Sheikh-ul-islam Taj-ul-Ulema Badr-ul-Fuqaha Mujaddid-e-Meh’ta Hadira Alahazrat Azim-ul-Barkat Imām Ahmad Raza Al-Qādri Barkāti Muhaqqiq Bareilvi (radi-Allāhu ‘Anhu)

Onderzoeksvragen (A)

Wat is de uitspraak van de Ulema van de islam over Allāh’s Waarneming? Heeft Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Allāh Ta’ālā met zijn blote oog gezien in de nacht van Mirāj (hemelreis)? Is er een bewijs in de Hadith Sharīf over dit onderwerp? Gelieve ons authentieke bronnen van de heilige Shari’ah bewijzen te leveren ter verduidelijking van deze kwestie. Moge Allāh Ta’ālā u zegenen voor de dienstbaarheid van de Dien (godsdienst).

Volmaakte antwoorden

(Rechtstreeks getraceerd uit de ahadīth)

Imām Ahmad ibn Hanbal schrijft in zijn Musnad, dat Sayyidena Abdullah ibn Abbās (radi-Allāhu ‘Anhuma) verhaalde dat de Profeet ﷺ zei: “Ik zag mijn Sublieme Schepper.”  Imām Jalāluddin Suyuti schrijft in zijn Khsa’is-e-Qubra en Allāma Abdur Rauf Munadi (radi-Allāhu ‘Anhuma) schrijven in hun Tafsir Sharh Jameh Saghir dat deze Hadith Sharīf sahīh (authentiek) is.

Imām Muhaddith ibn Askar vertelt gehoord te hebben van Sayyidena Jābir bin Abdullah (radi-Allāhu ‘Anhuma), dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zei: “Voorwaar, Allāh Ta’ālā heeft Sayyidena Musā (alayhi’s salām) gezegend met het privilege van de dialoog en mij gekoesterd met de Goddelijke Waarneming en mij verheven met de Kroon van Voorbede en de Fontein van Kausar.”

Imām Askar vertelt ook van Sayyidena Abdullah ibn Mas’ud (radi-Allāhu ‘Anhuma) gehoord te hebben dat de Profeet ﷺ zei: “Mijn Glorieuze Heer zei tegen mij: ‘Ik gaf mijn vriendschap aan Sayyidena Ibrāhīm (alayhi’s salām) en sprak met Sayyidena Musā (alayhi’s salām) en O! Mohammed! Ik heb jou gezegend met mijn Ontmoeting (waar je Mijn Goddelijke Bestaan zonder obstakels zag).”

In Majma-ul-Bihār is het woord kafāhā van bovenstaande Hadith Sharīf als volgt uitgelegd: “Het woord, dat Allāh Ta’ālā zijn geliefde mee gezegend had met een dergelijke Aanwezigheid en Waarneming, dat er geen sluiers als belemmeringen waren en geen tussenkomst van een engel.”

Ibn Marduwiyya (radi-Allāhu ‘Anhu) vertelt dat Sayyidah Asmā bint Abu Bakr (radi-Allāhu ‘Anha) verhaalde: “Sayyidena RasoolAllāh ﷺ is prees de voortreffelijkheid van Sidrat-ul-Muntaha toen ik hem vroeg: “Yā RasoolAllāh ﷺ! Wat zag u op Sidrat-ul-Muntaha?” Hij antwoordde: “Daar zag ik de Allāh’s Glorie (dat wil zeggen van Allāh Ta’ālā).”

Toelichting van de nobele Sahāba

Imām Tirmizi vertelde dat hij gehoord had van Sayyidena Abdullah ibn Abbās (radi-Allāhu ‘Anhuma): “Wij, de Bani Hashim (Ahle-Aas), zeggen dat Sayyidena Mohammed ﷺ ongetwijfeld Allāh Ta’ālā tweemaal zag.”

Ibn Ishāq vertelde gehoord te hebben van Sayyidena Abdullah ibn Abi-Salma (radi-Allāhu ‘Anhuma), dat Sayyidena Abdullah ibn Umar aan Sayyidena Abdullah ibn Abbās (radi-Allāhu ‘‘Anhum) vroeg om uit te zoeken of Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Allāh Ta’ālā had gezien. Hij antwoordde: “Ja, hij heeft gezien.”

