bloeden niet stopte, nam hij een beetje as (van palmbladeren) en stopte de as in de wond van de Profeet Mohammed ﷺ en het bloeden stopte.”

As van verbrande palmbladeren is effectief in het stoppen van bloedingen, omdat het een sterk droogmiddel is en omdat het de minste brandende werking heeft (op de blootgestelde huid).

Andere st. rong uitdrogende remedies hebben een brandend effect op de huid en veroorzaken irritatie van de huid en kunnen het bloeden intensiveren. Als de as van de palm alleen of gemengd met azijn opnieuw wordt aangebracht op een bloedende neus, zal het bloeden stoppen.

De auteur van Al-Qanoon zei: “Al-Baradï (papyrus) is effectief in het stoppen van bloeden en het bedekken van blootgesteld vlees wanneer het op een wond wordt gezet. In het oude Egypte werd papier gemaakt van de Baradï die een koude droge natuur heeft. Baradï as is effectief bij de behandeling van orale schimmel en infectie, bloed ophoesten en voorkomt ook dat kwaadaardig infecties zich verspreidt.”

Translate »
error: Content is protected !!
Begin met chatten ..
1
Zoek eerst het Shari'ah antwoord op in de kennisbank, anders hoe kan ik u van dienst zijn?