113 Surah al-Falaq

113 De Dauw

Allah’s Naam zijt het begin, de Barmhartige, de Genadevolle.


[113:1] Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van de dageraad.

[113:2] Tegen het kwade van wat Hij heeft geschapen.

[113:3] En tegen het kwade van de duisternis wanneer deze zich verspreidt.

[113:4] En tegen het kwade van degenen die vaste banden door boze inblazingen willen ontbinden.

[113:5] En van het kwade van de benijder wanneer deze benijdt.”



Tafsir ibn Kathir


Imām Ahmed hoorde van Zirr bin Hubaysh, dat Ubayy bin Ka`b hem vertelde dat Ibn Mas`ud (radi-Allāhu 'Anhum) de Mu`awwidatayn* niet opnam in zijn Mushaf (kopie van de Heilige Qur'ān). Dus zei Ubayy: “Ik getuig dat de Boodschapper ﷺ van Allāh mij vertelde dat Jibraïl tegen hem zei: ‘Zeg: "Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van al-Falaq’.” Zo heeft hij het gezegd. En Jibraïl vroeg aan hem: “Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van de mensheid.” Dus herhaalde hij het. Daarom zeggen wij wat de Profeet ﷺ zei.


In zijn Sahih registreerde Muslim op gezag van Uqbah bin `Amir (radi-Allāhu 'Anhuma) dat de Boodschapper ﷺ van Allāh zei: “Zie je niet dat Ayāt aan mij vanavond is onthuld, iets wat nog niet eerder is gezien, dat zijn ze ‘Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.” “Zeg: Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.” Ahmed, At-Tirmizi en An-Nasa'i. At-Tirmizi zei is Hasan Sahih.


Imām Malik registreerde vanuit Ā’ishah (radi-Allāhu 'Anha) dat telkens wanneer de Boodschapper ﷺ van Allāh aan een ziekte leed, hij de Mu’awwidatayn reciteerde voor zichzelf en blies (over zichzelf). En als zijn pijn ernstig werd, zei Ā’ishah (radi-Allāhu 'Anha) dat zij zelf de Mu’awwidatayn over hem reciteerde en dan zijn hand pakte en over hemzelf veegde op zoek naar de zegen van die Surah’s. Al-Bukhari, Abu Dawoed, An-Nasa'i en Ibn Mājāh


Het is gemeld van Abu Saied (radi-Allāhu 'Anhu) dat de Boodschapper ﷺ van Allāh deze surah’s gebruikte voor bescherming tegen de boze ogen van de Djinns en de mensheid, maar toen de Mu’awwidatayn werd onthuld, hij ze gebruikte (voor bescherming) en heeft alle andere dingen naast hen achtergelaten. At-Tirmizi, An-Nasa'i en Ibn Mājāh registreerden dit. At-Tirmizi zei: "Deze Hadith is Hasan Sahih."


Allāh Ta'ala zei: “Van het kwaad van wat Hij heeft geschapen.” (Dit betekent van het kwaad van alle geschapen dingen). Thabit Al-Bunani en Al-Hasan Al-Basri (radi-Allāhu 'Anhuma) zeiden: “Beiden, Hel, Iblies en zijn nageslacht, zijn uit dat wat Hij (Allāh Ta'ala) heeft geschapen.”


En van het kwaad van de ghāsiq toen waqab. Mujāhid (radi-Allāhu 'Anhu) zei: “Ghāsiq is de nacht, en waqab 'verwijst naar de ondergaande zon.” Al-Bukhari

Ibn Abi Najih rapporteerde ook een soortgelijke vertelling van hem (Mujāhid). Hetzelfde werd gezegd door Ibn Abbās, Muhammad bin Ka`b Al-Qurazi, Ad-Dahhak, Khusayf, Al-Hasan en Qatadah (radi-Allāhu 'Anhum). Ze zeiden: “Voorwaar, het is de nacht waarin het zich ontwikkelt met zijn duisternis.”


Ibn Zayd (radi-Allāhu 'Anhu) zei: “De Arabieren plachten te zeggen dat al-ghāsiq de declinatie is (van de positie) van de hemelse lichaam bekend als Plejades. Het aantal (degenen) die ziek waren en getroffen door de pest zouden toenemen wanneer het zou afnemen, en hun aantal zou verminderen wanneer het opging.”


Ibn Jarir (radi-Allāhu 'Anhu) zei: “Anderen hebben gezegd dat het de maan is.” De steun voor de mensen die deze functie bekleden (dat het de maan betekent) is een verhaal dat Imām Ahmed heeft overgenomen van Al-Harith bin Abi Salāmāh (radi-Allāhu 'Anhuma). Hij zei dat Ā’ishah (radi-Allāhu 'Anha) zei: “De Boodschapper ﷺ van Allāh pakte mij bij mijn hand en liet mij de maan zien toen hij opkwam, toen zei hij: ‘Zoek toevlucht bij Allāh tegen het kwaad van deze ghāsiq wanneer het donker wordt’.” At-Tirmizi en An-Nasa'i hebben dit beide vastgelegd Hadith in hun Books of Tafsir in hun Sunans.


* Al-Mu’awwidatayn, soms vertaald als "Verzen van Toevlucht", is een Arabische term die verwijst naar de laatste twee surah's (hoofdstukken) van de Heilige Qur'ān, te weten surah al-Falaq (H113) en surah An-Nā's (H114), twee opeenvolgende korte gebeden die beide beginnen met het vers: “Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van ....” Hoewel deze twee soera's afzonderlijke entiteiten in de Heilige Qur'ān zijn en ook in de Mushaf onder afzonderlijke namen zijn geschreven, zijn ze zo diep verwant met hun inhoud die veel op elkaar lijkt en daarom aangeduid met de algemene naam 'al-Mu’awwidatayn '(de twee surah's waarin toevlucht bij Allāh Ta'ala is gezocht). Imam Baihāqi heeft in 'Dalā’il an-Nubuwwah' geschreven dat deze surah's tezamen werden onthuld, en vandaar hun gecombineerde naam al-Mu’awwidatayn. Er is een Soennah-traditie van de Profeet over het reciteren op de zieken of vóór het slapen gaan, en ze worden ook als een genezing beschouwd.