De woorden van Imām Tabrānī

 De woorden van Tabrānī verklaren, dat Sayyidena Abdullah ibn Abbās (radi-Allāhu ‘Anhuma) zei dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Allāh Ta’ālā zag. Akrama, die zijn leerling was, vroeg aan hem: “Heeft Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Ta’ālā Allāh gezien?” Hij antwoordde: “Ja, Allāh Ta’ālā zegende Sayyidena Musā (alayhi’s salām) met dialoog, Sayyidena Ibrāhīm (alayhi’s salām) met vriendschap en Sayyidena Mohammed ﷺ met Zijn Goddelijke Aanwezigheid” (Woorden van Tabrānī). “En voorwaar, Sayyidena Mohammed ﷺ zag Allāh Ta’ālā tweemaal.”

Imām Tirmizi stelt dat deze Hadith Sharīf Hasan is. Imām Nasā’ī, Imām Ibn Hazima en Imām Hākim (radi-Allāhu ‘‘Anhum) rapporteerden de volgende: “Ben je verbaasd over de dialoog van Sayyidena Musā (alayhi’s salām), Vriendschap van Sayyidena Ibrāhīm (alayhi’s salām) en de Goddelijke Waarneming van Sayyidena Mohammed ﷺ? Hākim zei dat dit een Sahīh Hadith Sharīf is. Imām Qasṭallānī en Imām Zurqani (radi-Allāhu ‘Anhuma) erkennen de authenticiteit van deze Hadith Sharīf.

Het is verteld in Tabrānī en Moh’jam Awsat: “Sayyidena Abdullah ibn Abbās (radi-Allāhu ‘Anhu) verhaalde: “Voorwaar, Sayyidena Mohammed ﷺ zag zijn Heer tweemaal, eenmaal met zijn lichamelijke ogen en een keer met de ogen van zijn hart.”

Imām Suyuti, Imām Qasṭallānī, Allāma Shāmi en Allāma Zurqani (radi-Allāhu ‘‘Anhum) zeggen allemaal dat er geen twijfels zijn in de authenticiteit van deze Hadith Sharīf.

Imām-ul-A’imma Ibn Hazima en Imām Bazāz zeiden dat Sayyidena Anas ibn Malik (radi-Allāhu ‘‘Anhum) verhaalde: “Voorwaar, Sayyidena Mohammed ﷺ zag zijn Barmhartige Schepper.”

Imām Ahmad Qasṭallānī en Imām Abdul Baqi Zurqani (radi-Allāhu ‘Anhuma) verklaarden, dat de authenticiteit van deze Hadith Sharīf erg sterk is.

Imām Mohammed ibn Ishāq vertelt ook deze Hadith Sharīf van Sayyidena Abu Huraira (radi-Allāhu ‘Anhuma).

Marwan vroeg aan Sayyidena Abu-Huraira of Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Allāh Ta’ālā zag, hij antwoordde: “Ja.”

Standpunten van de Tābi’īn

Imām Abdur Razzaq, Ustaaz van Imām Sahīh al-Bukhārī, rapporteerde in zijn beroemde Musānnif verslagen van zijn Ustaaz Imām Mah’mar (radi-Allāhu ‘‘Anhum), dat Imām Mah’mar vertelde gehoord te hebben van Imām Hasan Al-Basrī (radi-Allāhu ‘‘Anhum) die een eed zwoer in de Naam van Allāh Ta’ālā, dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zijn Schepper (Allāh Ta’ālā) werkelijk had gezien.

Ook Imām Ibn Hazima vertelde gehoord te hebben van Sayyidena Urwa bin Zubair (radi-Allāhu ‘Anhuma), die de neef is van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ en kleinzoon van Sayyidena Abu Bakr (radi-Allāhu ‘Anhu), dat ook hij aanvaardt dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ Allāh Ta’ālā de nacht van Mirāj zag, en hij werd heel boos als iemand dit verwierp.

De volgende omvatten vergelijkbare standpunten
  1. Sayyidena Kaab Ahbar, een groot Alim van de vorige Geschriften.
  2. Imām Ibn Sha’hab Zahri Qarshi
  3. Imām Mujāhid Makhzoomi Makkie
  4. Imām Akrama bin Abdullah Madani Hashmi
  5. Imām Ata bin Rabah Qarshi Makkie, Ustaaz van Imām Abu-Hanīfa.
  6. Imām Muslim bin Sabih Abu’d-Duha, enz. en alle studenten van Alim-ul-Qur’ān Jabr-ul-Ummah Sayyidena Abdullah ibn Abbās bevestigen de Goddelijke Waarneming. (Radi-Allāhu ‘‘Anhum)

Imām Ahmad Qasṭallānī (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Mawāhib-ul-Ladduniya meningen van de illustere A’imma van Dien:

  1. Imām Khal’lal schreef in Kitāb-us-Sunnah gehoord te hebben van Imām Ishāq bin Marozi, dat Imām Ahmad ibn Hanbal (radi-Allāhu ‘‘Anhum) deze Hadith aanvaarde en bevestigde dit door te zeggen, dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zei: “Ik zag mijn Schepper (Allāh Ta’ālā).” (Kort genoteerd)
  2. Imām Naqqash schreef in zijn Tafsir gehoord te hebben van Imām Sanad-ul-Anam (radi-Allāhu ‘Anhuma) die zei: “Ik accepteer de Hadith van Ibn Abbās (radi-Allāhu ‘Anhu) dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zijn Schepper (Allāh Ta’ālā) met zijn ogen zag, hij zag, hij zag, hij zag.” (Hij herhaalde dit tot hij weer moest ademen).
  3. Imām Ibn Khatib Misri (radi-Allāhu ‘Anhu) schreef in Mawāhib Sharīf: “Mah’mar bin Rashid Basrī bul-Hasan Ash’ari en anderen Ulema erkennen dit, en dit is de Mazhab van de Ahle-Sunnah, Imām Abul Hasan Ash’ari (radi-Allāhu ‘‘Anhum) en de meerderheid van zijn volgelingen.
  4. Allāma Imām Sha’hab Khafaji schreef in zijn Nasim-ur-Riyaad het commentaar van Shifa Qāzi Iyād (radi-Allāhu ‘Anhuma), waarin hij verklaarde: “De meest correcte en zuivere Mazhab is dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ in de nacht van Mirāj Allāh Ta’ālā met zijn blote ogen zag, en dit is de Mazhab en consensus van de illustere Sahāba broederschap.
  5. Imām Nawāwi schreef in Sharh Moslim Sharīf en Allāma Mohammed bin Abdul Baqi (radi-Allāhu ‘Anhuma) in Sharh Mawāhib: “Het is de consensus van de meerderheid Ulema, dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ   Allāh Ta’ālā met zijn blote ogen zag in de nacht van Mirāj.”
Onderzoeksvraag (B)

Een andere soortgelijke vraag werd gesteld aan de Grote Mujaddid Imām Ahmad Raza Al-Qādri (radi-Allāhu ‘Anhu) op 11 Muharram al-Haram 1320 AH die als volgt luidt:

Wat is de uitspraak van de Nobele Ulema betreffende Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zijn reis tot de Arsh in de nacht van Mirāj? Is dit een vaststaand feit, omdat Zaid zegt dat dit een leugen is. Is Zaid’s verklaring correct of niet?

Antwoord

Inderdaad de illustere Ulema en onderscheiden A’imma van de islam hebben zich in hun authentieke boeken in veel details uitgedrukt over dit onderwerp. Al deze details zijn gebaseerd op de Ahadīth Sharīf. Hoewel deze Ahadīth doorgestuurd worden of problematisch zijn, beide zijn unaniem overeengekomen en aanvaard door de sector Fadā’il (deugden) door de Muhaddithīn. De vertellers en presentatoren zijn allemaal betrouwbaar aangaande hun persoonlijke mening. Het hangt volledig af van de echtheid van het vaste bewijs. Vandaar bevestiging betreurt tegenstrijdigheid. Onwetendheid verwerpt niet noodzakelijkerwijs, in feite is een leugenaar een tegenstander van de Dien.

Imām-e-Ajal Sayyid Mohammed Boseri (radi-Allāhu ‘Anhu) schreef in zijn vermaarde Qasida Burdah Sharīf: “De Habib ﷺ van Allāh Ta’ālā reisde, in korte tijd, van Masjid-e-Haram naar Masjid-e-Aqsa. Deze heilige reis was blinkend als de schittering van de volle maan. De Geliefde ﷺ reisde in de nacht van Mirāj totdat hij het station van Qaba Qawsayn bereikte. Geen creatie kon deze hoogte bereiken, noch bezat de moed om dat te doen. De adellijke status van de Nabi ﷺ liet alles achter zich toen hij reisde naar de Goddelijke Hoogte van de Unieke Heer (Allāh Ta’ālā) in de Nacht van Hemelvaart. De Geliefde ﷺ genoot van deze topkwaliteit dat niemand kan delen.  Hij passeerde dergelijke plaats waar geen schepping voet heeft gezet. Sayyid-ul-Alemīn ﷺ is gezegend met exclusieve cadeaus en geheimen en passeerde alle hoogtes zonder belemmering. Zonder twijfel, dit is om te zeggen dat de Meester ﷺ reisde alleen door de geheime en tijdloze regio’s tot aan de Goddelijke Aanwezigheid, ontmoette en zag Allāh Ta’ālā.”

Allāma Moellah Ali Qāri is in zijn Sharh ingegaan op Imām Boseri ’s (radi-Allāhu ‘Anhuma) verzen: “Sayyidena RasoolAllāh ﷺ passeerde alle Geheime Gordijnen en bereikte de Absolute Goddelijke Aanwezigheid van de Opperste Schepper (Allāh Ta’ālā), zoals iemand die zijn doel bereikt door alles achter zich te laten. Er was geen stap van uitmuntendheid in het gehele universum die de Meester ﷺ niet voorbijging. In feite is de Meester ﷺ transcendent boven het domein van de ruimte en tijd en op het station van Qaba Qawsayn en O’adna. Dan, sprak Allāh Ta’ālā in het Hooggerechtshof met de Geliefde wat Hij te zeggen had.”

Ook Imām-e-Humam Abu Abdullah Sharf-ud-Din Mohammad (radi-Allāhu ‘Anhu) schreef in Umm-ul-Qurra: “De Meester ﷺ ging verder de geavanceerde Qaba Qawsayn (Goddelijke Aanwezigheid) en dit is inderdaad de ultieme. Dit zijn de Geheime Stations die verlangens en gedachten niet kan bevatten, omdat er geen paden zijn die naartoe leiden.”

Imām Ibn Hajr Makkie (radi-Allāhu ‘Anhu) schreef opmerkingen in de Sharh van Umm-ul-Qurra: “Sommige A’imma (A’imma) verklaarden dat er tien Mirāj in de nacht van Isrā zijn geweest. Er waren zeven in de zeven hemelen, de achtste in Sidrat-ul-Muntaha, de negende in de Goddelijke Hoogten en het tiende naar de Arsh.”

Sayyid Allāma Arif-e-Billāh Abdul Ghani Nablusi (radi-Allāhu ‘Anhu) bevestigt dit opnieuw in Hadiqah-e-Nadiyyah Sharh Tariqah-e-Mohammadiyah: “Er waren tien Mirāj. Het tiende is van de Arsh tot de Goddelijke Aanwezigheid.”

Imām Ibn Hajr Makkie (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Sharh Hamziyya: “Nabi Sulaimān (alayhi’s salām) kreeg de wind die hem de afstand van een maand reis in één dag liet afleggen. Onze Meester ﷺ kreeg de Burāq die hem van de aarde naar de Arsh bracht in een vluchtig moment. Het kortste gedeelte van deze reis (tussen de aarde en de zeven hemelen) duurt zeventienduizend jaar. En Allāh Ta’ālā alleen weet de afstand boven de Arsh naar de mysterieuze niveaus met de Rafraf (aan de Goddelijke Aanwezigheid).”

Het is ook opgenomen in dezelfde Sharh Hamziya: “Nabi Musā (alayhi’s salām) is gezegend met dialoog (Kalām). Ook onze Meester ﷺ is gezegend in de nacht van Isrā met Goddelijke Aanwezigheid. Hij zag Allāh Ta’ālā van heel dichtbij met zijn blote oog. U kunt de ervaringen van de berg Toer niet vergelijken met de ervaringen van onze Meester ﷺ met Allāh Ta’ālā.”

Het is verder opgenomen in dezelfde Kitāb: “Sayyidena RasoolAllāh ﷺ is daadwerkelijk in waakzaamheid overgegaan tot het luchtruim in de nacht van Isrā. Van daar naar Sidrat-ul-Muntaha, vervolgens de Goddelijke Hoogten, dan Arsh en Rafraf tot hij de Goddelijke Bestaan zag.”

Allāma Ahmad bin Muhammad Sawi Mālikī Khal’wati (radi-Allāhu ‘Anhu) schrijft in een marginale annotatie van Umm-ul-Qurra: “De Geliefde Habīb ﷺ heeft de reis van Mirāj in waakzaamheid en met zijn lichaam en ziel gemaakt. Hij reisde vanaf Masjid-e-Haram naar Masjid-e-Aqsa. Vervolgens tot aan de hemel, dan Sidrat-ul-Muntaha, dan Goddelijke Niveaus dan Arsh, en vervolgens Rafraf.”

Imām Ash-Sheikh Sulaimān Al-Jamal (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Futuhat-e-Ahmad Sharh Hamziya: “De hoogten van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ in de nacht van Isrā werd vanuit Bait-ul-Muqaddas naar de zeven hemelen. En van daar naar waar Allāh Ta’ālā wilde. Maar, het is zo dat hij niet verder ging dan de Arsh.”

Ook is opgenomen in dezelfde Kitāb: “Er waren tien Mirāj in de nacht van Isrā. Zeven in de hemel, achtste Sidrat-ul-Muntaha, negende en tiende Goddelijke hoogten de Arsh. Het onderzoek van Mirāj geleerden zeggen dat hij niet verder ging dan de Arsh.”

Hij gaat verder door te zeggen: “Toen de Geliefde ﷺ de zevende hemel passeerde, werd de Sidrat-ul-Muntaha voor hem opgeheven. Hij passeerde het en bereikte de Goddelijke Hoogten. Hij werd vervolgens geplaatst in de wereld van de Noor (Goddelijke Licht). Daar passeerde hij zeventigduizend Gordijnen van Licht. De afstand tussen elk gordijn is een afstand van vijfhonderd jaar. Vervolgens werd een groen beddengoed voor hem opgehangen. De Meester ﷺ passeerde deze en bereikte de Arsh. Hij ging toen niet verder, maar bereikt het station van Qaba Qawsayn van zijn Heer (Allāh Ta’ālā).”

Toelichting van de groot Mujaddid Imām Ahmad Raza

Sulaimān Sjeik Al-Jamal (radi-Allāhu ‘Anhu) geeft de voorkeur aan de Meester ﷺ niet boven de Arsh te zijn gegaan, terwijl de geciteerde woorden en meningen van Imām Ibn Hajr Makkie (radi-Allāhu ‘Anhu) en anderen benadrukken, dat de Meester ﷺ verder ging boven de Arsh en La-Maqām (super mysterieuze Gewest buiten tijd en ruimte). La-Maqām is inderdaad boven de Arsh. Dus, in werkelijkheid is er geen tegenstrijdigheid tussen deze twee standpunten. De grenzen van de ruimte (maqām) eindigt bij de Arsh en daarna zijn dit de regio’s buiten tijd en ruimte. Een lichaam moet ruimte (maqām) hebben om zich daarin te kunnen bevinden, maar de Geliefde ﷺ begon met zijn heilige ziel aan de verste regio’s van de Arsh, Zijn heilige ziel ging verder dan alle beperkte grenzen om de Goddelijke Waarneming. De Schepper (Allāh Ta’ālā) die de Geliefde ﷺ daarnaar toe bracht of de Geliefde ﷺ die erheen ging kent deze grenzen. De woorden van Sayyid Makashifin Sheikh-e-Akbar ibn Arabī (radi-Allāhu ‘Anhu) wijst op dit feit. Kort zal ik zijn woorden citeren.

Hij zegt dat de reis naar Arsh de grenzen waren van de Geliefds ﷺ heilige voeten. Daarom is de reis van de heilige voeten geëindigd op de Arsh. Allāh Ta’ālā verbiedt! Deze beëindiging betekent niet dat er sprake was van eventuele gebreken of fouten in de heilige reis. In feite is de reis beëindigd, omdat de heilige voeten elke mogelijkheid, schepping en ruimte omvatte. Er was geen ruimte (maqām) voor de Geliefds ﷺ voeten te bereiken boven de Arsh. Maar de reis van de Geliefds ﷺ heilige hart beëindigd op Qaba Qawsayn. Is er enige twijfel in het hart van iemand dat de Geliefde ﷺ voorbij de Arsh reisde? Luister dan naar de woorden van Imām-e-Ajal Arif-e-Billāh Sayyid Ali Wafa die geciteerd worden door Imām Abdul Wahhāb Sha’rāni (radi-Allāhu ‘Anhuma) in zijn meesterstuk, Al-You “waqt Wal Jawāhir fi Aqā’id-ul-Akabir: “Een perfecte man is niet hij die de Arsh begrijpt en wat zij omvat, namelijk de hemelen, Jannah (Paradijs) en Jahannam (Hel). Maar, een perfecte man is hij, wiens visie al deze dimensies overstijgt en de glorie van de Schepper (Allāh Ta’ālā) van al deze dimensies ziet en waardeert.”

Allāma Imām Ahmad Qasṭallānī verklaarde in Mawāhib-ul-Ladduniya en Man’hi-Muhammadiya en Allāma Mohammed Zurqani (radi-Allāhu ‘Anhuma) in zijn Sharh: “Het was de exclusiviteit van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ toen hij Allāh Ta’ālā met zijn lichamelijke ogen in waakzaamheid zag en dit is de voorkeur Mazhab. Allāh Ta’ālā sprak met Zijn Geliefde in die hoge Goddelijke Regio’s die boven alle mogelijkheden en verbeelding gaat. Imām Ibn Askar vertelt uit Sayyidena Anas ibn Malik (radi-Allāhu ‘Anhu), dat de Profeet ﷺ van Allāh Ta’ālā zei: “In de nacht van Isrā trok mijn Heer (Allāh Ta’ālā) me zo dicht bij Hem, dat we twee strikken waren, in feite zelfs nog dichterbij.”

Het staat ook in dezelfde Kitābs: “Er was een verschil van mening tussen de Ulema of er sprake was van één Mirāj of twee, een met het lichaam en ziel in waakzaamheid, en de andere in een droom of waakzaamheid van Masjid-e-Haram naar Masjid-e-Aqsa. Dan, van Aqsa, in een droom tot Arsh. De waarheid is dat er sprake was van een Isrā en de hele reis van Masjid-e-Haram naar de Arsh werd fysiek en in waakzaamheid gemaakt.” Dit is de Mazhab van de meerderheid van de Ulema, Muhaddithīn, Fuqaha en Mutakallim.

Hetzelfde staat verder Kitāb: “Er waren tien Mirāj en het tiende ging tot aan de Arsh.”

Het is ook opgenomen in dezelfde Kitāb: “Het is gerapporteerd in Sahīh Al-Sahīh al-Bukhārī door Sayyidena Anas ibn Malik (radi-Allāhu ‘Anhu), dat de Geliefde Rasool ﷺ van Allāh Ta’ālā zei: “Jibra’il reisde met mij mee tot de Sidrat-ul-Muntaha. Vervolgens heeft de Goddelijke Kracht van de Heer mij op een afstand van twee bogen dicht bij Hem gebracht. In feite is zelfs nog dichterbij.” Deze toenadering is boven de Arsh zoals genoemd in de Hadith-e-Sharīf.

Allāma Sha’hab Khafaji verklaarde in zijn Nasim-ur-Riyad Sharh Shifa Imām Qāzi Iyād (radi-Allāhu ‘Anhuma): “Het is gerapporteerd in de Hadith van Mirāj, dat toen de Meester ﷺ Sidrat-ul-Muntaha bereikte, Sayyidena Jibra’il de Rafraf aan hem presenteerde, die hem naar de Arsh vervoerde.”

Er wordt op gewezen in dezelfde Kitāb: “De hoofdstukken van Sahīh Ahadīth benadrukken, dat de Meester ﷺ Jannah bezocht en de Arsh of de grenzen van die regio waar achter het extra domein (La-Maqām) bevindt. Dit alles gebeurde in fysiek en waakzaamheid.”

Sayyid-ul-Mukashifin Sheikh-e-Akbar Mohiyuddin ibn Arabī (radi-Allāhu ‘Anhu) schrijft in de 216e hoofdstuk van zijn beroemde Futuhat-e-Makkiyya: “De Heilige Qur’ān is het mooie karakter van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ en de unieke kenmerken van de Goddelijke Namen van Allāh Ta’ālā werd daarin gevonden. In de Heilige Qur’ān kondigt Allāh Ta’ālā via de lof van Zijn Attribuut kwaliteiten van Zijn Bestaan in de Heilige Arsh. Ook heeft Allāh Ta’ālā Zijn Geliefde ﷺ gezegend met de reflectie van Zijn Goddelijke Uiterlijk van de Heilige Arsh en Prees hem. De Arsh is het hoge station waar de Isrā van Rasools eindigt. Dit bewijst dat de Isrā van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ de fysieke is, want als het een droom was, dan zou Ta’ālā Allāh Zijn Bestaan in de Heilige Arsh niet hebben geprezen. Alleen het onaangename verwerpen deze realiteit.”

Imām Allāma Arif-e-Billāh Abdul Wahhāb Sha’rāni citeert in zijn Al-Yuwaqet Wal Jawāhir citaten van Sheikh-e-Akbar (radi-Allāhu ‘Anhuma): “Voorwaar, hij (Sheikh-e-Akbar) zei, de verklaring van lof van de verheven Habīb ﷺ ‘En tot die tijd toen ik werd verheven tot de Goddelijke Hoogten’ weerspiegeld het feit van de beëindiging van de fysieke voeten van de reis in het Heilige Arsh.”

Sheikh-e-Muhaqqiq Imām Abdul Haq Muhaddith Dehlvi (radi-Allāhu ‘Anhu) schrijft in zijn Madaraj-un-Nubuwwah dat Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zei: “Toen werd een groene Rafraf (Goddelijke Vervoer) voor mij geleid. Zijn licht was zelfs groter dan die van de zon. Zijn schittering verlichte mijn wezen. Ik ging erop zitten en het bracht mij naar de hemelen tot ik de Arsh van Allāh Ta’ālā bereikte.”

Hij stelt verder: “Het is verteld dat toen Sayyidena RasoolAllāh ﷺ de Arsh bereikte, de Arsh respectvol zijn kledij aanraakte.”

Hij verklaart in Ash’at-ul-Lama’at Sharah Mishkāt: “Niemand anders naast de Geliefde Habīb ﷺ bereikte deze hoogte in de hemelen.”

Dit was een tijdloze en ruimte minder transcendentale regio: “Mirāj overtreft de grenzen van de menselijke natuur als Allāh Ta’ālā Zijn bijzondere Dienaar werd meegenomen uit Masjid-e-Haram. Hij bereikt de Goddelijke Mysterieuze Zone die niet kan worden verklaard. Deze zone is geen plaats, aanduiding, naam of richting.”

Ook Sheikh-e-Muhaqqiq (radi-Allāhu ‘Anhu) schrijft in hetzelfde Kitāb, deel drie, onder “Goddelijke Visie van Allāh Ta’ālā”, terwijl de discussie over de Hadith Sharīf: “Inderdaad, Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zag zijn Sublieme Schepper tweemaal. Eerst op Sidrat-ul-Muntaha en vervolgens op de Arsh.”

Het is opgenomen in deel vier, briefnummer 283, in de Maktubāt van Hazrat Mujaddid Al-fi-Saani Sheikh Ahmad Sarhindi (radi-Allāhu ‘Anhu): “In de nacht van Mirāj verliet Sayyidena RasoolAllāh ﷺ de grenzen van tijd en ruimte niet en overtrof de beperkingen van de menselijke natuur. Hij zag de geheimen van eeuwigheid totdat eeuwigheid slankte tot een punt van Eenheid.”

Hij schrijft in briefnummer 272: “Sayyidena Mohammed ﷺ is de meest geliefde van Allāh Ta’ālā en de meest unieke schepping. Hij was de enige schepping die gezegend werd met fysieke Mirāj. Hij reisde verder dan de Arsh, Kursi en de beperkingen van tijd en ruimte.”

Imām Ibn-us-Salāh (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Mārifat-e-Anwa’e-Ilm-ul-Hadith: “De auteurs en juristen zeggen dat de Geliefde Habīb ﷺ zo en zogezegd heeft (beschrijvingen). Niemand begreep de uitleg van de Nabi. Muhaddith Abu-Bakr Al-Hāfiz vernoemt deze Hadith “Al-Mursal” in overeenstemming met die School die alle niet-Mustassil Ahadīth als Mursal classificeren.”

Het staat in Tal’weh, enz.: “Als de keten van de vertelling niet zijn vermeld, zal deze worden beschouwd als Mursal.”

Het is in Musāllam-ul-Suboot dat: “De Mursal Hadith zullen worden beschouwd als authentiek, omdat het de woorden van Sayyidena RasoolAllāh ﷺ zijn.”

Het is verklaard in Fawateh-ar-Rahmut: “Volgens de beginselen van Hadith (Usool) zullen alle Mursal Hadith worden geclassificeerd als Sahīh.”

Er is verder verklaart: “Als een Sahābi een Mursal Hadith vertelt, dan wordt dat unaniem aanvaard. Als een niet-Sahābi het vertelt, zal het ook worden beschouwd als aanvaard. Imām Abu-Hanīfa, Imām Malik en Imām Ahmad Ibn Hanbal (radi-Allāhu ‘‘Anhum) zeggen dat de Mursal van een niet-Sahābi onvoorwaardelijk zal worden aanvaard indien de vertellers onmiskenbaar zijn.”

Het is opgenomen in Mirqat Sharh Mishkāt: “Er is geen schade aan een Mursal Hadith als bewijs, omdat een Hadith-e-Munqata’ah (Hadith met gebroken keten van vertellers) geaccepteerd is als nuttig Fadā’il (met lof van verduidelijking).”

Imām Qāzi Iyād (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Shifa Sharīf: “Sayyidena RasoolAllāh ﷺ vertelde over de Shahāda (martelaarschap) van Sayyidena Ali (radi-Allāhu ‘Anhu) dat zijn aanvaller een Jahannami is. (Dit is een voorbeeld van een Mursal Hadith)

Het verklaart in Nasim-ur-Riyad: “Het is duidelijk dat deze informatie door de Profeet van Allāh Ta’ālā werd gegeven. Alle Muhaddithīn accepteren bovenstaande Hadith, naast Imām Ibne-Athir, die in Nihāyah zegt, dat Sayyidena Ali zei: “Ik ben de distributeur van het vuur.” Imām Sha’hab Khafaji zei dat Ibne-Athir correct is in zijn uitspraak over wat Sayyidena Ali (radi-Allāhu ‘‘Anhum) zei die niet wordt gebruikt als een opinie.” Daarom wordt deze Hadith ingedeeld als een Marfuh.

Imām Ibn ul-Hummām (radi-Allāhu ‘Anhu) verklaarde in Fath-ul-Qādir: “Als een Hadith geen vertellers heeft, zal de herkomst ervan niet worden afgewezen.”

Allāh Ta’ālā weet het beste!

Schriftelijk en ondertekend door d nederige dienaar van Allāh Ta’ālā, Imām Ahmed Al-Raza Bareilvi (radi-Allāhu ‘Anhu) \
Vrijdag, 16 Sha’bān-ul-Muazzam 1321 Hijri

Blijf scherp, deel dit.
Translate »
error: Content is protected !!